Beleidsregels salderen Gelderland 2026

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

Mededelingen

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-07-17

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Provincie Gelderland

Informatie

Besluit wijziging Beleidsregels salderen Gelderland 2026 Gedeputeerde Staten van Gelderland In hun vergadering van 21 april 2026 inzake zaaknummer 2026-000291 Gelet op artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 2.18, eerste lid, onder g, 2.46 en 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet en 3.59, aanhef en onder a en b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; Overwegende dat Gedeputeerde Staten op 27 januari 2026 de Beleidsregels salderen Gelderland 2026 hebben vastgesteld; Overwegende dat de toelichting bij de voorheen geldende beleidsregels niet overeenkwamen met de beleidsregels en dat aanpassing noodzakelijk wordt geacht; Besluiten: Artikel I De toelichting op de beleidsregels te vervangen met de volgende toelichting: Toelichting Beleidsregel salderen Doel Het doel van deze beleidsregel1 is het verduidelijken van de voorwaarden voor het verlenen van natuurvergunningen door Gedeputeerde Staten waarbij stijging van stikstofdepositie wordt voorkomen. Grondslag beleidsregel Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid (artikel 4:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht). De natuurvergunningplicht uit artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is onder de Omgevingswet geïntegreerd in de regeling voor de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Ow is in beginsel het verboden om zonder een omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten.2 Achtergrond Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (ECLI:NL:RVS:2019:1603). Als gevolg van de uitspraak is de passende beoordeling die ten grondslag lag aan het PAS onbruikbaar geworden als basis voor toestemmingverlening. Bij het vervallen van het PAS is de vergunningverlening voor stikstofdeposities lastiger geworden en moet in de passende beoordeling vaak worden teruggevallen op het voorkomen van toename van depositie via intern of extern salderen. Waar het bij intern salderen gaat om salderen binnen de begrenzing van één project of locatie, is sprake van extern salderen wanneer wordt gesaldeerd met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie Met het vervallen van de verslechteringsvergunning in de Omgevingswet werd er van uit gegaan dat intern salderen niet langer vergunningplichtig was. Op 18 december 2024 heeft de Afdeling echter geoordeeld dat voor intern salderen ook natuurvergunning benodigd is omdat intern salderen een vorm van mitigatie is die moet plaats vinden in de passende beoordeling. Daarnaast mogen bedrijven niet langer stikstofruimte inzetten die structureel buiten gebruik is. Deze beleidsregel stelt voorwaarden aan het instrument intern en extern salderen, om te voorkomen dat toestemmingverlening voor nieuwe of gewijzigde initiatieven leidt tot een toename van de stikstofdepositie, en om te borgen dat een daling van stikstofdepositie wordt gerealiseerd. De beleidsregel wordt ingevoerd als passende maatregel in de zin van 3.59 Bkl. Deze beleidsregel wordt toegepast bij de beoordeling van aanvragen voor natuurvergunningen waarbij, onder andere, gebruik wordt gemaakt van salderen. Daarnaast gelden bij die beoordeling uiteraard ook andere regels en voorwaarden die uit de wet en jurisprudentie voortvloeien. Aan het eind van de toelichting is de belangrijkste jurisprudentie over extern salderen opgenomen. Salderen met structureel in gebruik zijnde ruimte Uitgangspunt is dat uitsluitend gesaldeerd mag worden met ruimte die niet structureel buiten gebruik is, tenzij er redenen zijn om hiervan gemotiveerd af te wijken. Zo wordt voorkomen dat het alsnog benutten van deze capaciteit leidt tot een feitelijke stijging van depositie. Figuur 1: Schematische weergave structureel buiten gebruik zijnde ruimte Stikstofdaling via salderen Op nationaal niveau is er sprake van een forse overbelasting met stikstof. Reductie van de stikstofdepositie is noodzakelijk om de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden te kunnen realiseren. Idealiter worden er geen maatregelen voor depositieverlaging gerealiseerd via vergunningverlening, maar gewenst is in dit geval om goede ontwikkelingen door te kunnen zetten en te kunnen stimuleren. Daarnaast maakt de verplichting het mogelijk om in heel Gelderland reductie te kunnen realiseren. Daarom is in deze beleidsregel bepaald dat bij salderen een feitelijke reductie op stikstofdepositie plaatsvindt. Zowel voor intern- als voor extern salderen zijn hiervoor regels opgenomen. De wijziging van de beleidsregel van juli 2025 beoogt na de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 om wijzigingen van projecten die een significant positief effect hebben voor de natuur te stimuleren. Uit de uitspraak van de Afdeling van mei 2025 blijkt dat het mogelijk is om beleid te maken over reductiepercentages. Intern salderen Projecten met een depositie op een Natura 2000-gebied die een minimale reductie van 35% kunnen realiseren en daarmee de depositie op Natura 2000-gebieden met een nee-tenzij verbieden verlagen, kunnen met deze regels een nieuwe vergunning krijgen. Dit is noodzakelijk, als deze projecten namelijk géén vergunning krijgen, blijft onnodig hogere stikstofdepositie plaatsvinden. In alle gevallen wordt bij een nieuwe vergunning in elk geval eerst de ruimte die structureel buiten gebruik is uit de vergunning gehaald. Dit betekent dat ook bij het berekenen van de reductie, de ruimte die structureel buiten gebruik is niet mee mag tellen. Afroming bij extern salderen Afroming is noodzakelijk om feitelijke depositiestijgingen te voorkomen. Daarom is in deze beleidsregel bepaald dat de saldo-ontvanger bij extern salderen maximaal 70% van de verkregen stikstofdepositie kan benutten. Verder is in deze beleidsregel bepaald dat de saldo-ontvanger bij extern salderen met depositie op een Natura 2000-gebied met een nee-tenzij oordeel, maximaal 35% van de verkregen stikstofdepositie kan benutten. Dat betekent voor een saldogever het volgende: 35% reductie ten behoeve van de natuur en de andere 30% voorkomt (zoals landelijk afgesproken) een feitelijke depositiestijging door gebruik van latente ruimte en ondervangt meetonzekerheden. Daarnaast valt bij extern salderen altijd ruimte vrij, omdat saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Deze vrijvallende ruimte kan worden vastgelegd in de stikstofbank en kan worden ingezet om in de nabije toekomst nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken door vergunningverlening. Depositiedaling wordt met name bereikt door generieke bronmaatregelen2, landelijke beëindigingsregeling en de Versnellingsaanpak Stikstof. Daarnaast wordt op dit moment ook de Aanpak Veluwe uitgewerkt. Jurisprudentie salderen In jurisprudentie is gedetailleerd uitgewerkt welke voorwaarden gelden in geval van externe saldering. Initiatieven die een beroep doen op deze