Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-07-31
Gepubliceerd door
Gemeente Delft
Informatie
Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen Het college besluit: 1.de geactualiseerde ‘’Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen’’ met kenmerk 6422989 vast te stellen; 2.de raad voor te stellen de beleidsnota ‘’Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, kader voor ontwikkelingen’’ vastgesteld op 30-09-2021 (RIS 4533675) in te trekken; Samenvatting Waarom en voor wie? De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Daarom heeft Delft in april 2021 een beleidsnota voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgesteld (RIS 4533675). Dit sluit ook aan bij een belangrijk doel van de omgevingsvisie 2040 van Delft: het bevorderen van de biodiversiteit, door buitenruimten en nieuwe bebouwing natuurvriendelijk in te richten en te realiseren. Ter inspiratie, en om de resultaten van afgelopen jaren te laten zien, zijn in deze beleidsregel foto’s opgenomen van in Delft gerealiseerde projecten waar de beleidsnota natuurinclusief bouwen toegepast is. De beleidsnota wordt nu vervangen door de voorliggende beleidsregel. Deze beleidsregel is een inhoudelijke actualisatie op basis van de ervaringen in de eerste jaren. Zo hebben we onder andere gemerkt dat de huidige systematiek zich niet goed leent voor gebouwen met een bouwhoogte van hoger dan 15 meter of voor plannen waar de bijbehorende buitenruimte beperkt is. Dat passen we aan. Ook is opgenomen onder welke voorwaarden, en bij hoge uitzondering, afgeweken kan worden van de regels. Begrippen en definities Met natuurinclusief bouwen, ecologie en biodiversiteit in de gebouwde omgeving hebben we te maken met een aantal nieuwe begrippen. Aan het eind van dit toetsingssysteem vind je daarom een lijst met definities. Insectensteen Engelsestraat Zo werkt het Het toetsingssysteem werkt schalend. Dat betekent dat hoe groter het plangebied van een project is, hoe meer oppervlak met natuurinclusieve inrichting er komt. Dit is altijd in dezelfde verhouding. Dus de opgave om samen te zorgen voor natuur in onze gemeente wordt zo eerlijk verdeeld. Figuur 1. Visuele samenvatting van verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Voor een project kan gekozen worden uit verschillende maatregelen die punten opleveren. De hoeveelheid punten die behaald moet worden, hangt af van de hoeveelheid vierkante meters van het plangebied. Voorwaarde is wel dat de maatregelen die gekozen worden samen voldoende punten opleveren én bij elkaar passen om zo een goed leefgebied te vormen voor ambassadeursoorten. Zo zorgen we dat een plek echt geschikt wordt. En dat er voedsel, veiligheid, verblijfplaatsen, verbinding met de omgeving en voldoende variatie is voor verschillende diersoorten. Naast de natuurinclusieve maatregelen moeten er ook genoeg nest- en verblijfplaatsen voor de dieren worden gerealiseerd. Hoeveel dit er zijn, hangt af van het aantal vierkante meters bebouwd oppervlak en van de bouwhoogte. Samengevat bestaat de verplichting uit de volgende onderdelen: ○ Zorg voor voldoende ecologische waardevolle natuur in het plangebied (de groennorm) De groennorm is 30% van de oppervlakte van het plangebied 1 . ○ Kies ambassadeursoorten Deze ambassadeursoorten geven richting aan de te nemen maatregelen. In het plan moet gezorgd worden voor leefgebied voor een verplicht aantal ambassadeursoorten. Het aantal soorten is afhankelijk van de projectgrootte. ○ Zorg voor nest- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende diersoorten Dit betekent een nest- of verblijfplaats per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) voor gebouwbewonende soorten. Bij hoogbouw zijn dit twee verblijfplaatsen per 100 m2 bebouwd oppervlak. Bij kleine projecten (50-499 m2 plangebied) neem je maatregelen voor minimaal één soort. Bij middelgrote projecten (500-2.000 m2) geldt dat voor minimaal twee diersoorten maatregelen moeten worden genomen en bij grote projecten (>2.000 m2) voor minimaal drie verschillende soorten. Voor projecten kleiner dan 50 m2 zijn maatregelen niet verplicht, maar wordt wel sterk aanbevolen groene inrichtingsmaatregelen te nemen met inachtneming van het betreffende gebied en bijbehorende ambassadeurssoorten. ○ Haal voldoende punten voor natuurinclusieve maatregelen Zorg voor een selectie van natuurinclusieve maatregelen: per maatregel worden punten toegekend. Bij nieuwbouwprojecten moeten minimaal 2 punten per 100 m2 plangebied behaald worden, bij ingrijpende renovatie is dat 1 punt per 100 m2 plangebied. De natuurinclusieve maatregelen moeten daarnaast passen bij de gekozen ambassadeursoorten. Elke maatregel heeft een eigen aantal punten. Het puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2, of een deel of veelvoud hiervan. Het inrichten met een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt. ○ Stuur het toetsingsformulier en de bijlage(n) naar de gemeente Voor de plantoetsing moet het toetsingsformulier met de documenten die erbij horen naar de gemeente worden gestuurd. Dit zijn de indieningsvereisten. 1 Inleiding en doel van dit toetsingssysteem In april 2021 heeft de gemeente Delft het puntensysteem Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen vastgesteld. Doelstelling van dit beleid, vastgelegd in beleidsregels, was het volwaardig meenemen van flora en fauna in gebiedsontwikkel- en bouwprojecten. Maatregelen die bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit ‘liften mee’ bij bouwprojecten: zodanig bouwen en ontwikkelen dat (ook) de natuur er baat bij heeft. Inmiddels wordt bijna vijf jaar gewerkt met dit puntensysteem. Het leidt geen twijfel dat dit systeem heeft geleid tot het verbeteren van de biodiversiteit bij projecten. Ter inspiratie, en om de resultaten van afgelopen jaren te laten zien, zijn in deze beleidsregel foto’s opgenomen van in Delft gerealiseerde projecten waar het beleidsnota natuurinclusief bouwen toegepast is. Toch kan het beter. Hier bestaat een aantal aanleidingen voor: •In de praktijk lopen we tegen knelpunten en dilemma’s aan, die willen we oplossen. Voorbeeld van een praktijkprobleem is dat in de huidige systematiek een relatief hoog gebouw met een kleine footprint en weinig buitenruimte (zoals in Nieuw Delft) gezien wordt als “middelgroot project”. Het blijkt erg lastig om de punten die dan voor natuurinclusief gehaald moeten worden ook daadwerkelijk te realiseren. Dat willen we verbeteren; •In de huidige systematiek zijn geen mogelijkheden opgenomen om, in uitzonderlijke gevallen, af te wijken van de regels; •Verschillende gemeenten in Nederland werken met verschillende systematieken voor natuurinclusief bouwen. Voor onderhavige systematiek hebben we samengewerkt met een viertal gemeenten (Leiden, Amsterdam, Tilburg en Amsterdam) zodat marktpartijen niet in elke gemeente met een ander beleid te maken hebben. Ook de provincie Utrecht heeft de systematiek overgenomen en als handreiking voor de Utrechtse gemeenten meegegeven; •In de eind 2024 vastgestelde Visie Groen en Biodiversiteit is het belang van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen nogmaals onderstreept en deze actualisatie aangekondigd. Natuurinclusief bouwen is het op zo’n manier ontwikkelen van gebouwen en omgeving dat de natuur er baat bij heeft. Hierdoor dragen ontwikkelingen bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. De gemeente heeft dit toetsingssysteem met puntensysteem opgesteld om natuurinclusief bouwen concreet te maken voor bouwprojecten. Dit geldt voor nieuwbouw, ingrijpende renovatie en gebiedsontwikkeling. 1.1 Achtergrond De hoeveelheid natuur en biodiversiteit in Nederland zijn in de afgelopen jaren sterk afgenomen. Dit heeft grote negatieve gevolgen voor de kwaliteit van de leefomgeving voor mens en dier. Biodiversiteit en natuur hebben namelijk veel positieve effecten. Ze zorgen voor o.a. een gezonde leefomgeving met ruimte om te bewegen, elkaar te ontmoeten en te spelen. Ook zorgt de natuur dat we de gevolgen van een veranderend klimaat beter kunnen opvangen. Denk bijvoorbeeld aan hevigere regenbuien en langere periodes van droogte. Diversiteit in soorten (biodiversiteit) zorgt voor robuustheid, zodat de natuur tegen een stootje kan of tegen een plaag is opgewassen. De natuur levert ook ons voedsel en veel van onze medicijnen. Kortom: zij is onmisbaar en we moeten er zuinig mee omgaan. Tegelijkertijd is de druk op de ruimte in de gebouwde omgeving hoog. We zijn op zoek naar ruimte voor meer woningen, plekken om te recreëren en plaatsen voor bedrijvigheid. Het is belangrijk dat de natuur daarbij niet steeds het onderspit delft. Daarom weegt de gemeente de natuur volwaardig mee in ruimtelijke opgaven. De natuur is één van de belanghebbenden en is één van de doelen voor onze leefomgeving. 1.2 Het doel van het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Dit toetsingssysteem geeft duidelijkheid over de verplichtingen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen bij bouwopgaven. Zo informeert de gemeente projectteams en initiatiefnemers hoe zij biodiversiteit en natuurinclusiviteit kunnen meenemen in een bouwproject of inrichtingsopgave. Bij het natuurinclusief puntensysteem en de begeleidende informatie over ambassadeursoorten en natuurinclusieve maatregelen wordt weergegeven welke maatregelen gewenst zijn en hoeveel maatregelen genomen moeten worden om te voldoen aan de verplichting van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. 1.3 De wetgeving en beleid voor natuurinclusief bouwen Natuurinclusief Bouwen is op diverse plekken al in het Delftse beleid benoemd en vastgelegd. Zo is in de Omgevingsvisie Delft 2040 “Samen maken we de stad” (vastgesteld in 2021) gesteld dat natuurinclusief bouwen in Delft de standaard wordt. Ook in de eind 2024 vastgestelde Visie Groen en Biodiversiteit wordt het belang van natuurinclusief bouwen nogmaals benadrukt. In de Delftse beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen wordt verwezen naar natuurinclusief bouwen. Ook de beleidsregel Klimaatadaptief bouwen is de afgelopen tijd geëvalueerd en wordt naar aanleiding daarvan geactualiseerd. Hierbij is ook gekeken naar eventuele overlap en onduidelijkheid tussen beide onderwerpen en zijn deze in de huidige versie weggenomen. Maar natuurinclusief bouwen is óók verplicht vanuit beleid van hogere overheden en verschillende wet- en regelgeving: -bestaand beleid van de provincie en het Rijk. Zoals de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie; -de Europese Natuurherstelverordening; -het Omgevingsbeleid van Provinciale Staten; -Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering in Delft (oktober 2022). In dit kader is het in ieder geval van belang de Europese Natuurherstelverordening te benoemen. Deze EU-herstelwet verplicht de lidstaten ervoor zorg te dragen dat er op nationaal niveau geen nettoverlies is van stedelijke groene ruimte en stedelijke boomkroonbedekking ten opzichte van 2021. Ook wordt de lidstaten voorgeschreven te zorgen voor een toename van de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte. Een overzicht en korte beschrijving van de wet- en regelgeving is opgenomen in bijlage I. 1.4 De relatie met wettelijke natuurbescherming en SoortenManagementPlan Naast natuurinclusief bouwen gelden ook de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming. De ecologische onderzoeken en mitigerende maatregelen blijven verplicht, zoals de ecologische quickscan en het aanbieden van alternatieve, tijdelijke verblijfplaatsen wanneer er beschermde soorten in het plangebied zitten. Wanneer er permanent maatregelen, zoals nestverblijven, moeten worden gerealiseerd voor de wettelijke verplichting van soortbescherming (vanuit locatie-onderzoeken of een SMP), moeten deze maatregelen meegeteld worden voor natuurinclusief bouwen. De opgave met de hoogste doelstelling in de hoeveelheid maatregelen geldt. Moeten er dus 20 verblijfsplaatsen gerealiseerd worden als compensatie voor wettelijke natuurbescherming en 16 vanuit dit kader voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, dan moeten er dus 20 worden gerealiseerd. Daarnaast is in Delft voor een aantal wijken een soortmanagementplan (SMP) opgesteld waarmee een gebiedsgerichte ontheffing is verkregen. https://www.delft.nl/soortenmanagementplan Wanneer er leefgebied gerealiseerd moet worden voor een aanwezige soort als onderdeel van een werkprotocol uit het SMP, dan kan het kader voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen gebruikt worden om te onderbouwen dat er voldoende wordt gedaan voor de betreffende soort. