Beleidsregel toezicht en handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Moerdijk
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-10-07
Gepubliceerd door
Gemeente Moerdijk
Informatie
Beleidsregel toezicht en handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Moerdijk Het college van burgemeester en wethouders, in zijn vergadering van 15 september 2026; overwegende dat, het wenselijk is vast te leggen op welke wijze het college invulling geeft aan zijn taken en bevoegdheden op het gebied van exploitatie, toezicht en handhaving, teneinde de kwaliteit van de kinderopvang te bevorderen, de veiligheid en gezondheid van kinderen te waarborgen en transparantie, rechtsgelijkheid, consistentie en evenredigheid in de uitvoering van toezicht en handhaving te bevorderen; gelet op de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en de artikelen 1.61, 1.65, 1.66, 1.72 en 1.81 van de Wet kinderopvang. BESLUIT vast te stellen de volgende beleidsregel: Beleidsregel toezicht en handhaving kwaliteit kinderopvang van de gemeente Moerdijk Leeswijzer In deze beleidsregel is vastgelegd hoe het college de bevoegdheden op grond van de Wet kinderopvang toepast met betrekking tot exploitatie, toezicht en handhaving. Deze beleidsregel draagt bij aan: •Een transparante uitvoering, doordat houders, toezichthouders, ouders en andere belanghebbenden vooraf inzicht hebben in de wijze, waarop het college zijn bevoegdheden toepast; •Rechtsgelijkheid, doordat vergelijkbare situaties op een vergelijkbare wijze worden beoordeeld; •Het bevorderen van kwalitatief goede, veilige en verantwoorde kinderopvang. Hoofdstuk 1 beschrijft het belang van kwaliteit in de kinderopvang. In hoofdstuk 2 wordt het wettelijke kader uiteengezet. Hoofdstuk 3 gaat in op de exploitatie van kinderopvangvoorzieningen, waaronder het starten van een voorziening en het doorgeven van wijzigingen. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoering van het toezicht beschreven, inclusief het herstelaanbod, risicogestuurd toezicht en signaalgestuurd toezicht. Hoofdstuk 5 bevat het handhavingsbeleid en beschrijft welke maatregelen het college kan inzetten wanneer niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Als bijlage bij deze beleidsregel is het Afwegingsmodel Handhaving opgenomen. Hierin is onder meer uitgewerkt welke handhavingsmaatregelen het college in beginsel toepast, welke hersteltermijnen daarbij gelden, hoe financiële sancties worden vastgesteld en op welke wijze verhoging of matiging van sanctiebedragen plaatsvindt. Deze beleidsregel is gebaseerd op de modelleidraad van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Ook zijn relevante onderdelen uit de bijbehorende oplegnotitie, de factsheet evenredigheidstoets en de uitvoeringsinstructies van de VNG betrokken bij de totstandkoming van deze beleidsregel. Ten opzichte van de VNG-modelleidraad kiest het college voor een meer terughoudende toepassing van bestuurlijke boetes. Daarnaast wordt bij de bepaling van de omvang van een organisatie een ruimere systematiek gehanteerd, hetgeen in bepaalde gevallen kan leiden tot lagere boetebedragen. Voor houders die in meerdere gemeenten kinderopvangvoorzieningen exploiteren, is voorspelbaarheid en eenduidigheid in toezicht en handhaving van groot belang. Het college zet daarom in op regionale afstemming. Deze beleidsregel draagt bij aan een meer uniforme uitvoering van toezicht en handhaving binnen de regio West-Brabant. 1. Kwaliteit kinderopvang Kinderopvang vervult een belangrijke maatschappelijke functie. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een kansrijke start van kinderen in het basisonderwijs en hun verdere deelname aan de samenleving. Daarnaast stimuleert kwalitatief goede kinderopvang de ontwikkeling en het welbevinden van kinderen. In de kinderopvang is het van belang dat kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich breed te ontwikkelen. Dit betreft onder meer hun sociaal-emotionele, cognitieve en taalontwikkeling. Daarbij is er aandacht voor sociale activiteiten, zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar. Dit sluit aan bij een van de doelen die de wetgever heeft geformuleerd in de Wet kinderopvang. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties geregistreerd die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die het college heeft genomen. 1.1 Jaarlijkse rapportage College B&W kwaliteit kinderopvang Goede kinderopvang: Waar kinderen zich veilig voelen en hun ontwikkeling wordt bevorderd. Het college brengt jaarlijks een rapportage toezicht en handhaving kinderopvang uit. Belangrijke onderdelen in dit verslag zijn de uitvoering van de wettelijke taken en het aantal keren dat het college handhavingsinstrumenten, zoals een aanwijzing, boete, last onder dwangsom en exploitatieverbod inzet. Het college houdt zo zicht op de staat van de kwaliteit van de kinderopvang. Het college gebruikt de jaarlijkse rapportage ook om de doeltreffendheid van de werkwijze te monitoren en waar nodig aan te passen. Daarbij kijkt het college ook naar de aard van de overtredingen waarop de handhaving is ingezet. De resultaten van inspectieonderzoeken kunnen, naast aanscherpingen in de eigen werkwijze en het vaststellen van speerpunten, ook leiden tot aanbevelingen richting de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit. 1.2 Visie en ambitie De eerste jaren van een kind hebben een grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom van groot belang. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een essentiële factor. Daarom wil het college dat kinderen toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang, waarin zij zich optimaal kunnen ontwikkelen. Het college ziet het ook als zijn rol om houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang te waarborgen. Het college vertrouwt erop en gaat ervan uit dat houders zich uit eigen beweging aan alle kwaliteitseisen houden, zoals vastgelegd in de wet- en regelgeving. Het college spreekt houders aan op hun eigen verantwoordelijkheid en gaat met hen in gesprek over de (lokale) ontwikkelingen en signalen. Kwalitatief goede kinderopvang voldoet structureel aan de gestelde kwaliteitseisen en houdt het volgende in. De kinderopvang: ▪︎vindt plaats in een veilige en gezonde omgeving; ▪︎wordt geboden door vaste en vertrouwde professionals in vaste groepen; ▪︎draagt bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen; ▪︎geeft belangrijke waarden en normen mee aan de kinderen. 2. Wettelijk kader en gemeentelijke invulling 2.1 Wettelijk kader Om de kwaliteit van de kinderopvang te waarborgen, heeft de rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld, waaraan kinderopvangorganisaties moeten voldoen. Deze eisen hebben onder meer betrekking op het pedagogisch klimaat (waaronder voorschoolse educatie), personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting, de betrokkenheid van ouders en de administratie van de kinderopvangvoorziening. De kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang en verder uitgewerkt in nadere regelgeving. De verschillende onderdelen, waarop toezicht plaatsvindt, worden aangeduid als domeinen. Vanaf de start van de exploitatie van een opvangvoorziening moet aan de geldende kwaliteitseisen worden voldaan. De Wet kinderopvang bevat daarnaast bepalingen over de toestemming tot exploitatie, de registratie van voorzieningen, wijzigingen in die registratie, het toezicht en de handhaving. Het college van burgemeester en wethouders is verantwoordelijk voor het verlenen en intrekken van toestemming tot exploitatie, de registratie van voorzieningen en de handhaving van de kwaliteitseisen. Binnen de wettelijke kaders geeft het college invulling aan deze taken en bevoegdheden. De GGD West-Brabant is de aangewezen toezichthouder voor de kinderopvang. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en onderzoekt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders en gastouders aan deze eisen voldoen. Daarnaast zijn de procedures voor aanvragen en wijzigingen van kinderopvangvoorzieningen wettelijk vastgelegd. Wanneer de toezichthouder constateert dat niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan, is het college in beginsel verplicht handhavend op te treden. In deze beleidsregel is vastgelegd hoe het college zijn bevoegdheden op grond van de Wet kinderopvang doorgaans toepast. Daarbij blijft ruimte bestaan voor maatwerk. In bijzondere gevallen kan het college, met inachtneming van de wettelijke kaders, gemotiveerd afwijken van deze beleidsregel. Deze beleidsregel heeft betrekking op: •Kinderdagverblijven, al dan niet met voorschoolse educatie; •Buitenschoolse opvang; •Gastouderopvang via gastouderbureaus. 2.2 Begrippen Voor de in deze beleidsregel gebruikte begrippen wordt aangesloten bij de definities in de geldende wet- en regelgeving. Aanvullende begrippen en definities zijn opgenomen in onderstaande tabel. Begrip Wat het college daaronder verstaat Afwegingsmodel Handhaving In het Afwegingsmodel Handhaving is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college doorgaans oplegt; In welke mate (hoog, gemiddeld, matig of licht) de overtreding consequenties heeft voor de kwaliteit van opvang; Per domein staat de hersteltermijn aangegeven, waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld, en de hoogte van financiële sancties. College Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk Gemeente Moerdijk GGD GGD West-Brabant Houder De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen. Inspectieonderzoek Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 Wet kinderopvang LRK Landelijk Register Kinderopvang Toezichthouder De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport. 3. Starten van een voorziening: voldoen vanaf de start Voordat een kinderopvangvoorziening daadwerkelijk kinderen mag opvangen of een gastouderbureau met haar werkzaamheden mag starten, is toestemming nodig van het college. 3.1 De aanvraag voor toestemming tot exploitatie Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een brief (een besluit). Daarin staat ook de datum, waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie. Het aanvragen hiervan kan met een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier. Deze is te vinden op www.rijksoverheid.nl en op www.landelijkregisterkinderopvang.nl. Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. In dat geval moet er wel sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen. 3.2 Streng aan de poort Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen vanaf de eerste dag worden opgevangen in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving. Het college vindt het daarom van groot belang dat een kinderopvangvoorziening bij aanvang van de exploitatie voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang. Toestemming tot exploitatie wordt dan ook uitsluitend verleend wanneer de toezichthouder van oordeel is dat de houder vanaf de start aan deze kwaliteitseisen kan voldoen en kwalitatief verantwoorde opvang kan bieden. Deze werkwijze wordt aangeduid als streng aan de poort. Voor gastouderbureaus geldt dat zij hun werkzaamheden vanaf de start zodanig moeten kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau zelf als de aangesloten gastouders voldoen aan de geldende kwaliteitseisen. Het college laat iedere aanvraag voor toestemming tot exploitatie uitgebreid toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder vooraf verschillende kwaliteitsaspecten, waaronder het beleid, de accommodatie, het personeel en de bedrijfsvoering van de houder. Ook worden de organisatie-inrichting en het interne kwaliteitsbeleid betrokken bij de beoordeling. Daarbij wordt niet alleen gekeken of de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook of redelijkerwijs mag worden verwacht dat hieraan duurzaam kan worden voldaan. Bij de beoordeling betrekt de toezichthouder tevens de kwaliteit en nalevingshistorie van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder. De toezichthouder adviseert het college over de besluitvorming. Een positieve nalevingshistorie kan bijdragen aan een positief oordeel. Indien bij andere voorzieningen van de houder sprake is van ernstige of niet herstelde overtredingen, kan dit voor het college aanleiding zijn om geen toestemming tot exploitatie te verlenen totdat de overtredingen zijn beëindigd. De gemeente ziet er bij de besluitvorming op toe dat besluiten niet in strijd zijn met andere wettelijke voorschriften (o.a. Omgevingswet, Alcoholwet). Dit volgt uit de zorgvuldigheidsplicht en de verplichting tot een evenwichtige belangenafweging, zoals vastgelegd in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij een aanvraag voor toestemming tot exploitatie beoordeelt het college, in afstemming met de betrokken afdelingen, niet alleen of wordt voldaan aan de eisen uit de Wet kinderopvang, maar ook aan andere relevante wet- en regelgeving die van belang is voor een veilige en gezonde kinderopvang. Daarbij wordt onder meer gekeken naar bouwtechnische voorschriften, brandveiligheid en het omgevingsplan. De voor de beoordeling benodigde documenten, zoals plattegronden met een duidelijke aanduiding van de ruimten en vluchtroutes, moeten volledig en actueel zijn. Het niet voldoen aan bouwtechnische of brandveiligheidseisen kan directe gevolgen hebben voor de veiligheid van kinderen en medewerkers. Daarnaast moet het gebruik van de locatie voor kinderopvang passen binnen het omgevingsplan. Wanneer dit niet het geval is, kan dit gevolgen hebben voor de exploitatiemogelijkheden van de voorziening en het gebruik van de binnen- en buitenruimten. 3.3 Tijdig aanvragen De aanvraag moet op tijd worden gedaan, want het college heeft 10 weken de tijd om een beslissing op de aanvraag te nemen. Deze termijn kan worden verlengd. Als er toestemming is gegeven, registreert het college de voorziening in het LRK. 3.4 Niet gemelde kinderopvang Indien een kinderopvangvoorziening zonder voorafgaande schriftelijke toestemming tot exploitatie in gebruik wordt genomen, is er sprake van niet gemelde (illegale) kinderopvang. Dit betreft een ernstige overtreding van de Wet kinderopvang. Omdat het college in dat geval niet vooraf heeft kunnen beoordelen of sprake is van verantwoorde en veilige opvang, wordt tegen deze overtreding streng opgetreden. Daarbij wordt de illegale exploitatie zo spoedig mogelijk beëindigd en de locatie gesloten. Daarnaast kan aan de houder een bestuurlijke boete worden opgelegd. Ook kan aangifte worden gedaan bij het Openbaar Ministerie wegens overtreding van de Wet op de economische delicten. Van niet gemelde kinderopvang is eveneens sprake wanneer een kinderopvangvoorziening na intrekking van de toestemming tot exploitatie opvang blijft aanbieden. In dat geval kunnen dezelfde handhavingsmaatregelen worden toegepast. 3.5 Wijzigingen registratiegegevens LRK Na het verlenen van toestemming tot exploitatie kunnen wijzigingen optreden in de geregistreerde gegevens van een kinderopvangvoorziening. De houder is verplicht deze wijzigingen direct aan het college door te geven. Het college beoordeelt vervolgens of de wijziging gevolgen heeft voor de registratie en of voorafgaand aan de besluitvorming een onderzoek door de toezichthouder noodzakelijk is. Daarbij moet onder meer duidelijk zijn waar en voor hoeveel kinderen opvang wordt aangeboden, wie hiervoor verantwoordelijk is en hoe de opvangvoorziening bereikbaar is. Het niet of niet tijdig melden van een wijziging kan aanleiding zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete. Voorbeelden van meldingsplichtige wijzigingen zijn: ▪De toekenning van een KvK-vestigingsnummer; ▪ Het correspondentieadres, bezoekadres, telefoonnummer of de contactpersoon; ▪ De beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening. Ook de wijzigingen die in de volgende paragrafen worden behandeld, moeten aan het college worden gemeld. 3.6 Wijziging houder of rechtsvorm Wanneer een kinderopvangvoorziening wordt overgenomen door een andere houder, moet de nieuwe houder vooraf toestemming tot exploitatie aanvragen. Ook een wijziging van de rechtsvorm van de houder wordt aangemerkt als een houderwijziging. Het is hierbij niet relevant dat de bestuurder hetzelfde blijft. Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder. Bij de beoordeling van een houderwijziging hanteren het college en de toezichthouder het uitgangspunt streng aan de poort. Ook wanneer een kinderopvangvoorziening door een andere houder wordt voortgezet, moet zijn geborgd dat blijvend aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Voor de behandeling van een aanvraag tot houderwijziging geldt daarom een beslistermijn van tien weken. Het college houdt daarbij zoveel mogelijk rekening met de continuïteit van de opvang. Om vertraging te voorkomen, is het van belang dat de nieuwe houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde gegevens en documenten volledig aanlevert. 3.7 Wijziging aantal kindplaatsen Bij de toestemming tot exploitatie wordt het maximaal toegestane aantal kindplaatsen vastgesteld. De toezichthouder betrekt dit aantal bij de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen kan voldoen, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein accommodatie en groepen. Wijzigt het aantal kindplaatsen na registratie, dan moet de houder dit melden aan het college. Voor het ophogen van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen, vraagt het college advies aan de toezichthouder. De wijziging wordt uitsluitend toegestaan wanneer de houder ook na de uitbreiding aan de kwaliteitseisen kan blijven voldoen. Bij de beoordeling van een wijziging van het aantal kindplaatsen wordt onder meer uitgegaan van een actuele plattegrond waarop de ruimten, vluchtroutes, gebruiksoppervlakten en afmetingen zijn aangegeven. 3.8 Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie Wanneer een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, moet dit gastouderbureau de nieuwe bemiddelingsrelatie melden via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet tijdig worden gemeld. Het advies is om de koppeling in het Personenregister Kinderopvang (PRK) pas te beëindigen nadat de bemiddelingsrelatie in het LRK is beëindigd. Bij het toezicht op een gastouderbureau betrekt de toezichthouder ook de naleving van de kwaliteitseisen door de aangesloten gastouders. 3.9 Verhuizing De verhuizing van een kinderopvangvoorziening wordt als een nieuwe aanvraag behandeld. Wanneer een gastouderbureau verhuist naar een ander adres binnen dezelfde gemeente, is er geen nieuwe aanvraag voor toestemming tot exploitatie nodig. De houder moet de adreswijziging wel via een wijzigingsformulier aan het college melden. 3.10 Wijzigingsformulier tijdig indienen Wijzigingen moeten worden gemeld via het daarvoor bestemde wijzigingsformulier. Dit formulier is beschikbaar via www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl. De houder dient het wijzigingsverzoek uiterlijk acht weken vóór de beoogde ingangsdatum in. Voor een houderwijziging of wijziging van de rechtsvorm geldt een termijn van tien weken. Het college beoordeelt of een onderzoek door de toezichthouder noodzakelijk is. Het college beslist binnen acht weken op een aanvraag tot wijziging en bepaalt of de wijziging kan worden doorgevoerd en geregistreerd in het LRK. Voor bepaalde wijzigingen, zoals een wijziging van het telefoonnummer of correspondentieadres, wordt geen afzonderlijk besluit genomen. De houder wordt hierover geïnformeerd nadat de wijziging in het LRK is verwerkt. Gastouders melden wijzigingen aan het gastouderbureau. Het gastouderbureau draagt er zorg voor dat wijzigingen met betrekking tot de gastouderopvang aan de gemeente worden doorgegeven. 