beleidsregel moeten, naast de voorwaarden die in deze beleidsregel zijn opgenomen, ook voldoen aan de voorwaarden uit de jurisprudentie voor externe saldering. Gedeputeerde Staten toetsen dus aan de jurisprudentie en ook aan eventuele jurisprudentie die zich op dit vlak ontwikkelt na inwerkingtreding van deze beleidsregel. De voornaamste voorwaarden die in de jurisprudentie zijn ontwikkeld met betrekking tot salderen zijn, samengevat: •Een milieuvergunning die is verleend en is ingetrokken voordat artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied waarop het bedrijf stikstofdepositie veroorzaakt (de Europese referentiedatum), kan niet voor externe saldering worden gebruikt (ABRvS 18 april 2012, zaaknummer 201003985/1/A4). •Mitigatie in de vorm van externe saldering is slechts mogelijk als er directe samenhang bestaat tussen de intrekking van de milieuvergunning en de verlening van de natuurvergunning. Die directe samenhang wordt aangenomen als de vergunning voor het bedrijf van de saldogever daadwerkelijk is of zal worden ingetrokken ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf van de saldo-ontvanger. Dit kan blijken uit het intrekkingsbesluit of uit een overeenkomst tussen het bedrijf van de saldogever en het bedrijf van de saldo-ontvanger over de overname van het stikstofdepositiesaldo van de in te trekken toestemming. •Verder dient vast te staan dat de bedrijfsvoering van het bedrijf van de saldogever daadwerkelijk is of wordt beëindigd (ABRvS van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2). •Wanneer een natuurvergunning wordt verleend met een uitgestelde inwerkingtreding tot het moment waarop de intrekking van het toestemmingsbesluit van de activiteit van de saldogever onherroepelijk is, kan eveneens de samenhang worden geborgd (vgl. ABRvS 29 juni 2016 ECLI:NL:RVS:2016:1818 en ECLI:NL:RVS:2016:1819). •Externe saldering kan alleen met stikstofdeposities die waren vergund op de Europese referentiedatum en die ook nog aanwezig waren of konden zijn tot het moment van intrekking van de toestemming of het sluiten van de overeenkomst. Dat is het geval als de hervatting van het bedrijf mogelijk is zonder dat daarvoor een natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist (ABRvS van 13 november 2013, zaaknummers 201303243/1/R2, 201303324/1/R2, 201303514/1/R2 en 201303816/1/R2). •Het voorkomen dat dezelfde emissierechten tegelijkertijd op twee bedrijven worden gebruikt, maar ook dat enige tijd in het geheel geen gebruik kan worden gemaakt van een saldo, kan volgens de Afdeling bij wijze van voorbeeld als volgt worden gerealiseerd. De vergunning voor de saldo-ontvanger wordt pas verleend nadat het daarvoor benodigde intrekkingsbesluit onherroepelijk is geworden. Om te voorkomen dat er een periode ontstaat waarin noch de saldo-ontvanger, noch de saldogever gebruik kan maken van het saldo, kan in het intrekkingsbesluit worden bepaald dat dat besluit pas werking verkrijgt zodra de vergunning van kracht is geworden (ABRvS van 29 juni 2016, zaaknummer 201502440/1/R2). •De Afdeling is van oordeel dat dubbele inzet van stikstofdepositie is uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat (i) op 1 juli 2015 geen stikstofdepositie meer veroorzaakte of (ii) op 1 juli 2018 nog stikstofdepositie veroorzaakte, of (iii) binnen één kilometer afstand van een Natura 2000-gebied staat. Dubbele inzet van deposities is niet uitgesloten als extern gesaldeerd wordt met een bedrijf dat feitelijk is beëindigd in de periode 1 juli 2015 - 1 juli 2018 (ABRvS van 29 mei 2019, zaaknummer 201506170/2). •De Afdeling is van oordeel dat voor intern salderen met een natuurtoestemming een nieuwe natuurvergunning nodig is. Daarnaast mogen bedrijven niet langer stikstofruimte inzetten die eerder was vergund, maar nooit feitelijk is gebruikt. Verder moet intern salderen als mitigerende maatregel orden beschouwd, waardoor het gehele project moet worden getoetst aan de additionaliteitseis. (ABRvS van 18 december 2024, zaaknummer 202201311/1 (Rendac) en met zaaknummer 202200383/1 (Amercentrale)). Hardheidsclausule Gedeputeerde Staten wijken, in overeenstemming met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, in individuele gevallen van deze beleidsregels af, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen en de afwijking zo min mogelijk afbreuk doet aan het doel om N-depositie te reduceren of als het de afwijking in een specifiek geval niet toereikend is voor of in de weg staat aan het bereiken van het oogmerk waarmee die regel is gesteld. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Begripsbepalingen Sub c (extern salderen) Bij extern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op verschillende locaties plaats. Het gaat hierbij om verschillende projecten of plannen. Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling en voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Sub e (intern salderen) Bij intern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op dezelfde locaties plaat. Daarbij wordt een bestaande activiteit volledig of deels vervangen door een nieuwe activiteit. Interne saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling en voldoen aan het additionaliteitsvereiste. Sub f (microdepositiebank) Binnen de stikstofbank betreft de microdepositiebank een voorziening van de provincies die erop is gericht om stikstofdepositieruimte aan natuurvergunningen te kunnen toedelen. De stikstofdepositieruimte in deze microdepositiebank is afkomstig van vrijgevallen ruimte. Daarnaast kunnen de verschillende bevoegde gezagen de microdepositiebank vullen met vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. Als Gedeputeerde Staten een aanvraag om een natuurvergunning ontvangen waarin de aanvrager verzoekt om toedelen van stikstofdepositieruimte uit deze bank, beoordelen zij of de microdepositiebank daarvoor de ruimte biedt. Deze beoordeling staat los van de vraag welk bevoegd gezag de betrokken natuurvergunning heeft verleend waarbij stikstofdepositieruimte is vrijgevallen, of welk bevoegd gezag vrijgemaakte ruimte heeft ingebracht. Er is in zoverre sprake van een collectieve voorziening. Sub j (referentiesituatie) De referentiesituatie wordt bepaald in samenhang met het begrip ‘toestemming’ en de Europese referentiedatum. Bij gebrek aan een natuurvergunning is een toestemming op de Europese referentiedatum het uitgangspunt voor het bepalen van de referentiesituatie. In de jurisprudentie is echter bepaald dat als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt, die lagere depositie de uitgangssituatie is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een op de referentiedatum geldende toestemming nadien is vervangen door een milieuvergunning3. De Europese referentiedata volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en vaste jurisprudentie en zijn als volgt: 1.voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn: -7 december 2004; of -de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004; 2.voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn: -10 juni 1994; of -de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994. Een complete lijst van de te hanteren referentiedata per Natura 2000-gebied is te vinden op de website van BIJ12. Een toestemming is verleend voor een bepaalde activiteit (die een bepaalde stikstofemissie en stikstofdepositie tot gevolg heeft) en niet voor een bepaalde hoeveelheid stikstofemissie of stikstofdepositie. Bij het berekenen van de depositie in de referentiesituatie moet altijd worden uitgegaan van actuele kengetallen. Sub l (relevant hexagoon) De marge van 70 mol/ha/jaar ten opzichte van de kritische depositiewaarde komt ongeveer overeen met 1 kg N/ha/jaar. De hexagonen waarbij de Kritische Depositie Waarde wordt benaderd, maar niet is overschreden, worden meegenomen bij de berekeningen. Dit om een overschrijding in de toekomst te voorkomen en om aan te sluiten bij het voorzorgsprincipe uit de Habitatrichtlijn. Sub r (SSRS-bank) De SSRS-bank is een landsdekkend stikstofregistratiesysteem dat het mogelijk maakt om depositietoenames door voorgenomen projecten te salderen. In het systeem kunnen Gedeputeerde Staten stikstofdepositieruimte opnemen (vulling) die zowel uit vrijgemaakte als uit vrijgevallen ruimte kan bestaan. Sub t (stikstofdepositieruimte) Het in de stikstofbank opnemen van stikstofdepositieruimte vereist een berekening met AERIUS Calculator. Gedeputeerde Staten gaan daarbij uit van de op dat moment meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. Sub u (stikstofemissie) Bij de term ‘stikstofverbinding’ gaat het om zogenoemd reactief stikstof. Hieronder vallen onder andere stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en ureum. Stikstofgas (N2), waaruit het grootste deel van onze lucht bestaat is inert en valt hier daarom niet onder. Sub v (toestemming) Waar in deze begripsbepaling verwezen wordt naar de voormalige Wet natuurbescherming, wordt verwezen naar de wet zoals die luidde voor het moment van het in werking treden van de Omgevingswet. 3°. Onder activiteiten die voldoen aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming vallen onder andere tracébesluiten en kavelbesluiten in de zin van de Wet windenergie op zee. Hiervoor geldt een vrijstelling van de vergunningplicht op grond van de Wet, maar is wel een passende beoordeling gemaakt. 4°.Een toestemming kan ook zijn een toestemming naar nationaal recht die is verleend voordat de Habitatrichtlijn in werking trad voor het betrokken gebied. Uit jurisprudentie blijkt dat ook dat een toestemming op grond van algemene regelgeving de betrokken toestemming kan zijn.4 Logischerwijs mogen dergelijke activiteiten betrokken worden bij salderen. Om als referentiesituatie te kunnen dienen, is uiteraard wel van belang dat het project ongewijzigd is voortgezet en de toegestane depositie niet is beperkt. Sub w (verleasen) Verleasen is alleen mogelijk bij een tijdelijke stikstofdepositie. Daarin onderscheidt verleasen zich van regulier extern salderen. Sub z (vrijgemaakte stikstofdepositieruimte) Vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kan worden gebruikt voor het mogelijk maken van maatschappelijke en economische ontwikkelingen. Met saldering via de stikstofbank (te weten via de daarin opgenomen microdepositiebank dan wel via daarin opgenomen doelgebonden depositiebanken) wordt hetzelfde beoogd als met extern salderen: een toename van stikstofdepositie van een project wordt gesaldeerd met een afname van stikstofdepositie, bijvoorbeeld door een ingetrokken toestemming. Extern salderen en salderen via de stikstofbank zijn binnen de Ow-vergunningverlening beide te duiden als een maatregel ter mitigatie van de effecten van het project. De wijze waarop het benodigde saldo wordt verkregen verschilt echter. In de stikstofbank wordt bijvoorbeeld niet gesaldeerd met het intrekken van toestemmingen, maar met de door die intrekking vrijgemaakte stikstofdepositieruimte. De relevante eisen uit artikel 6 (extern salderen) worden toegepast op de stikstofdepositieruimte die in de stikstofbank wordt opgenomen. Hieronder vallen bijvoorbeeld de eis dat deze maatregelen niet noodzakelijk zijn in het kader van artikel 6, tweede lid, (het zogenaamde additionaliteitsvereiste) van de Habitatrichtlijn en het afromingsvereiste van (tenminste) 30%. Sub aa (vrijgevallen stikstofdepositieruimte) Vrijgevallen stikstofdepositieruimte is ruimte die ‘vrijvalt’ bij extern salderen. Aangezien saldogever en saldo-ontvanger zich niet op exact dezelfde locatie bevinden ten opzichte van stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden, kan extern salderen ertoe leiden dat op bepaalde hexagonen meer gesaldeerd wordt dan nodig is. Het eindresultaat, de aan de saldo-ontvanger verleende natuurvergunning, is bepalend voor de hoeveelheid overblijvende ruimte. Die (na afroming met 30% bij externe saldering) overblijvende ruimte valt toe aan de microdepositiebank. Dit is bijvoorbeeld het geval als Gedeputeerde Staten met behulp van artikel 6 van deze Beleidsregel een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit hebben verleend. Gedeputeerde Staten bepalen de vrijgevallen ruimte aan de hand van de verleende natuurvergunning en de AERIUS verschilberekeningen die daarvan onderdeel uitmaken. Artikel 3 Natuurvergunningen Bij een aanvraag om een natuurvergunning kunnen verschillende maatregelen worden ingezet waarmee zekerheid wordt verkregen dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet worden aangetast. Om potentiële effecten te mitigeren kan gebruik worden gemaakt van salderen. Ook is het mogelijk dat salderen gecombineerd wordt met een ecologische beoordeling of een ADC-toets. In alle gevallen waarbij salderen onderdeel uitmaakt van de aanvraag, is deze beleidsregel van toepassing. In aanvragen waarbij meerdere instrumenten in combinatie met elkaar worden toegepast, kan het voorkomen dat na toepassen van salderen (intern, extern of een combinatie van intern en extern) nog op een aantal hexagonen een toename van de depositie optreedt. Er kan dan aanvullend een ecologische passende beoordeling of ADC-toets uitgevoerd worden. Artikel 4 Rekenmodel Lid 1: Conform artikel 4.15, tweede lid van de Regeling, dient AERIUS Calculator gebruikt te worden als rekenmodel. Indien binnen het project sprake is van meerdere berekeningen, dient hiervoor dezelfde en meest recente AERIUS versie te worden gehanteerd. De meest recente versie wordt tevens gebruikt tijdens de beoordeling van de aanvraag. Artikel 5 Intern Salderen Lid 1: Er mag alleen stikstofemissie uit de referentiesituatie worden ingezet voor intern salderen voor zover er geen sprake is van onderdelen die structureel buiten gebruik zijn. Of gebouwen, infrastructuur, installaties of overige voorzieningen die nodig zijn voor het uitvoeren van een activiteit daadwerkelijk zijn gerealiseerd en gebruikt, kan worden aangetoond met bijvoorbeeld luchtfoto’s, foto’s, of betaalde rekeningen. Aanwijzing voor structureel buiten gebruik zou kunnen zijn het nodig hebben van een nieuwe omgevingsvergunning, niet zijnde een natuurvergunning. Onder ‘overige voorzieningen’ worden bijvoorbeeld terreinen die zijn ingericht voor op- en overslag gerekend. Afwegingskaders structureel buiten gebruik; Toetsing of een onderdeel structureel buiten gebruik is vraagt om een casuïstische beoordeling. Zodra is vastgesteld dat een onderdeel feitelijk buiten gebruik is, zal worden beoordeeld of dit ook structureel buiten gebruik is op basis van onderstaande afwegingskaders. Er is sprake van structureel buiten gebruik in de volgende gevallen: 1.Wanneer een onderdeel niet feitelijk aanwezig is kan deze ook niet in gebruik zijn en is daarmee structureel buiten gebruik gesteld. Vooral bij bouwwerken en onderdelen die installatie vereisen voor in gebruik is dit met name van toepassing. Bij onderdelen die te verplaatsen zijn zoals kalver iglo’s is die conclusie mogelijk niet juist. Beoordeling per project zal steeds zorgvuldig plaats moeten vinden. 