Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid 2026 (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier)

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

Mededelingen

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-10-12

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente Westerkwartier

Informatie

Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid 2026 (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier) Samenvatting De gemeente Westerkwartier ziet zich geconfronteerd met drugcriminaliteit die (mede) plaatsvindt in of wordt georganiseerd vanuit woningen, panden of lokalen. Behalve strafbaarheid, betekent het voor omwonenden een aantasting in hun directe woon- en leefomgeving. Drugscriminaliteit heeft een sterk ondermijnend karakter en brengt vaak overlast en gevaren voor de omgeving met zich mee. Bij overlast kan gedacht worden aan geluid, aanloop van (onbekende) personen en/of afval. Als gevaarsaspecten kan gedacht worden aan wateroverlast, explosies en het ontstaan van brand door de aanwezigheid van elektriciteit, gassen en brandbare materialen die gebruikt worden in kweek -en/of productieruimte(n). Ook vindt veelal sabotage van energievoorzieningen plaats wat illegaal en risicovol is. De burgemeester heeft op grond van artikel 13b van de Opiumwet, voor de handhaving van de aanwezigheid en handel in drugs in woningen/lokalen de mogelijkheid bestuursdwang toe te passen; de zogeheten Wet Damocles. In de praktijk betekent de toepassing van de wet Damocles dat een woning/ lokaal (tijdelijk) gesloten wordt. Het gaat in dit geval om het aantreffen van of handel van verdovende middelen uit lijst 1, lijst 1A en 2 van de Opiumwet, alsmede strafbare voorbereidingshandelingen voor de productie of handel in drugs. In dit op de Opiumwet gebaseerde Damoclesbeleid is opgenomen welke maatregelen de burgemeester toepast bij overtredingen van artikel 13b Opiumwet. Daarbij wordt aangegeven wanneer wordt volstaan met een waarschuwing en wanneer een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom wordt opgelegd, inclusief de daarbij behorende sluitingstermijnen. Procedure 1. Inleiding De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaronder de uitspraken van 2 februari 2022 en 16 juli 2025, benadrukt het belang van een zorgvuldige evenredigheidstoets bij de toepassing van artikel 13b van de Opiumwet.1 De burgemeester dient alle relevante omstandigheden van het geval mee te wegen en te beoordelen of een maatregel geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. Ook kan tijdsverloop van invloed zijn op de vraag of een sluiting nog noodzakelijk is. Daarnaast is lachgas (distikstofmonoxide) sinds 1 januari 2023 op lijst II van de Opiumwet geplaatst. Verder is per 1 juli 2025 is lijst IA toegevoegd aan de Opiumwet. Deze lijst bevat stofgroepen in plaats van individuele stoffen. Het gaat om stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van een aantal middelen van lijst I van de Opiumwet. Met de invoering van lijst IA is een generiek verbod geïntroduceerd om de handel in nieuwe psychoactieve stoffen tegen te gaan en de volksgezondheid beter te beschermen. Deze ontwikkelingen vormen mede aanleiding voor de actualisering van dit Damoclesbeleid. Het vorige Damoclesbeleid is in 2020 vastgesteld. In dit beleid is vastgelegd op welke wijze wordt opgetreden tegen de aanwezigheid van drugs, productiemiddelen en strafbare voorbereidingshandelingen in of vanuit woningen en lokalen. Hiermee wordt duidelijkheid geboden aan inwoners en ondernemers over de toepassing van bestuursrechtelijke maatregelen. Deze beleidsregels zijn van toepassing op woningen, lokalen en bijbehorende erven als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. 2. Definities en begripsbepalingen In deze beleidsnota wordt verstaan onder: a) harddrugs: alle middelen die vermeld worden op lijst I en IA van de Opiumwet; b) softdrugs: alle middelen die vermeld worden op lijst II van de Opiumwet; c) hennepkwekerij: een inrichting van welke aard dan ook, waarin anders dan voor strikt persoonlijk gebruik (maximaal 5 planten) hennep wordt geteeld, bereid, bewerkt of verwerkt; d) handelshoeveelheid: een hoeveelheid hard- of softdrugs waarvan in beginsel aannemelijk is dat de drugs bestemd zijn voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Bij het bepalen van deze hoeveelheden wordt aangesloten bij het bepaalde in de ‘Aanwijzing Opiumwet’ van het Openbaar Ministerie:2 •meer dan 0,5 gram harddrugs; •meer dan 5 ml GHB; •meer dan 5 gram softdrugs; •meer dan 5 hennepplanten; •meer dan 10 ampullen. Hierbij geldt de ‘’omgekeerde bewijslast’’, behoudens tegenbewijs van de betrokkene/overtreder is het aannemelijk dat de drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. e) handel in drugs: het verkopen, afleveren of verstrekken van harddrugs of softdrugs, dan wel het daartoe aanwezig zijn daarvan; f) drugsproductie: het telen of bereiden van drugs; g) strafbare voorbereidingshandelingen: het voorhanden hebben van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 of artikel 11a van de Opiumwet; h) productiemiddel voor drugs: een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet; i) pand: een woning of een lokaal; j) erf: een al dan niet bebouwd perceel, of gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en, voor zover een omgevingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze inrichting niet verbiedt; k) recidive: de herhaling van strafbaar gesteld gedrag op grond waarvan de burgemeester toepassing kan geven aan artikel 13b van de Opiumwet. De termijn voor recidive in de toepassing van dit Damoclesbeleid wordt gesteld op drie jaar gerekend vanaf de verzenddatum van het eerdere besluit/de waarschuwing. Woningen en lokalen Sluiting van een woning of lokaal is gericht op het herstel van de gewenste situatie en gericht op het weren en