Beleidsregels toezicht en handhaving wet kinderopvang Scherpenzeel 2026
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-10-20
Gepubliceerd door
Gemeente Scherpenzeel
Informatie
Beleidsregels toezicht en handhaving wet kinderopvang Scherpenzeel 2026 Voorwoord van het college Kinderopvang speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling van jonge kinderen. In Scherpenzeel vinden wij het belangrijk dat kinderen opgroeien in een veilige, gezonde en stimulerende omgeving. Met deze beleidsregels geven wij invulling aan onze verantwoordelijkheid voor toezicht en handhaving binnen de kinderopvang. Wij richten ons daarbij niet alleen op het herstellen van overtredingen, maar ook op het voorkomen daarvan. Goede samenwerking met kinderopvangorganisaties is hierin essentieel. Wij vertrouwen op de inzet en professionaliteit van houders en spreken hen aan op hun eigen verantwoordelijkheid. Tegelijk treden wij daadkrachtig op wanneer de kwaliteit tekortschiet. Het belang van kinderen staat daarbij altijd voorop. Met deze beleidsregels maken wij inzichtelijk hoe wij deze verantwoordelijkheid ingeven. Het college van burgemeester en wethouders van Scherpenzeel 1. Kwaliteit kinderopvang Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang helpt mee aan een goede ontwikkeling en aan het welbevinden van kinderen en aan een goede start voor kinderen in de maatschappij. In de kinderopvang moeten kinderen zich veilig voelen en de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen (denk aan sociale emotionele-, cognitieve- en taalontwikkeling). Het gaat daarbij om een brede ontwikkeling met aandacht voor sociale activiteiten zoals samen spelen, samenwerken en leren van en met elkaar. Zo draagt kinderopvang bij aan een goede start voor kinderen in het basisonderwijs en de samenleving. Dit volgt ook uit één van de doelen die de wetgever heeft gesteld bij het opstellen van de Wet kinderopvang: Het bevorderen van de ontwikkeling van kinderen. Kwalitatief goede kinderopvang: ■voldoet structureel aan de gestelde kwaliteitseisen; ■vindt plaats in een veilige en gezonde omgeving; ■wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen; ■draagt bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen; ■geeft belangrijke normen en waarden mee aan kinderen. De houder van een kinderopvangvoorziening is verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatief goede kinderopvang. Het is belangrijk dat direct vanaf de start van een opvanglocatie verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang wordt aangeboden. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat ze hun kind in een veilige en gezonde, stimulerende en vertrouwde omgeving achterlaten. In het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) staan alle organisaties die toestemming hebben gekregen om kinderopvang aan te bieden. In het register staan de contactgegevens van de organisaties, de onderzoeksrapporten van de toezichthouder en de handhavingsmaatregelen die het college heeft genomen. Het andere doel is arbeidsparticipatie. Hierop wordt in dit handhavingsbeleid niet apart ingegaan. 1.1 Jaarlijkse rapportage kwaliteit kinderopvang Het college brengt jaarlijks een rapportage Toezicht en handhaving kinderopvang uit. Belangrijke onderdeel in dit verslag is het aantal keren dat het college handhavingsinstrumenten, zoals een aanwijzing, boete, last onder dwangsom en exploitatieverbod inzet. Het college houdt zo zicht op de kwaliteit van de kinderopvang. Het college kan de jaarlijkse rapportage ook gebruiken om de werkwijze te beoordelen en waar nodig aan te passen. Daarbij kijkt het college ook naar de aard van de overtredingen waarop handhaving is ingezet. De resultaten van inspectieonderzoeken kunnen, naast aanscherpingen in de eigen werkwijze en het vaststellen van speerpunten, ook leiden tot aanbevelingen richting de wetgever, de sector of tot de inzet van extra toezicht- en handhavingscapaciteit. 1.2 Visie en ambitie De eerste jaren van een kind hebben grote invloed op de latere ontwikkeling. Het aanbieden van verantwoorde kinderopvang in een gezonde en veilige omgeving is daarom belangrijk. Voorzieningen voor jonge kinderen leveren daaraan een belangrijke bijdrage, naast het verminderen van achterstanden en het bevorderen van gelijke kansen. Goede kwaliteit is daarbij een onmisbare factor. Goede kinderopvang draagt bij aan een sterke start Daarom wil het college in Scherpenzeel dat kinderen toegang hebben tot kwalitatief goede kinderopvang waarin zij zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen. Het college ziet het ook als zijn rol houders te stimuleren de kwaliteit van de geboden opvang daar waar mogelijk te verbeteren en de kwaliteit en veiligheid van kinderopvang te verzekeren. Het college vertrouwt erop dat houders zich uit eigen beweging houden aan alle kwaliteitseisen zoals vastgelegd in wet- en regelgeving. Scherpenzeel spreekt kinderopvanghouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast gaat het college actief in gesprek met houders over lokale ontwikkelingen, signalen en gezamenlijke verbeterkansen. 2. Wettelijk kader en gemeentelijke invulling 2.1 Wettelijk kader Om de kwaliteit in de kinderopvang te verzekeren heeft de Rijksoverheid kwaliteitseisen vastgesteld waar kinderopvangorganisaties zich aan moeten houden. Bijvoorbeeld eisen aan het pedagogisch klimaat (ook in de voorschoolse educatie), personeel en groepen, veiligheid en gezondheid, accommodatie en inrichting en de omgang met ouders. Daarnaast zijn er eisen gesteld aan de administratie van een kinderopvangvoorziening. Deze kwaliteitseisen zijn vastgelegd in de Wet kinderopvang. Daarnaast zijn deze kwaliteitseisen verder uitgewerkt in de volgende regelgeving: •Besluit kwaliteit kinderopvang; •Regeling Wet kinderopvang; •Besluit kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorzieningen voor gastouderopvang; •Regeling kwaliteit gastouderbureaus, gastouders en voorziening voor gastouderopvang; •Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie; en •Besluit Landelijk Register Kinderopvang, register buitenlandse kinderopvang en personenregister kinderopvang. Direct vanaf de start van een opvanglocatie moet aan deze kwaliteitseisen worden voldaan. Ook stelt de wet eisen aan de manier waarop de toestemming tot exploitatie, registratie van voorzieningen, wijzigingen in deze registratie, het toezicht en de handhaving plaatsvindt. Het college is verantwoordelijk voor het geven of intrekken van toestemming, de registratie, het toezicht op en de handhaving van de kwaliteit en kan binnen de wettelijke kaders haar taken invullen. De GGD is de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. De toezichthouder doet onderzoek naar de kwaliteit en beoordeelt of kindercentra, gastouderbureaus, voorzieningen voor gastouderopvang, houders, gastouders en ouderparticipatiecrèches aan de eisen voldoen. Daarnaast is de aanpak bij aanvragen en wijzigingen van locaties afgesproken en is het college verplicht te handhaven wanneer de toezichthouder een overtreding op deze kwaliteitseisen heeft opgemerkt. In deze beleidsregels