Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2026
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-07-22
Gepubliceerd door
Gemeente Beesel
Informatie
Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2026 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel; -gezien het voorstel van 14 juli 2026; -gelet op het bepaalde in artikel 2.1.3 en verder van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 12 lid 7 en artikel 34 lid 2 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Beesel 2024; besluit 1.vast te stellen Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2026; 2.in te trekken Gemeente Beesel Nadere Regels Wmo 2021, vastgesteld op 29 juni 2021, Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Begrippen Hoofdstuk 2: Algemene uitgangspunten bij een (maatwerk)voorziening Hoofdstuk 3: Begeleiding Hoofdstuk 4: Hulp bij het huishouden Hoofdstuk 5: Respijtzorg Hoofdstuk 6: Woonvoorzieningen hoofdstuk 7: Woningaanpassing Hoofdstuk 8: Verhuiskostenvergoeding Hoofdstuk 9: Mobiliteitsvoorzieningen Hoofdstuk 10: Collectief vraagafhankelijk vervoer/ Omnibuzz Hoofdstuk 11: Persoonsgebonden Budget Hoofdstuk 12: Financiële paragraaf Hoofdstuk 13: Eigen bijdrage Hoofdstuk 14: Slotbepalingen Hoofdstuk 1: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen 1.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. Ambtshalve besluit: een besluit dat de gemeente (het college) op eigen initiatief neemt, dus zonder dat de inwoner daar een aanvraag voor heeft ingediend. b. Het college: het college van burgemeester en wethouders van gemeente Beesel; c. Elementaire woonruimtes: Elementaire woonruimtes zijn de delen van de woning die nodig zijn voor basisactiviteiten als wonen, slapen, douchen, eten, veiligheid en essentiële huishoudelijke taken. Ruimten die niet bijdragen aan deze basisactiviteiten vallen hier niet onder.De noodzakelijke ruimtes in een woning zoals de woonkamer, keuken, slaapkamer, badkamer en het toilet. Ruimte zoals een hobbyruimte, studeerkamer, de zolder en de kelder worden in het kader van de Wmo 2015 niet gezien als een elementaire woonruimte, tenzij deze ruimten noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een elementaire woonfunctie. d. Formele hulp: de hulp wordt verleend door een professional aangemerkt als werkzaam in een zorginstelling of een ZZP’er met arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht. e. Gebruikelijke hulp: de hulp die mensen elkaar normaal gesproken bieden als zij een gezin vormen of samenleven, bijvoorbeeld helpen met eten koken, afwassen, stofzuigen en de kinderen naar school brengen. Als iemand in het gezin ziek wordt kunnen andere gezinsleden vaak een aantal van deze taken overnemen. f. HHM-normenkader: Dit normenkader helpt gemeenten bij het op maat indiceren van huishoudelijke ondersteuning voor inwoners. g. Langdurige ondersteuning: Als de verwachting is dat ondersteuning langer dan een half jaar noodzakelijk is. h. Leefeenheid: Alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren. i. Informele hulp: de hulp die wordt verleend door iemand die behoort tot het sociaal netwerk van de hulpvrager zoals partner of familielid. Of een persoon uit het nabije netwerk zonder overeenkomst van opdracht. j. Mantelzorg: de zorg voor een naaste die langdurig ziek is, een beperking heeft of hulp nodig heeft. Dit kan intensieve zorg zijn, maar ook kleinere hulp zoals bijvoorbeeld boodschappen doen. k. Ondersteuningsplan: plan dat per inwoner in overleg tussen zorgverlener en inwoner is opgesteld, waarin wordt aangegeven welke maatschappelijke ondersteuning geboden wordt om de resultaten te behalen, met oog voor omvang en frequentie van de ondersteuning zoals ook beschreven in het leefzorgplan. l. Resultaten: de doelen die behaald moeten worden waarvoor een inwoner ondersteuning ontvangt. m. Resultaatgericht indiceren: inwoner ontvangt een indicatie welke gericht is op het behalen van een resultaat van de geboden ondersteuning. n. Sociaal netwerk: personen uit de eigen leefeenheid of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. o. SMART: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Resultaatgericht, Tijdsgebonden. Een instrument dat ondersteunt in het toetsen van doelstellingen. p. Thuis/ eigen leefomgeving: onder thuis wordt niet per definitie de huidige eigen woning bedoeld. Thuis kan ook betekenen in de eigen leefomgeving binnen een straal van 25 kilometer of de omgeving van het eigen sociale netwerk. q. Traject: een tijdsduur waarbinnen de inwoner maatschappelijke ondersteuning ontvangt van de zorgverlener om de resultaten te behalen. Een traject is gekoppeld aan een unieke inwoner. r. Voorliggend veld: Het voorliggend veld omvat alle algemene en laagdrempelige voorzieningen, hulp uit het sociale netwerk en andere wettelijke regelingen die vóór individuele Wmo-ondersteuning kunnen worden ingezet. De gemeente onderzoekt altijd eerst of deze voorzieningen de hulpvraag kunnen oplossen, voordat een maatwerkvoorziening wordt overwogen. 2.Alle andere begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die hierboven niet nader zijn omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wmo 2015, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de Verordening Wmo gemeente Beesel 2024 en de Algemene wet bestuursrecht. Hoofdstuk 2: Algemene uitgangspunten bij een (maatwerk)voorziening Voor hulpvragen op het gebied van de Wmo is de gemeente bereikbaar via het samenlevingsloket. We maken daarnaast gebruik van een cliëntportaal waardoor ook digitaal de mogelijkheid bestaat voor vragen en contact. De inwoner met zijn of haar omgeving staat centraal bij de hulpvraag en de bijbehorende oplossing. De hulpvraag wordt met een brede blik vanuit diverse leefgebieden onderzocht, waarbij de eigen regie en eigen kracht van inwoner wordt meegewogen in de oplossingen. Artikel 2. Stappenplan Een onderzoek vindt plaats aan de hand van het volgende stappenplan: a.Breng in kaart wat de ondersteuningsvraag is van de inwoner. b.Breng in kaart welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. c.Vaststellen welke ondersteuning noodzakelijk is en in welke omvang. d.Bepaal of en in hoeverre de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de nodige ondersteuning kunnen bieden. e.Bepaal of en welke mogelijke oplossingen er zijn binnen het voorliggend veld om de nodige ondersteuning te kunnen bieden. f.Vraag, voor zover het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist een (onafhankelijk) (medisch) deskundig advies op. g.Stel vast welke individuele voorziening (maatwerkvoorziening) passend is om de ondersteuningsvraag en de ervaren beperkingen te compenseren. Artikel 3. Eigen kracht 1.Eigen kracht wil zeggen; ieders vermogen om zijn of haar eigen leven vorm te geven en problemen op te lossen. Het uitgangspunt is dat een inwoner eerst zelf of samen met zijn of haar directe omgeving probeert zijn of haar situatie te verbeteren. 2.In sommige situaties kan een inwoner het probleem op eigen kracht oplossen; een maatwerkvoorziening is dan niet noodzakelijk. We spreken van eigen kracht bij de volgende mogelijkheden, deze lijst is niet uitputtend: a.Een beroep doen op hulp uit het sociaal netwerk anders dan gebruikelijke hulp. b.Het gebruik maken van vrijwilligers. c.Rekening houden voorzienbaarheid. Inwoners dienen passende keuzes te maken voor de toekomst, veelal wanneer zij weten dat zij bijvoorbeeld rekening dienen te houden met beperkingen; d.Het anders indelen of herinrichten van de eigen woning. e.Het gebruik maken van domotica of ondersteunende apparatuur, zoals een robotstofzuiger. f.Wanneer de voorziening al is aangeschaft of de ondersteuning al is gerealiseerd. Het moment van aanschaf of realisatie is gedaan in de periode vóór het doen van de melding of in de periode tussen de melding en de aanvraag de voorziening. g.Het doen van een beroep op andere regelingen of wetten, zoals de Zorgverzekeringswet en de Participatiewet, bijvoorbeeld deelname aan behandeling. Artikel 4. Gebruikelijke hulp 1.Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die andere inwonende(n) zoals bijvoorbeeld de partner, ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Het hebben van werk, naar school gaan of geen ervaring hebben met de uitvoer van taken wordt niet als reden gezien om geen gebruikelijke hulp te kunnen bieden. Onderstaande opsomming geeft enkele voorbeelden, deze lijst is niet uitputtend: a.Het verzorgen van de brood- en warme maaltijden; b.Het doen van boodschappen; c.De textielverzorging; d.Schoonmaakwerkzaamheden; e.Administratie en financiën; f.Bezoek aan onder andere huisarts, ziekenhuis, tandarts en kapper; g.Het bezoeken van familie en vrienden; h.Aansturing of begeleiding van beperkte aard. Artikel 5. Algemene voorzieningen 1.Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die voor iedere inwoner van de gemeente beschikbaar is. Een inwoner kan hier terecht zonder indicatie en zonder voorafgaand onderzoek naar persoonlijke omstandigheden. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als inwoner met zijn ondersteuningsbehoefte gebruik kan maken van een algemene voorziening. De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.Open inloop locaties: een ontmoetingsruimte met de mogelijkheid (tegen betaling) voor het nuttigen van een maaltijd. Het uitgangspunt is dat er in iedere kern een open inlooplocatie aanwezig is. De huidige open inloop locaties zijn: -Reuver; Bösdael -Offenbeck; Offenbeckerhof -Beesel; Het Spick b.Wensbus: iedere inwoner van gemeente Beesel kan tegen betaling een rit boeken met de Wensbus. c.Project Kommee: inwoners die moeite hebben met het reizen met het reguliere Openbaar Vervoer kunnen een aantal maal met een vrijwillige OV- ambassadeur samen reizen waarna inwoner het reizen met het OV zelfstandig op kan pakken. d.Onafhankelijke cliëntondersteuning: de cliëntondersteuner is geen zorgverlener, maar helpt om zorg of ondersteuning te organiseren. De onafhankelijke cliëntondersteuner is onafhankelijk van zorgorganisaties. Binnen gemeente Beesel is clientondersteuning op dit moment geregeld via Synthese. e.Welzijnswerk: maatschappelijke activiteiten gericht op het geestelijk en sociaal welbevinden. Dit betreft onder meer: -Vrijwillige thuisadministratie; -Klussendienst; -Steunpunt eenzaamheid; -Ouderenadviseurs; -Maatschappelijk werk (als er een kortdurende enkelvoudige begeleidingsvraag ligt, is een traject via maatschappelijk werk voorliggend op een begeleidingsindicatie via de Wmo); -Welzijn op recept; -Buurtbemiddeling. f.Steunpunt/ Maatjes GGZ. g.Herstelhuis: het bieden van een veilige plek voor mensen die hun balans willen hervinden en ondersteuning zoeken. Een inwoner kan maximaal 14 dagen verblijven in een herstelhuis. h.Afasiecentrum: er is een team van specialisten aanwezig zoals logopedisten, afasietherapeuten en deskundige begeleiders die cliënten leren om te gaan met hun beperking in de communicatie. i.Uitleenservice: Via bijvoorbeeld Unik Sporten bestaat de mogelijkheid om een sportvoorziening te lenen voor de duur van maximaal 4 maanden. j.Inzet van een ervaringsdeskundige vanuit bijvoorbeeld Markieza. k.Regionale winteropvang voor dak- en thuislozen. l.Informatiepunt Beesel. Artikel 6. Algemeen gebruikelijke voorzieningen 1.Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening waarvan gelet op de omstandigheden het aannemelijk is dat inwoner daarover ook als hij geen beperkingen had zou kunnen beschikken. Er wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt als er sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening. De criteria voor een algemeen gebruikelijke voorziening zijn: a.Is niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking; b.Daadwerkelijk beschikbaar; c.Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie; d.Kan financieel gedragen worden met een inkomen op minimumniveau. Een voorziening kan financieel gedragen worden met een minimum inkomen als de kosten daarvan binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald. Dit is maximaal €1.250,- volgens de jurisprudentie (stand van zaken 2024). Bij dit criterium kan er uitgegaan worden van het tweedehands aanbod. 2.De volgende voorzieningen worden als algemeen gebruik geacht bij een woning, mobiliteitsvragen en diensten. Dit betreft een niet uitputbare lijst: I. Woning a.De kosten voor renovatie van badkamer en toilet na 20 jaar; b.De kosten voor renovatie van keuken na 30 jaar; c.Antislipvloer/ coating; d.Een-hendel mengkranen; e.Thermostatische kranen; f.Glijstang in de douche; g.Losse standaard douche/toiletstoel; h.Badplank; i.Douchestoel aan de muur; j.Wandbeugels en opklapbare toiletbeugels; k.Tweede toilet; l.Verhoogde toilet of toiletverhoger; m.Tweede trapleuning; n.Standaard drempelhulpen te koop bij Medipoint of een bouwmarkt; o.Deurdruppels voor de centrale toegangsdeur van een appartementen- complex; p.Keramische- of inductiekookplaat; q.Robotstofzuiger voor stoffen en dweilen; r.Zonwering (inclusief elektrische bediening); s.Domotica zoals een videodeurbel; t.Sleutelkastje zoals een Pinkey; u.Kosten voor verhuizen (eens in de tien jaar, tenzij medisch noodzakelijk). II. Mobiliteitsvoorzieningen a.Autoaccessoires zoals stuurbekrachtiging, elektrisch bedienbare ruiten, trekhaak, airconditioning; b.Tweewielfiets, bakfiets, fietskar, aanhangfiets; c.Elektrische fiets/tandem (al dan niet met lage instap). Dit betreft de reguliere fietsen voor volwassenen (24 inch en groter). Kinderfietsen met elektrische ondersteuning betreft een speciale aanpassing en vallen wel onder de maatwerkvoorzieningen Wmo. d.Duofiets huren; e.Scootmobiel huren; f.Rollator; g.Een eenvoudige transportrolstoel; h.De kosten van het reguliere openbaar vervoer; i.Personenauto en de hieraan verbonden gebruikskosten; j.De kosten van een taxi als het gaat om minder dan 10 enkele ritten per jaar; k.Wandelstok. III. Diensten en overige aanschaffen a.Boodschappenservice; b.Kreuk- en strijkvrije kleding; c.Glazenwasser; d.Klussendienst; e.Maaltijdenservice en opwarmmaaltijden; f.Particuliere hulp in het huishouden; g.Tuinonderhoud; h.Personenalarmering; i.Strijkservice; j.Mantelzorgmakelaar; k.Schoonmaakspullen. Artikel 7. Ambtshalve beschikken Het college kan besluiten ambtshalve te beschikken bij de volgende situaties: a.Wanneer er sprake is van respijtzorg; b.Als er sprake is van een verlenging of een afgekeurde voorziening waarbij uit onderzoek is gebleken dat de situatie niet veranderd is en de ondersteuning op dezelfde wijze door kan gaan; c.Wanneer de consulent de inschatting maakt dat de situatie verslechtert wanneer de reguliere route van aanvraag wordt toegepast; d.Wanneer er voldoende informatie bekend is maar het onderzoek niet binnen de wettelijke termijnen kan plaatsvinden. Er kan enkel een ambtshalve besluit worden genomen wanneer het besluit in lijn ligt met de verwachting van inwoner (verordening Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2024, artikel 6.7) Artikel 8. Herindicering 1.Wanneer de indicatie van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening afloopt en een verlenging of nieuwe indicatie gewenst is, is een inwoner verantwoordelijk om ten minste 8 weken voor de einddatum van de indicatie een melding als bedoeld in artikel 2 van Wmo verordening gemeente Beesel 2024 in te dienen. 