terugdringen van drugshandel dat gerelateerd is aan de betreffende woning/het lokaal. Het is van belang dat er in het beleid een onderscheid wordt gemaakt in drugshandel en/of daaraan gerelateerde strafbare voorbereidingshandelingen in woningen en lokalen. Het sluiten van een woning die daadwerkelijk bewoond wordt, zal in zijn algemeenheid een grotere inbreuk maken op iemands persoonlijke levenssfeer, dan de sluiting van een lokaal. De burgemeester hanteert in het kader van deze beleidsregel de volgende begripsbepalingen: l) woning: een gebouw, deel van een gebouw of andere ruimte waarin een persoon zijn privéleven leidt of pleegt te leiden als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Of een ruimte een woning is, wordt niet enkel bepaald door uiterlijke kenmerken zoals de bouw en de aanwezigheid van een bed en andere huisraad, maar ook door de daadwerkelijk daaraan gegeven bestemming en feitelijke (woon)situatie. Het enkele aanwezig zijn van een slaapplaats, beperkte inrichting of persoonlijke bezittingen is op zichzelf onvoldoende om bewoning aan te nemen. De beoordeling vindt plaats aan de hand van de feitelijke situatie ten tijde van de constatering van de overtreding. Het begrip ‘woning’ omvat ook andere vormen van wonen, zoals woonwagens, woonschepen en woonketen. Daarnaast kan ook in een tent, caravan, keet of barak een woning zijn ingericht. Ook gebouwen zoals bergingen, garages, schuren en stallen, die op hetzelfde perceel als de woning staan of daaraan toebehoren, kunnen onder omstandigheden tot de woning worden gerekend. Tijdelijke afwezigheid van de bewoner, bijvoorbeeld wegens vakantie of ziekenhuisopname, leidt er niet toe dat een ruimte het karakter van woning verliest. Een voor bewoning bestemde ruimte die feitelijk niet als woning wordt gebruikt, wordt aangemerkt als lokaal en valt daarmee onder de handhavingsmatrix die voor lokalen geldt. m) lokaal: voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals winkels en horecabedrijven) en de niet voor publiek toegankelijke lokalen en bijbehorende erven (zoals loodsen en magazijnen). 3. Beleidsuitgangspunten 3.1 Algemene doelen Deze beleidsregel is een uitvoering van de bepaling in artikel 13b van de Opiumwet, die de burgemeester de bevoegdheid geeft om maatregelen te treffen tegen drugshandel of voorbereidingshandelingen in een pand. Deze beleidsregel geeft aan op welke wijze en wanneer de burgemeester gebruikmaakt van deze bevoegdheid. Hierbij gelden de volgende doelstellingen: •Artikel 13b van de Opiumwet is een herstelmaatregel die er concreet toe strekt om de verkoop, de aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig zijn van drugs in of vanuit een woning of lokaal, of een daarbij behorend erf (definitief) te beëindigen en beëindigd te houden, herhaling daarvan te voorkomen, de negatieve gevolgen daarvan weg te nemen en, voor wat betreft voorbereidingshandelingen (de aanvang) van drugshandel en/of productie te beletten. Het algemene doel van deze bevoegdheid is dan ook het herstellen of terugbrengen van de normale (woon)situatie en het herstel van de openbare orde, de veiligheid en de leefbaarheid van de directe omgeving van het pand; •De bekendheid van het pand als drugspand te doorbreken en te verhinderen dat het pand (opnieuw) wordt gebruikt ten behoeve van het drugscircuit en de georganiseerde drugshandel; •Een duidelijk en zichtbaar signaal afgeven tegen situaties van ondermijning, waarbij wordt aangetoond dat de handel in en productie van drugs niet wordt getolereerd en dat daartegen bestuursrechtelijk wordt opgetreden. Het afgeven van een signaal vormt geen zelfstandige grondslag voor sluiting, maar kan wel ondersteunend zijn aan de hersteldoelen van artikel 13b Opiumwet; •Het woon- en/of leefklimaat in en rondom het pand te beschermen en gevaar voor (nieuwe) bewoners, ondernemers en omwonenden te voorkomen. 3.2 Integrale aanpak, tweesporenbeleid Het drugsbeleid is er op gericht om drugsgerelateerde overtredingen, waaronder de aanwezigheid van drugs, drugsproductie, drugshandel en strafbare voorbereidingshandelingen tegen te gaan. Strafrechtelijke sancties richten zich primair op de betrokken personen. Het bestuursrecht biedt de mogelijkheid om op te treden tegen woningen en lokalen waar dergelijke overtredingen plaatsvinden. Uitgangspunt van het beleid is om, in samenwerking met het Openbaar Ministerie (OM) en de politie, naast strafrechtelijke vervolging, tevens over te gaan tot bestuursrechtelijke handhaving. 3.3 Hennepconvenant Noord-Nederland De toepassing van het Damoclesbeleid wordt in samenhang uitgevoerd met de doelen en afspraken die worden nagestreefd met de partijen die het convenant hebben ondertekend.3 Het convenant beoogt een integrale aanpak en het voorkomen van hennepteelt en facilitering hiervan. Voor bestuurlijke handhaving verstrekt de politie de benodigde informatie aan de burgemeester. Dit doen zij wanneer er voldoende aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid of handel in drugs of voor strafbare voorbereidingshandelingen als bedoeld in de Opiumwet. Deze informatieverstrekking vindt schriftelijk plaats in de vorm van een bestuurlijke rapportage waarbij de burgemeester informatie krijgt over de geconstateerde feiten en het optreden en de bevindingen van de politie. Daarbij wordt aangetekend dat aan de bewijslast voor bestuursrechtelijke maatregelen minder zware eisen worden gesteld dan in het kader van het strafrecht. De benodigde informatie voor de bestuurlijke handhaving ten aanzien van hennepkwekerijen wordt verkregen conform het Regionaal Hennepconvenant. 