2.Wanneer alle andere noodzakelijke vergunningen dan de natuurvergunning, niet (meer) aanwezig zijn om het onderdeel in gebruik te kunnen nemen, wordt deze als structureel buiten gebruik beschouwd. Een activiteit wordt bijvoorbeeld als structureel buiten gebruik beschouwd wanneer een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit nodig is om het onderdeel in gebruik te kunnen nemen zoals vergund. 3.Wanneer het onderdeel feitelijk niet in gebruik is zoals vergund en daarvoor zodanig is aangepast in functie en emissiekenmerken (ook als deze zijn verwijderd) dat het gebruik zoals vergund daarmee niet meer mogelijk is. 4.Wanneer de capaciteit van een onderdeel onvolledig is benut of langdurig onderbroken is (geweest), kan deze als structureel buiten gebruik beschouwd worden. Dit geldt dus niet voor normale bedrijfsfluctuaties tussen de 80% tot 100%. Bij het beoordelen of er bij onbenutte capaciteit sprake is van structureel buiten gebruik gaat het om activiteiten die gedurende een aaneengesloten periode van meer dan drie jaar niet hebben plaatsgevonden. Let op: Bij activiteiten waarvoor een natuurvergunning vereist is, kan een uitzondering gelden. Indien het feitelijk buiten gebruik stellen (0% benutting van de capaciteit) het gevolg is van overmacht, of wanneer binnen de genoemde periode aantoonbaar en actief is gewerkt aan het hervatten van de activiteit, kan dit leiden tot een andere beoordeling. Enkele voorbeelden van overmacht (niet uitputtend): •Langdurige ziekte van de ondernemer; •Overbruggingsperiode voor bedrijfsopvolging (ingeval van ziekte of overlijden van de ondernemer); •Ziekte onder het vee; •Benodigde tijd in verband met omschakeling naar andere bedrijfsopzet of opstellen MER; •In het verleden intern gesaldeerd toen dit nog vergunningvrij was (op dat moment rechtmatig). De beoordeling wordt uitgevoerd op het project en de bijbehorende toestemming die wordt ingezet als salderingssituatie. Deze worden vergeleken met de situatie op het bedrijf/erf op een objectief peilbaar meetmoment. Hiervoor wordt in eerste instantie uitgegaan van het indienen van de vergunningaanvraag. Uitzondering hierop is als er aantoonbaar een ander objectief peilmoment heeft plaatsgevonden, zoals het sluiten van een salderingsovereenkomst of vastlegging in een beleidsdocument. Let op; In het geval dat de natuurtoestemming wordt ontleend aan een milieutoestemming uit het verleden, wordt de beoordeling of er sprake is van structureel buiten gebruik gebaseerd op de vigerende milieuvergunning/-melding. Dit is niet altijd de referentie milieutoestemming. Er mag alleen stikstofemissie worden ingezet voor intern salderen voor zover er geen sprake is van onderdelen die structureel buiten gebruik zijn. Hiermee is de lijn van de Afdeling ook doorgetrokken naar natuurvergunningen. Dit is gedaan om latente ruimte uit de vergunningen te krijgen en om te zorgen dat er een feitelijke reductie optreedt. Dit betekent ook dat voor situaties met een natuurtoestemming die structureel buiten gebruik zijn, niet alsnog een referentiesituatie gebruikt mag worden als de vergunde activiteit zonder natuurtoestemming kan worden hervat. Of gebouwen, infrastructuur, installaties of overige voorzieningen die nodig zijn voor het uitvoeren van een activiteit daadwerkelijk zijn gerealiseerd en gebruikt, kan worden aangetoond met bijvoorbeeld luchtfoto’s, foto’s, of betaalde rekeningen. Aanwijzing dat onderdelen structureel buiten gebruik zijn, zou kunnen zijn het nodig hebben van een nieuwe omgevingsvergunning, niet zijnde een natuurvergunning. Onder ‘overige voorzieningen’ worden bijvoorbeeld terreinen die zijn ingericht voor op- en overslag gerekend. Lid 2: Initiatiefnemer moet bij het indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteit aantonen dat er voldaan wordt aan deze beleidsregel. Voor het peilmoment voor het bepalen of er sprake is van onderdelen die structureel buiten gebruik zijn wordt daarom in de regel uit gegaan van de aanvraag. Uitzondering hierop is als er aantoonbaar een ander objectief peilmoment is geweest. Hierbij kan gedacht worden aan: •het sluiten van een salderingsovereenkomst; •het sluiten van een koopovereenkomst tussen saldogever en saldonemer; •het vaststellen van landelijk of provinciaal beleid waarin een nieuwe peildatum wordt vastgesteld; •indien de beëindiging van de stikstofemissie veroorzakende activiteit uit de referentiesituatie aantoonbaar rechtstreeks verband hield met het voornemen voor de nieuwe activiteit ten behoeve waarvan intern gesaldeerd wordt, bijvoorbeeld in het kader van een ruimtelijke procedure. Lid 3: Bij intern salderen mogen alleen stikstof emitterende activiteiten betrokken of toegestaan worden die legaal zijn uitgevoerd en dus voldoen aan alle algemeen geldende regels die betrekking hebben op die activiteiten. Hiermee wordt voorkomen dat er gesaldeerd wordt met illegale activiteiten, bijvoorbeeld het houden van dieren in een huisvestingssysteem dat niet is toegestaan. Voorbeelden hiervan zijn: •Paragraaf 4.82 van het Besluit activiteiten leefomgeving of algemeen geldende regels voor het houden van landbouwhuisdieren; •Dierenwelzijnseisen; •Milieu-eisen, waaronder emissie-eisen; •Activiteiten die niet langer zijn toegestaan, zoals de nertsenfokkerij; •Niet afgedekte mestopslagen; •Activiteiten die worden uitgevoerd in strijd met het omgevingsplan / de omgevingsverordening. Lid 4: In sommige gevallen is er geen natuurtoestemming in de referentiesituatie, omdat deze niet benodigd was om een activiteit uit te voeren (bijvoorbeeld omdat de activiteit op grond van algemene regels zonder besluit mag worden uitgevoerd). De feitelijke beëindiging van een dergelijke activiteit moet op een of andere manier geborgd zijn vóórdat de natuurvergunning voor het nieuwe of gewijzigde project in werking treedt. Om dit te borgen wordt een vergunningvoorschrift opgenomen waarin wordt bepaald dat een nieuwe activiteit niet mag worden uitgevoerd tenzij de oude activiteit permanent is gestaakt. In het geval de saldogevende en saldonemende activiteit gelijktijdig plaats zouden kunnen vinden, kan het bevoegd gezag daarnaast een maatwerkvoorschrift opleggen ten behoeve van het inperken van de saldogevende