leest u hoe het college zijn bevoegdheid gebruikt, waarbij er ruimte is voor maatwerk. In deze beleidsregels gaat het over kinderopvang bij: •kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie; •buitenschoolse opvang; •gastouderopvang via gastouderbureaus; •ouderparticipatiecrèches 2.2 Begrippen De belangrijkste begrippen en wat daaronder wordt verstaan zijn opgenomen in de Wet- en regelgeving. In de tabel hieronder staan de belangrijkste begrippen. Begrip Wat het college daaronder verstaat Afwegingsmodel In het afwegingsmodel is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college meestal oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële boetes College Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gemeente Gemeente Scherpenzeel GGD Gemeenschappelijke gezondheidsdienst: GGD Gelderland-Midden/VGGM VGGM Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland-Midden Inspectieonderzoek Een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid Wet kinderopvang LRK Landelijk Register Kinderopvang Toezichthouder De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport Houder De aanbieder van kinderopvang. In de Wet kinderopvang is de wettelijke definitie opgenomen VE Voorschoolse educatie voor kinderen met een indicatie, afgegeven door een medewerker van de jeugdgezondheidszorg (consultatiebureau) IvhO Inspectie van het Onderwijs. De inspecteurs houden, signaal gestuurd, toezicht op de kwaliteit van voorschoolse educatie. VE is onderdeel van het onderwijsachterstandenbeleid 3. Starten van een kinderopvangvoorziening: Voldoen vanaf de start Voordat een kinderopvangvoorziening daadwerkelijk kinderen mag opvangen of een gastouderbureau met haar werkzaamheden mag starten is toestemming nodig van het college. Voor wijzigingen in de registratie kan aanvullende toestemming nodig zijn. 3.1 De aanvraag voor toestemming tot exploitatie Een kinderopvangvoorziening mag pas starten met haar werkzaamheden als zij daarvoor toestemming heeft gekregen van het college. Deze toestemming staat in een brief (een besluit). Daarin staat ook de datum waarop de voorziening mag starten. Dit besluit heet: de toestemming tot exploitatie1. Het aanvragen hiervan kan met een door de Rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier. Deze is te vinden op rijksoverheid.nl en ook op landelijkregisterkinderopvang.nl. Het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) Alle kindercentra, gastouders en gastouderbureaus staan geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang. Het LRK is openbaar en te vinden op landelijkregisterkinderopvang.nl. Alleen als een kinderopvangvoorziening is opgenomen in het LRK hebben ouders recht op kinderopvangtoeslag. 3.2 Streng aan de poort Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag van een kinderopvangvoorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Het college vindt het daarom belangrijk dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en onderliggende regelgeving. Het college geeft dan ook alleen toestemming voor exploitatie als de toezichthouder vindt dat een houder van een kinderopvangvoorziening vanaf de start kan voldoen aan de kwaliteitseisen en verantwoorde en kwalitatief goede opvang kan aanbieden2. Deze aanpak staat bekend als ‘Streng aan de poort’. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de gastouders die zij begeleidt, aan de kwaliteitseisen voldoen. Het college laat alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder alle kwaliteitsaspecten vooraf, zoals de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen belangrijk dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook dat die structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden. Tenslotte neemt de toezichthouder bij haar beoordeling ook de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder mee. Goede kwaliteit bij andere voorzieningen van de houder kan ertoe leiden dat het college sneller een positief besluit neemt. Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan reden zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld. Een kinderopvangvoorziening moet vanaf registratie voldoen aan alle kwaliteitseisen en verantwoorde opvang aanbieden. Binnen drie maanden na registratie beoordeelt de toezichthouder of de voorziening in de praktijk ook aan de kwaliteitseisen voldoet. De houder moet niet alleen voldoen aan de eisen uit de Wet kinderopvang bij een nieuwe aanvraag, maar ook andere vergunningen, die belangrijk zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen, op orde hebben. Zoals het voldoen aan alle relevante eisen over bouw en brandveiligheid. Niet voldoen aan bouwtechnische - en brandveiligheidseisen kan directe gevolgen hebben voor de veiligheid van de kinderopvang. Daarnaast moet de kinderopvang ook passen in het bestemmingsplan 3.3 Op tijd aanvragen De aanvraag moet op tijd worden gedaan, want het college heeft 10 weken de tijd om een beslissing op de aanvraag te nemen3. Deze termijn kan worden verlengd, volgens de voorwaarden in de AWB. Als er toestemming is gegeven, registreert het college de voorziening ook gelijk in het Landelijk Register Kinderopvang. Het exploiteren van een kinderopvangvoorziening zonder toestemming van het college is strafbaar gesteld. Dit is een economisch delict. (artikel 1a, onder 1° Wet op de economische delicten (WED) jo. artikel 1.45 Wet kinderopvang). 3.4 Niet gemelde kinderopvang Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gekregen, geldt dit als niet gemelde of illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding (art. 1.45 Wet kinderopvang en ex art. 1a WED). In dat geval kan het college niet zorgen voor verantwoorde en veilige opvang voor kinderen. Het college treedt hiertegen streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder kan een bestuurlijke boete krijgen. Ook kan het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. 3.5 Wijzigingen registratiegegevens LRK4 Na het krijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens voorkomen. Het is belangrijk elke wijziging direct door te geven aan het college door een wijzigingsformulier. Het college kan dan bepalen of er vooraf aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek moet gebeuren door de toezichthouder. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn waar en hoeveel kinderen worden opgevangen, wie verantwoordelijk is voor deze opvang en hoe de opvang bereikbaar is. Het college kan een boete opleggen als een doorgevoerde wijziging niet of te laat is doorgegeven. Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om: •de toekenning van een KvK-vestigingsnummer; •het wijzigen van het (correspondentie)adres; bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon; •de beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening. Maar ook de volgende wijzigingen moeten worden gemeld. 3.6 Wijziging houder of rechtsvorm Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen moet deze nieuwe houder een wijzigingsformulier indienen. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt. Ook als de bestuurder hetzelfde blijft. Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder. De toezichthouder richt het onderzoek in vanuit de inspectiegeschiedenis, het risicoprofiel van de locatie en een quickscan tijdens het bezoek aan de locatie. Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want ook als een andere houder een kinderopvangvoorziening overneemt, is het belangrijk dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van het doorgaan van de opvang. Het is voor deze voortgang van opvang belangrijk dat de houder de aanvraag op tijd indient en alle nodige stukken zijn bijgevoegd. 3.7 Wijziging aantal kindplaatsen5 Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder zoveel als het kan aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld aan de eisen in het domein Accommodatie en groepen. Wanneer dit aantal later wijzigt moet de houder dit als wijziging doorgeven. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig. Het college geeft toestemming voor de wijziging als de houder daarmee aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. 3.8 Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie Als een gastouder zich wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan moet dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aanvragen via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie moet op tijd worden gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders. 3.9 Verhuizing Verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag, omdat registratie en exploitatie aan het exacte adres hangt. Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven. 3.10 Wijzigingsformulier op tijd indienen Wijzigingen moeten worden ingediend met een wijzigingsformulier. Dit is te vinden op rijksoverheid.nl en ook landelijkregisterkinderopvang.nl De houder moet het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indienen. Voor de houderwijziging en wijziging rechtsvorm geldt een termijn van 10 weken. Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet gebeuren. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan worden geregistreerd. Voor sommige wijzigingen (zoal het wijzigen van een telefoonnummer of correspondentieadres) wordt geen besluit afgegeven. Het college informeert de houder als de wijziging is opgenomen in het LRK. Een gastouder moet wijzigingen bij het gastouderbureau melden. Het gastouderbureau dient vervolgens een wijzigingsverzoek in bij de gemeente. 4. Toezicht: Aanspreken op verantwoordelijkheid Jonge kinderen zijn kwetsbaar. Toezicht op de kwaliteitseisen verzekert dat de kinderopvang voor alle kinderen verantwoord en veilig is. Ook heeft toezicht een belangrijke functie in het ontwikkelen van vertrouwen voor goede en veilige opvang van kinderen. Daarnaast levert toezicht een belangrijke aanmoediging tot kwaliteitsbewaking in de kinderopvang. In het toezicht is het gesprek tussen houder en toezichthouder belangrijk en daarbij richt de toezichthouder zich op de kwaliteitsbeoordeling. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen speciale situaties een rol spelen. Deze situaties blijken uit het rapport van de toezichthouder. Wat u als ondernemer kunt verwachten van een onderzoek van de toezichthouder De toezichthouder is onafhankelijk en beoordeelt of een kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen. Vervolgens adviseert de toezichthouder het college op basis van de bevindingen. De toezichthouder vormt een oordeel aan de hand van onder andere: 1.observaties; 2.de inrichting en het gebruik van alle ruimtes waar kinderen gebruik van maken; 3.gesprekken met medewerkers; 4.een gesprek met de houder; 5.documentenonderzoek; 6.schriftelijk of persoonlijk contact met de oudercommissie. Een bezoek van de toezichthouder vindt doorgaans onaangekondigd plaats. Meer informatie leest u in de folder: Toezicht en handhaving kinderopvang van GGD GHOR Nederland. 4.1 Dialooggericht werken Toezichthouden is meer dan ‘controleren vanuit wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. Ook de manier waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld, bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang. Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. Zij gaat daarbij in op de manier waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen kijken of de kwaliteit van de geboden opvang echt is verzekerd. Daarbij speelt ook het kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol. In het belang van een goed gesprek zal de toezichthouder: •zonder oordeel luisteren en meekijken; •open vragen stellen en doorvragen en •controleren of de toezichthouder zaken goed heeft begrepen. De toezichthouder moedigt kinderopvangorganisaties aan om te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s kleiner te maken. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en zet de toezichthouder houders ertoe aan om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren. Wanneer er een tekortkoming is, is het belangrijk om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de inbreuk was op de geboden kwaliteit van opvang. Dit weegt de toezichthouder mee in het oordeel en advies aan het college. 4.2 Risico gestuurd De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de kwaliteit en naleving van de kinderopvang. Dit betekent: minder sterk toezicht waar geen zorgen zijn en sterker toezicht waar risico’s bestaan. Daarbij staat vertrouwen centraal, maar gebrek aan helderheid, een afwachtende houding of het uitblijven van verbetermaatregelen geven aanleiding tot zorg. Na elk onderzoek stelt de toezichthouder, en als het nodig is tussendoor, een risicoprofiel op vanuit een landelijk model. Dit profiel bepaalt de intensiteit en frequentie van het toezicht. Er worden drie risicocategorieën onderscheiden: • laag risico: goede naleving, geen of beperkte overtredingen; • gemiddeld risico: incidentele overtredingen; • hoog risico: herhaalde of ernstige overtredingen. Het risicoprofiel wordt minimaal elk jaar aangepast. Overtredingen bij één locatie kunnen leiden tot verscherpt toezicht op andere locaties van dezelfde houder. Bij gastouderopvang wordt het risicoprofiel van het gastouderbureau betrokken. 4.3 Onderzoeken De toezichthouder voert verschillende onderzoeken uit, te weten: •onderzoeken voor registratie •onderzoeken na registratie •reguliere jaarlijkse inspectieonderzoeken •incidentele onderzoeken •nader onderzoek (na geconstateerde overtreding(en) Ook kan de toezichthouder thema-onderzoeken uitvoeren. Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks minimaal 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie minimaal een keer per 3 jaar bezocht wordt. 