4. Juridisch kader Bij het toepassen van de bevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet is de onderstaande wet- en regelgeving van belang. Opiumwet: Artikel 13b van de Opiumwet geeft de burgemeester de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen of op een daarbij behorend erf, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijsten I, IA of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Op grond van artikel 10a, eerste lid, onder 3 en/of artikel 11a van de Opiumwet zijn voorbereidingshandelingen voor het telen of bereiden van drugs strafbaar gesteld. Het betreft voorwerpen zoals gereedschappen, instrumenten en apparatuur bedoeld voor het vervaardigen van soft- en harddrugs. Wat betreft stoffen gaat het om versnijdingsmiddelen en andere grondstoffen. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang bestaat ook als er feitelijk geen drugs in een woning, lokaal en/of daarbij behorend erf worden aangetroffen, maar op grond van andere feiten en omstandigheden aannemelijk is dat er drugs worden verkocht, afgeleverd of verstrekt in of vanuit de betreffende woning, het lokaal en/of het daarbij behorende erf. Wordt in dit Damoclesbeleid gesproken over “het aantreffen van” drugs, dan wordt daaronder ook de hier beschreven situatie verstaan. Sinds 1 januari 2023 is lachgas toegevoegd aan lijst II van de Opiumwet. Lachgas wordt daarmee gekwalificeerd als een softdrug. Het is verboden om lachgas voor recreatief gebruik binnen Nederland te vervoeren, verkopen, te produceren of in bezit te hebben. Op 28 augustus 2023 is de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet gepubliceerd in de Staatscourant, waarin ten aanzien van lachgas is bepaald dat er bij 1 ampul/ballon sprake is van een geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. In de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit wordt een norm voor legaal thuisgebruik aangehouden van maximaal 10 ampullen/ballonnen lachgas van 8 gram, dus in totaal 80 gram. Dit is een (sterke) aanwijzing dat het lachgas niet bestemd is voor eigen gebruik en wordt daarmee als handelshoeveelheid gekwalificeerd. Daarnaast geldt voor aangewezen eindgebruikers in bijlage II van het besluit dat zij maximaal vijf verpakkingen van elk maximaal 50 ampullen in bezit mogen hebben voor de toepassing van lachgas als voedingsadditief. In dit Damoclesbeleid wordt uitgegaan van een gebruikersgrens van maximaal 10 ampullen/ballonnen lachgas van 8 gram (80 gram totaal). Vanaf het aantreffen van meer dan 10 ampullen/ballonnen wordt het lachgas aangemerkt als een handelshoeveelheid en niet langer als bestemd voor eigen gebruik. Een bestuurlijke maatregel blijft bij handelshoeveelheden lachgas in ieder geval achterwege als de betrokkene in het bezit is van een ontheffing voor het verrichten van handelingen met lachgas op grond van de artikelen 6 en 8 van de Opiumwet, of de betrokkene aantoont dat het lachgas bestemd is voor legale technische doeleinden of als voedingsadditief als bedoeld in artikel 15a van het Opiumwetbesluit. Vanaf 1 juli 2025 is lijst IA toegevoegd aan de Opiumwet. Deze lijst bevat stofgroepen in plaats van individuele stoffen. Het gaat om stofgroepen waarvan de chemische structuur is afgeleid van een aantal middelen van lijst I van de Opiumwet. Het doel van deze wijziging is om een generiek verbod in te stellen op deze stofgroepen, ter bescherming van de volksgezondheid en om de handel in deze middelen tegen te gaan. Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb): Uit artikel 3:4 van de Awb volgt dat de burgemeester de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen afweegt, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. Uit artikel 4:84 van de Awb volgt dat de burgemeester handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Uit artikel 5:21 van de Awb volgt dat de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen. Uit artikel 5:31 van de Awb volgt dat de burgemeester dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, en hij kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt. Uit artikel 5:32, eerste lid, van de Awb volgt dat de burgemeester er ook voor kan kiezen om aan de overtreder een last onder dwangsom op te leggen. Algemene plaatselijke verordening gemeente Westerkwartier 2021 (hierna: APV) Artikel 2:41, tweede lid, van de APV bepaalt dat het verboden is een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Dit geldt niet voor personen van wie de aanwezigheid in de woning of het lokaal of het daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. 5. Handhavingsbeleid 5.1 Algemeen Uit vaste jurisprudentie blijkt dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs de bevoegdheid geeft tot het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet. Voor het toepassen van dit artikel hoeft dus geen bewijs voorhanden te zijn dat daadwerkelijk drugs zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt in of vanuit het betreffende pand. Bij het aantreffen van een productielocatie voor drugs, een handelshoeveelheid hard- of softdrugs of voorbereidingshandelingen voor de productie van drugs, kan de burgemeester een last onder bestuursdwang opleggen. Een last onder bestuursdwang houdt in de verplichting tot het herstellen in de normale toestand door het ongedaan maken, beëindigen of voorkomen van de overtreding. Het opleggen van een last onder bestuursdwang is een herstelmaatregel in de zin van artikel 5:2, eerste lid, onder b, van de Awb. Bij het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet houdt het opleggen van een last onder bestuursdwang in dat het pand feitelijk gesloten wordt. Er kan ook gekozen worden voor een minder zware maatregel, zoals het opleggen van een last onder dwangsom aan betrokkene(n). Een last onder dwangsom fungeert als financiële prikkel om een overtreding te beëindigen of herhaling daarvan te voorkomen. Indien de last niet wordt nageleefd, verbeurt de overtreder de in het besluit vastgestelde dwangsom. Er kan ook worden gekozen om te volstaan met een waarschuwing. Gezien de effecten die de handel in drugs vanuit een woning of lokaal heeft op het openbare leven, geniet feitelijk handelen de voorkeur boven het opleggen van een last onder dwangsom. Het opleggen van een last onder bestuursdwang in de vorm van sluiting van een pand wordt daarom als de meest effectieve maatregel beschouwd om de met de Opiumwet strijdige situatie te doen beëindigen en herhaling ervan te voorkomen. Indien sluiting noodzakelijk en evenredig is, ligt bestuursdwang in de vorm van sluiting in beginsel in de rede. Gelet op de aantasting van het woonrecht is ten aanzien van bewoonde panden, indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, de mogelijkheid opgenomen om eerst te volstaan met een waarschuwing. Bij ernstige of verzwarende omstandigheden kan echter direct handhavend worden opgetreden. Het Damoclesbeleid geldt voor zowel particuliere woningen (woningen in particulier bezit) als ook voor woningen in eigendom van een woningcorporatie. 