2.Wanneer de melding niet binnen deze 8 weken voor de einddatum van de huidige indicatie wordt gedaan, kan dit betekenen dat er geen aansluitende verlenging kan plaatsvinden. Er wordt in deze situatie geen indicatie afgegeven met terugwerkende kracht. 3.Wanneer het onderzoek later plaatsvindt dan de einddatum van de geldende indicatie doordat een inwoner zicht te laat gemeld heeft, dan wordt door consulent bepaald of hier een kortdurende overbruggingsindicatie kan worden verstrekt. Onderstaande uitgangspunten geven weer wanneer er, in uitzonderlijke situaties een overbruggingsindicatie afgegeven kan worden: a.Wanneer veiligheid in het gedrang is; b.Wanneer er spoedige opvang (beschermd wonen/ maatschappelijke opvang) noodzakelijk is; c.Wanneer de mantelzorger plotseling wegvalt; d.Wanneer verplaatsing binnen de elementaire woonruimtes door een onverwachte gebeurtenis ineens niet meer mogelijk is; e.Bij het overlijden van de partner. Hoofdstuk 3: Begeleiding Voorzieningen van de Wmo onder artikel 9 tot en met artikel 15 worden resultaatgericht geïndiceerd. Het college bepaalt samen met de inwoner welke doelen en resultaten behaald moeten worden (het wat). Dit wordt vastgelegd in het leefzorgplan. De zorgaanbieder bepaalt in samenspraak met de inwoner hoe het resultaat bereikt gaat worden (het hoe). Dit wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan. Dit leidt tot meer flexibiliteit in de te bieden ondersteuning, maatwerk (er wordt optimaal aangesloten bij de ondersteuningsbehoefte op elk moment) en geeft ruimte aan de zorgprofessional om de benodigde zorg flexibel op en af te schalen. Om duidelijkheid en transparantie te geven en zo veel mogelijk rechtszekerheid te bieden aan inwoners, worden de doelen en resultaten in dit hoofdstuk beschreven. Tevens zien we zoals ook vastgelegd in de verordening Wmo gemeente Beesel 2024 zowel het Leef zorgplan als het ondersteuningsplan als onderdeel van de beschikking. Het uitgangspunt is dat professionals vanuit verschillende disciplines integraal samenwerken. Professionals beschikken over de juiste vaardigheden en kennis en houden deze up-to-date. Artikel 9. Traject 1A: Volwassenen met een complexe of meervoudige ondersteuningsvraag Traject 1A kent als enige een onderverdeling in twee delen: traject 1A1 en traject 1A2. De doelgroep is voor beide trajecten gelijk, maar traject 1A1 betreft de begeleiding en traject 1A2 de dagbesteding. 1. Doelgroep: Volwassenen die vanwege psychische of psychosociale problemen niet in staat zijn, op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van hun sociale netwerk of gebruikmakend van voorliggende voorzieningen, zich te handhaven in de samenleving. Er is bij deze doelgroep sprake van perspectief op vergroten van de zelfstandigheid. De focus ligt op het herstellen van en/of vergroten van de zelfredzaamheid. Door een incident is er tijdelijk ondersteuning nodig. De ondersteuning is op maat, passend bij de behoefte en mogelijkheden van de inwoner en gericht op het effectief en efficiënt bereiken van het beoogde resultaat. Deze ondersteuning kent een afgebakende periode met een duidelijk start- en eindmoment. Het uitgangspunt is dat inwoner na afronding van het traject zelfstandig verder kan en er geen professionele ondersteuning meer noodzakelijk is. Het traject omvat ondersteuning die wordt geboden aan inwoner met uiteenlopende problematieken of beperkingen zoals: a.Psychische of psychiatrische klachten; b.Verslavingsproblematiek; c.Verstandelijke beperking; d.Een combinatie van bovenstaande problematieken. 2. Resultaat: a.De inwoner leert/versterkt (sociale) vaardigheden die nodig zijn om zo zelfstandig mogelijk te functioneren en participeren; b.De inwoner leert omgaan met zijn/ haar psychische beperkingen/ probleemgedrag; c.De inwoner maakt minder gebruik van professionele zorg en zoveel mogelijk van het voorliggend veld of het sociaal netwerk. Er vindt afschaling plaats naar het voorliggend veld, de sociale basis; d.Versterken van de draagkracht, zodat professionele ondersteuning (in de toekomst) niet meer nodig is; e.Het aanleren of versterken van vaardigheden die nodig zijn om zo zelfstandig mogelijk te functioneren en te participeren; f.Gericht op het voorkomen van een recidive; g.Structuur in het dagelijks leven en zelfregie (planning en uitvoering van de taken); h.Participeren en integreren in de samenleving op gebied van werk – en daginvulling; i.Specifiek doel voor product dagbesteding: inwoner heeft een dagritme en een zinvolle daginvulling. 3. Verlenging: a.Verlenging van deze maatwerkvoorziening is niet mogelijk, tenzij er sprake is van: -Een live-event met een behoorlijke impact. Denk hierbij aan het overlijden van een partner of het verliezen van werk en inkomen; -Een behandeling die (nog) niet gestart is; -Het behalen van de initiële doelen voor het traject, maar waarna toch blijkt dat de inwoner onvoldoende zelfredzaam is om op eigen kracht, met ondersteuning vanuit de sociale basis, het voorliggend veld of een maatwerkvoorziening uit segment 2A zelfstandig verder te kunnen. Artikel 10. Traject 1B: Volwassenen met een kortdurende en enkelvoudige ondersteuningsvraag 1. Doelgroep: Volwassenen met (enkelvoudige) problematiek waarbij de focus ligt op het herstellen van en/of vergroten van de zelfredzaamheid. De ondersteuning is ter bevordering van een of meerdere levensdomeinen. De inwoner is zelfstandig/zelfredzaam maar heeft door een incident tijdelijke ondersteuning nodig. De ondersteuning kent een afgebakende periode met een duidelijke start en eindmoment. De ondersteuning is passend bij de behoefte en de mogelijkheden van de inwoner en gericht op het effectief en efficiënt bereiken van het beoogde resultaat. Het eindresultaat is dat de inwoner na afronding van het traject zelfstandig (weer) verder kan. Er is dan geen professionele ondersteuning meer nodig. 2. Resultaat: a.Structuur in het dagelijks leven en zelfregie (planning en uitvoering van taken); b.Stabiliseren en op orde brengen van de situatie; c.Ondersteunen bij het regelen van dagelijkse praktische bezigheden (zoals financiën, dagstructuur, zelfstandig wonen, sociale contacten en opbouwen netwerk) samen met de inwoner, zodat deze zelf de eigen regie weer op kan pakken; d.Oefenen en inslijpen of toepassen van praktische vaardigheden samen met inwoner, zodat deze zelf de regie weer op kan pakken; e.Activering naar (vrijwilligers)werk of een zinvolle daginvulling; f.Aanleren of versterken van vaardigheden die nodig zijn om zo zelfstandig mogelijk te functioneren en te participeren; g.Snel herstel van de zelfredzaamheid en het normaliseren van de situatie; h.Versterken van de draagkracht, zodat professionele ondersteuning (in de toekomst) niet meer nodig is; i.De inwoner maakt minder gebruik van professionele zorg en zoveel mogelijk gebruik van het voorliggend veld/ sociaal netwerk. Artikel 11. Traject 2A: Volwassenen met een langdurige ondersteuningsvraag 1. Doelgroep: Volwassenen die door de aard van hun beperking of vraagstukken, langdurige minimale professionele ondersteuning nodig hebben op een of meerdere levensdomeinen. Ondersteuning is gericht op het stabiel krijgen en houden van de situatie in de eigen woonomgeving. In de praktijk kan er tijdelijk geen ondersteuningsbehoefte zijn, juist een intensievere ondersteuningsbehoefte of alleen een beperktere ondersteuningsbehoefte (waakvlamcontact). Inzet van ondersteuning is sterk onderhevig aan de behoefte van de volwassene. Aanleren is in de meeste situaties niet meer mogelijk. Vaker is er sprake van het overnemen van taken. 