Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang gemeente Lochem 2026
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-08-05
Gepubliceerd door
Gemeente Lochem
Informatie
Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang gemeente Lochem 2026 Het college van Burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem Gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht; Gelet op de artikelen 1:61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang B E S L U I T Vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang gemeente Lochem 2026. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a.Afwegingsmodel: In het afwegingsmodel (bijlage 1) is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college doorgaans oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties; b.Bibop-onderzoek: een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) waarbij een bestuursorgaan de integriteit van een (rechts)persoon beoordeelt om te voorkomen dat vergunningen, subsidies of overheidsopdrachten worden misbruikt voor criminele doeleinden; c.College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem; d.GGD: GGD Noord- en Oost-Gelderland; e.Houder: de aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen. f.Inspectieonderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62 eerste lid Wet kinderopvang; g.Inspectierapport: in het inspectierapport staan de bevindingen van de toezichthouder tijdens de inspectie en het bevat een advies aan het college om wel of niet te handhaven. De toezichthouder maakt gebruik van een landelijk vastgesteld modelrapport; h.LRK: landelijk register kinderopvang; i.PRK: personenregister kinderopvang; j.Signalen: alle informatie afkomstig uit (externe) bronnen die GGD’en of gemeenten ontvangen met betrekking tot mogelijke risico’s bij kinderopvangvoorzieningen en/of de houders. Het gaat niet om klachten (uiting van ontevredenheid). k.Toezichthouder: de aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport. Artikel 1.2 Wettelijk kader 1.Om de kwaliteit in de kinderopvang te waarborgen heeft de rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld eisen aan het pedagogisch klimaat, personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting en de omgang met ouders. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang. 2.Naast de Wet kinderopvang zijn kwaliteitseisen uitgewerkt in nadere regelgeving: •Besluit kwaliteit kinderopvang; •Regeling Wet kinderopvang; •Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; •Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang; •Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; •Besluit landelijk register kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang. 3.Ook stelt de wet eisen aan de manier waarop de toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in deze registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvindt. Het college is verantwoordelijk voor het geven of intrekken van toestemming, de registratie, het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit en kan binnen de wettelijke kaders haar taken invullen. De toezichthouder doet onderzoek naar de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders en gastouders aan de eisen voldoen. 4.Het college is in beginsel verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding van deze kwaliteitseisen heeft vastgesteld. 5.De inspectie van het onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of het college haar wettelijke taken met betrekking tot de Wet kinderopvang goed uitvoert. Artikel 1.3 Toepassing 1.In deze beleidsregels gaat het over kinderopvang bij: •Kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie; •Buitenschoolse opvang; •Gastouderopvang via gastouderbureaus. 2.Deze beleidsregels, inclusief het bijbehorende afwegingsmodel, zijn van toepassing op alle – zoals in het vorige lid gedefinieerde- kinderopvang binnen de gemeente Lochem. 3.In deze beleidsregels is vastgelegd hoe de gemeente Lochem de gemeentelijke taken uitvoert op het gebied van toezicht en handhaving die voortvloeien uit de Wet kinderopvang. Artikel 1.4 Aanwijzingsbesluit Directeur Publieke Gezondheid De directeur publieke gezondheid van de GGD NOG is aangewezen als onafhankelijk toezichthouder, zoals bedoeld in artikel 1.61, lid 2 van de Wet kinderopvang. Hij/zij is gemachtigd om één of meerdere medewerkers aan te wijzen als toezichthouder om onder zijn/haar verantwoordelijkheid en in zijn plaats als toezichthouder op te treden in de zin van de Wet kinderopvang. Hoofdstuk 2 Voldoen vanaf de start, ook bij wijzigingen Artikel 2.1 Streng aan de poort 1.Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag van een kinderopvang- voorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Kinderen zijn een kwetsbare doelgroep. Het college vindt het daarom van groot belang dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen vanuit de Wet kinderopvang en hanteert daarom de werkwijze Streng aan de Poort. 2.Het college kijkt of voor de gewenste locatie voor kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, gastouderopvang of gastouderbureau alle benodigde vergunningen en/of meldingen aanwezig zijn, zoals vergunningen voor bouwen of slopen, melding brandveilig gebruik. Daarnaast onderzoekt het college of de gewenste binnen- en buitenruimte voor kinderopvang ook past binnen het omgevingsplan. Ook een Bibob-onderzoek kan onderdeel zijn van de procedure. 3.Zodra alle benodigde vergunningen en/of meldingen aanwezig zijn en akkoord zijn bevonden, dient de houder een aanvraag tot registratie in het LRK in bij het college. 