5.2 Noodzaak van handhavend optreden Om drugsproductie en de handel in drugs in of vanuit panden en lokalen tegen te gaan is strikte handhaving gewenst en noodzakelijk. Deze productie of handel vormt immers een ernstige aantasting van de openbare orde, veiligheid en volksgezondheid. Het woon- en leefklimaat en de sociale en/of fysieke veiligheid van inwoners kunnen er door worden aangetast. De volksgezondheid is in het geding omdat sprake is van ongecontroleerde aanwezigheid, productie of handel in drugs. Daarnaast kan worden gewezen op nadelige economische gevolgen, zoals het dalen van de verkoop- en verhuurwaarde van omliggende panden. In het algemeen belang wordt daarom met de uitvoering van het sluitingsbeleid beoogd om de drugsproductie of handel in drugs in of vanuit woningen en lokalen te beëindigen en hierdoor tevens de veroorzaakte negatieve effecten terug te dringen. Erkend wordt dat het sluiten van een pand ingrijpende gevolgen heeft of kan hebben voor zowel de gebruikers als de eigenaren van het pand. Daarentegen is er doorgaans door de gebruikers en mogelijk tevens door de eigenaren van de panden ook financieel voordeel behaald uit alle vormen van de illegale drugsproductie, verstrekken, af leveren of verkoop van drugs. Sluiting van panden voor een bepaalde periode is noodzakelijk om te bewerkstelligen dat de illegale drugsproductie of drugshandel vanuit deze panden daadwerkelijk en structureel eindigt. De burgemeester beoordeelt daarbij of in het concrete geval aannemelijk is dat de locatie nog bekend staat als drugslocatie. Ook strekt de sluiting ertoe anderen er van af te houden om drugs te verhandelen vanuit een pand. 5.3 Onderscheid bewoonde en niet-bewoonde panden Bij het sluiten van een bewoonde woning kunnen de grondrechten (het woonrecht en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer) in het geding komen. In deze beleidsregels is bij het bepalen van de uitgangspunten de eventuele aantasting van het woonrecht meegewogen. Er wordt, gelet op de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in deze beleidsregels onderscheid gemaakt tussen bewoonde en niet-bewoonde woningen/lokalen. Woningen en lokalen worden hierna tevens aangeduid als “pand”. Bepalend voor het genoemde onderscheid is of een pand al of niet wordt gebruikt als woning. De reden hiervan is dat er ook drugsproductie of drugshandel in/vanuit woningen wordt geconstateerd, die niet gebruikt worden als woning. Daarnaast komt het voor dat niet voor bewoning bestemde panden worden gebruikt als woning. 5.4 Rechtvaardiging van de inbreuk op het woonrecht Het toepassen van artikel 13b van de Opiumwet kan leiden tot sluiting van een bewoonde woning. Daarmee wordt inbreuk gemaakt op het door artikel 8 EVRM beschermde recht op respect voor de woning en het privéleven, alsmede op het in artikel 10 van de Grondwet beschermde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 13b van de Opiumwet voorziet echter in een wettelijke grondslag voor deze inbreuk. Het doel dat met de toepassing van deze bevoegdheid wordt gediend sluit aan bij de in artikel 8, tweede lid, EVRM genoemde belangen, waaronder de voorkoming van strafbare feiten, de bescherming van de openbare orde en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De mogelijkheid tot woningsluiting brengt met zich dat alle bewoners van de woning, dus ook minderjarige kinderen, gedurende een bepaalde periode niet meer ter plekke kunnen verblijven. Gelet het Verdrag inzake van de rechten van het kind, zal er indien tot sluiting wordt besloten, extra aandacht zijn voor kinderen die bij de situatie betrokken zijn. 5.5 Voorbereidingshandelingen De artikelen 10a, eerste lid, onder 3, en artikel 11a van de Opiumwet bieden het OM en de politie de mogelijkheid strafrechtelijk in te grijpen, nog voordat er daadwerkelijk drugs worden geteeld of bereid. De sluitingsbevoegdheid van de burgemeester op basis van artikel 13b van de Opiumwet is in 2019 verruimd met voorbereidingshandelingen. Bij de verruiming gaat het om voorbereidingshandelingen en stoffen die strafbaar zijn op grond van artikel 10a, eerste lid, onder 3, en artikel 11a van de Opiumwet. Hierbij kan worden gedacht aan bepaalde apparatuur, chemicaliën en versnijdingsmiddelen. Voor het bestaan van de bevoegdheid is niet vereist dat de betrokkene zelf wetenschap van dan wel een ernstig vermoeden behoeft te hebben dat de aanwezige stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor het bereiden van drugs. De beoordeling of er sprake is van voorbereidingshandelingen vraagt een bestuurlijke beoordeling die kan worden gebaseerd op de feitelijke omstandigheden, zoals deze door de politie zijn vastgesteld. Voorwerpen waarvan in ieder geval, maar niet uitsluitend, aannemelijk is dat deze deel uitmaken van strafbare voorbereidingshandelingen, zijn: •Alle voorwerpen op de hennepruimlijst van de politie: armaturen, transformatoren, assimilatielampen, elektriciteitssnoeren, schakelborden, tijdschakelaars, slakkenhuizen, koolstoffilters, luchtafzuigers, kachels, vijverfolie, groeimiddelen, groeitenten, dompelpompen, luchtbevochtigers, hyro-ph/ec-thermometers, ventilatoren en droogrekken; •Potgrond of stekblokken; •Cannacutters of scharen; •Gripzakken. 