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 is opgenomen wanneer voldaan moet worden aan dit toetsingssysteem en wat de gemeente bijvoorbeeld ziet als ‘nieuwbouw’. Ook staat hier welke verplichtingen gelden voor projecten inclusief de randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan. In hoofdstuk 3 is het stappenplan voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen opgenomen. Stap voor stap is weergegeven wat nodig is bij projectontwikkeling. Ook staat hier de werkwijze opgenomen voor gebiedsontwikkeling. Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen draait om ruimte maken voor de ambassadeursoorten. De ambassadeursoorten die Delft heeft gekozen zijn opgenomen in hoofdstuk 4 en welke natuur en biotopen daarvoor nodig zijn. Tenslotte staat in hoofdstuk 5 hoe het toetsingsformulier werkt dat de gemeente gebruikt. Stap voor stap is aangegeven hoe dit formulier ingevuld kan worden en hoe daaraan kan worden voldaan. In bijlage VI zijn de natuurinclusieve maatregelen die concreet gekozen kunnen worden opgenomen. Ook staat er welke punten verkregen worden voor welke maatregelen. Daarnaast staat hoe te voldoen aan de verplichte nest- en verblijfplaatsen. Neststeen voor huismus Lumen 2 Doelstellingen, verplichtingen en reikwijdte 2.1 Doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen Het hoofddoel van natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is om de biodiversiteit in de gebouwde omgeving te beschermen, te herstellen en te versterken. Hiervoor zijn er vier doelstellingen, gebaseerd op de visie “Groen en biodiversiteit, de stad als ecosysteem”. Deze vormen de basis van het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De aandachtspunten bij deze doelstellingen worden in bijlage II verder uitgelegd. Daarnaast is een aantal specifieke aandachtpunten beschreven die voortkomen uit de visie. 1. Behoud en bescherming van bestaande natuur Nieuw gerealiseerde natuur is meestal van lagere ecologische waarde dan volgroeide en oudere natuur. Daarom is behoud van waardevolle, bestaande natuur belangrijk. Net als het zo min mogelijk verstoren van de bodem. Daarnaast is bescherming van aanwezige dier- en plantensoorten belangrijk om hen in het gebied te behouden. 2. Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving De meeste diersoorten hebben voordeel van verbondenheid tussen natuur. Zo ontstaat namelijk een voldoende groot leefgebied met toegang tot alle habitateisen. Dat zijn de V’s voor het leefgebied: Voedsel, Vocht, Voortplanting/Verblijf, Veiligheid, Variatie en Verbinding. Ook kunnen populaties zo voldoende mengen om gezondheid en voortbestaan te garanderen. 3. Voldoende ruimte voor diverse natuurtypen Het is belangrijk dat er voldoende ruimte is voor natuur. Dat kan ruimte zijn die exclusief met een natuurfunctie wordt ingericht, zoals natuurvriendelijke oevers, of ruimte die meervoudig wordt gebruikt. Bijvoorbeeld een groen dak of recreatiegebieden zoals parken. 4. Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur De keuze van natuurtype en beplanting bepaalt vervolgens de ecologische kwaliteit en diversiteit. Het gaat daarbij om verscheidenheid, het zorgen voor voldoende kwaliteit en om keuzes aan plantsoorten die gezamenlijk zorgen voor een goed leefgebied (habitat) voor ambassadeursoorten. Figuur 3 Overzicht aandachtspunten voor biodiversiteit 2.2 Verplichtingen Ieder project dat valt binnen de reikwijdte van dit systeem, als opgenomen in 2.4, moet natuurinclusief bouwen. Deze verplichting is samengevat in de volgende twee richtlijnen: 1.Het realiseren of behouden van een minimale hoeveelheid biodivers groen van 30% van het oppervlak van het plangebied. 2.Het zorgen voor een hoogwaardig leefgebied (habitat) voor ambassadeursoorten. 1. De groennorm De eerste verplichting is een groennormering. In ieder project moet minimaal 30% van het oppervlak in het plangebied ingericht worden met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen die passen bij de gekozen ambassadeursoorten. Deze maatregelen kunnen op het dak, tegen de gevel en op het maaiveld uitgevoerd worden. Ook natuur die in het plangebied behouden wordt, mag meegerekend worden. Het percentage wordt berekend door het aantal vierkante meters (m2) beplanting op maaiveld of dak (inclusief het boomkoonoppervlak (zie figuur 7) te delen door het totale plangebied. In dit toetsingssysteem en het toetsingsformulier (bijlage VII) is een lijst met natuurinclusieve maatregelen die hierin als ‘groen’ gerekend worden (zie bijlage VI). Let op 1: natuurinclusief groen (zoals we het groen in dit toetsingssysteem bedoelen) is niet hetzelfde als wat er onder ‘groen’ wordt verstaan in stedenbouwkundige plannen en voorheen bestemmingsplannen. Voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen telt verharding, bijvoorbeeld bij speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, opritten, nutsvoorzieningen en calamiteitendoorgangen niet mee. Let op 2: in de beleidsregels klimaatadaptief bouwen in Delft wordt 50 % groen voorgeschreven. Groen heeft bij klimaatadaptief bouwen een bredere definitie. Voor natuurinclusief bouwen is 30% ecologisch waardevol groen vereist. 2. Leefgebied voor ambassadeursoorten De tweede verplichting is dat er voldoende en hoogwaardig leefgebied voor ambassadeursoorten (zie hoofdstuk 4) gemaakt wordt in het plangebied. Ambassadeursoorten staan als ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes. Dit betekent dat de relevante maatregelen genomen worden én dat deze gezamenlijk zorgen voor de verschillende voorwaarden voor het leefgebied van de gekozen ambassadeursoorten en de soorten die meeliften en gebruik maken van hetzelfde leefgebied. Dit noemen we ook wel de leefgebied V’s: Voedsel, Vocht, Veiligheid, Verblijfplaats, Voorplanting, Variatie, Verbinding met de omgeving. Om te bepalen wat ‘voldoende’ is, wordt het puntensysteem uit dit toetsingssysteem en het toetsingsformulier gebruikt. Het aantal ambassadeursoorten waarvoor een leefgebied moet worden ingericht, hangt af van de grootte van het plangebied en in welke projectcategorie het project daarmee valt. De projectcategorie bepaalt namelijk het aantal ambassadeursoorten. In de onderstaande tabel staat de indeling per categorie. Plangebied (perceelgrootte) Projectcategorie Minimaal aantal ambassadeursoorten 50 - 499 m2 Klein project 1 500 - 2.000 m2 Middelgroot project 2 >2.000 m2 Groot project 3 Tabel 1 De grootte van het plangebied bepaalt projectcategorie en minimum aantal ambassadeursoorten. Voor projecten kleiner dan 50 m2 zijn maatregelen niet verplicht, maar wordt sterk aanbevolen om groene inrichtingsmaatregelen te nemen. Nest- en verblijfplaatsen zijn een belangrijk onderdeel van een compleet leefgebied. Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) moet daarom voor minimaal één nest- of verblijfplaats ingebouwd worden. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint). Daarnaast moet ieder project in het inrichtingsplan een minimaal aantal punten behalen met natuurinclusieve maatregelen. Het aantal punten wordt bepaald aan de hand van de grootte en het type werkzaamheden (nieuwbouw of ingrijpende renovatie). De mogelijkheden en kansen voor de natuur zijn meestal het grootst in projecten met nieuwbouw of sloop-nieuwbouw. En bij projecten waarbij de buitenruimte van het gebouw en de omgeving worden (her)ingericht. Zowel gebouw(en) als de omgeving kunnen dan bijdragen aan herstel en versterking van de biodiversiteit. Daarom moet bij nieuwbouwprojecten 2 punten voor natuurinclusieve maatregelen behaald worden per 100 m2 plangebied. Bij renovatie moet per 100 m2 plangebied 1 punt voor natuurinclusieve maatregelen behaald worden. Minimaal aantal punten per 100 m2 plangebied Nieuwbouw of sloop-nieuwbouw 2 Ingrijpende renovatie 1 Tabel 2 Minimaal aantal punten per ruimtelijke opgave Niet iedere maatregel levert evenveel punten op. Voor meer wenselijke en ecologisch waardevolle maatregelen worden meer punten toegekend. In bijlage VI is weergegeven hoeveel punten de verschillende maatregelen opleveren. Als voorbeeld: een nieuwbouwproject op een plangebied (kavel) van 1.560 m2 met 12 meter bouwhoogte moet voor minimaal 2 ambassadeursoorten een leefgebied inrichten, 16 verblijfplaatsen realiseren en 31 punten voor maatregelen behalen. Bij deze verplichtingen moet er altijd voor gezorgd worden dat de natuurkwaliteit en de soorten die er al zijn beschermd worden. Daarnaast moet aansluiting met de omgeving en het maken van verbindingen worden meegenomen. Oldelft Ultrasound TU Campus Zuid 2.3 Randvoorwaarden, aanbevelingen en indieningsvereisten Voor de plannen gelden ook randvoorwaarden: ○ De keuze voor bomen en planten is gemaakt op basis van het lokale bodem- en watersysteem Benoem hoe de bodem en water sturend zijn geweest voor de plantkeuze. Geef ook aan hoe de uitgangspunten zijn bepaald. Bijvoorbeeld voor grondwaterstand en type grond. ○ Er is een inrichtingsplan opgesteld met hulp van een ecologisch expert Deze voorwaarde is alleen verplicht voor middelgrote en grote projecten. Neem de volgende punten mee: 1. behoud en bescherming van bestaande natuur; 2. ontwikkeling van habitat voor (doel)soorten en zorg voor basiskwaliteit natuur; 3. Realisatie van voldoende ruimte voor natuur; en 4. versterking en behoud van groenblauwe structuren. Vul op het toetsingsformulier in welke ecologisch expert betrokken is. En vermeld de naam van de bijlage waarin het ecologisch (inrichtings)plan staat. Daarnaast gelden de volgende aanbevelingen: ○ Er is een beheerplan opgesteld en afgestemd met de toekomstige beheerder Voor middelgrote en grote projecten. Benoem wie de toekomstige beheerder van de natuurinclusieve maatregelen is. En welke afspraken er op hoofdlijnen zijn gemaakt. ○ Er is een natuurvriendelijk verlichtingsplan opgesteld Voor middelgrote en grote projecten. Stel dit plan op en vul in het toetsingsformulier de naam van de bijlage in waarin het verlichtingsplan staat. Benoem hoe er in het verlichtingsplan rekening is gehouden met natuurkwaliteit en ambassadeursoorten. ○ Educatie- en voorlichtingsplan Voor middelgrote en grote projecten. Benoem hoe (toekomstige) bewoners worden geïnformeerd en betrokken bij de natuurinclusieve inrichting. Voor de plannen gelden de volgende indieningsvereisten: -Kleine plannen: ingevuld toetsingsformulier -Middelgroot en grote projecten: ingevuld toetsingsformulier en inrichtingsplan 2.4 Reikwijdte van de verplichting Hieronder staat voor welke projecten dit toetsingssysteem geldt. Deze projecten moeten dus voldoen aan de normen en richtlijnen voor biodiversiteit en natuurinclusiviteit. Projecttype ○ Nieuwbouw: wanneer er minimaal één gebouw wordt gebouwd op het perceel, valt het project onder dit systeem. Sloop-nieuwbouw met of zonder behoud van de fundering wordt ook gezien als nieuwbouw. Een uitbouw of aanbouw geldt in dit systeem niet als nieuwbouw. ○ Ingrijpende renovaties: dit betreft renovatie aan 25% of meer van de gebouwschil. Ook transformaties waarbij 25% of meer van de gebouwschil wordt gerenoveerd of gewijzigd, vallen hier onder. Kleinere renovatieprojecten waar minder dan 25% van de gebouwschil wordt gerenoveerd, zijn niet verplicht om te voldoen. Type vastgoed Alle soorten vastgoed vallen onder dit systeem. Denk aan woningbouw (inclusief sociale huur), bedrijfspanden en maatschappelijk vastgoed. Maar ook andere gebouwen zoals transformatorhuisjes, sportcomplexen en agrarisch vastgoed. Geografie De verplichting voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen geldt voor de gehele gemeente Delft. Bethelpark 2.5 Uitzonderingen en afwijkingen Afwijking van de eisen zijn alleen toegestaan in zeer uitzonderlijke gevallen en dienen gemotiveerd aan het bevoegd gezag (College van B & W) ter goedkeuring te worden voorgelegd. 