2. Resultaat: a.Leren omgaan met de chronische beperking; b.Stabiel krijgen en houden van de situatie in de eigen woonomgeving; c.Bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid; d.Structuur in het dagelijks leven en zelfregie (planning en uitvoering van taken); e.De inwoner leert/versterkt (sociale) vaardigheden die nodig zijn om zo zelfstandig mogelijk te functioneren en te participeren; f.Het voeren van een (financiële) administratie en omgaan met geld; g.Het zelfstandig wonen; h.Het leggen en onderhouden van contacten met officiële instanties; i.Het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden die nodig zijn om zo zelfstandig mogelijk te functioneren en te participeren; j.De inwoner ervaart een zinvolle dag invulling en participeert naar vermogen. k.Afschalen naar een waakvlamcontact; l.De inwoner maakt minder gebruik van professionele zorg en zoveel mogelijk van het voorliggend veld. Artikel 12. Traject 2B: Volwassenen met aan ouderdom gerelateerde beperkingen 1. Doelgroep: Volwassen met aan ouderdom gerelateerde klachten (vaak inwoners vanaf 75 jaar) waarvan de ondersteuning is gericht op stabilisatie van de situatie thuis. Doelstelling is deze ouderen zo lang als mogelijk verantwoord en zelfstandig thuis te laten wonen. Het gaat daarbij om de volgende problematieken: psychogeriatrisch en/of somatisch. Het gaat om ondersteuning met als centrale doelstelling stabilisatie. 2. Resultaat: a.Stabiel houden van de situatie; b.De inwoner ervaart een zinvolle dag invulling en participeert naar vermogen; c.De inwoner ervaart een goede kwaliteit van leven; d.De inwoner ervaart geen sociaal isolement; e.De mantelzorger is ontlast; f.De inwoner leert omgaan met zijn/haar fysieke en/of cognitieve beperkingen; g.De inwoner is en/of wordt geactiveerd om verdere fysieke en/of cognitieve problemen te voorkomen; h.De inwoner krijgt ondersteuning/activiteiten aangeboden die passen bij zijn/haar ondersteuningsvraag; i.De inwoner ontvangt ondersteuning op zelfregie wanneer hij/zij tekortschietende vaardigheden heeft op zelfregelend vermogen. Artikel 13. Maaltijdondersteuning Er kan sprake zijn van maaltijdondersteuning wanneer deze noodzakelijk is ter compensatie van beperkingen in zelfredzaamheid of participatie. Dit kan gaan om aansporen of de structuur rond eten (begeleiding) en het opwarmen van maaltijden. 1.Maaltijdondersteuning in Zorg in Natura wordt weggezet onder segment begeleiding 2B. Uitzondering betreft een inwoner die al een indicatie voor begeleiding binnen een ander segment heeft. Als een inwoner al een indicatie begeleiding voor bijvoorbeeld segment 2A heeft, valt de begeleiding van maaltijden onder dit al ingezette segment. 2.Indien maaltijdondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt ingezet, wordt dit als volgt geïndiceerd: a.10 minuten voor de warme maaltijden; b.5 minuten per broodmaaltijd. Indien maaltijdondersteuning als een aparte indicatie wordt afgegeven, wordt de eerste indicatie maximaal afgegeven voor de duur van 6 maanden.Inwoners dienen zelf te zorgen voor de maaltijd en de daaraan verbonden kosten. Artikel 14. Vervoer maatwerkvoorziening dagbesteding 1.Wanneer een inwoner niet in staat is om op eigen kracht naar de dagbesteding te komen, kan een maatwerkvoorziening in de vorm van georganiseerd vervoer naar de zorgaanbieder worden ingezet. 2.We maken onderscheid tussen drie vormen van vervoer: a.Eigen vervoer: aanbieders die gebruik maken van eigen vervoersmiddelen; b.Gecontracteerd vervoer: aanbieders die het vervoer uitbesteden aan vervoersbedrijven; c.Rolstoelvervoer. 3.Aanvullende uitgangspunten: a.Vervoer naar dagbesteding kan alleen afgegeven worden wanneer er binnen een segment begeleiding gebruik wordt gemaakt van dagbesteding; b.Er wordt onderzoek gedaan naar de vervoersmogelijkheden van de inwoner; er wordt niet standaard uitgegaan van een vervoersindicatie bij het afgeven van dagbesteding; c.Het geven van dubbele indicaties/stapeling wordt tegengegaan. Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening zoals een scootmobiel of driewielfiets wordt verwacht dat de inwoner zelfstandig het vervoer naar de dagbesteding kan realiseren, tenzij hier (medische) aantoonbare redenen voor zijn dat dit niet mogelijk is. Hoofdstuk 4: Hulp bij het huishouden Artikel 15. Traject 3A: hulp bij het huishouden 1.Dit traject richt zich op het product hulp in het huishouden. 2. Resultaat: a.Een schoon en leefbaar huis. b.De wasverzorging. c.Het aanleren van huishoudelijke taken. d.Signaleren van veranderingen die invloed hebben op de zelfredzaamheid. 3. Aanvullende uitgangspunten: a.Definitie van deze doelstelling: een huis is schoon en leefbaar als het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen: -Schoon: basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen; -Leefbaar: Opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. b.De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: de inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrek(ken), de keuken, sanitaire ruimtes en de gang/ trap; c.De afbakening van activiteiten die niet onder de voorziening vallen; het schoonmaken van de buitenruimten bij het huis, denk hierbij aan de ramen, de tuin en het balkon. d.Er wordt uitgegaan van de doelstellingen schoon en leefbaar huis en wasverzorging. De doelstellingen boodschappen en regie/ organisatie zijn geen ondersteuningsvormen die onderdeel uitmaken van de voorziening hulp in het huishouden; e.Het nemen van een huisdier betreft een eigen keuze. Hiervoor wordt geen extra ondersteuning afgegeven; f.Voor de normering van de voorziening huishoudelijke hulp bij een persoonsgebonden budget of zorgaanbieder Alphatrots maken we gebruik van het normenkader HbH HHM; g.Indien de hulpvraag voor huishoudelijke hulp enkel een tijdelijk karakter heeft van maximaal 6 weken wordt er geen indicatie voor huishoudelijke hulp via de Wmo toegekend. h.In het ondersteuningsplan met afspraken tussen zorgaanbieder en inwoner worden de taken beschreven die inwoner niet zelfstandig kan uitvoeren en overgenomen moeten worden door de zorgaanbieder. Artikel 16. Gebruikelijke hulp bij hulp in het huishouden Voorwaarden waarbij er bij gebruikelijke hulp als bedoeld in artikel 12.2 lid b van de Wmo verordening gemeente Beesel 2024 afwijkend besloten kan worden: 1.Bij kamerverhuur rekenen we de huurder van de desbetreffende ruimte niet tot het huishouden. 2.Als het meerdere kamerhuurders betreft op één adres en deze huurders de gemeenschappelijke ruimten delen, dan geldt dat de overige huurders de gemeenschappelijke ruimtes onderhouden als zijnde gebruikelijke hulp. Er is geen sprake van gebruikelijke hulp waar er sprake is van privéruimten. 3.Wanneer een huisgenoot van een zorgvrager geen gebruikelijke hulp kan leveren doordat hij structureel afwezig is vanwege zijn of haar werk. Structurele werkafwezigheid kan een relevante belemmering zijn om gebruikelijke hulp te bieden. Beoordeling dient plaats te vinden aan de hand van feitelijke beschikbaarheid (hoe vaak en hoe lang is iemand daadwerkelijk afwezig), taakkarakter (is de nodige ondersteuning uitstelbaar/niet uitstelbaar), voorspelbaarheid (is er sprake van geplande arbeid) en draagkracht van de huisgenoot. Er kan gedacht worden aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. 4.In terminale situaties (levensverwachting is minder dan 3 maanden). 5.Bij een onverwachte situatie met als gevolg dat de enkele ouder wordt belast met de opvoeding en verzorging van de kinderen in combinatie met werk en om die reden tijdelijk de huishoudelijke taken niet zelfstandig uit kan voeren (met een maximale duur van 6 maanden). 