5.6 Ernstige situatie Uit de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet, evenals de jurisprudentie komt naar voren dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van een woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Dit geldt niet wanneer er sprake is van een ‘ernstige situatie’. Bij een ernstige situatie is volgens deze beleidsregels de noodzaak tot sluiting gegeven. Van een ernstige situatie is in ieder geval sprake als één of meer van de hieronder staande indicatoren van toepassing zijn. Daarbij is geen sprake van een limitatieve opsomming. a)de hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet (dit zal in ieder geval een als handelshoeveelheid aan te merken hoeveelheid moeten zijn); b)een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a van de Opiumwet aangetroffen is; c)(andere) signalen die duiden op beroeps- of bedrijfsmatigheid, zoals de aanwezigheid van verpakkingsmateriaal, grote sommen (handels)geld, een weegschaal, assimilatielampen, een tabletteermachine voor de productie van drugspillen, e.d.; d)de mate waarin het gebouw betrokken is bij de drugsproductie of drugshandel in georganiseerd verband; e)de aard van de stoffen of goederen (hierbij kan gedacht worden aan het aanwezig zijn van een chemische stof, apparatuur of aanverwante artikelen welke niet of nauwelijks anders kunnen worden toegepast dan bij de productie, handel of transport van drugs); f)de mate waarin het gebouw bekend staat als drugsadres; g)de inrichting, het bedrijfsmatig karakter evenals de professionaliteit van de hennepplantage/-kwekerij (incl. knipperij), productiepunt (bijvoorbeeld illegale stroomaftap, aanwezig hennep-/drugsresten van een vorige productie en randapparatuur voor het in stand houden van een hennepplantage/-kwekerij of productiepunt; h)de combinatie van aangetroffen stoffen (hierbij kan gedacht worden aan het tegelijk verkopen, dan wel aanwezig hebben van goederen die voor verwerking, transport, of bereiding van drugs bedoeld zijn, zoals grammenweegschalen, drugsverpakkingen, versnijdingsmiddelen, etc.; i)de vraag of sprake is van gewelds- of andere openbare orde delicten; j)de vraag of sprake is van één of meer (vuur)wapens/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie; k)het bestaan van een vermoeden van verwijtbaarheid van de bewoner(s)/betrokkene(n); l)het bestaan van een vermoeden dat de bewoner(s)/betrokkene(n) verkeert/verkeren in kringen van personen met antecedenten (hier moet met name gedacht worden aan antecedenten t.a.v. de Opiumwet of de Wet Wapens en Munitie, maar ook antecedenten op het gebied van geweld jegens personen of zaken, zoals mishandeling, bedreiging, vernieling of diefstal e.d. kunnen een rol spelen); m)de vraag of sprake is van recidive; n)de vraag of sprake is van een combinatie van middelen als bedoeld in lijst I en lijst II Opiumwet; o)de mate van risico of gevaar voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of voor omwonenden; p)de mate van brandgevaar en/of ander gevaar zoals risico’s verbonden aan het gebruik van chemicaliën voor de omgeving; q)de vraag of de locatie bekendheid heeft en/of in een kwetsbare wijk ligt; r)de mate van overlast en de effecten op de omgeving, zoals overlast rondom het pand of als er loop naar het pand is etc.; s)de aannemelijkheid dat de woning niet overeenkomstig de woonfunctie wordt gebruikt; t)de aannemelijkheid dat behalve het pand of het daarbij behorende erf nog één of meer locaties betrokken is/zijn bij drugsproductie of drugshandel in georganiseerd verband; u)de vraag of sprake is van (mogelijke) mensenhandel/arbeidsuitbuiting; v)de vraag of er sprake is van handhaafbaarheid van het pand of daarbij behorende opstallen. 5.7 Evenredigheidstoets Op 2 februari 2022 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State nadere invulling gegeven aan de evenredigheidstoets van een besluit op grond van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025 heeft de Afdeling dit toetsingskader verder verduidelijkt. Besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, inhoudende dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De bestuursrechter maakt bij het toetsen aan het evenredigheidsbeginsel onderscheid tussen de geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid van het besluit. De bestuursrechter toetst of het besluit geschikt is om het beoogde doel te bereiken, of het een noodzakelijke maatregel is of dat met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, en of de maatregel in het concrete geval evenwichtig is. De burgemeester weegt aan de hand van de hieronder genoemde punten of het toepassen van een maatregel evenredig is. Bij deze afweging past de burgemeester dit Damoclesbeleid toe. 5.7.1 Geschiktheid Om te toetsen of het besluit geschikt is om het gestelde doel te bereiken, is het wettelijk doel van artikel 13b van de Opiumwet van belang, namelijk het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Deze beleidsregels bevatten daarnaast aanvullende, specifiekere doelen, zoals het beschermen van het woon- en leefklimaat en het herstellen van de openbare orde en veiligheid. Ook wordt beoordeeld of de maatregel daadwerkelijk kan bijdragen aan het bereiken van deze doelen. Daarbij wordt betrokken of sprake is van tijdsverloop sinds de constatering van de overtreding. Indien de overtreding en de gevolgen daarvan inmiddels zijn beëindigd, kan dit van invloed zijn op de vraag of een sluiting nog geschikt is om het beoogde doel te bereiken. Mocht dit doel met een minder vergaande maatregel ook bereikt kunnen worden, dan wordt daarvoor gekozen. 