4. Toezicht: aanspreken op verantwoordelijkheid Jonge kinderen zijn kwetsbaar. Toezicht op de naleving van de kwaliteitseisen draagt eraan bij dat kinderopvang op een verantwoorde en veilige manier plaatsvindt. Daarnaast versterkt toezicht het vertrouwen van ouders in de kwaliteit van de kinderopvang en stimuleert het kinderopvangorganisaties om de kwaliteit van hun dienstverlening te bewaken en verder te ontwikkelen. Binnen het huidige toezicht staat de dialoog tussen houder en toezichthouder centraal. De toezichthouder richt zich daarbij primair op de beoordeling van de kwaliteit van de opvang. Bij geconstateerde overtredingen kunnen de feiten en omstandigheden van het geval van belang zijn voor de verdere afweging. Deze worden door de toezichthouder beschreven in het inspectierapport. De toezichthouder werkt in opdracht van de gemeente. Zijn rol als toezichthouder wordt niet beïnvloed. De toezichthouder voert zijn toezicht onafhankelijk uit en beoordeelt op basis van de feiten en omstandigheden of aan de wettelijke kwaliteitseisen wordt voldaan. Wat kan een houder verwachten van een inspectieonderzoek van de toezichthouder? De toezichthouder is onafhankelijk in zijn beoordeling of er wordt voldaan aan de wettelijke eisen. De toezichthouder adviseert het college op basis van zijn bevindingen. De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere: ▪Observaties; ▪De inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken; ▪Gesprekken met medewerkers; ▪Een gesprek met de houder; ▪Documentenonderzoek; ▪Schriftelijk of persoonlijk contact met de oudercommissie. Een bezoek van de toezichthouder vindt doorgaans onaangekondigd plaats. Meer informatie: Toezicht en handhaving kinderopvang van GGD GHOR Nederland. 4.1 Dialooggericht werken Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. De kwaliteit van de kinderopvang wordt niet alleen bepaald door het voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Ook de inrichting van de organisatie, de inzet en aansturing van personeel en de verdeling van verantwoordelijkheden binnen de organisatie spelen daarbij een belangrijke rol. Om een goed beeld te krijgen van de organisatie, gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de inrichting van de organisatie, de interne processen en de wijze waarop de houder de kwaliteit van de kinderopvang waarborgt. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol. In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder: ▪ Zonder oordeel luisteren en observeren; ▪ Open vragen stellen en doorvragen; ▪ Controleren of de toezichthouder zaken goed heeft geïnterpreteerd. De toezichthouder stimuleert kinderopvangorganisaties om (samen) voortdurend te werken aan de kwaliteit en veiligheid van de opvang en om risico’s te beperken. Waar nodig bespreekt de toezichthouder de verbeterpunten met de houder en zet hij aan tot herstel en kwaliteitsverbetering. Wanneer een tekortkoming wordt geconstateerd, betrekt de toezichthouder de feiten en omstandigheden van het geval bij zijn beoordeling. Daarbij kijkt de toezichthouder onder meer naar de aard en ernst van de tekortkoming en de mate waarin deze gevolgen heeft gehad voor de kwaliteit en veiligheid van de opvang. Deze afweging wordt meegenomen in het oordeel van de toezichthouder en het advies aan het college. 4.2 Risicogestuurd toezicht De toezichthouder houdt risicogestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Daarbij worden locaties waar geen of beperkte risico's worden geconstateerd minder intensief geïnspecteerd dan locaties waar risico's of zorgen bestaan. Het uitgangspunt hierbij is: minder waar mogelijk, meer waar nodig. De werkwijze van de toezichthouder sluit aan bij de uitgangspunten van deze beleidsregel: locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend op orde is, krijgen meer en intensiever toezicht. De toezichthouder heeft meer vertrouwen in een houder die tijdig, volledig en transparant de informatie verstrekt die nodig is om de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening te beoordelen. Een houder die niet transparant is en/of onbetrouwbaar blijkt, is een reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen, is een reden tot zorg. De toezichthouder stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij de andere kindercentra van dezelfde houder. Bij de gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau. Bij lichte zorgen over de actuele situatie, zorgen over de nabije toekomst of ernstige zorgen over de kwaliteit van de opvang wordt de houder geïnformeerd over het verscherpte toezicht. Daarbij wordt aangegeven wat de reden is voor het verscherpte toezicht en welke gevolgen dit heeft voor de betreffende voorziening. 4.3 Onderzoeken De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten: •Onderzoeken voor registratie; •Onderzoeken na registratie; •Reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken; •Incidentele onderzoeken; •Nader onderzoek (na geconstateerde overtreding(en)). De toezichthouder kan ook thema-onderzoeken uitvoeren naar specifieke onderwerpen of kwaliteitsaspecten binnen de kinderopvang. De toezichthouder voert jaarlijks ten minste één onaangekondigd onderzoek uit bij ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en iedere voorziening voor buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere voorziening voor gastouderopvang minimaal eenmaal per drie jaar wordt onderzocht. 4.4 Flexibele inspectieactiviteit Door de invoering van de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op: ▪ Verklaringen Omtrent het Gedrag (VOG); ▪ Registratie in het Personenregister kinderopvang (PRK); ▪ Pedagogische kwaliteit; ▪ Voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is). Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten, onderzoekt de toezichthouder de overige wettelijke eisen. Daarnaast houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met specifieke kenmerken van de locatie, meldingen en signalen. 4.5 Speerpunten Het college stelt jaarlijks, in samenwerking met de toezichthouder, een uitvoeringsplan vast. Hierin worden de accenten voor het toezicht en eventuele themaonderzoeken opgenomen. Op basis hiervan kan de toezichthouder gedurende het jaar extra aandacht besteden aan specifieke kwaliteitseisen en andere speerpunten. Welke onderwerpen prioriteit krijgen, is afhankelijk van landelijke en lokale ontwikkelingen en van signalen die voortkomen uit het toezicht. Het college en de toezichthouder kunnen besluiten de gekozen speerpunten en themaonderzoeken te communiceren met houders. 4.6 Herstelaanbod De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening, stelt hierover een rapport op en adviseert het college. Bij overtredingen kan de toezichthouder, onder voorwaarden, een herstelaanbod doen. De houder krijgt daarmee de gelegenheid om de overtreding gedurende de onderzoeksperiode te herstellen en aan te tonen dat weer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Uitgangspunt is dat sprake is van spoedig, structureel en duurzaam herstel. Het staat de houder vrij het herstelaanbod al dan niet te aanvaarden. Binnen de door de toezichthouder gestelde termijn moet de houder de benodigde maatregelen treffen om de overtreding structureel te herstellen en weer aan de kwaliteitseisen te voldoen. Dit herstel moet zijn gerealiseerd voordat het conceptrapport wordt opgesteld. De toezichthouder beoordeelt per situatie of een herstelaanbod passend is en welke hersteltermijn wordt gehanteerd. Een herstelaanbod is daarbij geen vooraf vaststaand recht van de houder. De toezichthouder bespreekt de te nemen verbetermaatregelen en legt de gemaakte afspraken vast. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of de overtreding structureel is opgeheven. Het herstelaanbod bevordert een spoedig herstel van de overtreding en geeft de toezichthouder beter inzicht in de nalevingsbereidheid van de houder. De toezichthouder beschrijft in het inspectierapport de geconstateerde overtreding en of het herstelaanbod tijdig is nagekomen. Daarbij wordt beoordeeld of de overtreding is hersteld, vanaf welk moment weer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan en of het herstel een structureel karakter heeft. Na afloop van de onderzoeksperiode adviseert de toezichthouder het college over de verdere afhandeling. Het college hecht waarde aan een lerende en herstelgerichte benadering binnen het toezicht op de kinderopvang. Waar mogelijk worden houders gestimuleerd om tekortkomingen snel en zelfstandig te herstellen, voordat handhavende maatregelen worden ingezet. Om die reden kiest het college voor een ruime toepassing van het herstelaanbod, ook in situaties waarin dit niet expliciet wordt genoemd binnen het huidige VNG-advies. Het college is van oordeel dat een ruimhartige inzet van het herstelaanbod kan bijdragen aan een sneller herstel van overtredingen, een beperking van de administratieve lasten en een constructieve samenwerking tussen toezichthouder en houder. Uitgangspunt is dat een herstelaanbod wordt gedaan wanneer herstel binnen een redelijke termijn mogelijk is en de kwaliteit of veiligheid van de opvang niet zodanig in het geding is dat onmiddellijk handhavend optreden noodzakelijk is. Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij: ▪aard en ernst van de overtreding zich niet leent voor het herstelaanbod; ▪er veel overtredingen zijn binnen verschillende domeinen; ▪de houder in de voorgaande drie jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding structureel op te heffen; ▪de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht, gelet op de kwaliteit en of de veiligheid van de opvang voor de kinderen; ▪herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode; ▪specifieke voorwaarden die het college met de GGD heeft uitgesloten (indien van toepassing opgenomen in het uitvoeringsplan). Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen doorgaans niet in aanmerking voor een herstelaanbod, omdat zij niet aan de criteria voldoen. 4.7 Aansluiting bij landelijke ontwikkelingen en adviezen Het college streeft ernaar om de uitvoering van zijn taken op het gebied van kinderopvang, waaronder de taken die door de GGD worden uitgevoerd, zoveel mogelijk af te stemmen op de landelijke ontwikkelingen en de adviezen van de VNG en GGD GHOR Nederland. Daarbij vormen landelijke wet- en regelgeving, handreikingen en uitvoeringsadviezen het uitgangspunt. Waar de omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan binnen de wettelijke kaders maatwerk worden toegepast. 