activiteit. Lid 5: Maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden of op termijn de natuurdoelen te halen (artikel 6, eerste en tweede lid Habitatrichtlijn) mogen niet ook worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, eerste en tweede lid Habitatrichtlijn, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning, mag niet worden gebruikt voor salderen. Inrichtingen die in het kader van bronmaatregelen voor het terugdringen van stikstofdepositie worden uitgekocht, vallen hier ook onder. Lid 6: Deze bedrijven zijn uitgezonderd omdat deze bedrijven worden uitgekocht met overheidsgeld en het niet wenselijk is dat deze bedrijven de volledige rechten behouden om intern te salderen, tenzij dit onderdeel uitmaakt van de regeling zelf. In de aanvraag mogen niet meer activiteiten betrokken worden voor interne saldering als dat toegestaan is in de betreffende opkoopregeling waarin de saldogever heeft deelgenomen. Dit geldt bijvoorbeeld voor deelnemers aan de Landelijke beëindigingsregeling veehouderij. Lid 7: Het vereiste uit het eerste lid, dat alleen intern gesaldeerd mag worden met depositieruimte van een activiteit waarvoor de gebouwen nog aanwezig zijn, kan in een aantal situaties een ongewenst en onbedoeld verzwarend effect hebben. In lid 7 is er een uitzondering gemaakt voor de situaties waarvoor wel een natuurvergunning is verleend, maar door omstandigheden het vergunde project nog niet (helemaal of gedeeltelijk) is gerealiseerd. Met deze regeling wordt beoogd ruimte te bieden voor inzet van het instrument van intern salderen wanneer ten tijde van de beëindiging van de saldo-gevende activiteit (en sloop van de bebouwing) een aantoonbaar voornemen bestond voor realisering van de nieuwe ontwikkeling. Daarbij is niet nodig dat er al een ontwerp-vergunningaanvraag voorlag. Een initiatiefnemer moet echter wel aantonen dat de beëindiging (en sloop) hebben plaatsgevonden met de intentie de nieuwe activiteit in de toekomst te realiseren, of dat er aantoonbare stappen zijn gezet om het vergunde project (al dan niet gewijzigd, waarvoor een nieuwe vergunning nodig zou zijn) uit te voeren. Ook is het mogelijk dat onomkeerbare significante investeringsverplichtingen zijn gedaan, zoals het aangaan van contractuele verplichtingen tot bouwactiviteiten of aankoop van materialen. De significantie van deze investeringsverplichtingen is afhankelijk van de omvang van de verplichting ten opzichte van de omvang van de totale realisatiekosten van de Natura 2000-activiteit. Voor zowel de aantoonbare stappen met oog op volledige realisatie als de onomkeerbare significante investeringsverplichtingen geldt een termijn van 3 jaar na het verlenen van de laatste natuurvergunning. Hiermee wordt een afdoende termijn gegeven om tot realisatie over te gaan. Lid 8: Dit artikel is toegevoegd om initiatiefnemers die een reductie willen realiseren niet in de weg te staan. Voor de Natura 2000-gebieden is het noodzakelijk dat innovatie en reductie gestimuleerd worden. Indien dat niet mogelijk is, blijven onnodig vervuilendere technieken bestaan, met een hogere stikstofdepositie tot gevolg. Om te zorgen dat in Gelderland de deposities in het totaal omlaag gaan, is gekozen om initiatiefnemers die een substantiële reductie op de habitats in gebieden zoals opgenomen in bijlage I realiseren, een vergunning te verlenen. Om te bewerkstelligen dat er daadwerkelijk een substantiële reductie plaatsvindt, mag bij deze reductie de niet structureel in gebruik zijnde ruimte niet worden meegenomen. Het achtste lid stimuleert deze initiatiefnemers om de vergunde stikstof emitterende activiteiten met ten minste 35% te reduceren, zodat ook tot er een breed pakket aan maatregelen is vastgesteld en geborgd, de achtergronddepositie reduceert. In sommige gevallen zal het onevenredig zijn om de 35% reductie te verwachten op de stikstofdepositie die voortkomt uit de verkeersaantrekkende werking. Voor wat betreft die stikstofdepositie wordt met maatwerk een passende oplossing gezocht. Daarnaast kan het in sommige gevallen denkbaar zijn dat de 35% reductie op de referentiesituatie onevenredig voor de initiatiefnemer uitvalt. Gevallen die hieronder kunnen vallen zijn de PAS-melders en initiatiefnemers die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 gebruik hebben gemaakt van intern salderen. Voor deze gevallen wordt met maatwerk een passende oplossing gezocht. Als er voor tijdelijke emissies gesaldeerd wordt met een permanente beëindiging van de stikstof emitterende activiteiten, bijvoorbeeld bij omvorming van een perceel wat bemest, wordt de gehele referentiesituatie ingetrokken (of als intrekking niet mogelijk is, permanent beperkt door bijvoorbeeld een wijziging in algemeen geldende regels). Omdat het beoogde project een tijdelijke emissie als gevolg heeft en voor intern salderen in te zetten stikstof emitterende activiteiten permanent worden ingezet, draagt de interne saldering bij aan de noodzakelijke reductie van stikstof. Op basis daarvan wordt er daarom al voldaan aan artikel 6, eerste en tweede lid van de Habitatrichtlijn, zoals we dat volgens het zevende lid moeten beoordelen. Met tijdelijk wordt voor deze beleidsregel maximaal 2 jaar gehanteerd. Daarnaast is het niet de bedoeling dat bedrijven voor wie een nieuwe vergunning noodzakelijk is vanwege de continuering van het bedrijf, verplicht worden tot reductie van 35%. Hiertoe is een uitzondering opgenomen onder c. Leidend is hierbij dat de omstandigheid buiten de macht van de initiatiefnemer ligt. Hierbij moet worden gedacht aan situaties zoals een stal die op instorten staat door onvoorziene omstandigheden, zoals brand of stormschade; waarbij de reparatie van de stal leidt tot het nodig zijn van een nieuwe natuurtoestemming. Achterstallig onderhoud is daarin geen onvoorziene omstandigheid. Een uitbreiding van de activiteit kan hiermee in elk geval niet worden vergund. Artikel 6 Voorwaarden extern salderen Lid 1: De directe samenhang kan blijken uit een overeenkomst tussen partijen waarin is opgenomen dat de toestemming (deels) wordt ingetrokken ten gunste van de activiteit van de saldo-ontvanger. Lid 2: De voorwaarde dat hervatting van de activiteit mogelijk moet zijn zonder dat daarvoor een (nieuwe) natuurvergunning voor de realisering van een project is vereist volgt uit jurisprudentie over extern salderen (zie overzicht jurisprudentie aan einde van toelichting, vierde punt). De beleidsregel haalt deze jurisprudentie aan en voegt toe dat niet mag worden gesaldeerd met structureel ongebruikte ruimte. Dit voorkomt salderen met gebouwen of ruimte die al langere tijd een andere functie hebben dan waarvoor een toestemming is verleend. Zie ook de toelichting bij art. 5 lid 1. Lid 3: Deze intrekking op verzoek van de saldogever, is noodzakelijk om te voorkomen dat de ruimte van de saldogever alsnog de niet structureel in gebruik zijnde ruimte in zijn toestemming kan benutten, en daardoor een stijging van de depositie kan optreden. De intrekking van het toestemmingsbesluit van de ruimte van de saldogever wordt in een afzonderlijke