6.Als de aanwezige huisgenoten niet (meer) leerbaar zijn. 7.Wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting van diegene die de gebruikelijke hulp zou kunnen leveren. Artikel 17. Bijdrage van kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan wordt ervanuit gegaan, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. 1.Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. 2.Kinderen van 5 tot en met 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafeldekken/ afruimen, afwassen/afdrogen en kleding in de wasmand doen. 3.Kinderen van 13 tot en met 17 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, stofzuigen en hun bed verschonen. 4.Vanaf de leeftijd van 18 jaar kunnen inwonende kinderen alle huishoudelijke taken overnemen naast hun reguliere school/opleiding/werk. Artikel 18. Particuliere ondersteuning bij het huishouden De particuliere hulp wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd als op het moment van de aanvraag deze huishoudelijke taken door de particuliere hulp worden uitgevoerd. Aanspraak op ondersteuning bij het huishouden in relatie tot particuliere hulp bestaat als er aangetoond kan worden dat er sprake is van een wijziging van de situatie waardoor particuliere ondersteuning geen passende oplossing meer is. Hoofdstuk 5: Respijtzorg Artikel 19. Respijtzorg 1.Ontlasten van mantelzorger(s) met als doel een balans in draagkracht en belastbaarheid van de mantelzorger. 2.Vormen van respijtzorg: a.Logeren: richt zich op het tijdelijk of structureel bieden van dag- en nachtopvang ter ontlasting van de mantelzorgers. Hierbij wordt door de logeeraanbieder de ondersteuning aangeboden die in de thuissituatie door de mantelzorger wordt verricht. Het primaire doel van logeren is ontlasting van de mantelzorger. En inwoner ervaart een zinvolle invulling van de dag. b.Voorzieningen zoals hulp in het huishouden of begeleiding ter ontlasting van gebruikelijke hulp/mantelzorg. 3.Aanvullende uitgangspunten: a.Er dient onderzoek te worden gedaan naar de verhouding tussen draagkracht en draaglast en de fysieke en mentale gezondheid van de partner of huisgenoot, het sociale netwerk en de wijze van omgang met problemen. b.Factoren die van invloed kunnen zijn op de draagkracht zijn bijvoorbeeld de mate waarin er sprake is van (on)planbare zorg, het ziektebeeld en de prognose, bijkomende problemen van sociale, emotionele of relationele aard. c.Respijtzorg kan zowel incidenteel als structureel ingezet worden. d.Respijtzorg in de vorm van logeren kan worden afgegeven tot maximaal 35 etmalen per jaar. Hoofdstuk 6: Woonvoorzieningen (exclusief trapliften en woningaanpassingen) Artikel 20. Doelstelling 1.De doelstelling van het verstrekken van woonvoorzieningen zoals een tillift, douche en douche- toiletstoelen met wielen en transferhulpmiddelen is het bevorderen van de zelfredzaamheid, zodat inwoners zo zelfstandig mogelijk in een passende woonomgeving kunnen blijven functioneren. Artikel 21. Aanvullende uitgangspunten 2.Voor deze woonvoorzieningen geldt dat er sprake dient te zijn van een aantoonbare langdurige hulpvraag voor een periode van meer dan 6 maanden 3.Voor sommige woonvoorzieningen zoals een tillift kan er voor gebruik van een periode van maximaal 6 maanden een beroep worden gedaan op de Zorgverzekeringswet. Dit is voorliggend op verstrekking via de Wmo. 4.Een woonvoorziening wordt als voorliggend gezien op een woningaanpassing. 5.Er wordt maar één woonvoorziening voor eenzelfde doeleinde ingezet. Hoofdstuk 7: Woningaanpassing Artikel 22. Doelstelling 1.Het doel van een woningaanpassing is het wegnemen of verminderen van beperkingen die een inwoner ondervindt bij het normale gebruik van de woning, zodat de zelfredzaamheid en participatie in de samenleving behouden of bevorderd worden. De voorziening moet een passende bijdrage leveren aan het compenseren van deze beperkingen, zodat hij of zij zo zelfstandig mogelijk kan blijven functioneren in de eigen leefomgeving. Bij de beoordeling welke aanpassing noodzakelijk zijn worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a.Er wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende oplossing. b.Het onderzoek richt zich op de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte van de inwoner en niet alleen op de gevraagde voorziening c.Veilig en zelfstandig gebruik kunnen maken van de elementaire woonruimtes. d.Door- en toegankelijkheid van de woning. e.Langer zelfstandig ‘thuis’ wonen. Artikel 23. Aanvullende uitgangspunten bij eigen kracht en voorzienbaarheid 1.We spreken van voorzienbaarheid wanneer iemand in zijn eigen woning beperkingen ervaart wegens ouderdomsklachten. Het gaat dan om beperkingen ten aanzien van: a.Het kunnen nemen van treden/traplopen. b.Het kunnen instappen van een bad/douche. c.Het over drempels kunnen stappen. 2.Bij ouderdomsklachten gaat het om veel voorkomende gezondheidsklachten bij ouderen, zoals slechthorendheid, slecht zien, kortademigheid, rugklachten en verlies van kracht en mobiliteit. Wanneer uit onderzoek blijkt dat er sprake is van voorzienbare ouderdomsklachten, dan gaan we uit van de ‘eigen kracht’ van de inwoner.3.We spreken van ‘eigen kracht’ als het gaat om het rekening houden met de noodzaak voor het nemen van andere routes. 4.Wanneer uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van aanwezige beperkingen voor langer dan 12 maanden én inwoner gedurende deze 12 maanden heeft geweten dat er op termijn beperkingen zouden zijn bij het veilig en zelfstandig gebruik kunnen maken van de eigen woning, dan dient aannemelijk gemaakt te worden dat inwoner al het mogelijke heeft gedaan om rekening te houden met de toekomst. Daarmee kan worden gedoeld op; a.Op eigen kracht oplossingen hebben gecreëerd die als passend gezien worden. b.Zich hebben gemeld bij de gemeente om zich voor te bereiden op de toekomst. c.Zich hebben ingeschreven voor een passende huurwoning en actief hebben gereageerd. Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor het tijdig inschrijven als woningzoekende. d.Aan kunnen tonen dat ze de mogelijkheden hebben onderzocht om de huidige woning te verkopen en een andere passende woning te kopen of te huren. 5.Als uit bovenstaand blijkt dat inwoner al het mogelijke heeft gedaan om zelf oplossingen te creëren, wordt dit meegewogen in het onderzoek. 6.Als er mogelijkheden zijn binnen de ‘eigen kracht’ en uit onderzoek is gebleken dat inwoner de keus heeft gemaakt om zich niet of onvoldoende voor te bereiden op de toekomst, dan kan dit niet worden afgewenteld op de gemeente en kan een aanvraag worden afgewezen. Artikel 24. Aanvullende uitgangspunten bij een woningaanpassing 1.De toekomstige ontwikkelingen dienen meegewogen te worden in het onderzoek om te kunnen beoordelen of er ook sprake is van een langdurige passende oplossing. Op het moment dat er sprake is van een progressief ziektebeeld of er zijn andere twijfels over het toekomstig perspectief, dan kan er aanvullend (medisch) advies worden opgevraagd. 