1.Als bij een gebiedsontwikkeling (meerdere percelen en aangrenzende openbare ruimte) in deelfases wordt gewerkt, kunnen maatregelen gefaseerd worden toegepast en/of met maatwerkoplossingen op bepaalde locaties van de gebiedsontwikkeling worden toegepast. 2.Indien niet wordt voldaan aan de letterlijke bepalingen van deze beleidsregels, maar op andere wijze aantoonbaar een gelijkwaardig resultaat wordt bereikt, wordt dit eveneens geacht in overeenstemming te zijn met deze beleidsregels. 3.Bij tijdelijke ontwikkelingen is het mogelijk om geheel of gedeeltelijk eisen te laten vervallen. In beginsel werken de beleidsregels per gebouw en volgt uit deze beleidsregel aan welke eisen moet worden voldaan. Bij gebiedsontwikkelingen waarbij ook openbare ruimte is betrokken, die langere tijd in beslag nemen, uit meerdere deellocaties bestaan of om een andere reden complex zijn is dit echter niet altijd mogelijk. Bij gebiedsontwikkelingen kunnen maatregelen bijvoorbeeld gefaseerd worden gerealiseerd of op een andere locatie. Bij deze plannen kunnen de eisen niet rechtstreeks worden toegepast maar is altijd een doorvertaling nodig naar concrete maatregelen die voor de betreffende gebiedsontwikkeling geschikt zijn en moet rekening worden gehouden met de fasering van het gebiedsontwikkelingsproject. De beleidsregels bieden hiervoor ruimte. De eisen uit de beleidsregels dienen dan als richtlijn en vormen het uitgangspunt voor de uitwerking in het een plan waarin de maatregelen voor de gebiedsontwikkeling zijn uitgewerkt. Hier noemen we dat een Uitwerkingsplan Natuurinclusief Bouwen. In dit Uitwerkingsplan wordt bepaald hoe aan de uitgangspunten van deze beleidsregels wordt voldaan. Dit Uitwerkingsplan wordt beoordeeld door het bevoegd gezag en als verplichting opgenomen in het omgevingsplan of de buitenplanse omgevingsvergunning (bopa). •Het voert te ver om nu al de systematiek van het Uitwerkingsplan Natuurinclusief Bouwen vast te leggen, maar de volgende aspecten zijn van belang: •Beschrijving gebiedsontwikkeling (waar in de stad, kenmerken gebied, beoogde ontwikkeling); •Beschrijving gebied ecologisch (welke groenstructuren aanwezig, welk gebruik van het gebied, bijvoorbeeld aanwezige vleermuisroutes, doelsoorten, BKN); •Te behalen punten conform Natuurinclusief Bouwen, hoe deze punten te verdelen over de ontwikkeling, aan wie/welke partij toe te delen; •Indien maatregelen terecht komen in de openbare ruimte, dit vooraf afstemmen met Stadsbeheer&Realisatie; NB Landelijk wordt gewerkt aan een Handreiking natuurinclusieve gebiedsontwikkeling. 2.6 Overgangsregeling Het puntensysteem zoals hier beschreven is na inwerkingtreding van deze beleidsregel niet van toepassing op ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een omgevingsvergunning is aangevraagd in de periode voorafgaand aan 1 juli 2026, of waarvoor al afspraken zijn vastgelegd. 2.7 Inwerkingtreding Deze beleidsregel treedt per 1 juli 2026 in werking. Het huidige beleid “Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen, kader voor ontwikkelingen” wordt op dezelfde dag ingetrokken. Binnentuin Nieuw Delft 3 Stappenplan projectontwikkeling 3.1 Het stappenplan voor projectontwikkeling Met dit toetsingssysteem en het bijbehorende puntensysteem kan in een aantal stappen voldaan worden aan de verplichting voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. De hieronder beschreven stappen zijn een handreiking. Figuur 4 Stappenplan projectontwikkeling Stap 1. Bepaal de doelstellingen voor het project 1a. Bepaal aan de hand van de locatie de kwalitatieve doelstellingen Bekijk of er al natuur aanwezig is die kan en/of moet behouden. Bekijk ook of er belangrijke groenstructuren in het plangebied liggen. En of er nog uitdagingen zijn waar de natuur een oplossing voor kan zijn. Bepaal zo welke kwalitatieve doelstellingen behaald kunnen worden. Goed om te weten: in het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5) is een aantal vragen opgenomen die helpen om deze doelen in te vullen. 1b. Bepaal aan de hand van de grootte van het plangebied de kwantitatieve doelstellingen Als eerste stap wordt de projectcategorie op basis van het plangebied en de bouwhoogte bepaald. Daarna wordt op basis van het type project het minimale aantal ambassadeursoorten en te behalen punten voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen vastgesteld. Ook hierbij helpt het toetsingsformulier (zie hoofdstuk 5). Wanneer de grootte van het plangebied en bebouwd oppervlak ingevuld wordt, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project. De gemeente wil voor ieder project een evenredige verplichting voor natuurinclusief bouwen vragen. Hierbij is de oppervlakte van het plangebied bepalend voor de doelstellingen voor een natuurinclusieve inrichting. Stap 2. Onderzoek de locatie Als tweede stap moet bij middelgrote en grote projecten (zie tabel 1) een ecologisch expert de locatie onderzoeken. Dat kan aan de hand van verschillende vragen die te maken hebben met de vier doelstellingen voor biodiversiteit bij ruimtelijke ontwikkelingen. In bijlage III is een vragenlijst opgenomen die gebruikt kan worden bij deze locatie-analyse. Stap 3. Bepaal de ambassadeursoorten en maak plek voor natuur Bepaal de ambassadeursoorten Bepaal de ambassadeursoorten op basis van de locatie van het plangebied, de situatie in het plangebied, de groenblauwe structuren in en om het gebied en de aanwezige populaties. Je kiest hiervoor uit de lijst van ambassadeursoorten die in hoofdstuk 4 staat. Een ecologisch deskundige kan ook andere soorten aanwijzen die passen bij de projectlocatie. Dan moet deze keuze wel goed onderbouwd worden. Ook moeten de natuurinclusieve maatregelen voor het leefgebied op een soortgelijke wijze gepresenteerd worden als in het toetsingsformulier, waarbij aangegeven wordt welke maatregelen bijdragen aan het leefgebied van de gekozen soorten. Reserveer ruimte voor natuur in het plangebied De doelstelling voor groenoppervlak moet meegenomen worden. Dat is 30% van het plangebied. Reserveer hiervoor dus ruimte. Het is wenselijk om te zorgen voor een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur op maaiveld. Natuur op maaiveld is namelijk bestendiger en heeft meer voordelen. Het is meestal ook goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. Openbaar toegankelijke natuur heeft dan weer meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken en ervan kunnen genieten. Ruimtereservering Zorg dat al vanaf de eerste ontwerpen ruimte gemaakt wordt voor natuur. Zo worden latere uitdagingen in het latere ontwerp- en ontwikkelproces vorkomen. Als dit pas later wordt meegenomen, kan dat leiden tot vertraging en extra kosten door aanpassingen in het ontwerp. Stap 4. Selecteer natuurinclusieve maatregelen en ontwerp het plan Selecteer natuurinclusieve maatregelen Op basis van de locatie-analyse van het plangebied en gekozen ambassadeursoorten, worden passende, relevante natuurinclusieve maatregelen waar punten mee worden behaald, geselecteerd. Deze maatregelen moeten samen in de verschillende voorwaarden van de gekozen ambassadeursoorten voorzien. Daarnaast geldt dus ook de doelstelling voor groenoppervlak. Het is natuurlijk mogelijk en aan te bevelen om méér maatregelen en punten in het ontwerp mee te nemen dan minimaal verplicht is. Voor middelgrote en grote projecten is het verplicht om een ecoloog te laten adviseren over welke maatregelen het best passen bij het ontwerp van het gebouw en de specifieke locatie. Ook voor kleine projecten is dit verstandig. Het advies van een ecoloog kan ervoor zorgen dat de maatregelen doeltreffend(er) en correct(er) uitgevoerd en ingepast worden. Houd bij het selecteren van de natuurinclusieve maatregelen en het ontwerpen van het plan ook rekening met drukfactoren. Probeer de negatieve invloed van onder andere plaagdieren, (invasieve) soorten, verlichting en recreatie te voorkomen. Zorg bij projecten met grote oppervlaktes glas ook voor vogelvriendelijke beglazing. Ontwerp het plan Tijdens het ontwerpproces worden de eerdergenoemde stappen doorlopen. In de verschillende fases van het ontwerp wordt aanbevolen de volgende onderdelen toe te voegen aan de ontwerpvoorstellen. ○ Initiatief-fase De geselecteerde projectcategorie en het overzicht van doelstellingen wordt bepaald in de initiatief-fase. ○ Schetsontwerp De geselecteerde projectcategorie en het overzicht van doelstellingen worden bij de schetsontwerpen (SO) meegestuurd naar de gemeente. Hierbij hoort ook een vlekkenplan en groenblauwe-structuurtekening. Hierop staat waar de natuurinclusieve maatregelen komen en hoe de aansluiting met de omgeving is. ○ Voorlopig ontwerp Vervolgens wordt de tabel met maatregelen en een overzichtstekening bij het voorlopig ontwerp (VO) voor overleg met de gemeente opgesteld. ○ Definitief ontwerp en vergunningaanvraag Voor het definitief ontwerp (DO) moet het hele toetsingsformulier ingevuld zijn. Zorg voor de bijbehorende stukken bij de ontwerptekeningen en planinformatie. Lever dit aan als onderdeel van de vergunningsaanvraag en/of bij de stukken van het definitief ontwerp. Stap 5. Vul het toetsingsformulier in en zorg voor de gevraagde stukken In iedere fase van de ontwikkeling neem je het behoud en de versterking van natuur en biodiversiteit mee: in de planvorming, in de ontwerpen en bij de realisatie en het beheer. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning en bij andere projectvoorstellen, zoals projecten in de openbare ruimte vanuit de gemeentelijke organisatie, wordt aangegeven hoe voldaan wordt aan de verplichtingen. Dit kan aan de hand van het toetsingsformulier. Zie hoofdstuk 5 voor een voorbeeld van dit formulier. Vul het toetsingsformulier in en voeg plantekeningen toe Met het toetsingsformulier wordt getoond hoe voldaan gaat worden aan de richtlijnen voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. Vul de projectinformatie in. Vul vervolgens de natuurinclusieve maatregelen in die genomen worden en controleer of aan alle doelstellingen en voorwaarden voor de leefomgeving van de ambassadeursoorten worden voldaan. Maak een overzichtstekening van het plangebied met de verschillende maatregelen op de tekening aangeduid en vermeld de bijbehorende oppervlaktes. Voor toetsing wordt het toetsingsformulier met de bijbehorende tekeningen en de informatie zoals benoemd bij de doelstellingen aangeleverd. Toetsing voor een omgevingsvergunning Bij het toetsen van de vergunningsaanvraag checkt de gemeente of het plan voldoet aan de randvoorwaarden. Ook beoordeelt de gemeente of het minimumaantal punten voor nest- en verblijfplaatsen en voor natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen wordt behaald. En of de gekozen maatregelen op de ontwerptekeningen en het inrichtingsplan staan. Groene gevel Coendersbuurt 4 Overzicht van ambassadeursoorten 4.1 Ambassadeursoorten als ambassadeurs De ambassadeursoorten van de gemeente zijn soorten dieren die thuishoren in de gebouwde omgeving en het lokale landschap. Zij kunnen daar leven als de kwaliteit van dat landschap goed is. Ze zijn dus een goede graadmeter voor een gezonde staat van de biodiversiteit in de gemeente. In de visie Groen en Biodiversiteit uit 2024 is al een aantal icoon of ambassadeursoorten voor Delft benoemd. Als het leefgebied voor de ambassadeursoorten op orde is, kunnen er ook allerlei andere soorten planten en dieren leven. De ambassadeursoorten geven daarmee richting aan de keuzes die we als gemeente maken voor de inrichting van de omgeving en gebouwen. Zij zijn ambassadeurs voor alle soorten die gebruikmaken van eenzelfde leefomgeving. 