beschikking in samenhang met de activiteit van de saldo-ontvanger opgesteld. Lid 4: Initiatiefnemer moet bij het indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteit aantonen dat er voldaan wordt aan deze beleidsregel. Voor het peilmoment voor het bepalen of er sprake is van onderdelen die structureel buiten gebruik zijn wordt daarom in de regel uit gegaan van het moment van indienen van de aanvraag. Uitzondering hierop is als er aantoonbaar een ander objectief peilmoment is geweest. Hierbij kan gedacht worden aan het sluiten van een salderingsovereenkomst of een beleidsdocument. Lid 5: In sommige gevallen is er geen toestemming benodigd om een activiteit uit te voeren (bijvoorbeeld omdat de activiteit op grond van algemene regels zonder besluit mag worden uitgevoerd). De feitelijke beëindiging van een dergelijke activiteit moet op een of andere manier geborgd zijn vóórdat de natuurvergunning voor de activiteit van de saldo-ontvanger in werking treedt, bijvoorbeeld door een bestemmingsplanwijziging, of door een (privaatrechtelijke) overeenkomst. Wanneer beëindigen van de activiteit niet geborgd kan worden, kan deze niet betrokken worden bij saldering. Lid 6: Bij extern salderen mogen alleen stikstof emitterende activiteiten betrokken die legaal zijn uitgevoerd en dus voldoen aan alle algemeen geldende regels die betrekking hebben op die activiteiten. Denk hierbij aan bijvoorbeeld paragraaf 4.82 van het Besluit activiteiten leefomgeving, algemeen geldende regels voor het houden van landbouwhuisdieren. Hiermee wordt voorkomen dat er gesaldeerd wordt met illegale activiteiten, zoals het houden van dieren in een huisvestingssysteem dat niet is toegestaan op basis van paragraaf 4.82 van het Bal. Lid 7: Maatregelen die nodig zijn om de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden te behouden of op termijn de natuurdoelen te halen (artikel 6, eerste en tweede lid Habitatrichtlijn) mogen niet tevens worden ingezet om nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken. Dit betekent dat deze niet-gerealiseerde capaciteit niet mag worden gebruikt voor salderen. Ook de winst die het gevolg is van andere noodzakelijke maatregelen op grond van artikel 6, eerste en tweede lid Habitatrichtlijn, zoals in bepaalde gevallen de (gedeeltelijke) intrekking van een vergunning, mag niet worden gebruikt voor salderen. Daarnaast komt in dit kader de in te zetten stikstofruimte voor extern salderen niet vrij vanuit de bronmaatregelen die de overheid heeft ingesteld ten behoeve van de daling van de achtergrond of als inzet voor mitigatie en/of compensatie van andere activiteiten. Lid 8: Deze bedrijven zijn uitgezonderd omdat deze bedrijven worden uitgekocht met overheidsgeld en het niet wenselijk is dat deze bedrijven de volledige rechten behouden om intern te salderen, tenzij dit onderdeel uitmaakt van de regeling zelf. In de aanvraag mogen niet meer activiteiten betrokken worden voor interne saldering als dat toegestaan is in de betreffende opkoopregeling waarin de saldogever heeft deelgenomen. Lid 9: Anders dan in lid 8 (waarbij soms niet het gehele bedrijf heeft deelgenomen aan een regeling, maar slechts een gedeelte) gaat het bij lid 9 om de stikstofruimte die een bedrijf heeft mogen houden na beëindiging van zijn veehouderij-activiteiten voor het verrichten van bepaalde andere activiteiten. Die stikstofruimte is gekoppeld aan de andere activiteiten en daarbij mag de stikstofemissie van die andere activiteiten maximaal 15% bedragen van de oorspronkelijke stikstofemissie (zie art. 5 lid 1 sub f Lbv en Lbv-plus en art. 3.4 lid 2 sub e Lvvp). Lid 9 voorziet erin dat de (resterende) stikstofruimte van deelnemers aan deze regelingen niet voor externe saldering in aanmerking komt, een voorwaarde van de Europese Commissie in het kader van de staatssteunbeoordeling en de doelstelling om met de beëindiging van veehouderijlocaties een zo groot mogelijke stikstofreductie te bewerkstelligen. Lid 10: Om een stijging van de depositie te voorkomen, wordt de niet-gerealiseerde capaciteit uitgesloten van extern salderen en wordt daarnaast 30% afgeroomd om benutting van latente ruimte (gemiddeld 30% in vergunningen) te voorkomen en om meetonzekerheden te kunnen opvangen. Hiermee wordt een feitelijke depositiestijging voorkomen. De resterende 70% van de depositie van de activiteit van de saldogever mag worden ingezet voor salderen. Lid 11: Voor de verlening van een vergunning voor activiteiten met stikstofdepositie op gebieden uit bijlage I wordt bij de toepassing van extern salderen nog 35% extra bovenop de 30% uit lid 10 van de depositieruimte van de saldogever gevraagd. Deze 35% komt ten goede aan de natuur en wordt niet meer ingezet om zo bij te dragen aan de noodzakelijke daling. Dit betekent dat er maximaal 35% van de depositieruimte van de saldogever mag worden ingezet als mitigerende maatregel voor de saldo-ontvanger en mag worden betrokken bij verlening van de natuurtoestemming. Lid 12: In het elfde lid wordt uitgegaan van een inzet van een deel van de saldogevende activiteit ten behoeve van de natuur. Dit wordt niet noodzakelijk geacht voor projecten met een tijdelijke emissie als de saldogevende activiteit na deze periode volledig en permanent ten behoeve van de natuur wordt ingezet. Artikel 7 Plannen Salderen kan ook worden ingezet in het kader van de plantoets. De plantoets is niet gelijk aan de projecttoets. Het planeffect betreft het effect van het plan, waarbij het feitelijk gebruik binnen de huidige toestemming wordt vergeleken met de beoogde toestemming. Dit artikel is opgenomen om te borgen dat wanneer een natuurvergunning wordt aangevraagd voor projecten die op basis van het plan mogelijk zijn, gebruik gemaakt kan worden van dezelfde saldering die als onderbouwing van het plan is gebruikt indien artikel 16.53c van de Ow van toepassing is. In veel gevallen is het namelijk zo dat de saldogevende activiteit niet meer feitelijk aanwezig is op het moment dat natuurvergunningen worden aangevraagd voor individuele projecten. Dit artikel voorkomt dat tweemaal gesaldeerd moet worden voor eenzelfde activiteit. Dit artikel ziet zowel op reeds vastgestelde alsnog vast te stellen plannen. Het buiten toepassing laten van artikel 6, tweede lid, gaat over de eis van het onafgebroken aanwezig zijn. Het is niet bedoeld om een uitzondering te maken op de eis van het bestaan van een toestemming in de referentiesituatie. Artikel 8 Realisatietermijn Artikel 5.40 lid 2 onder b van de Wet geeft de bevoegdheid om een omgevingsvergunning in te trekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. Van deze bevoegdheid kan echter geen gebruik worden gemaakt als wel activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning, maar niet de volledige capaciteit wordt gerealiseerd. Het is echter onwenselijk dat afgegeven vergunningen voor langere tijd niet-gerealiseerde capaciteit blijven bevatten. Wanneer er geen mogelijkheid is om na een vastgestelde periode een natuurvergunning (deels) in te trekken, kunnen er op langere termijn onverwachte en ongewenste