2.Een woningaanpassing wordt ingezet wanneer de kosten van een woningaanpassing lager zijn dan de kosten van een verhuiskostenvergoeding én: a.De inwoner met deze aanpassing (zelfstandig) gebruik kan maken van alle elementaire woonruimtes. b.De woning voldoende toe- en doorgankelijk is. c.Verwacht wordt dat er niet binnen afzienbare tijd aanvullende beperkingen aanwezig zijn. d.De woningaanpassing een veilige oplossing is gebleken volgens de actuele wet- en regelgeving. e.Als er op dit moment geen duidelijke sprake is van rolstoel- en verzorgingsafhankelijkheid naar de nabije toekomst toe. 3.Wanneer de kosten van een woningaanpassing hoger zijn dan de kosten van een verhuiskostenvergoeding, maar uit onderzoek is gebleken dat verhuizen geen passende oplossing is, kan er ook sprake zijn van een woningaanpassing. Denk daarbij aan onderstaande situaties die worden meegewogen, deze lijst is niet onuitputtelijk. a.Als er sprake is van noodzakelijke aanpassingen die ook nodig zouden zijn bij een eventuele verhuizing. b.Indien inwoner en/of inwonende familieleden medisch gezien niet meer kunnen verhuizen. c.Wanneer er sprake is van een aantoonbaar financieel nadelige situatie ten aanzien van de woonlasten. d.Als er noodzakelijke mantelzorg in de nabijheid aanwezig is en uit onderzoek blijkt dat er bij een verhuizing geen andere passende oplossing is. e.Wanneer aangetoond kan worden dat een verhuizing vanwege de huidige werkzaamheden niet mogelijk is. f.Er sprake is van gemaakte kosten voor het opheffen van beperkingen in de huidige woning én uit onderzoek is gebleken dat dit passende oplossingen zijn. Daarbij wordt rekening gehouden met de hoogte van de kosten en de afschrijftermijn in vergelijking met de kosten bij een verhuizing. g.Wanneer er geen passende (of eenvoudig aan te passen) woning beschikbaar is binnen een straal van 25 kilometer én binnen een aanvaardbare termijn van maximaal 12 maanden. h.De aanwezige beperkingen niet voorzienbaar waren. 4.De wil om te verhuizen wordt meegewogen in het onderzoek, maar is in beginsel niet doorslaggevend. Artikel 25. Aanvullende uitgangspunten bij een traplift Door als gemeente een actieve rol te nemen bouwen we een extra stap in om de veiligheid van de trap na plaatsing van de traplift te kunnen waarborgen. Als uit onderzoek blijkt dat een traplift mogelijk een goedkoopst compenserende voorziening is, dan worden de volgende stappen doorlopen: 1.Opdracht verstrekking aan de trapliftleverancier voor het onderzoeken en inmeten van een traplift. 2.De trapliftenleverancier verstrekt ons een technische tekening met de trapsituatie met de ingetekende traplift. 3.Deze technische tekening van de trapsituatie met de ingetekende traplift wordt getoetst door bouwkundigen van het team VTH volgens de geldende regelgeving (Besluit Bouwwerken Leefomgeving) in combinatie met het infoblad trapliften op bestaande trappen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. 4.De gemeente informeert na toetsing de leverancier of de traplift kan worden geplaatst. 5.Na goedkeuring van de gemeente, plaatst de leverancier de traplift, vult de checklist uit het Infoblad Trapliften op bestaande trappen om te controleren of de traplift voldoet aan de hierin opgenomen normen. 6.Er wordt geen goedkeuring gegeven als de traplift niet voldoet aan het Besluit Bouwwerken Leefomgeving in combinatie met het Infoblad Trapliften op bestaande trappen en deze met eenvoudige aanpassingen ook niet aan deze wettelijke eisen kan voldoen. In deze situatie gaan we opnieuw met de aanvrager in overleg. Hoofdstuk 8: Verhuiskostenvergoeding Artikel 26. Doelstelling 1.De gevolgen van beperkingen te verminderen of weg te nemen zodat de inwoner in een passende woonomgeving kan blijven functioneren. 2.Ieder in een zo geschikt mogelijke woning te laten wonen. 3.Zo efficiënt mogelijk omgaan met de woningvoorraad en de middelen. Wanneer er al een aangepaste of gelijkvloerse woning beschikbaar is, kan het ondoelmatig zijn om ook een andere woning aan te passen. Artikel 27. Wanneer is er sprake van een verhuiskostenvergoeding? Wanneer uit onderzoek blijkt dat er sprake is van het primaat van verhuizen, dan kan er een verhuiskostenvergoeding worden verstrekt. Met het primaat van verhuizen wordt bedoeld dat verhuizen een passende en goedkopere oplossing is dan het aanpassen van de woning. Er is sprake van het primaat van verhuizen wanneer: 1.De huidige noodzakelijke aanpassingen en/of de voorzienbare toekomstige aanpassingen, in de huidige woning van inwoner, meer bedragen dan € 3.000, -. 2.Het aanpassen van de huidige woning geen passende of mogelijke oplossing is. 3.Er sprake is van een medische noodzaak én verhuizen noodzakelijk is gebleken en mogelijk is. 4.Verhuizen de goedkoopst adequate oplossing is. Artikel 28. Aanvullende uitgangspunten bij een verhuiskostenvergoeding 1.Om te onderzoeken of verhuizen een passende oplossing kan zijn, worden de volgende factoren onderzocht: a.De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen binnen een straal van 25 kilometer vanaf de huidige woning; b.Kostenvergelijking tussen het aanpassen van de huidige woning en het verhuizen; c.Sociale omstandigheden; d.Medische omstandigheden; e.Afstemming met andere voorzieningen; f.Werksituatie; g.Verandering in woonlasten. We gaan bij een koopwoning uit van de WOZ-waarde; h.De woning moet binnen medische aanvaardbare termijn beschikbaar zijn met een maximum van 12 maanden. i.De wil van de inwoner om te verhuizen wordt wel meegewogen, maar is niet doorslaggevend; 2.De hoogte van de verhuiskostenvergoeding is maximaal € 3.000, -. 3.Een verhuiskostenvergoeding betreft een vergoeding voor de kosten van een verhuisbedrijf en/of noodzakelijke kosten voor aanvullende aanpassingen in de nieuwe woning. 4.Een inwoner mag ervoor kiezen om de verhuiskostenvergoeding te gebruiken als een financiële tegemoetkoming om de huidige woning aan te kunnen passen. Bijvoorbeeld door in plaats van te verhuizen toch de keuze te maken de financiële tegemoetkoming te gebruiken om een traplift te laten plaatsen. Eventuele meerkosten ook voor de toekomst die voorkomen hadden kunnen worden door te verhuizen zijn voor eigen rekening van de inwoner. Artikel 29. Aanvullende uitgangspunten bij een medische urgentie Een medische urgentie is geen maatwerkvoorziening op basis van de Wmo 2015. Het is een besluit welke gemaakt wordt op basis van de huisvestingsverordening. Met een medische urgentie krijgt een woningzoekende in bijzondere situaties voorrang bij het reageren op een woning bij de corporatie. 1.We spreken over een medische urgentie wanneer er recent sprake is van een onvoorzienbare medische situatie met fysieke beperkingen waardoor de inwoner geen passend gebruik meer kan maken van zijn eigen woning. 2.Proces: a.De woningzoekende doet een melding bij de gemeente waarna een consulent middels een gesprek in schat of de woningzoekende kans maakt op medische urgentie. De consulent draagt zorg voor een adviesbrief. Dit kan zowel een positief als een negatief advies zijn. b.De aanvrager dient de aanvraag tot urgentie samen met deze adviesbrief in bij de regionale urgentiecommissie. c.De regionale urgentiecommissie beoordeelt of er sprake is van een medische noodzaak en stuurt een beschikking naar de aanvrager. 3.Een inwoner met urgentie is verplicht zelf te reageren op geschikte woningen. 4.De urgentie is 12 maanden geldig. Als de inwoner binnen deze periode geen geschikte woning vindt, dan beoordeelt de woningcorporatie in overleg met de Wmo-consulent of de urgentie al dan niet verlengd wordt. Deze wordt enkel verlengd indien inwoner actief heeft gereageerd op geschikte woningen. Hoofdstuk 9: Mobiliteitsvoorzieningen Artikel 30. Doelstelling 1.Het vergoten van participatie en of zelfredzaamheid. 2.De inwoner kan zichzelf handmatig of elektrisch verplaatsen en of verplaatst worden over korte en middellange afstanden (tot maximaal 15 kilometer). 3.De inwoner kan veilige transfers maken naar andere faciliteiten zoals het bed of het toilet. 