4.2 De keuze van Delftse ambassadeursoorten Om invulling te geven aan natuurinclusief bouwen, is er een aantal ambassadeursoorten gekozen uit de totale lijst van soorten uit de visie Groen en Biodiversiteit. Deze ambassadeursoorten staan voor natuurtypen en maatregelen die de biodiversiteit in de gebouwde omgeving versterken. De keuze voor de ambassadeursoorten heeft de gemeente gemaakt aan de hand van onderstaande richtlijnen. Samen leidt dit tot een compacte en toch complete lijst met soorten die staan voor een basiskwaliteit natuur. En met lokaal-relevante soorten die staan voor de unieke kwaliteit van de lokale natuur. Het is dus niet zo dat elke aparte ambassadeur aan elk van deze richtlijnen moet voldoen. De ambassadeursoorten zijn samen een vertegenwoordiger van de verschillende natuurtypen die we in de gemeente willen hebben. Dit zijn de richtlijnen: ○Een ambassadeur stelt eisen aan zijn omgeving voor bepaalde typen natuur. ○Een ambassadeur heeft inrichtingseisen die uitgevoerd kunnen worden in een bouwopgave. ○Een ambassadeur is een graadmeter voor de effectiviteit van inrichting en beheer. ○Een ambassadeur geeft een streven aan en is haalbaar op korte of lange termijn; ○Een ambassadeur is lokaal mogelijk aanwezig en is een beschermde soort voor wettelijke natuurbescherming. ○Een ambassadeur spreekt aan bij het publiek of heeft een hoge ‘aaibaarheidsfactor’. ○Een ambassadeur kan een provinciale of landelijke ambassadeur zijn. ○Een ambassadeur is eerder benoemd als ambassadeur voor de gemeente. 4.3 Biotooptypen voor de gemeente Delft Iedere ambassadeur staat voor een bepaald type natuur. Deze natuur moet in voldoende mate aanwezig zijn in de inrichting van de omgeving. Zo kan de soort er een goed leefgebied (habitat) vinden. Door natuurinclusief te bouwen, krijgen deze natuurtypen als groene inrichtingsmaatregelen een plek in het ontwerp. Soms is deze natuur al aanwezig en is het belangrijk dat de natuur behouden blijft. En op andere locaties moet deze natuur toegevoegd worden aan het ontwerp van de gebouwen en omgeving. Dit zijn de biotooptypen die voor Delft relevant zijn: ○Bos, bomen en bosschages; ○Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen; ○Water en natuurvriendelijke oevers; ○Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie; ○Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken. Overige natuurtypen, zoals kort gemaaid gras (gazon), zijn door de relatief lage ecologische waarde en al grote aanwezigheid geen natuurdoel. Deze maatregelen tellen daarom niet of enkel beperkt mee voor natuurinclusieve punten in het puntensysteem. Dit type natuur telt overigens wél mee voor de groennorm wanneer de maatregelen in het toetsingskader opgenomen zijn. In de Visie Groen en Biodiversiteit staat al een aantal maatregelen, doelstellingen en kwaliteiten beschreven die van toepassing zijn op het versterken van de biodiversiteit. Deze punten dragen ook bij aan de selectie van ambassadeursoorten en maatregelen. 4.4 Ambassadeursoorten van Delft voor natuurinclusief bouwen Per biotooptype heeft de gemeente meerdere ambassadeursoorten gekozen. Zij zijn als diersoort ambassadeur voor bepaalde natuurinclusieve maatregelen en inrichtingsprincipes. Figuur 5 Totaaloverzicht van ambassadeursoorten per biotoop De soorten zijn gekozen op basis van verschillende richtlijnen die eerder benoemd zijn. Onderstaande tabel biedt een overzicht van de soorten en hoe zij aansluiten bij deze richtlijnen, bijvoorbeeld omdat ze ook een icoonsoort van de Provincie Zuid-Holland zijn, onderdeel van de Basiskwaliteit Natuur (BKN) soortenlijst en/of wettelijk beschermd zijn. Naast specifieke soorten zijn ook een viertal soortgroepen gekozen als vertegenwoordiger. De libellen en muurvegetatie zijn groepen van soorten met vergelijkbare voorwaarden waaraan de leefomgeving moet voldoen. Waardoor de soortgroep als vertegenwoordiger is opgenomen als Delftse icoonsoort in de visie. Daarnaast zijn de Wijkbijen als groep geselecteerd. Per wijk in Zuid-Holland is een bij-achtige geselecteerd die het te vormen bijenlandschap vertegenwoordigt (Bijlage II). De soortgroepen zijn niet opgenomen in onderstaande tabel. Hierna vind je een uitleg over deze ambassadeursoorten per type biotoop. Tabel 3 De achtergrond van de keuze voor de ambassadeursoorten Bos, bomen en bosschages Gewone dwergvleermuis Ambassadeur voor vleermuisverblijven en een goede verbinding tussen gebouwen en structuren in de wijdere omgeving. Merel Ambassadeur voor gelaagde structuren van bomen met struweel en omliggend grasland. Rosse vleermuis Ambassadeur van het behoud van (oude) bomen. Zwartkop Ambassadeur van grote bomen omringd door bes- of vruchtdragende struiken. Struweel, heesters, hagen, vaste planten en mantelzomen Egel Ambassadeur voor goede grondverbindingen, toegankelijk water en veilige natuur. Huismus Ambassadeur voor groene tuinen en broedplaatsen in (grondgebonden) woningen. Konijn Ambassadeur van halfopen structuren met dichte vegetatie en open grasland. Putter Ambassadeur van overhoekjes en ruigtestroken met overjarige kruiden. Water en natuurvriendelijke oevers: Blauwborst Ambassadeur van vochtige tijdelijke natuur, verwildering en pionier soorten. Gewone pad Ambassadeur van natuurvriendelijke oevers met een veilige verbinding tussen land en water. Kleine karekiet Ambassadeur van oevers met overjarige rietkragen. Libellen Ambassadeur van schone, vegetatierijke oevers en watergangen. Meervleermuis Ambassadeur van doorlopende waterverbindingen met opgaande (oever)vegetatie. Kruiden, bloemrijk grasland en zoomvegetatie Argusvlinder Ambassadeur van aansluiting met het buitengebied. Weidehommel Ambassadeur van bloemrijk grasland en van bloemrijke tuinen. Wijkbij Ambassadeur van bloeiende groene daken en groene gevels. Groene gebouwen: tuinen, gevels en daken Gierzwaluw Ambassadeur van nestplaatsen voor vogels in gebouwen in de bebouwde omgeving. Laatvlieger Ambassadeur van verblijfsplaatsen voor vleermuizen in gebouwen. Muurvegetatie Ambassadeur van poreuze en kalkrijke (kade)muren. Steenuil Ambassadeur van nestplaatsen in een kleinschalig cultuurlandschap. Figuur 6 Ambassadeursoorten per biotooptype Op basis van voorkomen en de overeenkomst tussen de habitatwensen en het type landschap zijn de ambassadeursoorten verdeeld over 33 deelgebieden. Per deelgebied zijn vijf of zes passende ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een ander biotooptype vertegenwoordigen. In de onderstaande tabel staat de verdeling van soorten over de deelgebieden. Hierna volgt de verdeling van deelgebieden over de gemeente. Dit is weergegeven in figuur 6 en tabel 3. Tabel 3: Verdeling ambassadeursoorten over deelgebieden Figuur 7: Verdeling deelgebieden over gemeente Delft 5 Het toetsingsformulier Het toetsingsformulier (bijlage VII) is ontwikkeld om het aanleveren van natuurinclusieve ontwikkelplannen zo gemakkelijk en gestructureerd mogelijk te maken. Het is zo gemaakt dat het ieder ondersteunt om passende keuzes voor maatregelen en ambassadeursoorten te maken, die samen meerwaarde bieden en voor biodiversiteit zorgen. In bijlage VI is het overzicht weergegeven van alle natuurinclusieve maatregelen, waarvoor punten behaald kunnen worden. Per maatregel staat een toelichting per nest- of verblijfplaatsen met bijhorende puntentelling voor nest- en verblijfplekken. En een toelichting over de natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen met de punten per maatregel. 5.1 Uitleg toetsingsformulier Hieronder volgt stap voor stap hoe je het toetsingsformulier invult. Na alles hieronder afbeelding. 1. Lees de pagina met de introductie en doelstellingen. Start vervolgens met het invullen van het formulier op het tabblad ‘Projectinformatie’. Begin bovenaan de pagina en vul de algemene projectinformatie in. 2. Onder het kopje ‘Kwalitatieve doelen’ vind je een aantal vragen die je kunnen helpen om deze doelen in te vullen. In de gele velden vul je de kwalitatieve doelen van het project in (waarmee de vragen worden overschreven) 3. Wanneer je de grootte van het plangebied op de pagina 'Projectoverzicht' invult, volgen daaruit automatisch de kwantitatieve doelstellingen voor het project. Deze staan in de tabel eronder. Naast het doel staat een rood kruis zolang het doel niet behaald is. Dit verandert in een groen vinkje wanneer het doel behaald wordt met de gekozen maatregelen. 4. In het overzicht van de kwantitatieve doelstellingen uit stap 3 staat het verplichte aantal ambassadeursoorten. In de tabel eronder kun je deze selecteren. Wanneer voor deze soort alle benodigde maatregelen voor het leefgebied zijn toegevoegd aan het plan, dan verschijnt er een groen vinkje naast de soortnaam. 5. Beantwoord of aan de verschillende randvoorwaarden wordt voldaan. 6. Vul op de volgende sheet (‘Natuurinclusieve maatregelen’) per maatregel in hoeveel vierkante meters zullen worden gerealiseerd of behouden in het plangebied. 7. Checklist voor de leefgebieden van ambassadeursoorten Met het invullen van het formulier wordt direct getoetst of de verschillende natuurinclusieve maatregelen die nodig zijn voor de gekozen ambassadeursoorten compleet zijn. Vul de antwoorden op de vragen bij de gele cellen in en controleer of aan de voorwaarden van de leefomgeving van de gekozen ambassadeursoorten wordt voldaan. Aldus besloten in de vergadering van het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Delft van dinsdag 31 maart 2026 Bijlagen Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse Bijlage IV Stappenplan gebiedsontwikkeling Bijlage V Toelichting natuurdoeltypen Bijlage VI Natuurinclusieve maatregelen Bijlage VII Toetsingskader Vlindertuin Nieuw Delft Bijlage I Samenhang met ander beleid & wet- en regelgeving Natuurinclusief bouwen hangt samen met ander bestaand beleid van de gemeente Delft, de provincie en het Rijk: Omgevingsvisie Delft 2040 ‘Samen maken we de stad!” (juni 2021) In de visie staat deze doelstelling: In 2040 is de buitenruimte in en om de stad voor mens, plant en dier op minimaal hetzelfde kwaliteitsniveau als nu. We bevorderen de biodiversiteit, door buitenruimten en nieuwe bebouwing natuurvriendelijk in te richten en te realiseren. Ook geven we ruimte aan biodiversiteit door te streven naar een fijnmazig groen netwerk in de stad, een netwerk van (pocket)parken die aansluiten op het groen om de stad. Natuurinclusief bouwen wordt de Delftse standaard. Klimaatadaptatiestrategie (april 2019) en Beleidsregel Klimaatadaptief Bouwen bij nieuwbouw, gebiedsontwikkeling en herstructurering (oktober 2022) Al in 2019 heeft Delft een klimaatadaptatiestrategie vastgesteld met als belangrijkste doelen om in 2020 klimaatadaptief handelen in het beleid en de werkwijze van de organisatie te verankeren en in 2050 klimaatbestendig te zijn. Sinds die tijd zien we elk jaar de weerrecords verbroken worden. De strategie geeft aan te willen werken aan een veerkrachtig watersysteem door de sponswerking te vergroten, het voorkomen van toename van hittestress en legt ook de koppeling tussen het nemen van klimaatadaptieve maatregelen die tegelijkertijd de biodiversiteit kunnen vergroten. Visie groen en biodiversiteit 2040 (december 2024) We zetten groen en biodiversiteit hoog op de stedelijke agenda. De verdichtingsopgave waar Delft voor staat vraagt erom (nieuwe) bewoners en planten en dieren kwalitatief hoogwaardige natuur en groen te bieden. Ook de link met klimaatadaptatie wordt gelegd. Bomen, parken en plantsoenen zorgen voor verkoeling en beplanting houdt water vast tijdens regenbuien. Onderhavige actualisatie van de beleidsregels wordt in deze visie al aangekondigd. Soortenmanagementplan huismus, gierzwaluw en vleermuizen Voorhof en Buitenhof Delft (juli 2024) Het SMP richt zich op een aantal gebouw bewonende vleermuis- en vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in deze wijken. Het is een gedetailleerd plan ontworpen om deze diersoorten in het gebied te beschermen en hun leefomgeving te verbeteren. https://www.delft.nl/soortenmanagementplan SMP Wippolder & Tanthof (in voorbereiding, treedt waarschijnlijk in 2026 in werking) Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Ruimtelijke Adaptatie Strategie De Nationale Omgevingsvisie geeft een perspectief op een klimaatbestendige omgeving in 2050. Volgens de visie hebben we onze gebouwde omgeving in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht. Ditzelfde staat in de Ruimtelijke Adaptatie Strategie van Delft. Dat betekent dat het land over 30 jaar is beschermd tegen de gevolgen van klimaatverandering. Zoals hitte, een hogere zeespiegel, nattere winters, hevige piekbuien en droge zomers. In de visie staat hier bijvoorbeeld het volgende over: “Er zijn in 2050 genoeg plekken met water en groen om hittestress tegen te gaan en wateroverlast te voorkomen. Ook onze vitale infrastructuur is dan bestendig tegen extreme weersomstandigheden. Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen zorgt voor de realisatie van plekken voor water en groen, en draagt daarmee bij aan het klimaatbestendig maken van onze leefomgeving.” Provinciale verordening en richtlijnen De provincie is onder andere verantwoordelijk voor soortbescherming en het behouden of herstellen van de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. In maart 2023 hebben Provinciale Staten een herziening van het Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze herziening bevat o.a. de instructieregel dat ‘biodiversiteit betrokken moet worden bij stedelijke ontwikkelingen’. Ook de Module Wonen, Werken & Werelderfgoed bevat een aanpassing van de Beleidskeuze Toekomstbestendig Bouwen. Hierin staat dat een ruimtelijke opgave moet uitgaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteit en variatie aan biotopen te behouden en te versterken. Met deze regels geeft de provincie de instructie aan gemeenten om biodiversiteit en natuurinclusief bouwen een plek te geven in alle ruimtelijke (woning)bouwopgaven. Convenant Klimaatadaptief Bouwen Het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en de bijbehorende Leidraad 2.0 is ondertekend door de gemeente Delft (oktober 2018). Dit convenant geeft normen en richtlijnen voor verschillende thema’s, waaronder het thema ‘Biodiversiteit en Natuurinclusiviteit’. Dit beleidsplan geldt voor zowel nieuwbouw als renovatie. Dit toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen is een vertaling en concretisering van de normen en richtlijnen uit het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Daarmee is dit een toetsingssysteem voor nieuwbouw en ingrijpende renovatieprojecten. De richtlijnen in het convenant voor het thema ‘Biodiversiteit en Natuurinclusiviteit’ zijn: I.Ecologische oplossingen en oplossingen gebaseerd op natuurlijke processen hebben altijd de voorkeur boven ‘grijze’ oplossingen. II.30% van het oppervlak bestaat uit groen. Het horizontale en verticale oppervlak wordt in samenhang met de groenblauwe structuren in de bredere omgeving ingericht. III.Waardevolle habitat en basiskwaliteit natuur wordt behouden en gerealiseerd. Deze tweede en derde richtlijn uit het convenant vormen de basis voor dit toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen. Landelijke en Europese wetgeving De Omgevingswet en natuurbescherming In de basis van de Omgevingswet (artikel 1.7. ‘Activiteit met nadelige gevolgen’) staat samengevat het volgende: -Weet je of kun je vermoeden dat jouw activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leegomgeving? -Dan ben je verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van jou gevraagd kunnen worden, om die nadelige gevolgen te voorkomen. Of om die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of om ze ongedaan te maken. Of om die activiteit achterwege te laten, als dat redelijkerwijs van jou gevraagd kan worden. Bij bouwwerkzaamheden is er inderdaad een kans dat beschermde dieren of planten worden geschaad of gestoord. Zulke werkzaamheden worden in de Omgevingswet een ‘flora- en fauna-activiteit’ genoemd: een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Dat schaden of verstoren is verboden. Wil je een flora- en fauna-activiteit verrichten? Dan moet je eerst controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. Zijn er inderdaad aanwijzingen dat er beschermde soorten of habitats aanwezig zijn? Dan ben je verplicht om na te gaan of je nadelige gevolgen voor die dieren of planten kunt uitsluiten. Bij de diersoorten gaat het dan óók om hun nesten en eieren, foerageerplaatsen (plekken waar ze voedsel vinden), voortplantingsplaatsen en rustplaatsen. Je moet aan de hand van objectieve gegevens uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn. Zijn nadelige gevolgen niet uit te sluiten? Dan moet je alle passende preventieve maatregelen nemen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Vergeet de wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming en de realisatie van faunaverblijven niet mee te nemen in de projectplannen. Instructieregel Rijk in de Omgevingswet In de Omgevingswet staat een algemene instructieregel (artikel 2.31a) voor flora en fauna. Deze regel stelt het behoud of herstel van de staat van instandhouding van diersoorten, plantensoorten, biotopen en habitats verplicht als doelstelling voor de fysieke leefomgeving. Het doel: de bescherming, het herstel en de ontwikkeling van natuur en landschap, en voldoen aan internationaalrechtelijke verplichtingen. Europese Natuurherstelverordening De EU-herstelwet verplicht om de habitat te herstellen en te zorgen voor voldoende groenoppervlak en boomkroonbedekking. Dat geldt óók voor stedelijk gebied. Artikel 6 van de wet gaat namelijk over herstel van stedelijke ecosystemen. In dat artikel staan de volgende twee hoofddoelen voor steden: De lidstaten zorgen ervoor dat er tegen 2030 geen nettoverlies is van de totale nationale oppervlakte van stedelijke groene ruimte en van stedelijke boomkroonbedekking op nationaal niveau ten opzichte van 2024. De lidstaten zorgen voor een toename van de totale nationale oppervlakte stedelijke groene ruimte in steden, kleinere steden en voorsteden. Hiervoor moet het Rijk een Nationaal Herstelplan vaststellen. Bijlage II Aandachtspunten bij de doelstellingen Doelstelling 1: Behoud en bescherming van bestaande natuur Behoud van waardevolle natuur in het gebied Bomen en struiken die al een tijd hebben kunnen groeien en plekken of lijnstructuren waar soorten al langer gebruik van maken, zijn bijna altijd ecologisch waardevoller dan nieuw aangelegde natuur. Ze zijn doorgaans groter, robuuster en goed geworteld. En ze bevatten gaten en kieren waar dieren in kunnen broeden en verblijven. Ook zijn ze vaak meer divers en lokaal relevanter, omdat soorten die er goed gedijen er hun plek hebben kunnen vinden en behouden. Daarom worden in de puntentoekenning van dit toetsingssysteem (zie figuur 6 en 7) meer punten toegekend aan het behouden van ecologisch waardevolle natuur als voor nieuwe aanplant. Behoud wordt dus beloond. Het kan ook nog eens kosten besparen, omdat je niets nieuws hoeft aan te planten. Verstoring van de bodem voorkomen Ook de bodem verdient aandacht. Het zo goed mogelijk behouden van een gezonde bodem en deze zo min mogelijk verstoren in het bouwproces zorgt voor een goede basis. Tijdens én direct na realisatie van een project, in plaats van pas na vele jaren. Beschermde soorten Op een planlocatie zijn er vaak diersoorten (of beschermde planten) die al voor de ontwikkeling gebruikmaakten van het gebied. En die via wettelijke verplichtingen voor natuurbescherming een beschermde status hebben. Voor deze soorten moet er tijdens en na de ontwikkeling van het gebied continu voldoende leefgebied van goede kwaliteit zijn. Doelstelling 2: Groenstructuren binnen het plangebied en verbinding met de omgeving Bestaande hoofdgroenstructuur De hoofdgroenstructuur van de gemeente bestaat uit de huidige ecologische hoofdstructuurlijnen en kerngebieden binnen de gebouwde omgeving. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet de huidige groenstructuur (zo veel mogelijk) beschermd worden. Wanneer dit niet mogelijk is, is voldoende compensatie verplicht. Fijnmazige groenstructuur Naast de hoofstructuur zijn ook vele fijnmazige verbindingen tussen gebieden en hoofdstructuren heel waardevol. We noemen dat ook wel de nevengroenstructuur en leefomgevingsgroen. Het zorgt ervoor dat allerlei soorten zich gemakkelijk kunnen verplaatsen. Maar het betekent ook dat veel woningen dichtbij groene routes liggen, wat goed is voor de gezondheid van mensen. Deze fijnmazige structuur kan gerealiseerd of behouden worden bij een (her)inrichting of gebiedsontwikkeling. Doelstelling 3: Voldoende ruimte voor diverse biotopen Voldoende ruimte voor natuur Volgens de richtlijn in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen moet op buurtniveau minimaal 30% groen komen. Hierbij telt het boomkroonoppervlak mee. Dit geeft daarmee richting aan de hoeveelheid groen die je moet realiseren in het plangebied. Het oppervlak wordt berekend door het invullen van vierkante meters in de tabel met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen. Het is belangrijk dat je hiermee al vroeg in het ontwerpproces (in het structuurontwerp en schetsontwerp) rekening houdt. Op die manier wordt er voldoende ruimte voor natuur gereserveerd. Zo voldoe je aan de richtlijn. Daarnaast voorkom je dat er op een te laat moment nog grote aanpassingen in het ontwerp nodig zijn om te voldoen aan de beleidsregels uit het omgevingsplan. Doelstelling 4: Ecologische kwaliteit: habitatrealisatie en basiskwaliteit natuur Habitatrealisatie voor ambassadeursoorten Ambassadeursoorten vertegenwoordigen een leefomgeving die geschikt is voor de ambassadeur én voor een breed palet aan soorten die gebaat zijn bij een soortgelijke omgeving. Ze staan voor maatregelen die wenselijk zijn voor deze hele groep en vormen als soort het ‘icoon’ of de ‘gids’ om dit te verbeelden. De gemeente Delft heeft een aantal ambassadeursoorten met een bijbehorend biotoop en natuurinclusieve inrichting vastgesteld. Deze biotopen en bijbehorende ambassadeursoorten vind je in hoofdstuk 4. Het is belangrijk dat al deze natuurdoelen in voldoende mate aanwezig zijn in de gemeente. Bij iedere gebiedsontwikkeling moeten daarom alle bij het lokale bodem- en watersysteem passende natuurinclusieve maatregelen worden toegevoegd. Bij kleinere ruimtelijke opgaven is dit meestal een deel van de natuurtypen en soorten. Basiskwaliteit natuur De gemeente wil dat de kwaliteit van natuur in de gebouwde omgeving minimaal een basiskwaliteit heeft. En dat dieren en planten die hierbij passen in voldoende mate aanwezig zijn. Met dit toetsingssysteem wil de gemeente ervoor zorgen dat elke ontwikkeling bijdraagt aan het realiseren of behouden van op zijn minst deze basiskwaliteitsnorm. Aandachtspunten en selectie van maatregelen De natuurinclusieve maatregelen waaruit je kunt kiezen in het toetsingssysteem voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen zijn geselecteerd vanuit deze vier doelstellingen met de bijbehorende aandachtspunten. Deze lijst vind je in bijlage VI. Specifieke aandachtspunten uit de visie Groen en Biodiversiteit Naast de bovenstaande doelstellingen worden ook een aantal specifieke punten beschreven in de visie die relevant zijn voor het bewerkstelligen van de visie en het selecteren van ambassadeursoorten of maatregelen. De punten zijn als volgt: 1.In het groenareaal is een disbalans van de gelaagdheid, dit komt omdat het aantal struiken en struwelen in het merendeel van Delft onvoldoende is tot zelfs ontbreekt. Soorten die hiervan afhankelijk zijn, worden daardoor in Delft steeds minder of in mindere maat waargenomen. 