5.7.2. Noodzakelijkheid Wat betreft de noodzakelijkheid moet worden nagegaan of de opgelegde maatregel noodzakelijk is om het woon- en leefklimaat te beschermen en de openbare orde te herstellen. De sanctie zal, gelet op de overtreding en de impact daarvan op de woon- en leefomgeving, proportioneel moeten zijn. Hierbij wordt gekeken naar de soort maatregel en naar de zwaarte of duur daarvan. De noodzakelijkheid van de maatregel mag met name worden afgeleid uit de ernst en de omvang van de overtreding. Voor de ernst en omvang van de overtreding is het bijvoorbeeld van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit het pand werden verhandeld. Mocht dit niet aannemelijk zijn, dan kan dit gevolgen hebben voor de zwaarte van de op te leggen maatregel. Verder dient onder andere te worden gekeken naar de feiten en omstandigheden die zijn genoemd in paragraaf 5.6. Daarbij wordt tevens beoordeeld of met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan om de overtreding te beëindigen, herhaling te voorkomen en het woon- en leefklimaat te beschermen. 5.7.3. Evenwichtigheid Na het beoordelen van de noodzakelijkheid beoordeelt de burgemeester of de sluiting in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Hierbij worden de voor betrokkenen nadelige gevolgen van de sluiting afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van de burgemeester bij het handhaven van de openbare orde, het beëindigen van de overtreding en het voorkomen van herhaling. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te mogen maken. De gevolgen van de sluiting kunnen leiden tot het oordeel dat de sluiting onevenredig is. Voorop staat dat inherent aan het sluiten van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Dat kan anders zijn als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Het gaat hierbij niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. De verantwoordelijkheid om vervangende woonruimte te vinden rust daarbij primair bij de betrokkene zelf.4 Indien blijkt dat de betrokkene, ondanks aantoonbare en onderbouwde inspanningen, niet in staat is tijdelijke vervangende huisvesting te vinden, kan de burgemeester bezien of hierin een rol voor hem is weggelegd. Daarbij geldt een inspanningsverplichting en geen resultaatsverplichting. Daarnaast moet worden onderzocht wat de gevolgen zijn voor de eventuele medische situatie van de belanghebbende(n), of er huurrechtelijke gevolgen zijn en of er minderjarige kinderen in de woning wonen. De aanwezigheid van minderjarige kinderen is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan van sluiting moet worden afgezien. Wel dient aan hun belangen bijzondere aandacht te worden besteed. De aanwezigheid van minderjarige kinderen in combinatie met andere omstandigheden kan ertoe leiden dat een maatregel in redelijkheid niet wordt toegepast. Ook speelt het herstelkarakter van de maatregel een belangrijke rol. De last onder bestuursdwang op grond van artikel 13b van de Opiumwet is een herstelsanctie. Dit brengt met zich mee dat het toepassen van bestuursdwang gericht moet zijn op het beëindigen van de overtreding, het wegnemen van de gevolgen daarvan en het voorkomen van herhaling. De maatregel is niet bedoeld om leed toe te voegen of een bestraffend karakter te hebben. Wanneer de maatregel feitelijk een punitief karakter krijgt, kan dit in strijd komen met artikel 6 van het EVRM. 5.8 Voornemen en zienswijze Voordat de burgemeester daadwerkelijk overgaat tot het sluiten van een woning of lokaal, wordt de belanghebbende conform artikel 4:8 Awb in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen op het voorgenomen besluit. Dit gebeurt voordat het definitieve besluit tot sluiting is genomen. Op deze hoofdregel kan in spoedeisende gevallen een uitzondering worden gemaakt. In dat geval wordt gehandeld overeenkomstig paragraaf 5.9 van deze beleidsregel. 5.9 Spoedeisendheid Als zich een spoedeisende situatie voordoet of de openbare orde vraagt om direct ingrijpen, kan op grond van artikel 5:31 van de Awb een bevel tot sluiting worden gegeven. Artikel 4:11 van de Awb biedt de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen de zienswijzemogelijkheid achterwege te laten. Het bevel van de burgemeester kan mondeling worden bekendgemaakt en wordt daarna zo spoedig mogelijk, maar in ieder geval binnen 14 dagen, schriftelijk bevestigd. De burgemeester effectueert de sluiting door het inleveren van de sleutels of het vervangen van de sloten, verzegeling van het pand en het aanbrengen van een biljet met daarop de tekst dat dit drugspand op last van de burgemeester is gesloten. Van een spoedeisende situatie is in ieder geval sprake bij acuut gevaar voor de veiligheid of gezondheid van personen, voor de openbare orde of bij zich direct aandienende risico’s door of vanwege het criminele drugscircuit. 5.10 Begunstigingstermijn Bij het opleggen van een last onder bestuursdwang wordt steeds aan betrokkene(n) een begunstigingstermijn geboden. Dit houdt in dat aan betrokkene(n) de mogelijkheid wordt geboden om binnen een bepaalde termijn vrijwillig het pand af te sluiten. Hierbij dient betrokkene zelf te zorgen voor een deugdelijke afsluiting. De gemeente zal aankondigen wanneer controle en verzegeling van de toegangen met sluitzegels plaatsvindt. Zorgt de betrokkene niet zelf voor sluiting van het pand binnen de gestelde termijn, dan gaat de burgemeester over tot sluiting van het pand. De sluiting is feitelijk van aard, en brengt met zich mee dat de woning of het lokaal door niemand mag worden betreden gedurende de sluitingstermijn. Als begunstigingstermijn wordt een periode variërend van 48 uur tot 7 dagen aangehouden waar binnen betrokkene(n) zelf in de gelegenheid is/zijn om gehoor te geven aan de opgelegde last. 5.11 Eigenaar, huurder en overtreder worden aangesproken Uitgangspunt is dat de last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder en aan de rechthebbenden op het gebruik van het pand. Dit betekent dat de last onder bestuursdwang wordt opgelegd aan de eigenaar en de eventuele huurder(s) van het betreffende pand. Als een ander dan de eigenaar/huurder(s) als overtreder moet worden aangemerkt, wordt de last ook aan deze overtreder opgelegd. Wie als overtreder(s) dient/dienen te worden aangemerkt, dient per geval te worden beoordeeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan de eigenaar van een pand als overtreder worden aangemerkt als hij wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat zijn pand werd gebruikt voor drugsproductie of drugshandel. In beginsel is het voor het bestuursrechtelijk optreden niet van belang of de eigenaar, huurder, bewoner of een derde de overtreding heeft begaan. De feitelijke constatering van overtreding van de Opiumwet is voldoende om over te gaan tot handhavend optreden. 