Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-07-16
Gepubliceerd door
Gemeente Lingewaard
Informatie
Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026 Het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard heeft op 7 juli 2026 de Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026 vastgesteld. Het college van burgemeester en wethouders van Lingewaard heeft op 7 juli 2026 de Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen 2026 vastgesteld, gelet op: •Artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb); •De Participatiewet, zoals gewijzigd door de Wet participatiewet in balans (fase 1 per 1 januari 2026) •De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) •De Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) •Het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) •De Wet van school naar duurzaam werk (in werking per 1 januari 2026) •De Verordening sociaal domein Gemeente Lingewaard 2026-1 besluit vast te stellen de volgende Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen 2026 Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen In dit hoofdstuk staan regels en uitgangspunten die voor alle onderwerpen in de volgende hoofdstukken gelden. Artikel 1.1 Begripsbepalingen 1.1.1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Awb, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet van School naar Duurzaam werk.1.1.2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: a. belanghebbende Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken b. college/ wij Burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard c. draagkracht Het bedrag dat de inwoner zelf kan betalen als zich bijzondere noodzakelijke kosten voordoen. d. Bbz 2004 Besluit zelfstandigen 2004 e. gift Een onverplichte betaling dan wel schenking van geld, goederen of een andere vorm niet zijnde geld, waarvoor niets terug wordt verlangd. f. giften met een specifieke bestemming Giften waarvoor belanghebbende, als deze de gift niet had ontvangen, aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. g. IOAW Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers h. IOAZ Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte gewezen Zelfstandigen i. jongere De belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, lid 4, van de Wet j. overige giften Alle andere giften dan giften met een specifieke bestemming zoals opgenomen in sub g. van dit artikel, zoals giften van de Voedselbank. k. Nibud Nationaal instituut voor budgetvoorlichting l. Nidos Nidos is de organisatie verantwoordelijk voor de (gezins)voogdij, opvang en begeleiding van alleenstaande minderjarige asielzoekers en andere minderjarigen in vluchtsituaties in Nederland. m. probleemschulden een schuld is problematisch wanneer te voorzien is dat een natuurlijk persoon zijn schulden niet zal kunnen blijven betalen of is gestopt met betalen. Daaronder wordt verstaan een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen betaald kunnen worden, en dus een schuldregeling wordt gestart n. schuldregeling Een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen o. verordening De Verordening Sociaal Domein gemeente Lingewaard 2026-1 p. vordering vanwege verwijtbare schending van de inlichtingenverplichting Een vordering om bijstand, een voorziening of tegemoetkoming terug te vorderen die ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend doordat de belanghebbende de inlichtingenverplichting verwijtbaar niet is nagekomen. q. Wet De Participatiewet r. Wmo 2015 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 s. Wet van school naar duurzaam werk De Wet die de verplichte samenwerking regelt van scholen, doorstroompunten en gemeenten voor jongeren tot 27 jaar die deze ondersteuning nodig hebben in begeleiding van school naar duurzaam werk. t. woninginrichting Woninginrichting omvat basale noodzakelijke inrichting van de woning, waaronder duurzame gebruiksgoederen (zoals: kooktoestel, koelkast wasmachine, woonkamermeubilair, slaapkamermeubilair en een computer) en stoffering (zoals: vloerbedekking, gordijnen, behang, muurverf) Bij onzelfstandig wonen betreft dit uitsluitend de inrichting en stoffering van de eigen kamer. u. woonkosten Bij een huurwoning: de per maand geldende huurprijs volgens de Wet op de huurtoeslag (artikel 1, onder d) Bij een koopwoning: het naar een maand omgerekende totaalbedrag van ode hypotheekrente ohet rioolrecht ohet eigenaarsdeel van de onroerendezaakbelasting ode premie van de opstalverzekering ohet eigenaarsdeel van de waterschapslasten en oeen bij de omstandigheden passend bedrag voor groot onderhoud v. zoektermijn De termijn van vier weken, geldend voor jongeren tot 27 jaar, genoemd in artikel 41, lid 4, van de Wet Artikel 1.2 Maatwerk en hardheidsclausule 1.2.1.Bij de uitvoering van de beleidsregels wil het college een voorziening bieden die de betrokken inwoner nodig heeft om vooruit te komen. Daarom onderzoeken we eerst hoe de situatie van de inwoner is en wat de inwoner wil bereiken. Pas daarna kijken we of de wet en daarmee samenhangende andere regelgeving een instrument kunnen zijn om de inwoner daarbij te helpen.1.2.2.Het college hanteert deze beleidsregels als richtlijn omdat zij voor de meeste situaties redelijk zijn. Als we vinden dat een besluit volgens deze regels in het geval van de aanvrager niet redelijk zou zijn en/of onvoldoende bijdraagt aan de doelstellingen van de gemeente, kunnen we van de regels afwijken. We leggen dan in de beschikking uit waarom we dat doen. Artikel 1.3 Vertrouwen en controle 1.3.1.Bij de uitvoering van deze regels gaan we uit van het vertrouwen dat de inwoner juiste en volledige informatie geeft en dat de inwoner een ontvangen voorziening gebruikt voor het doel waarvoor die gegeven is.1.3.2.Het college kan op