stijgingen van de stikstofdepositie optreden wanneer de vergunning alsnog (geheel) wordt benut óf kunnen andere activiteiten beperkt worden doordat steeds rekening wordt gehouden met deposities die niet daadwerkelijk optreden. Een periode van drie jaar wordt beschouwd als een reële realisatietermijn voor het bouwen en ontplooien van vergunningplichtige projecten. Dit voorschrift is alleen van toepassing op de nieuwe (of gewijzigde) activiteiten. Door het opnemen van een voorschrift in vergunningen, ontstaat een basis voor het intrekken van de vergunning op grond van artikel 18.10 lid 1 van de Wet door het niet naleven van de voorschriften. Artikel 9 SSRS-bank De SSRS-bank5 is het gezamenlijke registratiesysteem waarin Rijk en provincies vrijgevallen en vrijgemaakte stikstofdepositieruimte kunnen opslaan voor latere toedeling in een besluit. Lid 1: Een uitgangspunt van de SSRS-bank is dat voor aanvragen, die een beroep op dit systeem doen, stikstofdepositieruimte wordt gereserveerd in de volgorde van ontvangst van deze aanvragen. Dat kan betekenen dat een aanvraag die niet volledig is, bij reservering van stikstofdepositieruimte voorrang heeft op een aanvraag die wel volledig is. Dit vinden Gedeputeerde Staten een onwenselijke situatie. Voor reservering van stikstofdepositieruimte is het van belang dat de aanvraag volledig is. Dat houdt in dat de juiste gegevens zijn overgelegd en dat ook de inhoud van de aanvraag op orde is. Het is dus in het belang van de initiatiefnemer dat de ingediende aanvraag zowel formeel als inhoudelijk op orde is. Is dat niet het geval dan wordt de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen binnen een bepaalde periode. Pas als de benodigde gegevens op tijd zijn ingediend, wordt de status van de aanvraag omgezet in een volledige aanvraag en is de datum van volledigheid bepalend voor de volgorde van toekenning van stikstofdepositieruimte. Lid 2: In het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Omgevingsregeling is het toetsingskader opgesteld voor de beoordeling van aanvragen die een beroep doen op de SSRS-bank. Deze aanvragen worden (met uitzondering van het eerste lid) niet getoetst aan deze beleidsregel. Dit geldt overigens alleen voor zover de aanvraag een beroep doet op de SSRS-bank. Als een aanvraag bijvoorbeeld eerst gebruik maakt van interne en/of externe saldering, dan is de beleidsregel op dat gedeelte van de aanvraag wél van toepassing. Als diezelfde aanvraag voor een eventueel restant nog een beroep doet op de SSRS-bank, dan is de beleidsregel (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op dat gedeelte van de aanvraag. Als een aanvraag enkel en alleen een beroep doet op de SSRS-bank (dus zonder intern en/of extern salderen) dan is deze beleidsregel (met uitzondering van het eerste lid van dit artikel) niet van toepassing op die gehele aanvraag. Artikel 10 Microdepositiebank De microdepositiebank is een gezamenlijke stikstofdepositiebank van alle provincies en de Rijksoverheid voor het salderen van zeer kleine deposities. De provincies leggen gezamenlijke afspraken over de omgang met deze bank vast in de beleidsregel, het Rijk legt dit in eigen beleid vast. Lid 1-4: Stikstofdepositieruimte is beschikbaar voor een project met depositie-effecten. De beschikbare stikstofdepositieruimte is de in de microdepositiebank opgenomen stikstofdepositieruimte voor een relevant hexagoon. De ruimte is beschikbaar op alle relevante hexagonen die door een project worden geraakt, voor ten hoogste 0,05 mol stikstof/ha/jr. De eventueel benodigde depositie boven de 0,05 mol stikstof/ha/jr. moet voor alle hexagonen van een project buiten de microdepositiebank worden opgelost, bijvoorbeeld door salderen, een ecologische onderbouwing, of andere vormen van mitigatie. Gedeputeerde Staten reserveren beschikbare ruimte op basis van het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Daarbij geldt allereerst dat het om volledige aanvragen gaat, te weten aanvragen waarop artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht niet (meer) hoeft te worden toegepast. Gedeputeerde Staten beoordelen vervolgens of er voor een project dat op grond van het eerste lid in aanmerking komt voor toedeling ook daadwerkelijk stikstofdepositieruimte beschikbaar is. Stikstofdepositieruimte die niet is gereserveerd of toegedeeld, is beschikbaar. Als een aanvraag, inclusief de daarvoor uit de microdepositiebank benodigde stikstofdepositieruimte, wat betreft de benodigde stikstofdepositieruimte vergunbaar is, kan daarvoor de reservering uit het derde lid plaatsvinden, de beoordeling vindt zijn weerslag in de te verlenen natuurvergunning waarin de ruimte vervolgens wordt toegedeeld. Lid 6: Onder het PAS bestonden meldingsplichtige activiteiten. De meldingsplicht betrof bepaalde activiteiten met een uitstoot tussen de 0,05 mol stikstof/ha/jr en 1 mol stikstof/ha/jr. Deze activiteiten worden gelegaliseerd via het “legalisatieprogramma PAS-meldingen” (februari 2022Een verlenging en uitbreiding naar een “maatwerkaanpak PAS-projecten” doorloopt eind 2025 het wetgevingstraject. In het tweede kwartaal van 2026 moet er een conceptprogramma zijn opgesteld. Artikel 11 Doelgebonden depositiebank In AERIUS Register is voor iedere provincie een compartiment aangemaakt. Deze zijn onder te verdelen in één of meerdere subcompartimenten. Artikel 10.25, vierde lid van het Bkl6 bepaalt immers dat er binnen elke categorie projecten -dus ook voor de compartimenten voor Gedeputeerde Staten in de zin van artikel 3.57, eerste lid sub h van de Regeling- een nader onderscheid kan worden gemaakt in AERIUS Register. Ieder subcompartiment vormt een doelgebonden depositiebank waarin de provincie voor één of meerdere specifiek(e) doelen stikstofdepositieruimte kan sparen. Het is aan Gedeputeerde Staten om de doelen te definiëren. Bevoegde gezagen kunnen ook gezamenlijk een doelgebonden depositiebank oprichten. In dat geval definiëren Gedeputeerde Staten de doelen in afstemming met de betreffende andere bevoegde gezagen. Bij de doelgebonden depositiebank geldt dat koppeling aan een doelstelling een vereiste is. Dat doel kan algemeen zijn (bijvoorbeeld stimulering van de gebiedsgerichte aanpak) of smal (zoals voor één specifiek project). Gedeputeerde Staten kunnen aanvullende inhoudelijke criteria voor vulling en toedeling van de stikstofdepositieruimte opnemen in een beleidsregel, voor zover deze niet in strijd is met het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Regeling. Artikel 12 Artikel ter nadere duiding doelgebonden depositiebank In dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten nader, per doelgebonden depositiebank (subcompartiment), omschrijven wat (a) het doel van de doelgebonden depositiebank is, (b) binnen welke termijn de in die bank opgenomen ruimte kan worden uitgegeven en (c) wat de eventueel nadere regels voor vulling en toedeling van stikstofdepositieruimte zijn (voor zover deze niet in strijd zijn met en aanvullend zijn op hetgeen hierover is bepaald in het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Regeling).