4.Het college laat alle aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder alle kwaliteitsaspecten vooraf, waaronder de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel van de kinderopvangvoorziening. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook dat de houder structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden. Tenslotte neemt de toezichthouder ook de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder mee. 5.Goede kwaliteit bij andere voorzieningen van de houder kan ertoe leiden dat het college sneller een positief besluit neemt. Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld. Artikel 2.2 Wijzigingen registratiegegevens LRK 1.Na het verkrijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Het is van belang dat de houder het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indient bij het college. Voor de houderwijziging en wijziging rechtsvorm geldt een termijn van 10 weken. Wijzigingen worden ingediend met een wijzigingsformulier. Dit formulier is te vinden op rijksoverheid.nl en op het landelijkregisterkinderopvang.nl 2.Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd. 3.Het college kan bepalen of er voorafgaand aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek plaatsvindt door de toezichthouder. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn waar en hoeveel kinderen worden opgevangen, wie verantwoordelijk is voor deze opvang en hoe de opvang bereikbaar is. 4.Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om: •De toekenning van een KvK-vestigingsnummer; •Het (correspondentie)adres, bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon; •De beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening. Maar ook de volgende wijzigingen – artikel 2.3 t/m 2.6- moeten worden doorgegeven: Artikel 2.3 Wijziging kindplaatsen 1.Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein personeel en groepen. Wanneer dit aantal later wijzigt geeft de houder dit als wijziging door aan het college. 2.Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Artikel 2.4 Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie Als een gastouder wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan vraagt dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aan via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie wordt tijdig gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders. Artikel 2.5 Verhuizing 1.Verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag. 2.Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven. Artikel 2.6 Wijziging houder of rechtsvorm 1.Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen, vraagt deze nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming aan het college. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt, ook dit is een houderwijziging. Daarbij maakt het niet uit dat de bestuurder hetzelfde blijft. 2.Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder. 3.Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want ook als een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de kinderopvang. Het is voor de continuïteit van de kinderopvang van groot belang dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken zijn bijgevoegd. Artikel 2.7 Niet gemelde kinderopvang Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen van het college, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding die het college niet wil. In dat geval kan het college niet zorgen voor verantwoorde en veilige opvang voor kinderen. Het college treedt hiertegen dan ook streng op. De locatie moet meteen sluiten en het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie. Hoofdstuk 3 Toezicht Artikel 3.1 Algemeen Toezicht op de kwaliteitseisen waarborgt dat de kinderopvang voor alle kinderen verantwoord en veilig is. Ook heeft toezicht een belangrijke functie in het scheppen van vertrouwen voor goede en veilige opvang van kinderen. Daarnaast levert toezicht een belangrijke impuls tot kwaliteitsbewaking in de kinderopvang. Artikel 3.2 Dialooggericht werken 1.Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. In het huidige toezicht ligt meer nadruk op de dialoog tussen houder en toezichthouder waarbij de toezichthouder zich concentreert op de kwaliteitsbeoordeling. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. Ook de wijze waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld, bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang. 2.Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. De toezichthouder gaat daarbij in op de wijze waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen nagaan of de kwaliteit van de geboden kinderopvang daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol. In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder zonder oordeel luisteren en observeren, open vragen stellen en doorvragen, en controleren of de toezichthouder zaken goed heeft geïnterpreteerd. 3.De toezichthouder zet kinderopvangorganisaties aan om (samen) te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s te verminderen. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en zet de toezichthouder houders aan om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren. Wanneer sprake blijkt van een tekortkoming is van belang om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de inbreuk was op de geboden kwaliteit van opvang. Dit weegt de toezichthouder mee in zijn oordeel en advies aan het college. Artikel 3.3 Risico gestuurd werken 1.De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief inspecteren bij locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: minder waar mogelijk, meer waar nodig. Er is meer en steviger toezicht op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is. 2.De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen is reden tot zorg. 3.De toezichthouder stelt voor kindercentra en gastouderbureaus na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren. 4.Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau. Artikel 3.4 Soorten onderzoeken 1.De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten: •Onderzoeken voor registratie (OVR); •Onderzoeken na registratie (ONR); •Reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken JO); •Incidentele onderzoeken (IO); •Nader onderzoek (NO) (na geconstateerde overtreding(en)); •Ook kan de toezichthouder thema-onderzoeken uitvoeren. 2.Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie ten minste eens per 3 jaar bezocht wordt. Artikel 3.5 Flexibele inspectieactiviteit 1.Onder flexibele inspectieactiviteit wordt verstaan: een manier van toezicht waarbij de vaste set van minimaal vier verplichte inspectieonderwerpen vervalt. Alleen controle op VOG en inschrijving in het PRK. De pedagogische kwaliteit en de te toetsen items op voorschoolse educatie (indien van toepassing) blijven verplicht. De overige inspectietijd wordt in overleg tussen het college en de toezichthouder ingevuld, op basis van lokale prioriteiten, het risicoprofiel en de inspectiegeschiedenis. Dit biedt ruimte voor maatwerk binnen de beschikbare uren. 2.Het doel van flexibele inspectieactiviteit is effectiever toezicht, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang wordt verbeterd. Door de invoering van de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. 3.De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op: •VOG; •Registratie in het PRK; •Pedagogische kwaliteit; •Voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is); •Beroepskracht-kind-ratio (BKR). 4.Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen. Artikel 3.6 Speerpunten Jaarlijks bepaalt de gemeente samen met de toezichthouder wat de accenten in het toezicht op de kinderopvang voor het betreffende jaar zijn. De gemeente legt dit schriftelijk vast. Zo kan de toezichthouder ieder jaar extra aandacht besteden aan bepaalde kwaliteitseisen en speerpunten. Welke kwaliteitseisen dat zijn is afhankelijk van landelijke en lokale ontwikkelingen en signalen vanuit het toezicht. Artikel 3.7 Herstelaanbod 1.Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder aan de houder van een kinderopvangvoorziening om een geconstateerde overtreding binnen een bepaalde termijn te herstellen en hersteld te houden, voordat een concept-inspectierapport wordt opgesteld. 2.Het doel van herstelaanbod is dat het zal leiden tot een sneller herstel van de tekortkoming en er bij de houder meer sprake is van nalevingsbereidheid. Dit komt de kwaliteit van de kinderopvang ten goede. 3.Herstelaanbod kan worden aangeboden bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Bij kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders. Niet bij nadere onderzoeken en onderzoek voor registratie. 4.De toezichthouder bepaalt of een houder een herstelaanbod krijgt en binnen welke termijn de overtreding hersteld moet zijn. Deze termijn is maximaal 4 weken. Het uitgangspunt van de toezichthouder voor het aanbieden van herstelaanbod is dat er altijd sprake is van structureel blijvend herstel. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast met de houder van de kinderopvangvoorziening. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. 5.De toezichthouder beschrijft in het inspectierapport de overtreding en of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Hierover rapporteert de toezichthouder in het inspectierapport voor het college. 6.Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij: •De aard en de ernst van de overtreding zich niet leent voor herstelaanbod; •Er te veel overtredingen zijn (naar inschatting van de toezichthouder); •De houder in de voorgaande 3 jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding op te heffen (recidive); •De toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk vindt; •Herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode van maximaal 4 weken; •Er een bevel wordt afgegeven voor een andere overtreding. 7.Herstelaanbod en handhaving kunnen naast elkaar in een inspectierapport voorkomen. 8.Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen niet voor herstelaanbod in aanmerking. Artikel 3.8 Schriftelijk bevel 1.Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding komt, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen niet kan worden uitgesteld. 2.Artikel 1.65, vierde lid Wet kinderopvang bepaalt dat de geldigheidsduur van een bevel 7 dagen is. 3.In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen. 4.Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op bijvoorbeeld door het bevel te verlengen Artikel 3.9 Signalen 1.Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang van groot belang. Met toezicht hierop door de toezichthouder geeft het college hier invulling aan. Echter, er kunnen ook signalen en situaties zijn die de toezichthouder in het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten en andere betrokkenen wel. Daarom stimuleren zowel het college als de toezichthouder iedereen die een zorg, melding of signaal heeft over de kinderopvang deze met het college of de toezichthouder te delen. 2.Met signaal-gestuurd-toezicht reageren reageert de toezichthouder op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige of kwalitatief niet goede kinderopvang. 3.Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder belangrijk zijn. Na elk signaal wordt bepaald welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht aan de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek. 4.De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de toezichthouder of het college signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio of andere gemeenten. Artikel 3.10 Gastouderopvang 1.Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind, is kleinschalig en persoonlijk. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene er is) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. 2.Verder zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In gemeente Lochem zijn ook gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft de toezichthouder minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. 3.De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente. Zo mogelijk zijn de inspecties bij gastouders en gastouderbureaus onaangekondigd. 4.Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau (in een andere gemeente) en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die de toezichthouder ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht. Artikel 3.11 Voorschoolse educatie 1.Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie vanaf 2 jaar en 3 maanden tot 4 jaar. 2.Diverse kinderdagverblijven in de gemeente Lochem bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn is vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB). 3.Voor voorschoolse educatie gelden wettelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve). 4.De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid. Hoofdstuk 4 Handhaving Artikel 4.1 Algemeen 1.Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is grijpt het college in via handhaving. 2.Het college gebruikt verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen. Bij de keuze voor de best passende maatregel sluit de handhaver aan bij de volgende uitgangspunten: •Vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang; •Verbeteren van minder goede kinderopvang; •Snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet; •Sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet. 3.Inspectierapporten zijn in te zien via het Landelijk Register Kinderopvang en kunnen op verzoek worden toegezonden. Ouders en de oudercommissie kunnen deze informatie gebruiken bij het zoeken naar passende kinderopvang en het werk voor de oudercommissie. 4.Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt bij elke handhaving die het inzet af welke maatregel geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Immers, de omstandigheden bij iedere houder, locatie en overtreding zijn verschillend en daarom kan ook de aanpak bij overtredingen verschillen. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en). Artikel 4.2 Preventief handhaven In het belang van kwalitatief goede kinderopvang, en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, onderhoud het college ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente. Artikel 4.3 Handhavingsafwegingen 1.Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op. Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken; kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt het college of evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de zwaarte van de op te leggen sanctie. 2.Ook in hoeverre de kwaliteit van opvang is beïnvloed door een tekortkoming wordt meegewogen in de handhavingsafweging. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke (verzwarende of verzachtende) omstandigheden een rol spelen. Bij het opstellen van een besluit houdt het college rekening met deze omstandigheden. 3.Het college hecht daarbij grote waarde aan het oordeel van de toezichthouder en betrekt dit in de besluitvorming. Ook een reactie van de houder op een inspectierapport betrekt het college bij de beoordeling. 4.In beginsel beoordeelt het college iedere overtreding afzonderlijk en wordt handhaving per overtreding ingezet. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder blijkt dat een houder voldoende maatregelen heeft getroffen om een overtreding structureel te herstellen, kan het college besluiten om af te zien van handhaving gericht op herstel. Maar blijkt uit één inspectieonderzoek dat één voorschrift meerdere keren is overtreden dan weegt dit mee in de ernst van de overtreding. Dit kan zicht uiten in een kortere hersteltermijn of een andere handhavingsmaatregel. 5.Bij de besluitvorming over handhaving betrekt het college in ieder geval: •Het inspectierapport met daarin: •De geconstateerde gerapporteerde bevindingen; •Bevindingen en conclusie van de toezichthouder (voldoende gemotiveerd en goed onderbouwd); •Indien van toepassing, beschrijving van de omstandigheden; •Het advies van de toezichthouder; •Reactie van de houder in het inspectierapport •Reacties van de houder aan het college; •De handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau; •De inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau; •Alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van de kinderen en hun ouders. Artikel 4.4 Herstellend en bestraffend handhaven 1.Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven. 2.Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. En kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen. 3.Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn. 4.Voor enkele overtredingen handhaaft het college altijd bestraffend, deze overtredingen zijn opgenomen in het afwegingmodel. Voor de overige overtredingen geldt dat bestraffend gehandhaafd kan worden als het college dit nodig vindt. Artikel 4.5 Recidive 1.De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive. Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in. 2.Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete dat legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd. 3.Wanneer binnen 3 jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel. Artikel 4.6 Organisatieniveau en locatieniveau 1.Het college voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij het college wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen. 2.Bij constateringen op één locatie verwacht het college van de houder dat die organisatie breed verbeteringen doorvoert. Tekortkomingen moeten voor de gehele organisatie worden hersteld en niet slechts op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties en het college handhaven bij andere vestigingen kan voorkomen. 3.Ouders en kinderen kunnen er op die manier eerder op vertrouwen dat de houder de vastgestelde overtredingen herstelt, maar ook dat de houder voorkomt op andere locaties dezelfde overtreding te maken. Artikel 4.7 Handhavingsmiddelen 1.Het college maakt gebruik van verschillende handhavingsmiddelen. Bij de inzet van handhaving denkt het college in effect, in alle fases van het toezicht en handhaving. Dat betekent dat het college bij de keuze van handhavingsinstrumenten kiest voor de instrumenten die het snelt en meest effect hebben. Het college spreekt houders en gastouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid voor uitvoering van de Wet Kinderopvang. Bij elk besluit weegt het college af welk handhavingsmiddel geschikt, noodzakelijk en proportioneel is. 2.De handhavingsmaatregelen waar het college gebruik van kan maken worden uitgelegd in lid 3 t/m 9 van dit artikel: 3. De waarschuwing Het college geeft een waarschuwing af, als informeel middel en milde maatregel bij overtredingen met een laag risico. Ook wordt het afgegeven als het, om welke reden dan ook, niet mogelijk is, een formele maatregel op te leggen. Het herstel wordt vervolgens in een eerstvolgend regulier onderzoek van de toezichthouder gecontroleerd of -indien mogelijk- op basis van eigen onderzoek door het college. 4. De aanwijzing Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welk termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar. De aanwijzing is doorgaans de best geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. 5. De last onder dwangsom Als de aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt het college in principe een last onder dwangsom op. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen zonder dat eerst een aanwijzing is gegeven. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen. Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan betaalt de houder de dwangsom. Met een last onder dwangsom kan op meerdere herhalingen worden gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag. Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld legt het college doorgaans een last onder dwangsom op. De last onder dwangsom is de meest geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is. Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen. 6. Verlengen van een bevel Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen. 7. De last onder bestuursdwang De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder. Dit wordt in het besluit duidelijk aangegeven. 8. (Tijdelijke) Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Wat onder verantwoorde kinderopvang wordt verstaan is vastgelegd in artikel 1.49 van de Wet kinderopvang. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt. Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek. Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/ of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is. Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf op de hoogte stellen van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling 9. Intrekken toestemming Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang permanent. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK. Intrekking van de toestemming is een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt. Het college kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als: •Niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau; •Er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden. Artikel 4.7 Bestuurlijke boete 1.Naast de handhaving gericht op herstel kan het college ook gebruik maken van de mogelijkheid om bestuurlijke boetes op te leggen. Het college zal een boete opleggen als de houder geen maatregelen neemt om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Deze boetes staan in het afwegingsmodel dat in bijlage 1 bij de beleidsregels is opgenomen. Van de boete gaat naar verwachting ook een preventieve werking uit. 2.Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Daarnaast legt het college een boete op als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed. 3.Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een boete. Deze draagkracht is voor het college immers moeilijk vast te stellen. Een boete treft niet elke overtreder even zwaar. Als de overtreder kan aantonen dat hij een boete niet in één keer kan betalen zonder dat de continuïteit van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een boete te matigen of van het opleggen van een boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan. 4.Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien. Overtredingen van de in het afwegingsmodel genoemde voorschriften kunnen dusdanig ernstige gevolgen hebben dat kinderen deze levenslang met zich mee kunnen dragen. Dit zijn dan ook zeer ernstige overtredingen, in beginsel legt het college hiervoor altijd een boete op. Artikel 4.8 Gastouderopvang 1.De artikelen 4.1 t/m 4.7 zijn ook toepassing op de gastouderopvang. Het college vindt het belangrijk dat ook de gastouderopvang een veilige en gezonde omgeving voor kinderen is. Daarbij houdt het college wel rekening met de aard van de gastouderopvang. 2.Bij de handhaving op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken van belang: •Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee in de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen. •Boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college kan daarom boetes opleggen bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen tijdig melden. •Snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen. •Signaal naar andere gemeenten: als het college handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college. •Personenregister kinderopvang (PRK): Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het PRK. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het ligt op de weg van het gastouderbureau om ervoor te zorgen dat zij tijdig de juiste informatie van hun gastouders ontvangen. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureaus om aan te tonen dat zij er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen. Artikel 4.9 Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente 1.Als uit een inspectierapport blijkt dat bij een overtreding door een gastouderopvang binnen onze gemeente, deze overtreding is begaan door een gastouderbureau dat buiten de gemeente is gevestigd, dan kan het college alleen een waarschuwing of een bestuurlijke boete opleggen aan een gastouderbureau dat buiten de gemeente is gevestigd. Een waarschuwing wordt afgegeven als informeel middel en milde maatregel. In andere gevallen wordt een bestuurlijke boete opgelegd. 2.Afhankelijk van het risico en de situatie, kan het college ook de gemeente waar het gastouderbureau is gevestigd, informeren en verzoeken handhavend op te treden. Artikel 4.10 Handhaven op eisen voorschoolse educatie (ve) 1.Als sprake is van een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, informeert de toezichthouder de Inspectie van het Onderwijs. Deze gebruikt de informatie als signaal in het eigen toezicht. De toezichthouder kan ook voor de ve-specifieke eisen een herstelaanbod doen. 2.Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een ander kwaliteitsniveau te realiseren. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, treedt het college eerst op binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen grond zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot een lagere subsidievaststelling. Artikel 4.11 Publicatie van handhavingsbesluiten en inspectierapporten De toezichthouder publiceert de inspectierapporten, nadat deze onherroepelijk zijn, in het LRK. Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het LRK zodra deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk nadat alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden. Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 5.1 Inwerkingtreding 1.Deze beleidsregels treden in werking op 6 augustus 2026. 2.Op het moment dat deze beleidsregels in werking treden, wordt het op 12 juni 2018 vastgestelde ‘Handhavingsbeleid Wet kinderopvang gemeente Lochem 2018’ ingetrokken. Artikel 5.2 Citeertitel Deze beleidsregel wordt aangehaald als: ‘Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang gemeente Lochem 2026’. Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Lochem in de vergadering van 26 mei 2026.De secretaris, de burgemeester,D. Kerkdijk F.T.J.M. Backhuijs Bijlage 1: Afwegingsmodel Handhaving en boetes samengevat Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In dit afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen: 1.De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel. 2.Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. 3.Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid. 4.Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct. 5.Blijkt na (tijdelijke) sluiting de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken. 6.Bij enkele ernstige overtredingen kan het college (direct) een bestuurlijke boete opleggen. Voor andere overtredingen kan het college een boete opleggen via het niet opvolgen van een aanwijzing. Boetebedragen De boetebedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek. Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 Wetboek van stafrecht (maximale bedragen). Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatieopvang wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen. In de onderstaande tabel is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive kan het college het maximum met 50% verhogen. Categorie Wetboek van strafrecht Hoogte boetebedrag per 1 januari 2026 Eerste categorie € 550 Tweede categorie € 5.500 Derde categorie € 11.000 Vierde categorie € 27.500 Hersteltermijnen •Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang worden in beginsel direct of binnen maximaal 1 maand beëindigd. •Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang worden in beginsel binnen maximaal 3 maanden hersteld. •Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang worden in beginsel binnen een gemiddelde termijn van maximaal 6 maanden hersteld. Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend is. Dwangsommen kindercentrum Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Administratie De derde categorie Maatregelen aanpak A-ziekten De derde categorie Pedagogisch klimaat Overtredingen in het domein Pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Pedagogisch beleid De derde categorie Pedagogische praktijk De derde categorie Voorschoolse educatie De derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie De derde categorie Personeel en groepen Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang De derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling Opleidingseisen De derde categorie Aantal beroepskrachten De derde categorie Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs De derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers De tweede categorie Stabiliteit van de opvang voor kinderen De tweede categorie Voertaal De tweede categorie Veiligheid en gezondheid Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Veiligheids- en gezondheidsbeleid De tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht De tweede categorie Accommodatie Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Eisen aan ruimtes De tweede categorie Ouderrecht Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Informatie De tweede categorie Oudercommissie De tweede categorie Klachten en geschillen De tweede categorie Dwangsommen Gastouderbureau Personeel Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang. Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang De derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling Personeelsformatie per gastouder De tweede categorie Veiligheid en gezondheid Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang. Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid De tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht De tweede categorie Ouderrecht Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Informatie De tweede categorie Oudercommissie De tweede categorie Klachten en geschillen De tweede categorie Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang. Kwaliteitscriteria De tweede categorie Administratie gastouderbureau De tweede categorie Dwangsommen Gastouder Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Dwangsommen Ouderparticipatieopvang Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Bestuurlijke boete Per overtreding van het voorschrift. Het college kan, naast een herstelactie, ook een boete opleggen. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive kan het college het maximum boetebedrag met 50% verhogen. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont. Als met één feitelijke gedraging twee of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie. Bestuurlijke boete algemeen kindercentrum en GOB gastouders Exploitatie zonder toestemming college De vierde categorie De derde categorie Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst De derde categorie Schenden medewerkingsplicht De derde categorie De tweede categorie Niet opvolgen bevel De vierde categorie De derde categorie Overtreden exploitatieverbod De vierde categorie De tweede categorie Niet (tijdig) melden wijzigingen De tweede categorie Personeel en groepen kindercentrum en GOB Verklaring omtrent Gedrag (VOG) De tweede categorie per ontbrekende VOG Personenregister kinderopvang De tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling Beroepskrachtkind-ratio (BKR) De tweede categorie per ontbrekende beroepskracht Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet. De helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. De tweede categorie per ontbrekende kwalificatie Gastouders - Personeel en groepen Verklaring omtrent Gedrag (VOG) De eerste categorie per ontbrekende VOG Groepsgrote en groepssamenstelling De eerste categorie per overtreding Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. De eerste categorie per ontbrekende kwalificatie Kwaliteit gastouderbureau Pedagogische praktijk Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder: Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang. De tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht: De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder De tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang: Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen De tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling Veiligheid en gezondheid: Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang De tweede categorie Overige kwaliteitseisen Niet opvolgen aanwijzing De derde categorie, voor gastouder tweede categorie Eisen ruimtes gastouderopvang: De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen De tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd. Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers De derde categorie
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio
Meer meldingen zoals "Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang gemeente Lochem 2026"

Mededelingen
Bekendmaking Inkoop- en aanbestedingsbeleid Waterschap Rijn en IJssel 2026

Mededelingen
Nadeelcompensatieregeling kabels en leidingen UNOG gemeente Lochem

APV
Algemene verordening ondergrondse infrastructuren 2023

Mededelingen
Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang gemeente Lochem 2026

APV
Subsidieregeling decentrale politieke partijen gemeente Lochem 2026

Mededelingen
Beleidsregels Terug- en invordering bedrijfskapitaal Tozo

Mededelingen
Beleidsregels voor evenementenvergunningen gemeente Lochem 2026

Mededelingen
Schaderegeling ingravingen kabels en leidingen UNOG gemeente Lochem

Mededelingen
Handboek kabels en leidingen UNOG gemeente Lochem

APV
Verordening Fysieke Leefomgeving 2026

Mededelingen
Aanwijzingsbesluit elektronische kanalen Gemeente Deventer

Mededelingen
Uitschrijving basisregistratie personen (BRP)