4.4 Flexibele inspectieactiviteit Door de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die gaan over: •Verklaringen Omtrent het Gedrag; •registratie in het Personenregister kinderopvang; •pedagogische kwaliteit; •voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is). Afhankelijk van bijvoorbeeld het risicoprofiel en de bepaalde speerpunten onderzoekt de toezichthouder de andere eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen. 4.5 Speerpunten Vanaf 1 januari 2022 werken gemeenten en toezichthouders met een regionaal opgesteld uitvoeringsplan voor de flexibele inspectieactiviteit. Alle gemeenten van Gelderland-Midden hebben het plan goedgekeurd. Landelijke en lokale ontwikkelingen kunnen leiden tot een aanpassing van dit plan. In een bepaald jaar kan bijvoorbeeld een specifiek thema centraal komen te staan. In Gelderland-Midden hebben gemeenten en GGD afgesproken om de uitvoering meestal gemeenschappelijk aan te pakken. Als er reden is voor thematisch onderzoek binnen één of meerdere gemeenten, komt dit op de agenda te staan van het regionaal overleg kinderopvang. Voor de betreffende gemeente(n) kan een aanvullend uitvoeringsplan opgesteld worden. 4.6 Herstelaanbod De toezichthouder beoordeelt de kwaliteit op locatie, maakt hiervan een rapport en adviseert aan de gemeente. Bij overtredingen kan de toezichthouder, onder voorwaarden, de keuze aanbieden om te laten zien hoe de houder deze oplost, nog tijdens de onderzoeksperiode. Dit is het herstelaanbod. Uitgangspunt van de toezichthouder daarvoor is altijd dat het gaat om van blijvend herstel. Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij: ■het om een overtreding bij een nader onderzoek of onderzoek voor registratie gaat; ■de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk acht (schriftelijk bevel); ■de houder teveel voorschriften niet naleeft. Er is voor gekozen geen aantal te benoemen, maar dit over te laten aan de deskundigheid van de toezichthouder; ■hersteltermijm wordt door de toezichthouder bepaald. In de uitvoeringspraktijk hanteert GGD GHOR doorgaans een maximale hersteltermijn van vier weken. In de volgende situaties volgt een advies tot handhaving: •De houder heeft niet gezorgd voor (duurzaam) herstel; de houder kan niet aantonen dat de tekortkoming (duurzaam) hersteld is. Het herstelaanbod is een mogelijkheid die de toezichthouder inzet voor een snel herstel van een tekortkoming. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan accepteren. Binnen de, door de toezichthouder, aangegeven tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport is opgesteld. De afweging of een houder een herstelaanbod krijgt en welke termijn daarvoor geldt, ligt bij de toezichthouder. Daarmee is een herstelaanbod ook geen recht. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast. Na de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven. Dit aanbod leidt tot snellere inzet van het herstel en een betere voorspelling van de nalevingsbereidheid. De toezichthouder beschrijft in het rapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is afgehandeld en de kwaliteit structureel verbeterd is. Na de onderzoeksperiode geeft de toezichthouder een advies aan het college welke is opgenomen in het inspectierapport. 4.7 Schriftelijk bevel6 Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding is, heeft de toezichthouder de mogelijkheid om zelf in te grijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden. Het bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen. Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, treedt het college verder op bijvoorbeeld door het bevel te verlengen. 4.8 Signalen Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang belangrijk en voert dit samen met de GGD uit. Signalen uit de samenleving vormen daarbij een belangrijke aanvulling op het toezicht. Het college en de toezichthouder roepen betrokkenen op zorgen en meldingen te delen via kinderopvangtoezicht@vggm.nl of telefonisch via het algemene nummer van de GGD. De toezichthouder werkt signaal gestuurd en beoordeelt per melding welke actie nodig is. Dit kan leiden tot: •geen vervolgactie; •extra aandacht binnen regulier toezicht; •een incidenteel onderzoek; •direct handhavend optreden. Het college stimuleert ouders, beroepskrachten, professionals, omwonenden of andere betrokkenen om meldingen en signalen over de kwaliteit te delen. Bij signalen waarbij de veiligheid of gezondheid van kinderen in het geding is, wordt met spoed ingegrepen. Signalen kunnen ook worden gedeeld met andere relevante toezichthouders. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook kan de toezichthouder signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio. 4.9 Gastouderopvang Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van de vraagouder, is kleinschalig en persoonlijk. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken soms af van die voor kindercentra. Dit gaat bijvoorbeeld over de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogen principe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord moet kunnen worden door een andere volwassene) en dus minder zicht op de dagelijkse praktijk. Ook zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In de gemeente kunnen ook gastouders actief zijn die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft de toezichthouder minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Dit alles maakt de gastouderopvang een kwetsbare sector. De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten de gemeente. Zoveel mogelijk van de inspecties bij gastouders en gastouderbureaus zijn onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt, dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die de toezichthouder ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht. Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken. 4.10 Voorschoolse educatie Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie. Zij doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van dit aanbod in de gemeente. Verschillende kinderdagverblijven in Scherpenzeel bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn, staat in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod waarin op een gestructureerde en samenhangende manier de ontwikkeling wordt gestimuleerd op het gebied van taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling en om de kinderen voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB). Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de hele voor- en vroegschoolse educatie (vve). De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid. Meer informatie hierover is te vinden in het VE-beleid en het subsidiebeleid van de Gemeente Scherpenzeel. 5. Handhaving: Gericht op structureel herstel Houders zijn primair verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun aanbod. Ouders moeten er ook op kunnen vertrouwen dat het college passende maatregelen neemt als de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet. Of de kwaliteit van de kinderopvang tekortschiet blijkt meestal uit inspectierapporten van de toezichthouder. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan ook door het college zelf worden vastgesteld. Het college verwacht dat houders kwalitatief goede kinderopvang bieden en overtredingen structureel herstellen en voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen, indien van toepassing, op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is verzekerd dat een vastgestelde overtreding niet wordt herhaald op één van de andere locaties. Daar waar dat nodig is grijpt het college in via handhaving. Het college gebruikt daarbij verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen en heeft daarbij de volgende uitgangspunten: •vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang; •verbeteren van minder goede kinderopvang; •snel en structureel herstel bij tekortkomingen; •(tijdelijke) sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet. Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt per overtreding welke maatregel het meest geschikt en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Want de situatie bij iedere houder, locatie en overtreding is verschillend en daarom kan ook de aanpak bij overtredingen verschillen. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een snel herstel van de overtreding(en). 5.1 Preventief handhaven In het belang van kwalitatief goede kinderopvang en om het naleven van kwaliteitseisen te verbeteren, heeft het college ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente. Dit geldt ook voor het team toezicht van de GGD. Vormen van contact: •Houdergesprekken tussen één houder en de contactpersoon kinderopvang van de gemeente en eventueel de toezichthouder. •Houdergesprekken tussen één houder, de beleidsadviseur toezicht en een toezichthouder kinderopvang. De gesprekken vinden plaats als beide partijen de wens uitspreken om dit te doen en de personele capaciteit het toelaat. •Gesprekken met alle houders tegelijk (inclusief gastouderbureaus) kunnen op uitnodiging van de gemeente gehouden worden. De gemeente nodigt hiervoor alle houders uit die één of meerdere kinderopvanglocaties in hun gemeente hebben. Alle deelnemers krijgen de mogelijkheid om agendapunten aan te leveren. De gesprekken zijn bedoeld om informatie en ervaringen met wet- en regelgeving uit te wisselen zorgen voor begrip bij alle partijen, verbeteren van de kwaliteit en voorkomen van overtredingen. 5.2 Handhavingsafwegingen Het college bepaalt, vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, per overtreding, locatie en houder welke handhavingsmaatregel passend en noodzakelijk is. Daarbij worden handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk opgesteld en waar het kan samengevoegd, zodat voor de houder helder is welke maatregelen worden verwacht. Bij elk besluit betrekt het college alle belangrijke feiten en belangen en wordt beoordeeld welke maatregel geschikt en noodzakelijk is om kwalitatief goede kinderopvang te verzekeren. Daarbij wordt getoetst of de maatregel evenredig is kijkend naar de ernst van de overtreding en de gevolgen voor de kwaliteit van de opvang. Verzachtende en verzwarende omstandigheden worden in deze afweging meegenomen. Het oordeel van de toezichthouder en eventuele zienswijzen van de houder worden daarbij nadrukkelijk betrokken. In beginsel wordt per overtreding gehandhaafd. Als blijkt dat de overtreding structureel is hersteld, kan het college afzien van handhaving. Herhaalde overtreding van hetzelfde voorschrift binnen één onderzoek wordt meegewogen in de ernst en kan leiden tot een kortere hersteltermijn of een zwaardere maatregel. Met het nemen van een handhavingsbesluit wordt uitgegaan van een zorgvuldig uitgevoerd inspectieonderzoek. Bij de keuze van de maatregel kijkt het college in ieder geval naar: •de ernst en aard van de overtreding; •de risico’s voor veiligheid, gezondheid en ontwikkeling van kinderen; •de nalevingsbereidheid en transparantie van de houder; •de mate van verwijtbaarheid; •de duur van de overtreding; •eerdere overtredingen (recidive); •de impact op ouders en kinderen. Het college legt deze afweging gemotiveerd vast in het handhavingsbesluit. 5.3 Herstellend en bestraffend handhaven Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven. Herstellende handhaving is bedoeld om een gemaakte overtreding blijvend te herstellen. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. En kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen. Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van gemaakte overtredingen, het maakt niet uit of deze inmiddels hersteld zijn. Als het college herstellend handhaaft, kan tegelijkertijd voor dezelfde overtreding ook bestraffend worden gehandhaafd. 5.4 Recidive Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive. Bij recidive zet het college meestal direct een zwaarder handhavingsmiddel in. Het college hanteert hierbij de volgende uitgangspunten: •Als een overtreding binnen een periode van 3 jaar na een eerdere constatering opnieuw plaatsvindt, wordt dit aangemerkt als recidive; •Bij recidive legt het college in beginsel direct een zwaardere maatregel op dan bij de eerdere overtreding; •Als eerder een aanwijzing is gegeven, kan bij herhaling direct een last onder dwangsom worden opgelegd; •Als eerder een last onder dwangsom is opgelegd en de overtreding wordt herhaald, kan het college overgaan tot verhoging van de dwangsom of inzet van een zwaarder instrument, zoals een exploitatieverbod; •Bij herhaalde overtredingen kan het college het boetebedrag verhogen, waarbij als richtlijn geldt dat het bedrag met maximaal 50% kan worden verhoogd; •Als sprake is van structurele overtredingen over een langere periode, kan het college besluiten tot sluiting van de locatie of intrekking van de toestemming tot exploitatie. Het doel van deze aanpak is om structurele naleving van de kwaliteitseisen te bereiken en herhaling van overtredingen te voorkomen. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel. 5.5 Organisatieniveau Het college voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij het college wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen. Bij constateringen op één locatie verwacht het college van de houder dat die organisatie breed verbeteringen doorvoert. Tekortkomingen moeten voor de hele organisatie worden hersteld en niet alleen op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties. Het college kan handhaving op organisatieniveau toepassen als: -sprake is van overtredingen op meerdere locaties van één houder; -sprake is van structurele tekortkomingen in bedrijfsvoering of kwaliteitsborging; -de overtreding wijst op een organisatiebreed risico. In deze gevallen kan het college bijvoorbeeld: -aanvullende inspecties uitvoeren op andere locaties van dezelfde houder; -eisen dat een organisatiebreed verbeterplan wordt opgesteld; -maatregelen opleggen die van toepassing zijn op alle locaties van de houder. Het doel hiervan is het voorkomen van herhaling van overtredingen binnen de hele organisatie. 