5.12 Overige bewoners Als sprake is van een pand waarin kamerverhuur plaatsvindt en drugsproductie of handel in drugs in één van de verhuurde kamers is geconstateerd, kan een gedeeltelijke sluiting van het pand worden overwogen. Hetzelfde geldt voor panden die door meerdere bewoners worden bewoond en waarbij sprake is van afzonderlijk af te scheiden en afzonderlijk toegankelijke ruimtes. 5.13 Betreden gesloten verklaard pand Het is op grond van artikel 2.41, lid 2, van de APV Westerkwartier 2021 eenieder verboden om een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. In de regel wordt slechts ontheffing van het verbod verleend in geval van een dringende en/of zwaarwichtige reden. Om voor een ontheffing in aanmerking te komen zal een schriftelijk en gedetailleerd verzoek om ontheffing moeten worden ingediend, waaruit in ieder geval duidelijk moet blijken voor wie de ontheffing moet gelden en voor welk doel en welke periode. Als feitelijk tot sluiting wordt overgegaan zal het pand voor eenieder ontoegankelijk worden gemaakt door middel van afsluiting en verzegeling. 5.14 Wijziging huursituatie of eigendomsoverdracht Een wijziging van de huursituatie of eigendomsoverdracht nadat een overtreding is geconstateerd, leidt niet automatisch tot het achterwege laten van een maatregel. De burgemeester beoordeelt aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden of toepassing van artikel 13b van de Opiumwet nog noodzakelijk en evenredig is. 5.15 Verzoek tot beëindiging sluiting De burgemeester heeft oog voor zowel het algemeen belang van bestrijding van drugsproductie of drugshandel, als ook voor het algemeen belang van beschikbaarheid van voldoende betaalbare woonruimte. Een verzoek tot beëindiging van een tijdelijke sluiting kan onder bepaalde omstandigheden worden ingewilligd. Als een sluiting voor onbepaalde tijd is opgelegd, kunnen belanghebbenden na het verstrijken van twee jaar sinds de sluiting is bevolen, de burgemeester om opheffing van de sluiting verzoeken. De burgemeester kan onder omstandigheden medewerking verlenen aan een verzoek tot opheffing van de sluiting. Daarbij betrekt de burgemeester onder meer: a.of de doelstellingen van de sluiting zijn bereikt; b.of de openbare orde en het woon- en leefklimaat voldoende zijn hersteld; c.of de betrokkene aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen heeft genomen om herhaling van de overtreding te voorkomen; d.de aard en ernst van de overtreding en de omstandigheden van het geval; e.een eventuele bestuurlijke rapportage, advies van de politie of andere veiligheidspartners. De verzoeker dient schriftelijk te motiveren welke bijzondere omstandigheden aanleiding geven om de sluiting eerder te beëindigen. Indien het pand wordt verhuurd, kan de burgemeester bij de beoordeling van het verzoek betrekken of de verhuurder: a.voldoende maatregelen heeft getroffen om illegaal gebruik te voorkomen; b.adequaat toezicht heeft gehouden op het gebruik van het pand; c.na constatering van de overtreding actief heeft gehandeld om herhaling te voorkomen; d.beschikt over een deugdelijke huuradministratie en schriftelijke huurovereenkomst; e.de identiteit van de huurder heeft geverifieerd en zorg heeft gedragen voor een controleerbare wijze van huurbetaling; f.bij signalen van illegaal gebruik melding heeft gedaan bij de daartoe bevoegde instanties. Bij recidive of samenloop met andere strafbare feiten zal de burgemeester terughoudend omgaan met verzoeken tot opheffing of verkorting van de sluiting. 5.16 Ingebruikneming na sluiting Indien tijdens de sluiting blijkt dat sprake is van concrete veiligheidsrisico's die samenhangen met de geconstateerde overtreding, kan de burgemeester verlangen dat deze vóór ingebruikname van het pand worden weggenomen. De eigenaar of verhuurder dient desgevraagd aan te tonen dat gas-, elektriciteits- en watervoorzieningen voldoen aan de geldende veiligheidsvoorschriften en veilig in gebruik kunnen worden genomen. 5.17 Kostenverhaal Op grond van artikel 5:25 van de Awb geschiedt het toepassen van een last onder bestuursdwang op kosten van de overtreder. In de last onder bestuursdwang wordt dit aan de overtreder meegedeeld. De kosten van voorbereiding van de last onder bestuursdwang zijn ook verschuldigd, voor zover als gevolg van het alsnog uitvoeren van de last onder bestuursdwang geen bestuursdwang is toegepast. Het is mogelijk dat zaken worden meegevoerd en opgeslagen om de last onder bestuursdwang te kunnen toepassen, als bedoeld in artikel 5:29 van de Awb. Zolang de verschuldigde kosten niet zijn voldaan, kan de teruggave van zaken worden opgeschort. 6. Maatregelen bij overtredingen van artikel 13b Opiumwet 6.1 Uitgangspunten voor sancties a.Als uitgangspunt geldt dat onder 6.2 de hiervoor genoemde maximumsanctie wordt opgelegd, tenzij op basis van hoofdstuk 5 of naar het oordeel van de burgemeester de omstandigheden van het concrete geval noodzaken tot het opleggen van een lichtere sanctie. b.Als een sluiting voor onbepaalde tijd is opgelegd kunnen belanghebbenden, na het verstrijken van twee jaren sinds de sluiting is bevolen, de burgemeester om opheffing van de sluiting verzoeken. 