2.Het bomenbestand is verdeeld over de wijken relatief op orde, wat betreft het aantal bomen. Om het bomenbestand vooral kwalitatief te versterken, wordt ingezet op het behoud en vergroten van het aantal oude bomen (>50 jaar) en de soortenrijkdom van het bomenbestand. Daarnaast spelen de bomen een belangrijke rol voor het vleermuisnetwerk, waarbij het (beter) verbinden of doortrekken van boomstructuren een belangrijk aandachtspunt is. 3.In de binnenstad van Delft blijft het inzetten op het beschermen van muurvegetatie een belangrijk punt. 4.Bij alle graslanden waarbij het mogelijk is, wordt ingezet op het omvormen tot een kruidenrijk en natuurvriendelijk beheerd grasland. Zodat een bijenlandschap wordt gevormd. En waarbij het vergroenen van tuinen bij kan dragen aan het invullen van het bijenconvenant. 5.Voor het water en de oever geldt dat de afgelopen jaren het aantal rietvogels in de stad zijn toegenomen. Maar verdere inzet wordt gevraagd voor het vervangen van beschoeide oevers voor natuurvriendelijke oevers. 6.Tegelijk met het verduurzamen van vastgoed, is de bescherming van het leefgebied van gebouw bewonende soorten zoals vleermuizen, gierzwaluwen en mussen van belang. Bijlage III Vragenlijst voor locatie-analyse Hier volgt een (niet-uitputtend) overzicht van vragen per doelstelling die beantwoord kunnen worden tijdens de locatie-analyse: 1. Behoud en bescherming: a.Zijn er plekken aangeduid als ecologisch waardevolle natuur die behouden moeten blijven? b.Zijn er beschermde soorten aangetroffen (of benoemd vanuit een soortmanagementplan) waarvoor een habitat in stand gehouden moet worden? 2. Groenstructuren: a.Zijn er bestaande groenstructuren aangeduid in het plangebied? b.Zijn er gewenste groenstructuren aangeduid in het plangebied? c.Zijn er barrières die moeten worden opgelost in het gebied? 3. Voldoende natuur: a.Bepaal hoeveel natuur er aanwezig is en gerealiseerd moet worden. Er dient minimaal 30% van het plangebied groen ingericht te zijn. Het is daarbij wenselijk om een zo groot mogelijk aandeel van deze natuur te realiseren op maaiveld. Natuur op maaiveld is vaak goedkoper in aanleg en onderhoud dan groene daken. En openbaar toegankelijke natuur heeft meer voordelen dan private natuur, doordat meer mensen er gebruik van kunnen maken. 4. Realisatie van leefgebied voor soorten: a.Bepaal welke biotopen passen bij de planlocatie. b.Bepaal welke ambassadeursoorten passen bij de planlocatie. 5. Natuur als oplossing: a.Onderzoek welke aanvullende uitdagingen er spelen waar de natuur in de ontwikkeling een positieve bijdrage aan kan leveren. Bepaal wat dit betekent voor de natuurinclusieve maatregelen die gekozen moeten worden. Als voorbeeld: er is veel hittestress in de wijk. Het toevoegen van schaduwgevende beplanting levert daarom meerwaarde op. Bijlage IV Stappenplan gebiedsontwikkeling In een gebiedsontwikkeling is een aantal stappen nodig om de opgave voor natuurinclusief bouwen en ontwikkelen concreet te maken. Hieronder lees je hoe dit kan werken bij een gebiedsvisie en een stedenbouwkundig plan. Gebiedsvisie In de beeldvorming over het te ontwikkelen gebied (als onderdeel van een gebiedsvisie of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen: 1.Neem een hoofdstuk ‘natuurbehoud- en ontwikkeling’ op in de gebiedsvisie (of een vergelijkbaar document). 2.Beschrijf de historische landschapsstructuur, de grondwaterstanden en de bodemopbouw en op hoofdlijnen de manier waarop het te ontwikkelen gebied hierop voortbouwt. 3.Onderzoek welke ecologisch waardevolle groene en blauwe structuren er zijn in de wijdere omgeving van het plangebied. En omschrijf/verbeeld op hoofdlijnen de manier waarop het plangebied hierop zal aansluiten. Maak hierin specifiek om welke type verbinding het gaat. Zoals bomenrijen, waterlijnen, grondverbindingen van struiken, bloemrijke bermen etc. 4.Beschrijf aan de hand van de uitkomst in stap 2 en 3 de (voorlopige) biotopen voor het plangebied. 5.Bepaal de (voorlopige) ambassadeursoorten voor de gebiedsontwikkeling aan de hand van de natuurdoelen. Als basis hiervoor gebruik je de gemeentelijke ambassadeursoorten. 6.Verbeeld op hoofdlijnen waar in het plangebied ruimte wordt gereserveerd voor natuurbehoud- en ontwikkeling. Toon aan dat de groennorm van 30% behaald wordt. Stedenbouwkundig plan Bij het opstellen van het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document) doorloop je de volgende stappen: 1.Betrek een deskundig (landschaps)ecoloog bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan. 2.Neem een hoofdstuk ‘natuurbehoud- en ontwikkeling’ op in het stedenbouwkundig plan (of een vergelijkbaar document). 3.Omschrijf de definitieve biotopen die worden behouden en ontwikkeld binnen de gebiedsontwikkeling. 4.Leg de definitieve ambassadeursoorten voor de gebiedsontwikkeling vast en omschrijf waarom voor deze ambassadeursoorten is gekozen. 5.Beschrijf/verbeeld de te behouden en ontwikkelen groene en blauwe structuren in het plangebied (aan de hand van de bepaalde biotopen). En de manier waarop deze aansluiten bij de groene en blauwe structuren in de omgeving van het plangebied. 6.Leg de dimensies (hoeveelheid/oppervlakte/breedte) van deze structuren binnen het plangebied vast. En toon aan dat deze van voldoende omvang zijn voor een geschikte habitat voor de bepaalde ambassadeursoorten. 7.Verbeeld in de vorm van een vlekkenplan hoe je voldoet aan de gemeentelijke groennorm in het plangebied. Bijlage V Toelichting biotopen en natuurdoelen In het natuurinclusief puntensysteem staan verschillende biotopen en natuurdoelen. Hierna volgt een korte uitleg. Nest- en verblijfplaatsen Verschillende gebouwbewonende diersoorten zijn afhankelijk van plekken in onze gebouwen. Zo hebben vogels als de huismus en gierzwaluw broedplaatsen nodig. En zijn vleermuizen op zoek naar ruimte om te kramen, paren, slapen en te overwinteren. Voor deze soorten moet je daarom zorgen voor nest- en verblijfplaatsen. Bloemrijk grasland en zoomvegetatie Bloemrijk en kruidenrijk grasland Kruidenrijk grasland bestaat uit hoge, inheemse kruiden (circa 1 meter of hoger), of inheemse bramen die het grootse deel van de dag zon-beschenen zijn. De kruiden staan op zichzelf, of langs een struweel (mantelzoom). Dit kan zowel lijnvormig als vlakvormig zijn. Zoomvegetatie Zoomvegetatie is kruidenrijk en bloemrijk grasland in een lijnvorm. Dit zorgt voor verbinding tussen gebieden. Onverharde paden Paden van houtsnippers, schelpen, grind of andere natuurlijke materialen zorgen voor plassen en plekken om naar voedsel te zoeken. Heesters, hagen en mantelzomen Heesters (struiken) Struiken, ook wel heesters genaamd, zijn houtige gewassen die soms ook als haag kunnen dienen, zoals de vuurdoorn. Hagen en heggen Plaats geen schuttingen maar een haag. Of als dat niet kan: plaats een klimop voor de schutting of bijvoorbeeld leifruit. Vogels vinden daar beschutting, ze maken er nesten in en de bessen in de struiken bieden voedsel, net als de insecten die erop afkomen. Huismussen houden van hagen. Dreigt er gevaar, dan trekken ze zich onzichtbaar terug in de haag. Takkenril Een takkenril of houtril is meestal een tot anderhalve meter hoog. Zo’n wal heeft veel waarde voor natuur. Door deze aan te leggen, bied je voedsel- en schuilgelegenheid aan vogels, zoals de winterkoning, en insecten. Vaste planten Roodborstjes, merels, zanglijsters, heggenmussen: ze scharrelen graag tussen de struiken op zoek naar eten. Vaste planten en onderbeplanting vergroten de mogelijkheden om ongemerkt insectjes weg te pikken. Later in het seizoen zijn de zaden ook aantrekkelijk. Struweel Een struweel is een lijnvormige beplanting die uit struiken bestaat, waarvan een groot deel bij voorkeur besdragend is. Struiken met bessen bloeien in het voorjaar, waardoor ze insecten aantrekken. In het najaar vormen de bessen een voedselbron voor vogels en kleine zoogdieren. Struweel bestaat bij voorkeur uit inheemse soorten. De structuur van een struweel is doorgaans dicht en vrijwel ondoordringbaar. Dat maakt het aantrekkelijk voor kleine zoogdieren en broedvogels, zelfs al gaat het om een struweel met een kleine omvang. Mantelzoom Een mantelzoom is een geleidelijke overgang van een bosje naar de omliggende omgeving. Een goed ontwikkelde mantelzoom trekt insecten aan zoals vlinders, bijen en zweefvliegen. Zij zijn op hun beurt weer voedsel voor vogels en zoogdieren. Bomen en bosschages Bomenrij Een bomenrij zorgt voor verbinding tussen gebieden. Voor nachtdieren, zoals vleermuizen, is het belangrijk dat er voldoende donkerte is. Voor (kleine) vogels is het belangrijk dat de bomen in voldoende voedsel voorzien en dus inheems en voedselrijk zijn. Bosje Een bos(je) bestaat uit minimaal een aantal bomen met struiken eronder of direct eromheen. In een bosje groeien bij voorkeur inheemse soorten. Die zijn namelijk aantrekkelijker voor insecten en andere dieren dan uitheemse soorten. Bosjes zijn belangrijk voor broedvogels en kleine zoogdieren zoals muizen, egels en kleine marterachtigen. Ze moeten voldoende dicht van structuur zijn. Solitaire bomen Bomen die vrijstaan of in kleine groepen geven dekking voor o.a. huismussen. Wanneer ze hoog zijn, zorgen ze juist voor een uitkijkplek voor roofvogels. Water en natuurvriendelijke oevers Natuurlijke vijver en amfibieënpoel Vijvers en poelen zijn geïsoleerd gelegen en bestaan uit zonbeschenen laagtes die in principe het hele jaar door waterhoudend zijn. De waterdiepte is minstens 50 cm en een grillige vorm zorgt voor de nodige variatie. Poelen hebben onderhoud nodig om te voorkomen dat ze dichtgroeien met riet of andere waterplanten, of dat ze droogvallen. Door hun geïsoleerde ligging leven er in poelen geen vissen. Zo vormen ze een veilige opgroeiplek voor kikkers, watersalamanders en libellen. Daarnaast zijn ze leefgebied voor allerlei water- en oeverplanten. Ecologische wadi’s Een wadi (waterdoorlating door infiltratie) is een beplante greppel of sloot met een waterdoorlatende bodem. Ecologische wadi’s (dat zijn wadi’s die natuurlijk zijn ingericht en niet alleen uit gras bestaan) met hoog opgaande planten versterken de ecologische infrastructuur. Want ze dienen als ecologische verbindingszone of als stapsteen. Ze zorgen ook voor meer biodiversiteit. O.a. egels en spitsmuizen vinden dekking en voedsel in wadi's. Water met natuurvriendelijke oevers In tegenstelling tot poelen is het water hier wel verbonden met andere sloten, vaarten of waterpartijen. Het vormt dan ook nadrukkelijk een leefgebied voor vissen. In ondiepe delen met waterplanten kunnen libellenlarven opgroeien, terwijl op de oevers zich een kruidenrijke, moerassige vegetatie kan vormen. Hierbij is in stedelijke gebieden niet zozeer de omvang van het water van belang. Vooral een gevarieerde oever- en watervegetatie en een functionele leefomgeving voor dieren die aan het water gebonden zijn, zijn belangrijk. Groene gebouwen: groene tuinen, gevels en daken Groene tuinen Groen ingerichte tuinen zorgen in steden voor veel waardevol groenoppervlak waar prettig leefgebied voor allerlei soorten door ontstaat. Tuinen opleveren met tuinaarde Nieuwe woningen waar de tuinen gemakkelijk ingericht kunnen worden, stimuleren groene vingers bij bewoners. Geveltuin Langs gevels kunnen stoeptegels weggelaten