5.6 Handhavingsmiddelen Het college kiest bij de inzet van handhavingsinstrumenten voor dié instrumenten die het snelst en meest effect hebben. In overeenstemming met de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt bij het opleggen van boetes en dwangsommen altijd gekeken naar de proportionaliteit van de maatregel. De maatregel moet in verhouding staan tot de ernst van de overtreding. Het college spreekt houders aan op de eigen verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van hun aanbod. Zodra de kwaliteit tekortschiet, spoort het college de houder aan om deze tekortkoming(en) snel en structureel te herstellen. Het resultaat van bijvoorbeeld een herstelaanbod kan voor het college reden zijn om niet direct bestuurlijk te handhaven. Door kinderopvanghouders hiertoe de kans te geven, worden tekortkomingen eerder hersteld en kan het college onnodig handhaven voorkomen. Dat kan bijvoorbeeld passend zijn als overtredingen zijn hersteld of als uit het inspectierapport blijkt dat een overtreding zoveel als het kan binnen afzienbare periode is hersteld. Deze werkwijze kan worden toegepast wanneer de houder eerder voldoende nalevingsbereidheid heeft getoond en direct is begonnen met het nemen van verbetermaatregelen. Ook is het belangrijk dat sprake is van een kwalitatief goede en transparante bedrijfs- en beleidsvoering, waarbij geen twijfel bestaat over de naleving. Daarvoor zijn bijvoorbeeld een inzichtelijke en transparante organisatie, beleidsvoering en administratie belangrijk. De houder moet het college informeren over de genomen verbetermaatregelen. Ook kan de toezichthouder (nader) onderzoek uitvoeren om te beoordelen in hoeverre de houder echt zelf zorgt voor kwaliteitsverbetering. Wanneer blijkt dat dit niet of onvoldoende het geval is, dan zet het college alsnog bestuurlijke handhaving in om de naleving van de kwaliteitseisen af te dwingen. Het herstelaanbod heeft invloed op de inzet van handhaving. In het rapport is feitelijke informatie opgenomen over de mate van herstel en de nalevingsbekwaamheid en -bereidheid van de houder. De handhaver weegt dit mee in het handhavingsbesluit en blijft altijd bevoegd om een herstelmaatregel op te leggen. Ook kan het college na herstel een bestuurlijke boete opleggen voor de overtreding die in het verleden is gemaakt. Het college hanteert bij handhaving een stapsgewijze aanpak, waarbij de zwaarte van de maatregel toeneemt wanneer herstel uitblijft of overtredingen worden herhaald: 1.Aanwijzing 2.Last onder dwangsom 3.Verlengen van een bevel 4.Exploitatieverbod (tijdelijke sluiting)7 5.Intrekken toestemming tot exploitatie 6.Last onder bestuursdwang 7.Bestuurlijke boete Afhankelijk van de ernst van de overtreding kan het college gemotiveerd afwijken van deze volgorde en direct een zwaarder handhavingsmiddel inzetten. 5.6.1 De aanwijzing Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden gestopt, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw maakt. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om aan de wet te voldoen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. De aanwijzing is vaak de meest passende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die altijd aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken. 5.6.2 De last onder dwangsom Als een aanwijzing niet heeft geleid tot structureel herstel van een overtreding, kan het college een last onder dwangsom opleggen. Het college kan ook direct een last onder dwangsom opleggen, zonder eerst een aanwijzing te geven. Met een last onder dwangsom verplicht het college de houder om binnen een vastgestelde termijn maatregelen te nemen om de overtreding te herstellen. Als de houder de overtreding binnen deze termijn herstelt en niet opnieuw maakt, hoeft geen dwangsom te worden betaald. Wanneer de overtreding niet op tijd is hersteld of opnieuw wordt vastgesteld, verbeurt de houder een dwangsom. Een last onder dwangsom kan ook worden ingezet bij herhaalde overtredingen. Daarom wordt een maximumbedrag vastgesteld dat aan dwangsommen kan worden verbeurd. Het college kan daarnaast een last onder dwangsom opleggen wanneer binnen drie jaar na een eerder opgelegde aanwijzing opnieuw een overtreding van dezelfde kwaliteitseis wordt vastgesteld. Dit geldt ook als die kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld zonder dat daarbij een overtreding is geconstateerd. De last onder dwangsom is meestal het meest passende handhavingsinstrument wanneer een aanwijzing onvoldoende resultaat heeft gehad en sluiting van de opvang nog niet proportioneel is. Met de financiële prikkel van een dwangsom wordt de houder gestimuleerd om de overtreding duurzaam te herstellen, terwijl de opvang in principe open kan blijven. 5.6.3 Verlengen van een bevel Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen. 5.6.4 Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod8 Zodra uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Ook kan de kinderopvang gesloten worden zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt. Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven, zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek. Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is. Bij een gastouder kan het college sneller over gaan tot sluiting van de opvangvoorziening bij ernstige overtredingen. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de betreffende gastouder en het college kan daarom minder snel verbetering na herhaling van overtredingen verwachten. Als het college een kinderopvanglocatie sluit, moet de houder de ouders zelf informeren over deze sluiting. Daarnaast publiceert het college de (tijdelijke) sluiting. 5.6.5 Intrekken toestemming Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan kan het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet volgt, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet kunnen worden hersteld, sluit het college de kinderopvang definitief. Dit doet zij door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK. Een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt. Het college kan de toestemming ook direct intrekken bijvoorbeeld als: -niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau; -het gaat om (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden. 5.6.6 De last onder bestuursdwang De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis te stoppen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang meestal geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder. 5.6.7 Bestuurlijke boete9 Naast de handhaving met het doel herstel maakt het college ook gebruik van de mogelijkheid bestuurlijke boetes op te leggen. Bij elk besluit weegt het college af welk handhavingsmiddel geschikt, noodzakelijk en proportioneel is. De hoogte van de boete bedraagt maximaal het bedrag dat is vastgesteld in artikel 1.72 van de Wet kinderopvang. Voor enkele ernstige overtredingen kan het college direct een boete opleggen, ook als de houder maatregelen neemt om herhaling of het doorgaan van een overtreding te voorkomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het niet opvolgen van een aanwijzing of bevel van de toezichthouder of niet meewerken aan een onderzoek als de toezichthouder daarom vraagt. Van de boete gaat, naar verwachting, ook een preventieve werking uit. Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk ook als één kwaliteitseis verschillende keren is overtreden. Daarnaast kan het college een boete opleggen als een houder na een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis verschillende keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat wordt opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed. Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt geen rol bij het bepalen van de hoogte van een boete. Deze draagkracht is voor het college moeilijk vast te stellen. Een boete raakt niet elke overtreder even zwaar. De boete mag niet onevenredig zijn en het college kan besluiten om de bestuurlijke boete te matigen, als de belanghebbende aannemelijk maakt dat de boeteoplegging onevenredig is op grond van: -de ernst van de overtreding, -de mate van verwijtbaarheid, -de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan of -de omstandigheden waarin de overtreder verkeert. Als de overtreder kan aantonen dat hij een boete niet in één keer kan betalen zonder dat het voortbestaan van de opvang in gevaar komt, dan is dat in beginsel geen reden om een boete te matigen of van het opleggen van een boete af te zien. Wel kan dit reden zijn om een betalingsregeling toe te staan. Het (vrijwillig) sluiten van een locatie is ook geen reden om van het opleggen van een boete af te zien. Overtredingen van de in het afwegingsmodel genoemde voorschriften kunnen zulke ernstige gevolgen hebben dat kinderen deze levenslang met zich mee kunnen dragen. Dit zijn dan ook zeer ernstige overtredingen, in beginsel legt het college hiervoor altijd een boete op. Wanneer een organisatie het niet eens is met de opgelegde maatregel, kan zij op vanuit de Awb bezwaar maken en, als het nodig is, beroep aantekenen bij de rechter. Dit biedt kinderopvangorganisaties de mogelijkheid om juridische bescherming te zoeken tegen maatregelen die zij als onterecht ervaren. 5.6.8 Gastouderopvang De eerder beschreven werkwijze geldt ook voorde gastouderopvang. Daarbij houdt het college wel rekening met de aard van de gastouderopvang. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. Bij de handhaving op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken belangrijk: - Lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder ook minder opbrengst uit de kinderopvang. Het college houdt hier rekening mee bij de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen. - Boetes voor niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het belangrijk dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college kan direct boetes opleggen voor het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau, zij moeten wijzigingen op tijd melden. - Snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen. - Signaal naar andere gemeenten: als het college handhavingsmaatregelen inzet bij een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het betreffende college. - Personenregister kinderopvang: Het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het personenregister kinderopvang. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het gastouderbureau moet ervoor te zorgen dat zij op tijd de juiste informatie van hun gastouders ontvangen. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan een gastouderbureau om aan te tonen dat zij er alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen. - Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente: De toezichthouder kan bij een onderzoek bij een voorziening voor gastouderopvang binnen onze gemeente een overtreding vaststellen, begaan door een gastouderbureau gevestigd buiten onze gemeente. Aan gastouderbureaus gevestigd buiten onze gemeente mag het college geen aanwijzing opleggen. Ook het opleggen van een last onder dwangsom is in dit geval geen passend handhavingsmiddel. Want het college is meestal niet zelf verantwoordelijk voor het toezicht op deze bureaus. Een last onder dwangsom is alleen een effectief handhavingsmiddel als deze ook wordt ingevorderd bij herhaling van een overtreding. Nu het college hierop buiten haar gemeentegrenzen geen toezicht kan houden, vervalt de werkzaamheid van dit handhavingsmiddel. Het enige handhavingsmiddel dat passend en daarmee noodzakelijk voor handhaving bij deze bureaus is het opleggen van een bestuurlijke boete. 5.6.9 Voorschoolse educatie (VE) Als het gaat om een overtreding van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie, kan de toezichthouder ook voor de ve specifieke eisen een herstelaanbod geven. Het college verstrekt subsidie aan kinderdagverblijven met voorschoolse educatie om een aanvullend kwaliteitsniveau te bereiken. Als de toezichthouder een overtreding vaststelt van de wettelijke kwaliteitseisen voorschoolse educatie, zet het college de handhavingsmiddelen in die hiervoor zijn beschreven. Als een aanwijzing niet is opgevolgd, treedt het college eerst op binnen de subsidierelatie. Overtredingen kunnen reden zijn voor het weigeren van een subsidieaanvraag of leiden tot lagere subsidievaststelling. Bij overtredingen van de aanvullende gemeentelijke kwaliteitseisen treedt het college direct op binnen de subsidierelatie. 5.6.10 Publicatie van handhavingsbesluiten10 Het college maakt een handhavingsbesluit openbaar in het LRK zodra deze definitief is. Een handhavingsbesluit is definitief zodra alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In het besluit staat hoe in bezwaar en/of beroep kan worden gegaan. 6. Intrekking, inwerkingtreding en citeertitel 6.1 Intrekking De Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang Scherpenzeel 2018 worden ingetrokken op de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels. 6.2 Inwerkingtreding De Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang Scherpenzeel 2026 treden in werking op de dag na bekendmaking in het Gemeenteblad. 6.3 Citeertitel Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels toezicht en handhaving Wet kinderopvang Scherpenzeel 2026. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 28 september 2026. A.J. Barink Secretaris M.C. TeunissenBurgemeester Bijlage: Afwegingsmodel Handhaving samengevat Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In het afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen. De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de kans bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel. Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid. Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel kan het college de locatie (tijdelijk) sluiten met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt kan het college een kinderopvanglocatie direct sluiten. Blijkt na (tijdelijke) sluiting de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken. Voor bepaalde overtredingen kan het college een boete opleggen voor het niet opvolgen van een aanwijzing. De bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in http://wetten.overheid.nl/BWBR0001854/2024-07-01artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht . Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is vooral aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële boete is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive kan het college dit maximum verdubbelen. Hersteltermijnen Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct of binnen maximaal 7 dagen worden beëindigd. Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld. Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen een gemiddelde termijn van maximaal 21 dagen worden hersteld. Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is. Evaluatie van handhavingsbeleid Het handhavingsbeleid is dynamisch en wordt regelmatig geëvalueerd. De gemeente voert periodieke evaluaties uit van het handhavingsbeleid en stuurt waar nodig bij. Dit gebeurt op basis van de resultaten van de uitgevoerde inspecties, nieuwe wetgeving, en feedback van kinderopvangorganisaties en ouders. Deze evaluaties dragen bij aan een continue verbetering van het toezicht en de handhaving, zodat het beleid altijd is afgestemd op de actuele eisen en omstandigheden. Dwangsommen Kindercentrum11 Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving Administratie de derde categorie Maatregelen aanpak A-ziekten de derde categorie Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Pedagogisch klimaat Pedagogisch beleid de derde categorie Pedagogische praktijk de derde categorie Voorschoolse educatie de derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie de derde categorie Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Personeel en groepen Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang de derde categorie Opleidingseisen de derde categorie Aantal beroepskrachten de derde categorie Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs de derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers de tweede categorie Stabiliteit van de opvang voor kinderen de tweede categorie Voertaal de tweede categorie Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Veiligheid en gezondheid Veiligheids- en gezondheidsbeleid de tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling de tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht de tweede categorie Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Accommodatie Eisen aan ruimtes de tweede categorie Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Ouderrecht Informatie de tweede categorie Oudercommissie de tweede categorie Klachten en geschillen de tweede categorie Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Dwangsommen Gastouderbureau Personeel Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang de derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling Personeelsformatie per gastouder de tweede categorie Overtredingen in het domein Personeel hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van opvang. Veiligheid en gezondheid Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid de tweede categorie Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling de tweede categorie Meld- overleg- en aangifteplicht de tweede categorie Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van opvang. Ouderrecht Informatie de tweede categorie Oudercommissie de tweede categorie Klachten en geschillen de tweede categorie Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige gevolgen voor de kwaliteit van kinderopvang. Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht Kwaliteitscriteria de tweede categorie Administratie gastouderbureau de tweede categorie Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote gevolgen voor de kwaliteit van opvang. Dwangsommen Gastouder Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Dwangsommen Ouderparticipatieopvang Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan. Bestuurlijke boete Per overtreding van het voorschrift. Voor enkele overtredingen kan het college ervoor kiezen om, naast een herstelmaatregel, een boete op te leggen. Deze overtredingen staan in de tabel: ‘Directe boete'. Voor de andere overtredingen kan naast een herstelmaatregel ook een boete worden opgelegd. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximum boetebedrag. Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gemaakt. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont. Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn gemaakt, legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie Directe boete (indien gewenst) algemeen kindercentrum en GOB gastouders Exploitatie zonder toestemming college de vierde categorie de derde categorie Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst de derde categorie Schenden medewerkingsplicht de derde categorie de tweede categorie Niet opvolgen bevel de vierde categorie de derde categorie Overtreden exploitatieverbod de vierde categorie de tweede categorie Niet (op tijd) melden wijzigingen de tweede categorie Personeel en groepen Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang de derde categorie Opleidingseisen de derde categorie Aantal beroepskrachten de derde categorie Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs de derde categorie Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers de tweede categorie Stabiliteit van de opvang voor kinderen de tweede categorie Voertaal de tweede categorie Gastouders - Personeel en groepen Verklaring omtrent Gedrag (VOG) de eerste categorie per ontbrekende VOG Groepsgrootte en groepssamenstelling de eerste categorie per overtreding Kwalificatie Het benodigde diploma, certificaat, enz. de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie Kwaliteit gastouderbureau Pedagogische praktijk Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder: Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang. de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht: De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang: Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen Veiligheid en gezondheid: Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang de tweede categorie Hiervoor kan een boete worden opgelegd Overige kwaliteitseisen Niet opvolgen aanwijzing de derde categorie, voor gastouder tweede categorie Eisen ruimtes gastouderopvang: De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers de derde categorie
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio

Meer meldingen zoals "Beleidsregels toezicht en handhaving wet kinderopvang Scherpenzeel 2026"

Bestemmingsplan
Gelders programma Wonen

Omgeving
Provincie Gelderland Omgevingswet Natura 2000-activiteit locatie Puurveen-Zuid te Kootwijkerbroek

Mededelingen
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 8 september 2026, houdende instemming met de instelling van het Landelijk Deskundigenteam Wolven door BIJ12 (Besluit instemming Landelijk Deskundigenteam Wolven)

Mededelingen
Beleidsregels toezicht en handhaving wet kinderopvang Scherpenzeel 2026

Omgeving
Aanvraag Omgevingsvergunning voor het plaatsen van een batterijcontainer aan De Landweer 13 Barneveld

Mededelingen
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 13 oktober 2026, nr. UTSP-1451650717-16236, tot vaststelling van de Beleidsregels natuur en landschap 2027

Bestemmingsplan
Vaststelling artikelsgewijze toelichting bij Omgevingsverordening Gelderland wijziging 2025-2026

Omgeving
Afgerond, MER-beoordeling, Scherpenzeelseweg 66 Barneveld, MER-beoordeling wijziging veehouderij.

Mededelingen
Aanwijzing Interbestuurlijk Toezichthouders Provincie Utrecht 2026

Omgeving
Aanvraag Omgevingsvergunning voor het plaatsen van een overkapping aan J. van der Woerd-Mollstraat 27 Barneveld

Bestemmingsplan
Intrekking van regeling "Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie Gelderland"

Bestemmingsplan
Omgevingsverordening Gelderland