1 Softdrugs (in/vanuit bewoonde panden) constatering 6 tot 250 gram Meer dan 10 ampullen lachgas/ballonnen Eén of meer tank(s) lachgas 250-500 gram Meer dan 50 ampullen lachgas/ballonnen Meer dan 10 tanks lachgas vanaf 500 gram 1e waarschuwing tot 3 maanden tot 6 maanden tot 9 maanden 2e tot 6 maanden tot 9 maanden tot 12 maanden 3e tot 12 maanden tot 18 maanden tot 24 maanden 2 Harddrugs (in/vanuit bewoonde panden) constatering Tot 250 gram 250-500 gram vanaf 500 gram 1e waarschuwing tot 9 maanden tot 12 maanden tot 15 maanden 2e tot 12 maanden tot 15 maanden tot 18 maanden 3e tot 18 maanden tot 24 maanden tot 24 maanden 3 Soft- en harddrugs (lokalen en niet-bewoonde panden.) constatering Meer dan: 0,5 gram harddrugs en/of 5 gram softdrugs en/of 10 ampullen lachgas en/of eén of meer tank(s) lachgas 1e waarschuwing tot 6 maanden 2e tot 12 maanden 3e tot onbepaalde tijd 4 Productiemiddelen soft- en harddrugs constatering Softdrugs Harddrugs 1e waarschuwing tot 3 maanden tot 12 maanden 2e tot 6 maanden tot 18 maanden 3e tot 12 maanden tot 24 maanden 5 Hennepkwekerij (in/vanuit bewoonde panden) constatering 6 tot 100 planten 100 tot 500 planten Vanaf 500 planten 1e waarschuwing tot 3 maanden waarschuwing tot 6 maanden 12 maanden 2e 6 maanden 12 maanden 24 maanden 6 Hennepkwekerij (lokalen en niet-bewoonde panden) constatering 6 tot 100 planten 100 tot 500 planten Va. 500 planten 1e waarschuwing tot 3 maanden Waarschuwing tot 6 maanden 12 maanden 2e 6 maanden 12 maanden Tot onbepaalde tijd 6.2 Hoogte dwangsom Indien er wordt gekozen voor het opleggen van een last onder dwangsom, dan dient de hoogte van die dwangsom in redelijke verhouding te staan tot de ernst van de overtreding. Daarnaast moet deze een voldoende prikkel bieden om herhaling te voorkomen. Daarbij wordt rekening gehouden met het financiële voordeel dat met drugsgerelateerde activiteiten kan worden behaald. Nu binnen de gemeente Westerkwartier voor drugshandel op straat reeds een dwangsom van € 5.000 per overtreding wordt gehanteerd, ligt het in de rede om voor overtredingen als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet ten minste een vergelijkbaar bedrag als uitgangspunt te hanteren. 7 Hardheidsclausule Per dossier wordt nadrukkelijk gekeken of volstaan kan worden met de maatregel die genoemd is in de toepasselijke matrix of dat sprake is van een situatie die tot afwijking van de uitgangspunten uit deze beleidsregel leidt. Zwaardere maatregel De maatregelen genoemd in de tabellen zijn het uitgangspunt. In voorkomende gevallen kan de burgemeester gemotiveerd afwijken van het beleid door een zwaardere maatregel te nemen. Dit kan worden afgeleid uit de feiten en omstandigheden van het dossier die gepaard gaan met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar vormen voor de volksgezondheid en/of veiligheid. Gedacht kan worden (niet limitatief) aan de aanwezigheid van één of meer (vuur)wapen(s)/verboden wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie, het aantreffen van vals geld, vuurwerk16, gestolen goederen, mate van overlast rondom het pand, grote hoeveelheid hard- en/of softdrugs, et cetera. Afwijking van dit beleid kan bijvoorbeeld leiden tot het overslaan van een stap uit de handhavingsmatrix. Lichtere maatregel De burgemeester handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbende(n) gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen (artikel 4:84 Awb). Er moet sprake zijn van zwaarwegende redenen waarbij het van belang is dat deze omstandigheden zijn onderbouwd met objectieve gegevens/stukken. 8 Inwerkingtreding en intrekking Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na publicatie, onder gelijktijdige intrekking van de ‘Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier)’ 9 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als ‘Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier 2026’. Vastgesteld door de burgemeester van de gemeente Westerkwartier op 24 augustus 2026 A. van der Tuuk

Categorie: Mededelingen

De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer meldingen zoals "Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid 2026 (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier)"

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking voornemen tot het vestigen van een recht van opstal ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen nabij Noodweg 1 te Groningen

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking voornemen tot verkoop van grond

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking voornemen tot verkoop van grond

Mededelingen

Mededelingen

Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Westerkwartier houdende regels omtrent drugsbeleid 2026 (Damoclesbeleid gemeente Westerkwartier)

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking voorgenomen verkoop (ruiling) grond nabij rotonde - Eestumerweg Ten Post

Mededelingen

Mededelingen

Voornemen tot het overdragen van drie aan elkaar gemonteerde bouwketen te Zoutkamp

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking voorgenomen uitgifte opstalrechten nabij Mispellaan 66-68 te Groningen t.b.v. nutsvoorzieningen

Omgeving

Omgeving

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van het project Relined dat plaatsvindt tussen Wespoort en Paddepoel te Groningen

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Ontwerp Provinciaal Volkshuisvestingsprogramma Drenthe

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Ontwerp Provinciaal Volkshuisvestingsprogramma Drenthe

APV

APV

Subsidieregeling Basissubsidie hulp om energie te besparen

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking voorgenomen verkoop blote eigendom Ossenmarkt 4a te Groningen