4.De inwoner kan zich veilig in en om de eigen woning verplaatsen. Artikel 31. Aanvullende uitgangspunten 1.Er is geen sprake van een compensatieplicht wanneer inzet van een mobiliteitsvoorziening enkel werkgerelateerd is. Dan is het UWV voorliggend op de Wmo. 2.Er is geen sprake van een compensatieplicht op basis van de Wmo 2015 wanneer inzet van een mobiliteitsvoorziening enkel een therapeutisch doel dient. 3.Handmatig aangedreven voorzieningen zijn voorliggend op elektrisch aangedreven voorzieningen. 4.Uit onderzoek blijkt of er sprake is van noodzakelijke elektrische ondersteuning. 5.Met de voorziening wordt rekening gehouden met de afhankelijkheid van een ander, of iemand zichzelf vervoert of dat iemand vervoerd wordt. 6.Met de voorziening wordt rekening gehouden met eventueel gebruik van andere voorzieningen, zoals: -Mobiliteitsvoorzieningen (tillift/ rolstoel); -Douchetoilet voorzieningen; -Omnibuzz. 7.Accessoires (zoals een boodschappenmand en een extra spiegel) worden enkel verstrekt wanneer deze noodzakelijk zijn om de beperkingen te kunnen opheffen. 8.Een elektrische rolstoel is voorliggend op het plaatsen van elektrische ondersteuning op een handmatige rolstoel. 9.Een driewielfiets zonder ondersteuning is voorliggend op een scootmobiel. 10.Een scootmobiel is voorliggend op een driewielfiets met ondersteuning. Artikel 32. Sportvoorzieningen Er kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt voor een sportvoorziening. Daarbij gelden de volgende voorwaarden: 1.De noodzakelijkheid van een sportvoorziening gaat uit van een aanvaardbare mate van participatie en het voor inwoner niet mogelijk is om zonder een sportvoorziening de desbetreffende sport uit te oefenen. 2.De aanvrager dient aan te tonen dat er gedurende langere tijd sprake is van een actieve sportbeoefening bij de betreffende sport. 3.De vergoeding voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 8.400 euro en wordt ten hoogste één keer per 7 jaar verstrekt. Deze financiële tegemoetkoming is bedoeld als bijdrage in de kosten voor zowel aanschaf, onderhoud en eventuele verzekering. 4.Gedurende deze 7 jaar kan bij een hulpvraag voor aanpassing of vervanging van de sportvoorziening geen beroep worden gedaan op de Wmo. 5.Als een sportvoorziening een puur therapeutisch doel dient, dan geldt op grond van de Wmo 2015 geen compensatieplicht. 6.Als er sprake is van topsport of sporten op hoog niveau wordt er op grond van de Wmo 2015 geen extra toeslag gegeven. Er wordt bij de beoordeling uitgegaan van reguliere sportdeelname. Hoofdstuk 10: Collectief vraagafhankelijke vervoer/Omnibuzz Artikel 33. Doelstelling Collectief vraagafhankelijk (CVV) vervoer is een vorm van openbaar vervoer speciaal gericht op mensen met beperkingen. Het doel is het bereiken van sociale doeleinden. Artikel 34. Aanvullende uitgangspunten 1.CVV is niet bedoeld voor incidenteel gebruik. Jaarlijks kan het gebruik van CVV getoetst worden. 2.Bij een verlenging kan de voorziening voor langdurige tijd geïndiceerd worden als er vanuit onderzoek voor herindicering is gebleken dat de vervoersvoorziening structureel en langdurig noodzakelijk is. 3.Een CVV-indicatie wordt afgegeven voor maximaal 590 zones of 1.500 kilometer op jaarbasis, tenzij uit onderzoek blijkt dat het aantal zones of kilometers niet toereikend is om voldoende te kunnen participeren. 4.CVV is niet bedoeld voor ziekenhuisbezoek; er kan een uitzondering gemaakt worden wanneer een inwoner kan aantonen dat alle andere mogelijke oplossingen niet structureel passend zijn voor ziekenhuisbezoek. Hoofdstuk 11: Persoonsgebonden budget (pgb) Voor het verkrijgen van een pgb dient er voldaan te worden aan een aantal voorwaarden. De voorwaarden zijn vastgesteld in de wet. Hieronder wordt toegelicht hoe we deze voorwaarden toetsen en beoordelen. Artikel 35. Persoonsgebonden budget (pgb) voor diensten Diensten: zoals bijvoorbeeld begeleiding, dagbesteding en huishoudelijke hulp. 1.Voor verstrekking van een pgb wordt het volgende onderzocht: a.De motivatie om te kiezen voor een pgb. b.De pgb-vaardigheid van inwoner of eventuele budgethouder. Dit kan worden getoetst met een gesprek of inzet van onafhankelijk medisch onderzoek. c.Door wie de dienst wordt geleverd. Het is verplicht gebruik te maken van de bestaande SVB - overeenkomsten. d.Op welke wijze de kwaliteit wordt gewaarborgd. Voor de invulling van een pgb worden dezelfde kwaliteitseisen gesteld zoals deze ook gesteld zouden zijn binnen Zorg In Natura. e.Wat de kosten zijn voor de dienstverlening. 2.Wanneer het pgb wordt beheerd en de belangen worden behartigd door iemand uit het sociaal netwerk, dan kan er gevraagd worden om een schriftelijke bevestiging van gewaarborgde hulp of een wettelijk vertegenwoordiger. 3.Wanneer het pgb wordt beheerd en de belangen worden behartigd door iemand uit het sociaal netwerk, dan spreken we van een budgethouder. Hierbij dient er rekening te worden gehouden met: a.Hulpverlening en budgethouder mogen niet door 1 hand worden georganiseerd. b.Er mag geen sprake zijn van een nauwe relatie tussen uitvoerder en budgethouder. c.De budgethouder dient in ieder geval onafhankelijk, aanwezig en bereikbaar te zijn. d.De budgethouder overziet de eigen situatie, dan wel die van de zorgvrager en heeft een duidelijk beeld van de zorgvraag. e.De budgethouder is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij een pgb of weet deze zelf bij de desbetreffende instanties te vinden. f.Het is niet mogelijk om budgethouder te zijn als iemand onder bewind staat of een indicatie voor een begeleidingstraject via de gemeente ontvangt. 4.Er vindt beoordeling plaats van een opgesteld plan door inwoner en/of budgethouder, eventueel in samenwerking met diegene die de dienst gaat leveren. Dit plan dient de volgende motivering te bevatten: a.Op welke wijze een pgb leidt tot het bereiken van de voor inwoner gewenste doelen en resultaten. b.Welke vorm van ondersteuning passend is met het bijbehorend tarief. c.Hoe de inwoner, op eigen kracht of met zijn vertegenwoordiger, de bij een pgb horende taken en verplichtingen uit kan voeren. 5.Inwoner en/of budgethouder dient, indien gevraagd, de pgb-administratie te verstrekken aan het college. 6.De hoogte van het pgb voor formele hulp is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 7.De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimumloon, vermeerderd met vakantietoeslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien er sprake is van een arbeidsovereenkomst wordt dit minimumloon daarnaast nog vermeerder met werkgeverslasten. 8.Het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd. Artikel 36. Persoonsgebonden budget (pgb) voor de aankoop van voorzieningen 1.Voor verstrekking van een pgb wordt het volgende onderzocht: a.De motivatie om te kiezen voor een pgb. b.De beoogde voorziening die inwoner wenst aan te schaffen. c.Het doel van de beoogde voorziening. Betreft het doel compensatie van de beperkingen zoals wordt bedoeld met een passende maatwerkvoorziening? d.Op welke wijze er wordt voorzien in onderhoud en verzekering. e.Op welke wijze de voorziening wordt gestald. 2.Wat betreft de aankoop van de desbetreffende voorziening maakt het college per toekenning een berekening. Daarbij moet het bedrag voldoende zijn een voorziening aan te schaffen vergelijkbaar met de natura voorziening inclusief voor de gemeente geldende korting. De aangeschafte voorziening dient de bestaande problemen voldoende te compenseren. 3.Het volledige bedrag aan pgb dient verantwoord te worden. Er wordt geen verantwoordingsvrij bedrag gehanteerd. 