4.8 Schriftelijk bevel Wanneer de kwaliteit van de kinderopvang zodanig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid of gezondheid van kinderen direct in gevaar komt, kan de toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Deze bevoegdheid wordt uitsluitend ingezet in ernstige situaties waarin direct optreden noodzakelijk is en niet kan worden gewacht op een besluit van het college. Een bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen. In het bevel wordt aangegeven welke overtreding of overtredingen zijn geconstateerd, welke maatregelen de houder moet treffen en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Indien de overtredingen niet of onvoldoende zijn hersteld, kan het college aanvullende handhavingsmaatregelen treffen. Zo kan het college het bevel verlengen of andere maatregelen inzetten om de veiligheid en gezondheid van de opgevangen kinderen te waarborgen. 4.9 Signalen Het college hecht groot belang aan veilige en verantwoorde kinderopvang. Het toezicht hierop wordt uitgevoerd door de GGD West-Brabant. Naast bevindingen uit het reguliere toezicht kunnen ook signalen van ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen aanleiding geven voor nader onderzoek. Het college en de toezichthouder moedigen daarom iedereen aan om zorgen, meldingen en signalen over de kinderopvang te delen. Meldingen kunnen telefonisch worden gedaan via 088-6392000 of per e-mail via kinderopvang@ggdwb.nl. De toezichthouder werkt signaalgestuurd. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden of terugkerende tekortkomingen vormen een belangrijke informatiebron voor het toezicht. Ook signalen van bijvoorbeeld de politie of de Dienst Toeslagen kunnen aanleiding zijn voor nader onderzoek. Naar aanleiding van een signaal beoordeelt de toezichthouder welke actie passend is. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot een incidenteel onderzoek of tot extra aandacht voor een specifiek onderwerp tijdens het jaarlijks onderzoek. Voor de inrichting van het signalenproces wordt aangesloten bij de landelijke aanpak. Zodra de landelijke denklijn voor de verwerking van signalen beschikbaar is, wordt deze in het lokale werkproces geïntegreerd. De toezichthouder deelt, waar dat noodzakelijk is en binnen de geldende wettelijke kaders, signalen met andere toezichthouders en handhavingspartners. Dit kunnen onder meer de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, gemeentelijke toezichthouders op het gebied van brandveiligheid en toezichthouders kinderopvang in andere GGD-regio's zijn. Zorg, melding of signaal over de kinderopvang doorgeven? •Telefonisch: 088-6392000 •E-mail: kinderopvang@ggdwb.nl 4.10 Gastouderopvang Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind en kenmerkt zich door een kleinschalige en persoonlijke opvangvorm. De opvang moet plaatsvinden in een veilige en gezonde omgeving. Hoewel voor gastouderopvang dezelfde uitgangspunten gelden als voor andere vormen van kinderopvang, wijken de wettelijke kwaliteits- en toezichteisen op enkele punten af. Zo gelden andere kwalificatie-eisen en is het vierogenprincipe niet van toepassing. Daarnaast zijn de verantwoordelijkheden voor de kwaliteit van de opvang verdeeld tussen de gastouder en het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. Binnen de gemeente kunnen ook gastouders actief zijn die aangesloten zijn bij gastouderbureaus buiten de GGD-regio West-Brabant. Hierdoor heeft GGD West-Brabant minder direct zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Deze kenmerken maken dat binnen het toezicht extra aandacht bestaat voor de kwaliteit en naleving binnen de gastouderopvang. In het kader van het toezicht kan de toezichthouder bij een onderzoek naar een gastouderbureau contact opnemen met aangesloten gastouders, ook wanneer de voorziening voor gastouderopvang buiten de gemeente is gevestigd. Inspecties bij gastouderbureaus en gastouders vinden zoveel mogelijk onaangekondigd plaats. Wanneer de toezichthouder tijdens een onderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau constateert, wordt deze opgenomen in het inspectierapport. Daarnaast kunnen signalen en bevindingen worden gedeeld met de toezichthouder die verantwoordelijk is voor het toezicht op het betreffende gastouderbureau. Signalen van andere GGD-regio's worden daarbij betrokken en zo nodig onderzocht. Gastouderbureaus vervullen een belangrijke rol bij het waarborgen van de kwaliteit van de gastouderopvang. Daarom zijn zij verplicht gastouders regelmatig te begeleiden en meerdere keren per jaar te bezoeken. 4.11 Voorschoolse educatie Het college is verantwoordelijk voor een toereikend en goed gespreid aanbod van voorschoolse educatie binnen de gemeente. Om dit aanbod te realiseren, verstrekt het college subsidie aan kinderopvangorganisaties die de voorschoolse educatie aanbieden. Verschillende kinderdagverblijven binnen de gemeente bieden voorschoolse educatie aan. Deze locaties zijn opgenomen in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Voorschoolse educatie heeft als doel peuters extra te ondersteunen in hun ontwikkeling, met bijzondere aandacht voor de taalontwikkeling, en hen voor te bereiden op het basisonderwijs. De voorschoolse educatie maakt onderdeel uit van het onderwijsachterstandenbeleid (OAB). Voor de voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en, waar van toepassing, gemeentelijke kwaliteitseisen. De toezichthouder houdt toezicht op de naleving hiervan. Daarnaast vervult de toezichthouder een signalerende rol richting de Inspectie van het Onderwijs, die toezicht houdt op het stelsel van voor- en vroegschoolse educatie (vve). Ontwikkelingen in de landelijke taakverdeling tussen de Inspectie van het Onderwijs en de GGD'en kunnen aanleiding geven tot aanpassing van het toezicht. De wettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie worden meegenomen in het jaarlijkse onderzoek. Daarbij wordt onder meer gekeken naar het verplichte aanbod aan voorschoolse educatie, de kwalificaties van beroepskrachten, het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering daarvan in de praktijk. 5. Handhaving: gericht op structureel herstel Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun kinderopvang en de naleving van de wettelijke kwaliteitseisen. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat het college passende maatregelen neemt wanneer de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. De beoordeling of sprake is van een overtreding is doorgaans gebaseerd op de bevindingen van de toezichthouder, zoals vastgelegd in het inspectierapport. Het college kan een overtreding echter ook zelfstandig vaststellen. Houders zijn verantwoordelijk voor het bieden van verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang. Bij overtredingen wordt van hen verwacht dat zij structurele maatregelen treffen om deze te beëindigen en herhaling te voorkomen. Van houders met meerdere locaties verwacht het college dat zij lessen uit geconstateerde overtredingen vertalen naar verbetermaatregelen binnen de gehele organisatie. Indien dat nodig is, zet het college handhavingsmaatregelen in om naleving van de kwaliteitseisen te waarborgen. In deze beleidsregel en de bijbehorende bijlage Afwegingsmodel handhaving is vastgelegd op welke wijze het college zijn toezichts- en handhavingsbevoegdheden op grond van de Wet kinderopvang toepast. Wanneer sprake is van een overtreding van de geldende wet- en regelgeving, kan het college verschillende handhavingsinstrumenten inzetten om naleving van de kwaliteitseisen te bewerkstelligen. Bij de keuze van de meest passende maatregel hanteert het college de volgende uitgangspunten: •Het behouden van kwalitatief goede kinderopvang; •Het verbeteren van kinderopvang waar de kwaliteit tekortschiet; •Het bevorderen van snel, structureel en duurzaam herstel van overtredingen; •Het beëindigen van opvang op locaties waar de kwaliteit ernstig of structureel tekortschiet. Met deze beleidsregel beoogt het college te waarborgen dat kinderen worden opgevangen in een veilige en verantwoorde omgeving en dat ouders erop kunnen vertrouwen dat kindercentra, voorzieningen voor gastouderopvang en gastouderbureaus voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Inspectierapporten zijn openbaar en raadpleegbaar via het Landelijk Register Kinderopvang (LRK). Ouders kunnen deze informatie gebruiken bij de keuze voor een kinderopvangvoorziening en bij hun betrokkenheid via de oudercommissie. Gelet op het maatschappelijk belang van goede en veilige kinderopvang, ziet het college slechts in uitzonderlijke gevallen af van handhavend optreden. Bij iedere overtreding beoordeelt het college welke maatregel, gelet op de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval, geschikt, evenredig en noodzakelijk is. Handhaving is daarmee maatwerk. Het college streeft ernaar maatregelen in te zetten die leiden tot een spoedig, structureel en duurzaam herstel van de overtreding. 5.1 Proactief handelen: open communicatie Om kwalitatief goede kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen te bevorderen, onderhoudt het college ook buiten bestuurlijke handhaving contact met houders in de gemeente. De gemeente en de toezichthouder kunnen periodiek houdergesprekken voeren met houders van kinderopvangvoorzieningen. Deze gesprekken zijn bedoeld om informatie uit te wisselen, ontwikkelingen te bespreken en signalen vroegtijdig te delen. Onderwerpen die aan bod kunnen komen, zijn onder meer wijzigingen in wet- en regelgeving, ontwikkelingen binnen de organisatie van de houder en eventuele knelpunten in de praktijk. De houdergesprekken dragen bij aan het voorkomen van overtredingen en stimuleren houders om de kwaliteit van hun opvang verder te ontwikkelen. Daarnaast bieden de gesprekken het college en de toezichthouder inzicht in ontwikkelingen binnen de sector, waardoor toezicht en handhaving effectiever kunnen worden ingericht. Houdergesprekken kunnen zowel met individuele houders als met regionale vertegenwoordigers van landelijk of regionaal opererende houders worden gevoerd. Houders worden via de nieuwsbrieven van GGD West-Brabant geïnformeerd. Gastouderbureaus die buiten de gemeente zijn gevestigd, maar binnen de gemeente gastouderopvang bemiddelen, kunnen zich eveneens aanmelden voor deze nieuwsbrieven. 