Categorie: Mededelingen

De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer meldingen zoals "Beleidsregels salderen Gelderland 2026"

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Projectbesluit Energiesysteem Eerbeek met landschappelijke inpassing

Mededelingen

Mededelingen

Beleidsregels salderen Gelderland 2026

Omgeving

Omgeving

Waterschap Zuiderzeeland – kennisgeving aanvraag omgevingsvergunning Omgevingswet voor het verwijderen van een brug ter hoogte van het fietspad aan de Gelderse Slenk te Zeewolde.

Omgeving

Omgeving

Waterschap Zuiderzeeland – kennisgeving aanvraag omgevingsvergunning Omgevingswet voor het aanbrengen van grond ter hoogte van de kruising Nijkerkerweg/Slingerweg te Zeewolde.

Mededelingen

Mededelingen

Beleidsregel Aversieve conditionering wolf Gelderland 2026

APV

APV

Verordening van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent nazorgheffing stortplaatsen (Verordening nazorgheffing stortplaatsen Gelderland 1999)

APV

APV

Subsidieregeling Lokale isolatieaanpak voor woningen gemeente Nijkerk 2025-2028

Wegwerkzaamheden

Wegwerkzaamheden

Wegonderhoud sinds 15 juli 2026 gepland tot 1 september 2026

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Voorbereidingsbesluit De Havenaer, Nijkerk

Mededelingen

Mededelingen

Gedragscode integriteit burgemeester en wethouders gemeente Almere 2023

Omgeving

Omgeving

Ingekomen aanvraag omgevingsvergunning, Winkelweg 21, 3896 LH Zeewolde

Evenementen

Evenementen

verleend evenementenvergunning (reguliere voorbereidingsprocedure) grasveld Broekstraat 9 Velp