4.De hoogte van het pgb wordt als volgt vastgesteld: a.Het pgb-bedrag voor voorzieningen is toereikend en vergelijkbaar met de natura voorziening, inclusief voor de gemeente geldende korting. -Als er sprake is van een naturavoorziening via een gecontracteerde aanbieder wordt er eenmalig een toets gedaan of er op het betreffende moment een herverstrekkingsmiddel aanwezig is, of dat er sprake is van een nieuw in te kopen voorziening. -Als het gaat om een voorziening waarvoor geen aanbieders gecontracteerd zijn, moet inwoner een offerte aanleveren welke goedgekeurd dient te worden door het college. b.Wanneer de door inwoner gewenste voorziening wel adequaat maar duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod dient inwoner de extra of meerkosten zelf te betalen. c.De belanghebbende dient een factuur aan te leveren van de door hem betaalde kosten. 5.Naast het bedrag voor de aanschaf van de voorziening kan een inwoner ook recht hebben op een bijdrage in de kosten voor onderhoud en verzekering. Deze wordt berekend op basis van de vergelijkbare kosten bij verstrekking van een voorziening in natura en geldt voor de looptijd van het pgb. 6.De bijdrage in onderhoudskosten wordt enkel uitbetaald indien inwoner een factuur overlegt tot het maximale vastgesteld bedrag per jaar. 7.Een pgb voor een auto-aanpassing is gelijk aan de door het college geaccepteerde offerte. Er moeten minimaal twee offertes ter beoordeling worden overlegd.8.Een pgb voor de aankoop van een voorziening wordt geacht in ieder geval toereikend te zijn voor een periode overeenkomend met de afschrijvingstermijn die van toepassing is op de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening. 9.Afschrijvingstermijnen: a.Scootmobiel, rolstoel (handbewogen en elektrisch), fietsen en tilliften: 7 jaar. b.Autoaanpassing: 5 jaar. c.Traplift: 10 jaar. d.Spoelföhn installatie: 10 jaar. 10.Het verstrijken van de afschrijvingstermijn betekent niet automatisch dat recht bestaat op een nieuwe voorziening. In zulke situaties zal altijd beoordeeld worden of de oude voorziening nog bruikbaar is en een passende bijdrage kan leveren aan de zelfredzaamheid en participatie. 11.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken en teruggevorderd als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel 37. Persoonsgebonden budget (pgb) voor de realisatie van een woningaanpassing 1.Bouwkundige en/of woontechnische voorzieningen aan de eigen woning worden op basis van een kostenraming door het college aangewezen bouwkundige vastgesteld. De hoogte van het pgb is gelijk aan het bedrag van de goedkoopste door het college geaccepteerde offerte. 2.De inwoner moet minimaal 2 offertes overhandigen van gecertificeerde bouwbedrijven voor het aanvragen van een pgb bij een woningaanpassing. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken en teruggevorderd als blijkt dat het pgb binnen 12 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Voor een bouwkundige en/of woontechnische voorziening (betreft keuken, tegels, sanitair en natte cel) geldt een afschrijvingstermijn van 25 jaar. Artikel 38. Regels voor financiële tegemoetkoming Het college kan aan een inwoner een financiële tegemoetkoming verstrekken. Een financiële tegemoetkoming hoeft anders dan bij een pgb niet toereikend te zijn om de maatwerkvoorziening of dienst in zijn geheel in te kopen. De regels over maatwerkvoorziening en in het bijzonder de regels over pgb’s zijn van overeenkomstige toepassing op de financiële tegemoetkoming. Het college kan een tegemoetkoming verstrekken in geval van: 1.Een vervoersvoorziening ten hoogte van de kosten van het collectief vervoer. 2.Een financiële ondersteuning voor de maaltijden van de open inloop met een maximum tot drie dagen per week. 3.Een verhuiskostenvergoeding. Hoofdstuk 12: Financiële paragraaf Artikel 39. Tarieven maatwerkvoorziening Onderstaande tarieven zijn vastgesteld voor 2026 en worden jaarlijks geïndexeerd. De laatste tarieven zijn ten alle tijden terug te vinden op: -De website van de MGR Externe link: Home | MGR Sociaal Domein Limburg Noord (sociaaldomein-limburgnoord.nl) -De website van Omnibuzz Externe link: Home - Omnibuzz, maatwerk in vervoer 1.Voor de maatwerkvoorzieningen gelden de volgende tarieven (vanaf 1-1-2026): a.Hulp in het huishouden Alphatrots € 40,54 per uur; b.Hulp in het huishouden segment 3A trajecttarief € 4663,54 per jaar; c.Begeleiding segment 1A trajecttarief € 11602,99 per jaar; d.Begeleiding segment 1B trajecttarief € 4292,27 per 8 maanden; e.Begeleiding segment 2A trajecttarief € 7584,94 per jaar; f.Begeleiding segment 2B trajecttarief € 8353,59 per jaar; g.Vervoer naar de dagbesteding – eigen vervoer € 161,25 per maand; h.Vervoer naar de dagbesteding – gecontracteerd vervoer € 161,25 per maand; i.Vervoer naar de dagbesteding – rolstoel vervoer € 190,93 per maand; j.Logeren € 211,91 per etmaal; k.Collectief Vraagafhankelijk vervoer: - 2026-2027: De hoogte van de bijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (Omnibuzz) is gelijk aan het OV-tarief. Het actuele tarief wordt kenbaar gemaakt op de website van Omnibzz. De tarieven bestaan in 206 en 2027 uit een prijs per zone plus een opstaptarief (een extra zone) De inwoner betaalt deze bijdrage aan de vervoerder.Prijs per zone € 3,02. Aandeel inwoner per zone € 0,94. - 2028 en verder: De hoogte van de bijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer is gelijk aan het OV-tarief. Het actuele tarief wordt kenbaar gemaakt op de website van Omnibuzz. De tarieven bestaan vanaf 1-1-2028 uit een prijs per kilometer plus een opstaptarief. Hoofdstuk 13: Eigen bijdrage Artikel 40. Eigen bijdrage 1.Inwoner is een eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de inwoner van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2.De bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of pgb is gelijk aan de kostprijs tot aan € 21,80 per maand, tenzij er geen eigen bijdrage verschuldigd is. 3.Wettelijk is geregeld dat het CAK (Centraal Administratie Kantoor) de eigen bijdrage vaststelt, oplegt en int. Vervolgens vindt afdracht aan de gemeente plaats. Hoofdstuk 14: Slotbepalingen Artikel 41. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 42. Inwerkingtreding, intrekking en citeertitel 1.Deze beleidsregel halen we aan als “Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2026”.2.Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking.3.De ‘Gemeente Beesel Nadere Regels Wmo 2021’ vastgesteld op 29 juni 2021, trekken we in op de datum genoemd in lid 2. Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beesel in zijn vergadering van 14 juli 2026. Rick Nillesen,secretaris Martijn Derksburgemeester
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio
Meer meldingen zoals "Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2026"

Bestemmingsplan
Ontwerpbesluit wijziging werkingsgebieden verlegging monding Milse Beeck in de gemeente Gennep

Bestemmingsplan
Kennisgeving ontwerpbesluit wijziging werkingsgebieden herinrichting Groote Molenbeek en Het Vondere te Horst aan de Maas

Omgeving
Besluit op omgevingsvergunning, Ruitershof 1 t/m 10, 5953TZ Reuver

Evenementen
Besluit op Evenementenvergunning, Caecilia rondgang

Mededelingen
Voornemen subsidieverlening aan Stichting Voedselbank Midden-Limburg

Mededelingen
Voornemen subsidieverlening aan Stichting Vluchtelingenwerk Nederland

APV
Algemene subsidieverordening Venlo

Mededelingen
Voornemen subsidieverlening aan Stichting Slachtofferhulp Nederland

Mededelingen
Voornemen subsidieverlening aan Stichting Leergeld Beesel

Mededelingen
Voornemen subsidieverlening aan Stichting Kledingbank Limburg

Mededelingen
Beleidsregels Maatschappelijke Ondersteuning gemeente Beesel 2026

Bestemmingsplan
Ontwerpbesluit wijziging werkingsgebieden herinrichting Groote Molenbeek en Het Vondere te Horst aan de Maas