5.2 Handhavingsafwegingen Vanuit zijn wettelijke taak en verantwoordelijkheid beoordeelt het college welke handhavingsmaatregel in een concreet geval passend, evenredig en noodzakelijk is. Deze afweging vindt plaats per overtreding, locatie en houder. Het college betrekt bij de voorbereiding van een besluit alle relevante feiten, omstandigheden en belangen. Daarbij wordt beoordeeld welke maatregel het meest geschikt is om naleving van de kwaliteitseisen te bewerkstelligen en de kwaliteit van de kinderopvang te waarborgen. Ook de ernst van de overtreding, de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de opvang en de mate waarin de kwaliteit door een tekortkoming is beïnvloed, worden in de afweging betrokken. Bij het ontstaan van een overtreding kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen. Het college houdt bij de besluitvorming rekening met deze omstandigheden. Daarbij betrekt het college het oordeel van de toezichthouder, zoals opgenomen in het inspectierapport, evenals een eventuele zienswijze of reactie van de houder. Het college streeft naar duidelijke en overzichtelijke besluitvorming. Waar mogelijk worden handhavingsmaatregelen gebundeld in één besluit, zodat voor de houder helder is welke maatregelen moeten worden getroffen en binnen welke termijn. Uitgangspunt is dat iedere overtreding afzonderlijk wordt beoordeeld en dat per overtreding wordt bepaald of handhavend optreden noodzakelijk is. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder voldoende maatregelen zijn getroffen om een overtreding structureel en duurzaam te herstellen, kan het college afzien van een herstelgerichte maatregel. Indien uit één inspectieonderzoek blijkt dat een voorschrift meerdere malen is overtreden, wordt dit betrokken bij de beoordeling van de ernst van de overtreding. Dit kan aanleiding zijn voor een kortere hersteltermijn of een zwaardere sanctie. Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval: ▪Het inspectierapport, met daarin: -gerapporteerde overtreding(en); -bevindingen en conclusies van de toezichthouder; -indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden; -het advies van de toezichthouder; -de reactie van de houder in het inspectierapport; ▪Reacties van de houder aan het college; ▪De handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau; ▪De inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau; ▪Alle betrokken belangen, waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen. 5.3 Herstellend en bestraffend handhaven Het college kan zowel herstellend als bestraffend handhaven. Herstellende handhaving is gericht op het beëindigen van een overtreding en het duurzaam herstellen van de naleving van de kwaliteitseisen. Het college zet in beginsel altijd eerst in op herstel. Doel hiervan is dat de kwaliteit van de kinderopvang zo snel mogelijk weer voldoet aan de wettelijke eisen, zodat kinderen in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Bestraffende handhaving is gericht op het sanctioneren van een overtreding, ongeacht of deze inmiddels is hersteld. Naast herstellende handhaving kan het college voor dezelfde overtreding ook een bestraffende sanctie opleggen. Of hiervan gebruik wordt gemaakt, hangt af van de aard en ernst van de overtreding. Voor een aantal overtredingen legt het college in beginsel altijd een bestuurlijke boete op. Dit geldt bijvoorbeeld voor het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming tot exploitatie of het niet opvolgen van een bevel. Voor andere overtredingen wordt een bestuurlijke boete doorgaans opgelegd bij een herhaalde constatering. Dit geldt onder meer voor overtredingen met betrekking tot de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG), het Personenregister Kinderopvang (PRK) en de beroepskracht-kindratio (BKR). Voor overige overtredingen beoordeelt het college per geval of het opleggen van een bestuurlijke boete passend en noodzakelijk is. In het Afwegingsmodel handhaving is opgenomen voor welke overtredingen het college in beginsel direct een bestuurlijke boete oplegt, voor welke overtredingen dit gebeurt bij herhaalde constatering en in welke overige gevallen een bestuurlijke boete kan worden opgelegd. 5.4 Recidive De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen en wordt als overtreder aangemerkt wanneer deze eisen niet worden nageleefd. Van recidive is sprake wanneer een voorschrift opnieuw wordt overtreden nadat voor een eerdere overtreding van datzelfde voorschrift een herstelaanbod is gedaan of een handhavingsmaatregel is opgelegd. Bij recidive zet het college in beginsel een zwaardere handhavingsmaatregel in. Wanneer binnen drie jaar na het opleggen van een aanwijzing opnieuw een overtreding van hetzelfde voorschrift wordt geconstateerd, legt het college in beginsel een last onder dwangsom op. Indien een overtreding wordt herhaald nadat een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, of nadat een bestuurlijke boete is opgelegd, legt het college in beginsel een hogere dwangsom of bestuurlijke boete op. De bedragen die zijn opgenomen in het Afwegingsmodel handhaving, behorend bij deze beleidsregel, worden bij herhaalde overtredingen in beginsel verhoogd. 5.5 Organisatieniveau Het college handhaaft in beginsel op locatieniveau, maar betrekt daarbij ook de nalevingshistorie en eventuele overtredingen op andere locaties van dezelfde houder. Hiermee wordt de houder gestimuleerd zijn verantwoordelijkheid voor de gehele organisatie te nemen. Wanneer op een locatie een overtreding wordt vastgesteld, verwacht het college van de houder dat, waar nodig, organisatiebrede verbetermaatregelen worden getroffen. Het uitgangspunt is dat tekortkomingen niet alleen op de betreffende locatie worden hersteld, maar dat tevens wordt voorkomen dat dezelfde overtreding zich voordoet op andere locaties van de houder. Dit draagt bij aan een duurzame kwaliteitsverbetering en kan handhavend optreden op andere locaties voorkomen. Op deze wijze kan sneller worden bereikt dat kinderen worden opgevangen in een veilige en verantwoorde omgeving en dat ouders kunnen vertrouwen op de kwaliteit van de opvang. Indien blijkt dat een houder onvoldoende organisatiebrede maatregelen neemt en dezelfde overtreding zich op meerdere locaties voordoet, kan het college aanleiding zien een zwaardere handhavingsmaatregel op te leggen. 5.6 Handhavingsmiddelen Bij de inzet van toezicht en handhaving staat het beoogde effect centraal. Het college kiest voor het handhavingsinstrument dat, gelet op de omstandigheden van het geval, het meest effectief bijdraagt aan het herstel van de overtreding en de naleving van de kwaliteitseisen. Het college spreekt houders aan op hun eigen verantwoordelijkheid voor het bieden van kwalitatief goede kinderopvang. Wanneer sprake is van een overtreding, verwacht het college dat de houder deze zo snel mogelijk en op duurzame wijze herstelt. Indien uit een herstelaanbod of inspectieonderzoek blijkt dat de houder zelf voldoende maatregelen neemt om de overtreding te beëindigen, kan dit aanleiding zijn om af te zien van een herstelgerichte handhavingsmaatregel. Daarbij weegt het college onder meer de nalevingsbereidheid van de houder, de getroffen verbetermaatregelen en de kwaliteit en transparantie van de bedrijfsvoering mee. Van de houder wordt verwacht dat hij openheid geeft over de voortgang van het herstel. De toezichthouder kan een nader onderzoek uitvoeren om vast te stellen in hoeverre daadwerkelijk sprake is van herstel en kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat de houder onvoldoende maatregelen treft of het herstel uitblijft, zet het college alsnog handhavende maatregelen in om naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen. De bevindingen van de toezichthouder over de mate van herstel en de nalevingsbereidheid van de houder, worden betrokken bij de besluitvorming. Ook wanneer een overtreding is hersteld, kan het college besluiten een bestuurlijke boete op te leggen voor de eerder begane overtreding. Het college kan daarbij gebruikmaken van de volgende handhavingsmaatregelen: 1. Aanwijzing Met een aanwijzing stuurt het college aan op structureel herstel van een overtreding. Dit betekent dat de houder niet alleen de overtreding moet beëindigen, maar ook passende maatregelen moet treffen om herhaling te voorkomen. In de aanwijzing staat welke maatregelen binnen welke termijn moeten worden genomen om weer aan de wettelijke eisen te voldoen. Daarbij kan de aanwijzing voor de specifieke situatie nader invulling geven aan de wettelijke voorschriften. Een aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt eerder opgelegde aanwijzingen gedurende drie jaar bij de beoordeling van nieuwe overtredingen en de keuze van een passende handhavingsmaatregel. De aanwijzing is in veel gevallen de eerst aangewezen herstelsanctie. Met deze maatregel maakt het college duidelijk welke verplichtingen op de houder rusten en welke maatregelen nodig zijn om aan de wettelijke eisen te voldoen. Omdat een aanwijzing een relatief lichte herstelsanctie is, wordt deze doorgaans ingezet voordat zwaardere handhavingsmaatregelen worden overwogen. 2. Last onder dwangsom Indien een aanwijzing niet leidt tot duurzaam herstel van een overtreding, legt het college in beginsel een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen wanneer de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Met een last onder dwangsom wordt de houder verplicht om binnen een gestelde termijn maatregelen te treffen om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Wanneer de houder tijdig aan deze verplichting voldoet, wordt geen dwangsom verbeurd en hoeft de houder het bedrag niet te betalen. Indien de overtreding niet binnen de gestelde termijn is beëindigd of zich opnieuw voordoet, verbeurt de houder de dwangsom (de dwangsom moet dan worden betaald). Een last onder dwangsom kan betrekking hebben op meerdere overtredingen van hetzelfde voorschrift en bevat een maximumbedrag. Wanneer binnen drie jaar na het opleggen van een aanwijzing opnieuw een overtreding van hetzelfde voorschrift wordt geconstateerd, legt het college in beginsel een last onder dwangsom op. Dit geldt ook wanneer in de tussenliggende periode inspecties hebben plaatsgevonden waarbij geen overtreding van dat voorschrift is vastgesteld. De last onder dwangsom is veelal de aangewezen herstelsanctie wanneer een aanwijzing onvoldoende effect heeft gehad en een zwaardere maatregel, zoals sluiting van de opvanglocatie, nog niet proportioneel is. Met deze maatregel wordt een financiële prikkel ingezet om naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen, zonder dat de exploitatie direct hoeft te worden beëindigd. 