worden. Deze ruimte kun je beplanten met vaste planten. Groene, grondgebonden gevels Een gevel met geen of weinig ramen kun je voorzien van klimmend gevelgroen. De klimplanten bedekken muren en schuttingen, en creëren zo een rustgevende en stressverlagende omgeving. Ook verfraaien ze het straatbeeld. Dit kan zelfs leiden tot een verhoging van de waarde van onroerend goed. Voor dieren is gevelgroen vaak ideaal. De gevels bieden zo voedsel, beschutting en nestgelegenheid voor vogels, vlinders en wilde bijen. Groene daken en daktuinen Groene daken zijn daken die voorzien zijn van beplanting. Ze hebben, behalve een ecologische waarde, ook een water-bufferende, een klimaat-temperende en een isolerende waarde. Bovendien zijn ze, wanneer ze zichtbaar en/of toegankelijk zijn, een verrijking van het stadslandschap en hebben ze een recreatieve functie. Daarnaast bieden ze een prima bodem voor allerlei dieren en planten. Daardoor zijn ze ook heel waardevol voor de biodiversiteit. Groene daken zijn vooral goed voor vogels, vlinders, bijen en vleermuizen. Bruine daken, schelpen- of grinddaken Bruine daken hebben een ecologische en water-bufferende waarde. Bij bruine daken bestaat de dakbedekking voornamelijk uit zand en steen, bijvoorbeeld gerecycled puin. Vooral vogels die van origine op zandig terrein broeden, gebruiken bruine daken als nestplaats. Diersoorten die baat hebben bij een bruin dak zijn o.a. de scholekster, zwarte roodstaart en verschillende insecten. Bijlage VI Natuurinclusieve maatregelen Toelichting nest- en verblijfplaatsen Per 100 m2 bebouwd oppervlak (footprint) dien je te zorgen voor minimaal één nest- of verblijfplaats. Voor gebouwen hoger dan 15 meter zijn dit er minimaal twee per 100 m2 bebouwd oppervlak. In de puntentelling telt één verblijf voor één punt zolang het aan onderstaande richtlijnen voldoet. Deze nest- of verblijfplaatsen dienen permanente voorzieningen te zijn. Dit betekent dat de voorziening niet te verwijderen mag zijn en een lange levensduur kent. In de Inspiratiegids Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen (T24.09548) zijn bovendien richtlijnen voor deze voorzieningen opgenomen. Hieronder vind je een toelichting per nest- of verblijfplaats. 1.1 Nestvoorziening/broedplaatsen voor de huismus Realiseer minimaal 5 broedplaatsen bij elkaar, ook in kleine projecten. Een standaard ingebouwde nestkast of neststeen telt als 1 plek. Elke 50 cm breedte van een toegankelijke dakgoot mag je als 1 plek tellen. Onder een toegankelijke dakgoot verstaan we het verplaatsen van het vogelschroot onder de dakpannen, zo dat de eerste twee panlatten dienen als broedlocatie voor huismussen. Dakpannen voor mussen en nestkasten die los op de muur worden geplaatst tellen niet, behalve bij galerijen van minimaal 2 meter breed. 1.2 Nestvoorziening/broedplaatsen voor de gierzwaluw Een standaard nestkast of neststeen telt als 1 plek. Dakpannen voor gierzwaluwen en nestkasten die los op de muur worden geplaatst tellen niet, behalve bij galerijen van minimaal 2 meter breed. 1.3 Broedplaatsen voor andere gebouw-bewonende vogels Een standaard nestkast of neststeen voor holenbroeders en dakbroeders, zoals de zwarte roodstaart, spreeuw, etc. telt als 1 plek. 1.4 Zomer- en paarverblijven voor de gewone dwergvleermuis Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Bij voorkeur geen vleermuiskasten. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard, ingebouwd zomerverblijf, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse vleermuiskasten op de gevel tellen niet mee. 1.5 Kraamverblijven voor de gewone dwergvleermuis Maak spouwmuren en/of maak de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Voor kraamverblijven moet het oppervlak minimaal 1 m2 zijn. Bij voorkeur geen vleermuiskasten. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard, ingebouwde kraamkast als 2 plekken per laag. Losse vleermuiskasten op de gevel tellen niet mee. 1.6 Massawinterverblijven voor de gewone dwergvleermuis Bij voorkeur winterverblijven altijd meenemen in hoogbouw. Maak kelders, spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Voor winterverblijven moet het oppervlak minimaal 1 m2 zijn. Inbouwkasten en kasten op de gevel tellen niet mee als winterverblijf, de ruimte moet tussen muren en in daken en kelders gerealiseerd worden. 1.7 Verblijven voor andere gebouw-bewonende vleermuizen, zoals de laatvlieger en meervleermuis Maak spouwmuren en/of de ruimte achter gevelbetimmering toegankelijk en geschikt voor andere soorten vleermuizen. 50 cm2 ruimte geldt als 1 plek. Bij voorkeur geen vleermuiskasten. Is dit de enige optie? Dan telt een standaard, ingebouwd zomerverblijf, zoals een inbouwkast met twee lagen, als 1 plek. Losse vleermuiskasten op de gevel tellen niet mee. 1.8 Ingebouwde insectenstenen, grote insectenhotels, zandhopen, steilwanden voor bijen en/of dood hout Een ingebouwde insectensteen telt als 1 verblijfplaats. Voor een insectenhotel en/of steilwand geldt dat deze minimaal 1 m2 verticaal oppervlak moet hebben. Elke m2 verticaal oppervlak geldt als 2 verblijven. Voor een houtstapel/boomstam en/of zandhoop/bijenburcht geldt: minimaal 1 m2 horizontaal oppervlak. Elke m2 horizontaal oppervlak geldt als 2 verblijven. Realiseer de verblijfplaatsen voor insecten op maximaal 2 m hoogte vanaf maaiveld of de daktuin, en bij inheemse beplanting. 1.9 Overige verblijfplaatsen voor andere (doel)soorten Voor soorten die niet benoemd zijn in dit overzicht of als ambassadeur: overleg met de gemeente welke maatregelen je kunt toepassen. Figuur 6 Puntentelling voor nest- en verblijfplekken Overzicht natuurinclusieve maatregelen Om te zorgen voor een robuuste en gezonde leefomgeving voor mens en dier is (bio)diversiteit belangrijk. Dat vraagt om een inrichting van onze leefomgeving met verschillende typen natuur met bomen, heesters, planten, bloemrijk grasland, water, etc. Hiervoor is een lijst met natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen opgesteld. Alle inrichtingsmaatregelen leveren een aantal punten op. Dit puntenaantal past bij de ecologische waarde en wenselijkheid van de maatregel. Punten worden toegekend per 100 m2 of een deel of veelvoud hiervan. Het toepassen van een maatregel van 6 punten levert dus bij 150 m2 van die maatregel 9 punten op en bij 25 m2 is dat 1,5 punt. Hieronder de punten per maatregel. 2 Bloemrijk grasland 2.1 Bloem- en kruidenrijk grasland, en zoomvegetatie Bij voorkeur inheemse soortenmix in volle grond (niet in pot of bak) en zorg voor ecologisch beheer. Zaai op arme grond grassen met eenjarige kruidachtige soorten en overblijvende bloeiende vegetatie gericht op bijen en vlinders of kies ervoor om spontaan kruidenrijk grasland te laten ontstaan. 6 2.2 Vaste planten in tuinen en openbare ruimte Nectar- en stuifmeel-leverende vaste planten. Bij voorkeur biologische planten. Vaste planten in de openbare ruimte mag je alleen op A-locaties zoals centra en wijk/buurt entrees toevoegen in overleg met de gemeente. 3 3. Heesters, heggen en takkenrillen 3.1 Heesters van 1 soort Bij voorkeur een inheemse soort, en bij voorkeur in clusters van 15m2 of meer, met een goede groeiplaats onder- en boven de grond. Houd rekening met hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden. Controleer altijd de LIOR op de meest recente eisen voor minimum oppervlaktes. 8 3.2 Heesters in meerdere soorten Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten. Bij insecten als ambassadeur: nectarrijke struiken met een rijke variatie aan voedsel. Kies uit diverse inheemse soorten. Bij voorkeur worden deze in clusters van 15m2 of meer geplant, met een goede groeiplaats onder- en boven de grond. Houd rekening hoe groot een heester kan worden zonder beheer, zodat deze extensief beheerd kan worden. Controleer altijd de LIOR op de meest recente eisen voor minimum oppervlaktes. 10 3.3 Heggen en hagen van 1 soort Bij voorkeur een inheemse soort. Minimaal 75cm hoog bij aanplant en bij voorkeur 150cm hoog. Ook een groene tuinafscheiding of een takkenril leveren punten op. Bij heggen, takkenril of andere groene tuinafscheiding moet instandhouding verplicht worden gesteld in de koopovereenkomst. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen. 8 3.4 Heggen en hagen meerdere soorten Drie of meer (bij voorkeur) inheemse soorten. Minimaal 75cm hoog bij aanplant en bij voorkeur 150cm hoog. Bij heggen als tuinafscheiding moet instandhouding verplicht worden gesteld in de koopovereenkomst. Reken met 50 cm breedte om het oppervlak in vierkante meters te berekenen. 9 4. Bomen 4.1 Behoud van bomen: 1e grootte Bomen van minimaal 12 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 35m2 per behouden boom. 15 4.2 Aanplant van bomen: 1e grootte Bomen die minimaal 12 meter hoog worden na 30-40 jaar. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van 18 cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 35m2 per nieuw aangeplante boom. 12 4.3 Behoud van bomen, 2e grootte Bomen van minimaal 8 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 20m3). Er wordt gerekend met 20m2 per behouden boom. 15 4.4 Aanplant van bomen: 2e grootte Bomen die minimaal 8 meter hoog worden na 30-40 jaar. De grootte bij aanplant moet minimaal een stamdikte van 18 cm diameter zijn en er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 20m2 per nieuw aangeplante boom. 9 4.5 Behoud van bomen, 3e grootte Bomen tot 6 meter hoog, voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds (minimaal 15m3). Er wordt gerekend met 15m2 per boom. 15 4.6 Aanplant van bomen: 3e grootte Bomen die tot 6 meter hoog worden na 30-40 jaar. Er moet een voldoende ruime groeiplaats boven- en ondergronds zijn (minimaal 35m3). Er wordt gerekend met 15m2 per nieuw aangeplante boom. 6 5. Water en oevers, inclusief wadi's en poelen 5.1 Ecologische wadi Wadi met een ecologische inrichting (natuurlijke vegetatie, zoals vochtig grasland of stuweel, en bijvoorbeeld blokken dood hout) en ecologisch beheer. 8 5.2 Amfibieënpoel Gesloten, visvrije waterpartij met een diepte van maximaal 1 meter onder de laagste grondwaterstand. Minimaal 50% van de oever heeft veel zon en een flauw talud, flauwer of gelijk aan een hellingshoek van 1:3, en ingericht als plasdras-gebied. Bij voorkeur heeft een poel minimaal een diameter van 10 meter om 'verlanding' te voorkomen. 8 5.3 Natuurvriendelijke oevers Open water voorzien van natuurvriendelijke oevers met talud 1:3 of flauwer. De natuurvriendelijke oever dient te voldoen aan de eisen van het betreffende hoogheemraadschap. Alleen het gedeelte tot 30 cm diepte telt mee. Vul het aantal vierkante meters dat hieraan voldoet in bij de selectie voor het plangebied. 10 5.4 Overige natuurinclusieve maatregelen op en bij water Denk aan maatregelen als drijvende oevers, onderwaterriffen of zogenaamde vissenbossen. Als op basis van onderzoek er een bewezen positief effect is voor het (inheemse) onderwaterleven kunnen ze worden toegepast. Zonder bewezen effect kan in overleg met de gemeente de maatregel worden toegepast mits er wordt bijgedragen aan onderzoek naar de effectiviteit. 6 5.5 Muurplanten in (kade)muur Muurplanten hebben geschikt gesteente nodig dat water kan vasthouden met voldoende structuur/reliëf om zich aan te hechten. Dit stimuleert spontane vegetatie. Aanplanten is niet gewenst, eventueel wel het verplaatsen van muurvegetatie die anders verloren gaat. Bij voorkeur wordt minimaal een lengte van minimaal 15 meter geschikte muur gerealiseerd. Reken met 0.5m2 plangebied per strekkende meter. Bij renovatie rekening houden met aanwezige muurbeplanting. 8 6. Geveltuin en particuliere tuinen 6.1 Groene, grondgebonden gevel met klimplanten Gevelbeplanting moet bestaan uit zelfhechtende klimplanten of klimplanten met een steunconstructie en voldoende ruimte om tot minimaal 3 meter door te kunnen groeien. Bij voorkeur een selectie van in Nederland en Europa van nature voorkomende soorten. De beplanting moet op particulier terrein gerealiseerd worden. Bij groene gevels en groene hekken moet instandhouding verplicht worden gesteld in de koopovereenkomst. Reken met 50 cm breedte en de lengte van de gevel met klimplanten om het oppervlak in vierkante meters te berekenen. 12 6.2 Particuliere tuinen en geveltuinen met alleen grond opgeleverd (niet zand) Minimaal 50% van de tuinen (in m2) wordt opgeleverd met grond. Alleen de vierkante meters met grond tellen mee. Bij gebruik van tuinaarde dient dit turfvrij te zijn. Tuinen met schuttingen zonder doorgangen voor grondgebonden soorten zoals de egel tellen niet. Tuinen opgeleverd met (bouw)zand tellen ook niet. 2 7. Intensieve groendaken, balkonbakken en water op daken 7.1 Groen dak (5 - 7 cm substraatlaag) met sedumplanten Substraatlaag van minimaal 5 cm, pakketdikte minimaal 10cm. Minimaal begroeid met sedum.. 2 7.2 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 7 cm) met sedum, grassen en kruiden Substraatlaag van minimaal 7 cm. Beplanting van sedum, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting met in ieder geval kruiden of grassen wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend. 4 7.3 Natuurdak (substraatlaag van minimaal 15cm) met grassen, kruiden en lage beplanting Substraatlaag van minimaal 15 cm. Beplanting van lage planten en struiken, grassen en kruiden. Geen sedumplanten. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend. 6 7.4 Intensief groen dak (substraatlaag van minimaal 30cm) met grassen, kruiden en heesters Substraatlaag van minimaal 30 cm. Beplanting van (dwerg)heesters, grassen en kruiden. Wanneer zowel de substraatlaag en beplanting wordt gerealiseerd, worden de punten toegekend. 8 7.5 Intensief (substraatlaag van minimaal 50cm) groen dak met struiken, grassen, kruiden en/of bomen Tuin op daken van gebouwen, inclusief daken van parkeergarages. Substraatlaag van minimaal 50 cm en voldoende ruimte als groeiplaats voor struiken en bomen. Wanneer zowel de substraatlaag en de struiken en/of bomen worden gerealiseerd, worden de punten toegekend. 10 7.6 Bruin dak Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit lokale grond, stenen, zand en houtblokken. 6 7.7 Schelpendak Een dak met een laag van minimaal 7cm bestaande uit schelpen. 2 7.8 Natuurlijk waterdak met open water en waterplanten Minimaal 5 m2 oppervlak, voldoende draagkracht van het dak. 8 8. Gazon en onverharde paden 8.1 Gazon Grasvelden zonder ecologisch beheer. Kunstgras telt niet mee. 0 8.2 Onverharde paden Onverharde paden van bijvoorbeeld schelpen, houtsnippers, grind en zand. 2 9. Overig groen en blauw in het plangebied 9.1 Overige maatregelen Overleg met de gemeente welke overige maatregelen toegestaan zijn. En of de gemeente hiervoor eventueel punten geeft. ? 9.1 Braakliggend terrein en kale grond Zorg voor een gezonde bodem met goede grond. Hierop kan lokale vegetatie spontaan opkomen. Ga vervolgens over op ecologisch beheer of laat het gebied met rust. Deze grond is ook tijdens het bouwproces vrij van werkzaamheden. 2 Figuur 7 Overzicht van natuurinclusieve inrichtingsmaatregelen en punten Bijlage VII Toetsingskader Het Toetsingskader is als Excel tabel bijgevoegd (te vinden op de website van de gemeente Delft onder het kopje Milieu). Definities ○ Biodiversiteit Biodiversiteit staat voor soortenrijkdom in dieren en planten. Het gaat daarbij om een mix van genen, soorten (populaties) en ecosystemen (gemeenschappen). Ecologische waarde ontstaat door veel verschillende soorten en lagen van vooral inheemse plantensoorten die samen als robuust ecosysteem werken. Alleen bomen en gras geeft weinig biodiversiteit. Juist afwisseling aan plantensoorten zorgt voor o.a. voedsel en veiligheid voor heel veel diersoorten. Biodiversiteit behoud en versterk je door een afwisseling in soorten en mogelijkheden. ○ Boomkroonoppervlak De kroon is het gedeelte van de boom boven de takvrije stam. Het boomkroonoppervlak is het horizontale oppervlak van de kruin. Dit kan benaderd worden door de kroon op de grond te projecteren en de inhoud van het oppervlak in vierkante meters te meten. ○ Ambassadeursoorten Om de biodiversiteit te stimuleren zijn een aantal ambassadeursoorten geselecteerd die ieder een eigen rol vervullen. Door voor deze diersoorten gericht een habitat (leefgebied) te maken, wordt de omgeving geschikt voor nog veel meer diersoorten die gebruikmaken van dezelfde biotoop. Ook besteed je zo aandacht aan verschillende aspecten die zorgen voor een goede basiskwaliteit natuur en veel biodiversiteit in het gebied. De ambassadeur is als het ware een graadmeter voor de kwaliteit van een bijbehorend biotoop. Na verloop van tijd kun je op basis van zijn aanwezigheid conclusies trekken over het succes van de gebiedsgerichte aanpak. ○ Ecologische V’s Met de ecologische V’s bedoelen we de habitatvoorwaarden die een diersoort nodig heeft voor een geschikte leefomgeving. Het gaat daarbij vooral om Voedsel, Vocht, Verblijfplaatsen en Voortplantingsplaatsen, Verbindingen, Veiligheid en Variatie. ○ Fijnmazige structuur De fijnmazige structuur bestaat uit de lijnen van natuur (water en groen) tussen de hoofdgroenstructuren. Het zijn daarmee vaak de kleinere wijkstructuren, velden en plantsoenen. ○ Gebiedsontwikkeling Gebiedsontwikkeling is het complexe, integrale proces waarbij overheid, marktpartijen en maatschappelijke partners langdurig samenwerken om een gebied, te transformeren tot een duurzame en toekomstbestendige leefomgeving met een mix van functies zoals wonen, werken, voorzieningen ,recreatie en infrastructuur. ○ Gebouwbewonende soorten Soorten die hun slaap- en/of broedplaats in of op gebouwen vinden, noemen we gebouwbewonende soorten. Veelvoorkomende gebouwbewonende soorten in stedelijk gebied zijn de gierzwaluw, gewone dwergvleermuis en huismus, maar ook vogels die op daken broeden, zoals de zwarte roodstaart, horen hierbij. ○ Gebouwschil De gebouwschil is de grens tussen de binnenzijde van een woning of gebouw en de buitenwereld. De gebouwschil bestaat uit de begane vloer, de buitenmuren, de ramen, de kozijnen, de deuren en het dak. ○ Hoofdgroenstructuur De hoofdgroenstructuur bestaat uit de belangrijkste groengebieden en verbindingslijnen in de gemeente. Het doel is een aaneengesloten netwerk van groen met voldoende diversiteit en kwaliteit. ○ Hoogwaardige habitat Een habitat, leefgebied of leefomgeving omvat alle mogelijke plaatsen waar een bepaalde diersoort voorkomt. Een habitat bestaat uit de biotische en abiotische eisen van het dier. Daarmee bedoelen we: de onderdelen in de leefomgeving die gezamenlijk nodig zijn om een soort zich thuis te laten voelen en te vestigen.Met de term ‘hoogwaardige’ habitat worden die eisen van een diersoort bedoeld waar je zoveel als mogelijk op het perceel of met behulp van de directe omgeving aan kunt voldoen. Het omvat alle aspecten van de ontwikkeling van een diersoort die lokaal gerealiseerd kunnen worden. Dit vatten we samen in de verschillende v’s: Voedsel & Vocht, Veiligheid, Verblijven & Voortplantingsmogelijkheden, Verbinding en Variatie. ○ Ingrijpende renovatie Op grond van artikel 5.20, vijfde lid, van het Bbl (Besluit Bouwwerken Leefomgeving) is sprake van een ingrijpende renovatie wanneer: ○ meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot en ○ deze vernieuwing, verandering of vergroting de integrale gebouwschil betreft. Van een renovatie van de integrale gebouwschil is bijvoorbeeld sprake wanneer een dak of gevel volledig wordt opengelegd en vernieuwd. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om tegelijkertijd de isolatie aan te brengen die voldoet aan de nieuwbouweis. ○ Natuurinclusief bouwen en ontwikkelen Natuurinclusief bouwen is een vorm van duurzame ruimtelijke ontwikkeling. Hierbij dragen een bouwwerk en de omgeving samen bij aan de lokale biodiversiteit en natuurwaarden. Het zorgt dus voor een plus ten opzichte van de eerdere situatie. ○ Biotopen We gebruiken biotopen om afspraken te maken over natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu. Op die manier kan de gewenste natuurkwaliteit gerealiseerd worden. Voor de gebouwde omgeving zijn dit bijvoorbeeld tuinen, plantsoenen, bermen, bomen, struweel, braakliggende gronden, kademuren, vijvers, grachten en sloten. ○ Natuurwaarden De waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, gezien vanuit het perspectief van natuurbescherming en landschapselementen. De term ‘natuurkwaliteit’ wordt hiervoor ook gebruikt. ○ Plangebied Het terrein waarin de bouwontwikkeling plaatsvindt waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend moet worden. ○ Soortcategorieën Geschikte soortcategorieën (dieren) worden per plangebied door een ecoloog geselecteerd op basis van een omgevingsscan per gebied. De soortcategorieën zijn als volgt ingedeeld: 1) gebouwbewonend 2)boombewonend 3) aan bloemrijk grasland gebonden 4) aan struweel gebonden 5)aan water en oevers gebonden Bronnen en verwijzingen ○ Nationale Omgevingsvisie (NOVI): https://www.denationaleomgevingsvisie.nl/default.aspx ○ Omgevingsvisie 1.0 Delft: https://www.Delft.nl/direct-regelen/wonen-verhuizen-verbouwen/wonen/omgevingsvisie-Delft/33153/ ○ Visie Groen en Biodiversiteit Delft De stad als ecosysteem in 2040: Visie Groen & Biodiversiteit ○ SMP Voorhof en Buitenhof Soortenmanagementplan | Gemeente Delft ○ Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland: https://bouwadaptief.nl ○ Flora & Fauna-activiteit voor wettelijke natuurbescherming: https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/activiteiten-natuur/flora-en-fauna-activiteit/rijksregels/ ○ Nationale Database Flora & Fauna (NDFF): https://ndff-ecogrid.nl/ ○ Overzicht richtlijnen voor het ontwerpen voor ambassadeursoorten: https://natuurinclusiefontwikkelen.nl/ambassadeursoorten/ ○ Beleidsregel Natte Ecologische Zones van Hoogheemraadschap Delfland: https://www.hhdelfland.nl/over-ons/regelgeving/beleidsregels/ ○ Inspiratieboek Verzachten en vergroenen oevers: https://www.hhdelfland.nl/ontdek-werk/schoon-gezond-water/water-natuur/inspiratieboek-verzachten-vergroenen/
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio
Meer meldingen zoals "Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen"

Mededelingen
Besluit van de programmamanager van 29 juli 2026 tot het stellen van beperkingen aan het schutten voor de scheepvaart voor drie sluizen gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Delfland.

APV
Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 2 juni 2026, PZH-2026-890984252, tot vaststelling van het subsidieplafond voor 2026 voor de Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland (Besluit subsidieplafond 2026...

APV
Subsidieregeling Toekomstbestendige bedrijventerreinen Zuid-Holland

Mededelingen
Beleidsregel Toetsingssysteem Natuurinclusief Bouwen en Ontwikkelen

Mededelingen
Informatiebeveiligingsbeleid 2026

Mededelingen
Besluit van gedeputeerde staten van 9 december 2025, kenmerk PZH-2025-883443075 (DOS-2024-0002967), tot vaststelling van het subsidieplafond, de aanvraagperioden en de tarieven voor het begrotingsjaar 2026 voor de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls...

APV
Subsidieverordening vervoersautoriteit Metropoolregio Rotterdam Den Haag 2027

Omgeving
Zomermandaatbesluit waarnemend voorzitters MRDH in receperiode 2026

Mededelingen
Besluitenlijst algemeen bestuur vrijdag 10 juli, 13.30 – 15.30 uur MRDH, Westersingel 12, Rotterdam

Mededelingen
Besluitenlijst dagelijks bestuur Woensdag 24 juni 2026 11.00 - 12.00 uur Schriftelijke ronde

Mededelingen
Besluitenlijst dagelijks bestuur 13 april 2026, 14.00 – 15.00 uur Collegekamer, stadhuis Den Haag

Mededelingen
Besluitenlijst Dagelijks bestuur Schriftelijke ronde 22 – 28 april 2026