3. Verlengen bevel Indien de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft gegeven en naar zijn oordeel de overtreding niet of onvoldoende is hersteld, kan het college de geldigheidsduur van het bevel verlengen. De verlenging bedraagt minimaal zeven dagen en duurt niet langer dan noodzakelijk is om de overtreding structureel te herstellen. Gelet op de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval kan het college daarnaast besluiten een andere handhavingsmaatregel in te zetten, zoals een exploitatieverbod. 4. Exploitatieverbod Op grond van artikel 1.66 van de Wet kinderopvang kan het college een houder verbieden een kindercentrum, voorziening voor gastouderopvang of gastouderbureau in exploitatie te nemen of te houden. Van deze bevoegdheid kan gebruik worden gemaakt wanneer uit een inspectieonderzoek blijkt dat redelijkerwijs moet worden verwacht dat niet, of niet langer, aan de wettelijke kwaliteitseisen wordt voldaan. In dat geval is de kwaliteit van de opvang onvoldoende gewaarborgd. Het college kan daarnaast een exploitatieverbod opleggen wanneer een houder een bevel van de toezichthouder of een aanwijzing niet opvolgt. Ook kan het college besluiten tot tijdelijke sluiting van een locatie wanneer sprake is van ernstige of structurele tekortkomingen in de kwaliteit van de opvang en eerdere, minder ingrijpende handhavingsmaatregelen niet tot duurzaam herstel hebben geleid. De locatie blijft gesloten totdat de houder heeft aangetoond dat weer aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek. Een exploitatieverbod of sluiting is een ingrijpende maatregel, die gevolgen heeft voor de houder, medewerkers, ouders en kinderen. Het college zet deze maatregel daarom alleen in wanneer lichtere handhavingsinstrumenten onvoldoende effect hebben of de aard en ernst van de situatie daartoe aanleiding geven. Daarbij weegt het belang van veilige en verantwoorde kinderopvang zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Tijdens een sluiting kan de houder zich volledig richten op het herstellen van de geconstateerde tekortkomingen, zonder dat de veiligheid of gezondheid van kinderen risico loopt. Wanneer het college een locatie sluit, informeert de houder de ouders hierover. Indien de houder dit nalaat, kunnen het college of de toezichthouder de ouders rechtstreeks informeren, zowel schriftelijk als mondeling. 5. Intrekking toestemming tot exploitatie Wanneer een houder er ondanks een exploitatieverbod niet in slaagt de overtredingen binnen een redelijke termijn structureel te herstellen, kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Het college kan hiertoe ook besluiten wanneer sprake is van structurele niet-naleving van de kwaliteitseisen, herhaalde overtredingen na eerdere herstelmaatregelen, meerdere ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld. Door intrekking van de toestemming tot exploitatie wordt de voorziening uit het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) verwijderd en komt de exploitatie definitief ten einde. Intrekking van de toestemming tot exploitatie is een ingrijpende maatregel die het college uitsluitend toepast wanneer voldoende gelegenheid is geboden om de overtredingen te herstellen en duurzaam aan de kwaliteitseisen te voldoen, maar dit naar het oordeel van het college onvoldoende is gebleken. Het college kan de toestemming tot exploitatie ook direct intrekken, bijvoorbeeld indien: •Niet langer wordt voldaan aan de wettelijke definitie van kinderopvang, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau; •Sprake is van een overtreding die naar het oordeel van de toezichthouder niet kan worden hersteld. 6. Last onder bestuursdwang De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen en de inrichting van de kinderopvang. Omdat het college overtredingen van kwaliteitseisen doorgaans niet zelf kan herstellen, is een last onder bestuursdwang meestal geen geschikt handhavingsinstrument. Deze maatregel kan wel worden ingezet om een kinderopvangvoorziening te sluiten of gesloten te houden, bijvoorbeeld bij overtreding van een exploitatieverbod. De kosten van de bestuursdwang worden verhaald op de houder. 7. Bestuurlijke boete Naast herstellende handhaving kan het college gebruikmaken van bestuurlijke boetes. Een bestuurlijke boete is een bestraffende sanctie die kan worden opgelegd voor een overtreding van de Wet kinderopvang. Voor een aantal ernstige overtredingen legt het college in beginsel altijd een bestuurlijke boete op. Deze overtredingen zijn opgenomen in het Afwegingsmodel handhaving, behorend bij deze beleidsregel. Bij de beoordeling betrekt het college de nalevingshistorie van de houder over de voorgaande drie kalenderjaren. Dit geldt ook wanneer de houder inmiddels maatregelen heeft getroffen om herhaling of voortduring van de overtreding te voorkomen. De betreffende overtredingen zijn opgenomen in de categorieën Directe boete en Directe boete bij herhaalde constatering. Het college beoordeelt en beboet iedere overtreding afzonderlijk. Wanneer één voorschrift meerdere malen is overtreden, wordt per overtreding beoordeeld of een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Daarbij beoordeelt het college of het totale boetebedrag, gelet op de aard en ernst van de overtredingen en de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de opvang, evenredig is. Een bestuurlijke boete heeft financiële gevolgen voor de overtreder. De financiële draagkracht van de houder is in beginsel geen reden om af te zien van het opleggen van een boete of de boete te matigen. Indien de houder aannemelijk maakt dat onmiddellijke betaling tot onaanvaardbare gevolgen leidt, kan het college besluiten een betalingsregeling toe te staan.Ook het vrijwillig beëindigen van de exploitatie of het sluiten van een locatie vormt in beginsel geen reden om af te zien van het opleggen van een bestuurlijke boete. Voor de overtredingen die in het Afwegingsmodel handhaving zijn aangemerkt als direct beboetbaar, geldt dat deze ernstige risico's kunnen opleveren voor de kwaliteit, veiligheid en ontwikkeling van kinderen. Daarom legt het college hiervoor in beginsel altijd een bestuurlijke boete op. Bij ieder handhavingsbesluit beoordeelt het college welke maatregel, of combinatie van maatregelen, gelet op de omstandigheden van het geval geschikt, noodzakelijk en evenredig is. 5.7 Gastouderopvang De in deze beleidsregel beschreven werkwijze geldt eveneens voor de gastouderopvang. Bij de toepassing daarvan houdt het college rekening met de aard en kenmerken van de gastouderopvang en de verantwoordelijkheden van zowel de gastouder als het gastouderbureau. Bij toezicht en handhaving op de gastouderopvang zijn in het bijzonder de volgende aspecten van belang: - Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen. - Boetes bij het niet melden van wijzigingen: Gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor de kwaliteit van de gastouderopvang. Omdat de toezichthouder voorzieningen voor gastouderopvang steekproefsgewijs inspecteert, is het belangrijk dat het college beschikt over actuele en volledige gegevens over de opvang. Daarom legt het college bij herhaalde constatering van bepaalde overtredingen in beginsel direct een bestuurlijke boete op. Dit betreft onder meer het niet melden van een uitbreiding van de opvang, het niet melden van de start of beëindiging van een bemiddelingsrelatie en het niet melden van de beëindiging van een voorziening voor gastouderopvang. De bestuurlijke boete wordt opgelegd aan het gastouderbureau, omdat het gastouderbureau verantwoordelijk is voor het tijdig doorgeven van deze wijzigingen. - Snellere inzet van zwaardere maatregelen: Bij gastouderopvang kan het college eerder overgaan tot een exploitatieverbod of intrekking van de toestemming tot exploitatie. De kwaliteit van de opvang is in hoge mate afhankelijk van de gastouder zelf. Wanneer sprake is van herhaalde of ernstige overtredingen, bestaat daardoor minder aanleiding om te verwachten dat lichtere handhavingsmaatregelen tot duurzaam herstel leiden. - Afstemming met andere gemeenten: Wanneer het college handhavend optreedt tegen een gastouderbureau dat is gevestigd in een andere gemeente, informeert het college het bevoegde gemeentebestuur hierover. - Personenregister Kinderopvang: Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor een juiste en tijdige registratie in het Personenregister Kinderopvang en voor het verwerken van relevante wijzigingen. Het gastouderbureau is daarbij afhankelijk van informatie van de gastouder, maar blijft zelf verantwoordelijk voor het organiseren van een adequate informatievoorziening en controle. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in de huishoudsituatie van de gastouder of in de samenstelling van opgevangen kinderen, komt in beginsel voor rekening en risico van het gastouderbureau. Het is aan het gastouderbureau om aannemelijk te maken dat het redelijkerwijs alles heeft gedaan om overtredingen te voorkomen. 5.8 Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente De toezichthouder kan tijdens een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen de gemeente een overtreding constateren die is toe te rekenen aan een gastouderbureau dat buiten de gemeente is gevestigd. In dat geval kan het college geen aanwijzing opleggen aan het betreffende gastouderbureau, omdat het college niet het bevoegde bestuursorgaan is voor het toezicht op dat bureau. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in deze situatie doorgaans niet passend. Een last onder dwangsom is alleen effectief wanneer het bestuursorgaan toezicht kan houden op de naleving en zo nodig kan overgaan tot invordering. Omdat het toezicht op het gastouderbureau bij een andere gemeente ligt, zijn deze mogelijkheden beperkt. In dergelijke gevallen ligt het daarom meer voor de hand om een bestuurlijke boete op te leggen. Daarnaast informeert het college de gemeente die verantwoordelijk is voor het toezicht en de handhaving bij het betreffende gastouderbureau, zodat deze zo nodig verdere maatregelen kan treffen. 5.9 Voorschoolse educatie (VE) Wanneer de toezichthouder een overtreding constateert van de wettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie, informeert hij de Inspectie van het Onderwijs. De Inspectie kan deze informatie betrekken bij haar toezicht op de voor- en vroegschoolse educatie. Ook voor overtredingen van kwaliteitseisen die specifiek gelden voor voorschoolse educatie kan de toezichthouder een herstelaanbod doen. Het college verstrekt subsidie aan aanbieders van voorschoolse educatie om een kwalitatief hoogwaardig aanbod te realiseren. Het ontvangen van subsidie ontslaat een houder echter niet van de verplichting te voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen. Indien de toezichthouder een overtreding van deze eisen vaststelt, past het college de in deze beleidsregel beschreven handhavingsmaatregelen toe. 5.10 Publicatie van handhavingsbesluiten Het college maakt de handhavingsmaatregel en het overtreden voorschrift openbaar in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) zodra het handhavingsbesluit onherroepelijk is. Hiervan is sprake wanneer geen rechtsmiddelen meer openstaan of alle bezwaar- en beroepsprocedures zijn afgerond. In het besluit wordt aangegeven hoe bezwaar en beroep kunnen worden ingesteld. 6. Inwerkingtreding 1.Deze beleidsregel treedt in werking na de dag van bekendmaking.2.Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel toezicht en handhaving kwaliteit kinderopvang van de gemeente Moerdijk. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk in de vergadering van 15 september 2026. De secretaris, S. Elseman De burgemeester,A.J. Moerkerke Bijlage: Afwegingsmodel Handhaving In deze beleidsregel zijn de uitgangspunten voor de exploitatie, het toezicht en de handhaving van de kinderopvang vastgelegd. In deze bijlage is opgenomen op welke wijze het college zijn handhavingsbevoegdheden toepast wanneer een overtreding wordt vastgesteld. Het afwegingsmodel geeft richting aan de keuze van de passende handhavingsmaatregel. Herstelaanbod De toezichthouder kan een houder de gelegenheid bieden om geconstateerde overtredingen tijdens de onderzoeksperiode te herstellen (herstelaanbod). Wanneer de overtreding is hersteld of binnen afzienbare termijn zal worden hersteld, kan het college afzien van een herstelmaatregel. Blijft herstel uit, dan kan het college herstellend handhaven om naleving van de kwaliteitseisen te bewerkstelligen. Herstellend handhaven Bij herstellende handhaving kan het college een aanwijzing opleggen. In de aanwijzing wordt vastgelegd welke maatregelen de houder binnen welke termijn moet treffen om weer aan de kwaliteitseisen te voldoen. Een aanwijzing kan daarnaast een nadere invulling geven aan wettelijke voorschriften voor de specifieke situatie. Indien een aanwijzing onvoldoende effect heeft, kan het college een last onder dwangsom opleggen. Hiermee wordt de houder financieel geprikkeld om de overtreding te beëindigen en herhaling te voorkomen. Wanneer ook een last onder dwangsom niet leidt tot duurzaam herstel, kan het college een exploitatieverbod opleggen. Bij ernstige tekortkomingen, waardoor geen sprake is van verantwoorde kinderopvang, kan het college direct tot een exploitatieverbod besluiten. Indien na een tijdelijke sluiting niet wordt voldaan aan de kwaliteitseisen, kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. In uitzonderlijke gevallen kan het college ook direct tot intrekking overgaan. Het college beoordeelt per geval welke handhavingsmaatregel passend, noodzakelijk en evenredig is. Daarbij worden de aard en ernst van de overtreding, de omstandigheden van het geval, de locatie en de nalevingshistorie van de houder betrokken. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan het college direct een zwaardere handhavingsmaatregel inzetten. Prioritering van overtredingen Voor de toepassing van toezicht en handhaving onderscheidt het college overtredingen met grote, gemiddelde en lichte tot matige gevolgen voor de kwaliteit van de kinderopvang. De ernst van een overtreding is medebepalend voor de wijze van handhaving en de termijn waarbinnen herstel moet plaatsvinden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat overtredingen met grotere gevolgen sneller moeten worden beëindigd dan overtredingen met beperktere gevolgen. Een overtreding wordt in ieder geval als ernstig aangemerkt wanneer sprake is van één of meer van de onderstaande kenmerken: Criterium Toelichting Risico voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van kinderen De mate waarin de overtreding gevolgen heeft of kan hebben voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van kinderen, bijvoorbeeld door onvoldoende toezicht, ontbrekende VOG's, onveilige ruimtes, tekortkomingen op het gebied van hygiëne of brandveiligheid. De opvang moet veilig, gezond en pedagogisch verantwoord zijn. Mate van verwijtbaarheid (schuld) De mate waarin de houder of gastouder verantwoordelijk kan worden gehouden voor het ontstaan of voortbestaan van de overtreding. Hierbij wordt onder meer gekeken of de overtreding voorkomen had kunnen worden en of passende maatregelen zijn genomen. Bijvoorbeeld onvoldoende scholing. Recidive De overtreding is eerder vastgesteld of er is sprake van een patroon van vergelijkbare overtredingen. Duur en omvang van de overtreding De periode waarin de overtreding heeft voortgeduurd, het aantal betrokken kinderen en de mate waarin de situatie heeft kunnen voortbestaan zonder ingrijpen. Gevolgen voor de continuïteit van de opvang De overtreding is zodanig ernstig dat de opvang niet verantwoord kan worden voortgezet of dat sluiting van de voorziening noodzakelijk kan zijn. Bijvoorbeeld structureel personeelstekort. Nalevingsgedrag van de houder De mate waarin de houder meewerkt aan toezicht en herstel. Hierbij wordt onder meer gekeken naar het opvolgen van aanwijzingen en bevelen, het verstrekken van informatie en het tijdig melden van wijzigingen. Gevolgen voor ouders en kinderen De gevolgen van de overtreding voor ouders en kinderen, bijvoorbeeld wanneer intrekking van de toestemming tot exploitatie gevolgen heeft voor de beschikbaarheid van opvang of het recht op kinderopvangtoeslag. Maatschappelijke impact en vertrouwen De mate waarin de overtreding het vertrouwen in de kinderopvang kan schaden of raakt aan een belangrijk maatschappelijk belang. Van een overtreding met gemiddelde gevolgen is sprake wanneer de overtreding niet direct leidt tot risico's voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van kinderen, maar wel afbreuk doet aan de kwaliteit van de kinderopvang. De gevolgen van deze overtredingen kunnen zich met name op de langere termijn manifesteren. Van een overtreding met lichte tot matige gevolgen is sprake wanneer de tekortkoming slechts beperkte invloed heeft op de kwaliteit van de kinderopvang en geen direct risico vormt voor de veiligheid, gezondheid of ontwikkeling van kinderen. Deze overtredingen verstoren de dagelijkse opvang niet of nauwelijks. Bij de beoordeling van de ernst van een overtreding sluit het college in beginsel aan bij de prioritering die is opgenomen in de tabellen behorende bij het Afwegingsmodel handhaving. Het college kan, gelet op de feiten en omstandigheden van het geval, gemotiveerd van deze prioritering afwijken. Hersteltermijnen Een spoedig herstel van overtredingen is van belang om de kwaliteit en veiligheid van de kinderopvang te waarborgen. Daarom gelden de volgende uitgangspunten voor de hersteltermijnen: •Overtredingen met grote gevolgen worden in beginsel direct, dan wel binnen maximaal 7 dagen, beëindigd; •Overtredingen met gemiddelde gevolgen worden in beginsel binnen maximaal 14 dagen hersteld; •Overtredingen met lichte tot matige gevolgen worden in beginsel binnen maximaal 21 dagen hersteld. Het college beoordeelt per overtreding welke hersteltermijn, gelet op de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval, passend en noodzakelijk is. Sanctiebedragen Voor de hoogte van dwangsommen en bestuurlijke boetes sluit het college aan bij de boetecategorieën als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de ernst van overtredingen van de kwaliteitseisen in de kinderopvang wordt in hoofdzaak aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Voor de gastouderopvang gelden afwijkende bedragen, die rekening houden met de aard en omvang van deze vorm van opvang. De in de tabellen opgenomen bedragen gelden per overtreden voorschrift. In sommige gevallen is voor de last onder dwangsom een hogere categorie opgenomen dan voor de bestuurlijke boete. Hierbij geldt dat een bestuurlijke boete wordt opgelegd voor een reeds begane overtreding, terwijl het verbeuren van een dwangsom kan worden voorkomen door tijdig aan de opgelegde last te voldoen. Per inspectieonderzoek beperkt het college het aantal financiële sancties tot maximaal vier overtredingen van hetzelfde voorschrift. De in het afwegingsmodel opgenomen bedragen gelden als uitgangspunt bij een eerste overtreding. De aard en ernst van de overtreding bepalen de toepasselijke categorie. Bij recidive wordt het maximale sanctiebedrag in beginsel verdubbeld. Daarbij beoordeelt het college steeds of de op te leggen sanctie, gelet op de omstandigheden van het geval, evenredig en proportioneel is. Dwangsommen Bij het bepalen van de hoogte van een dwangsom sluit het college aan bij de sanctiebedragen die in deze bijlage zijn opgenomen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de dwangsom voldoende hoog moet zijn om naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen. De dwangsom moet zodanig worden vastgesteld dat het voor de houder financieel aantrekkelijker is de overtreding te beëindigen dan de dwangsom te verbeuren. Voor een voorziening voor gastouderopvang geldt als uitgangspunt dat het maximale dwangsombedrag gelijk is aan het bedrag van de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij recidive wordt dit maximumbedrag in beginsel verdubbeld. Kindercentrum Overtredingen binnen het domein ‘Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de kinderopvang. Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Administratie de derde categorie Maatregelen aanpak A-ziekten de derde categorie Overtredingen binnen het domein ‘Pedagogisch klimaat’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de kinderopvang. Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleid de derde categorie Pedagogische praktijk de derde categorie Voorschoolse educatie de derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie de derde categorie Overtredingen binnen het domein ‘Personeel en groepen’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de kinderopvang. Personeel en groepen Verklaring Omtrent Gedrag en personenregister kinderopvang de derde categorie Opleidingseisen de derde categorie Aantal beroepskrachten de derde categorie Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en stagiaires de derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers de tweede categorie Stabiliteit van de opvang voor kinderen de tweede categorie Voertaal de tweede categorie Overtredingen binnen het domein ‘Veiligheid en gezondheid’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de kinderopvang. Veiligheid en gezondheid Veiligheids- en gezondheidsbeleid de tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling de tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht de tweede categorie Overtredingen binnen het domein ‘Accommodatie’ worden in beginsel aangemerkt als overtredingen met gemiddelde gevolgen. Indien de overtreding leidt tot een acuut risico voor de veiligheid of gezondheid van kinderen, wordt deze aangemerkt als een overtreding met grote gevolgen. Accommodatie Eisen aan ruimtes de tweede categorie Overtredingen binnen het domein ‘Ouderrecht’ hebben lichte tot matige gevolgen voor de kwaliteit van de kinderopvang. Ouderrecht Informatie de tweede categorie Oudercommissie de tweede categorie Klachten en geschillen de tweede categorie Gastouderbureau Overtredingen binnen het domein ‘Personeel’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de opvang. Personeel Verklaring Omtrent Gedrag en personenregister kinderopvang de derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling Personeelsformatie per gastouder de tweede categorie Overtredingen binnen het domein ‘Veiligheid en gezondheid’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de opvang. Veiligheid en gezondheid Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid de tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling de tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht de tweede categorie Overtredingen binnen het domein ‘Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht’ hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van de opvang. Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht Kwaliteitscriteria de tweede categorie Administratie gastouderbureau de tweede categorie Overtredingen binnen het domein ‘Ouderrecht’ hebben lichte tot matige gevolgen voor de kwaliteit van de opvang. Ouderrecht Informatie de tweede categorie Oudercommissie de tweede categorie Klachten en geschillen de tweede categorie Bestuurlijke boete Voor een aantal overtredingen legt het college, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een bestuurlijke boete op. Deze overtredingen zijn opgenomen in de tabel Directe boete. Voor andere overtredingen geldt dat het college in beginsel een bestuurlijke boete oplegt bij een herhaalde constatering. Voor de overige overtredingen beoordeelt het college per geval of naast een herstelsanctie ook een bestuurlijke boete wordt opgelegd. Dit is uitgewerkt in onderstaande tabellen. De bestuurlijke boete wordt opgelegd per overtreden voorschrift. In de tabellen zijn de maximale boetebedragen opgenomen, uitgedrukt in de categorieën als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Deze bedragen gelden als uitgangspunt bij een eerste overtreding. Bij recidive wordt het maximale boetebedrag in beginsel verdubbeld. Bij het bepalen van de hoogte van de bestuurlijke boete houdt het college rekening met: •De omvang van de organisatie; •De ernst van de overtreding; •De mate van verwijtbaarheid; •De omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Het uiteindelijke boetebedrag is het bedrag dat resteert na toepassing van een eventuele matiging. Voor matiging van een bestuurlijke boete wordt van de overtreder een actieve houding verwacht. De houder dient bijzondere omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot matiging aannemelijk te maken en, waar mogelijk, met relevante stukken te onderbouwen. Matiging van boetes en bepaling van de omvang van de organisatie Wanneer met één feitelijke gedraging meerdere overtredingen worden begaan, legt het college in beginsel alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding waarvoor het hoogste boetebedrag geldt. Vervolgens wordt de hoogte van de boete bepaald aan de hand van de omvang van de organisatie. Voor kindercentra is de registratie in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) bepalend voor de omvang van de organisatie. Daarbij wordt uitgegaan van het totale aantal geregistreerde kindplaatsen van de houder binnen de organisatie. Voor buitenschoolse opvang geldt dat twee geregistreerde kindplaatsen worden meegeteld als één kindplaats voor de bepaling van de organisatieomvang. Voor gastouderbureaus kan de omvang van de organisatie niet rechtstreeks uit het LRK worden afgeleid. Daarom wordt in beginsel uitgegaan van het in het afwegingsmodel opgenomen sanctiebedrag. Indien het aantal door het gastouderbureau bemiddelde kinderen ten tijde van de overtreding bekend is, kan voor de bepaling van het boetebedrag worden aangesloten bij de systematiek voor kindercentra. Daarbij geldt: •Klein: minder dan 51 kinderen; •Middelgroot: 51 tot en met 150 kinderen; •Groot: meer dan 150 kinderen. Voor voorzieningen voor gastouderopvang wordt het toepasselijke sanctiebedrag in beginsel gehalveerd. De omvang van de organisatie wordt als volgt vastgesteld: Organisatie Omvang Boetebedrag Grote organisatie Meer dan 400 kindplaatsen 100% boetebedrag Middelgrote organisatie Van 100 tot 400 kindplaatsen 2/3 boetebedrag Kleine organisatie Minder dan 100 kindplaatsen 1/3 boetebedrag Gastouderbureau Betrokken kinderen onbekend 100% boetebedrag Gastouderbureau <51, 51-150, >150 1/3, 2/3, of 100% boetebedrag Gastouderopvang Bij vraagouder (woonadres kind) ½ boetebedrag Gastouderopvang Bij gastouder, adres gastouder Boetebedrag Directe boete Algemeen Kindercentrum en GOB Gastouders Exploitatie zonder toestemming college de vierde categorie de derde categorie Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst de derde categorie Schenden medewerkingsplicht de derde categorie de tweede categorie Niet opvolgen bevel de vierde categorie de derde categorie Overtreden exploitatieverbod de vierde categorie de tweede categorie Niet (tijdig) melden wijzigingen de tweede categorie Directe boete bij herhaalde constatering Personeel en groepen Kindercentrum en GOB Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) de tweede categorie per ontbrekende VOG Personenregister Kinderopvang de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling Beroepskrachtkind-ratio (BKR) de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet. de helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie Gastouders - Personeel en groepen Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) de eerste categorie per ontbrekende VOG Groepsgrootte en groepssamenstelling de eerste categorie per overtreding Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie Kwaliteit gastouderbureau Pedagogische praktijk Begeleiding en ondersteuning van de gastouder Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang. de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht: De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet Verklaring Omtrent Gedrag en personenregister kinderopvang: Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling Veiligheid en gezondheid: Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang de tweede categorie Overige overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd Overige kwaliteitseisen Niet opvolgen aanwijzing de derde categorie, voor gastouder tweede categorie Eisen ruimtes gastouderopvang: De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers de derde categorie
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio

Meer meldingen zoals "Beleidsregel toezicht en handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Moerdijk"

Bestemmingsplan
Kennisgeving Terinzagelegging Ontwerpbesluit Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening Wet en Besluit versterking regie volkshuisvesting

Mededelingen
Natuurbeheerplan Noord-Brabant 2027

APV
Reglement van Bestuur voor het Hoogheemraadschap van Delfland

APV
Reglement van bestuur voor het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Mededelingen
Beleidsregel toezicht en handhaving kwaliteit kinderopvang gemeente Moerdijk

APV
Nadere regel Subsidie Onderwijsachterstanden gemeente Moerdijk

Mededelingen
Ontwerp Antennebeleid Hoeksche Waard

APV
Nadere regels Evenementensubsidie

APV
Nadere regel organisatie Volksfeesten en herdenkingen

Bestemmingsplan
Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van {dag} {maand} {jaar}, nr. XXXX tot wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in verband met de Wet en het Besluit versterking regie volkshuisvesting

Mededelingen
Bekendmaking vaststelling volgordelijst "Eerder aanvragen" transportcapaciteit woningbouwprojecten

APV
Verordening van Provinciale Staten van de provincie Noord-Brabant van 18 september 2026 houdende bepalingen over lokaal eigendom bij de productie van energie uit hernieuwbare bronnen (Verordening lokaal eigendom hernieuwbare energie Noord-Brabant)