ieder moment, zowel tijdens de aanvraag als achteraf, van de inwoner vragen om de juistheid van gegeven informatie en gegevens over de besteding aan te tonen of voldoende aannemelijk te maken.1.3.3.Het college zal jaarlijks achteraf een steekproefcontrole op rechtmatige ontvangst uitvoeren. Hoofdstuk 2 Maandelijkse uitkeringen In dit hoofdstuk staat regels die we gebruiken bij het vaststellen van uitkeringen. De regels lopen uiteen van de vaststelling van het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering en de beëindiging van de uitkering tot de terugvordering van te veel verstrekte uitkering. Als de regels ook betrekking hebben op andere uitkeringen dan bijstand vermelden we dat. Artikel 2.1 Identificatie bij bijstandsaanvragen 2.1.1.Bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering geldt de identificatieplicht van artikel 17, derde lid, van de Wet. De identiteit van de aanvrager kan worden vastgesteld aan de hand van de volgende documenten: •Een Nederlands paspoort of Nederlandse identiteitskaart; •Een vreemdelingendocument; •Een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort van een EU- of EER-inwoner; •Een geldig Nederlands of Europees rijbewijs (bankkaartmodel); •Identificatie via DigiD (niveau substantieel), inclusief elektronische identificatiemiddelen met een gelijkwaardig betrouwbaarheidsniveau uit andere EU/EER-lidstaten. 2.1.2.Wij bieden de mogelijkheid om bijstandsaanvragen volledig digitaal in te dienen met identificatie via DigiD. Voor de aanvraag via DigiD dient de aanvrager een eenmalige ID-check te ondergaan met een geldig identiteitsbewijs (paspoort, rijbewijs of identiteitskaart).2.1.3.Inwoners zonder DigiD kunnen de aanvraag ook op een niet-digitale wijze indienen, waarbij de identiteit wordt vastgesteld aan de hand van de documenten zoals genoemd in het eerste lid. 2.1.4.Indien twijfel bestaat over de verblijfsstatus of nationaliteit van de aanvrager, kan de gemeente aanvullende documenten opvragen, zoals gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Artikel 2.2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn 2.2.1.Het college kan besluiten een aanvraag om algemene bijstand vóór het verstrijken van de zoektermijn (artikel 41, elfde lid, van de Wet) in behandeling te nemen wanneer omstandigheden dit noodzakelijk maken. Hiermee wordt artikel 1.4.1., tweede lid, van de Verordening nader uitgewerkt, gericht op jongeren in een kwetsbare situatie of jongeren voor wie het toepassen van de zoektermijn geen zinvolle bijdrage levert aan het doel ervan. Van dergelijke omstandigheden is in ieder geval sprake wanneer: •de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; •de jongere binnen één jaar voorafgaand aan de melding: oin een inrichting heeft verbleven; oopvang heeft gehad als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015; of obij een pleegouder of in een gezinshuis heeft verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid van de Jeugdwet. •binnen één jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet. •de jongere geen woonadres heeft en als dak- of thuisloze staat ingeschreven met een briefadres in de basisregistratie personen; •de jongere een zorgbehoefte of psychische problematiek heeft waardoor het, naar het oordeel van het college, niet mogelijk of passend is om te zoeken naar werk of scholing, bijvoorbeeld wanneer de jongere in behandeling is bij een psychiater of een GGZ-instelling; •de jongere vanwege dagbesteding of een ander traject niet in staat is om invulling te geven aan het doel van de zoektermijn; •de jongere binnen één jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand heeft ontvangen; •de jongere probleemschulden heeft, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast; Artikel 2.3 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure 2.3.1.Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer: •dit gebruik leidt tot een voor de aanvrager minder belastende aanvraag; •de nieuwe aanvraag is ingediend binnen maximaal zes maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en •de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege: owerkaanvaarding; oeen uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet; oeen verblijf buiten de gemeente, 2.3.2.Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een aanvrager ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens: •het hoofdverblijf; •de gezinssituatie; en •het inkomen en het vermogen 2.3.3.Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de IOAW. Artikel 2.4 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht 2.4.1.Het college kan bijstand met terugwerkende kracht verlenen wanneer: a.bijzondere individuele omstandigheden ertoe leiden dat het niet redelijk is om bijstand pas toe te kennen vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet, zoals: •een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen; •een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt, terwijl dit de aanvrager niet te verwijten valt; •de aanvrager had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie; •de aanvrager heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen. b.er omstandigheden zijn die erop wijzen dat er ernstige gevolgen voor de aanvrager zijn, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn: •de aanvrager heeft probleemschulden; •na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van de aanvrager of is de aanvrager failliet verklaard; •na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten. 2.4.2.Bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag van melding.2.4.3.De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering als bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de IOAW. Artikel 2.5 Jongerennorm 2.5.1.Een zelfstandig wonende inwoner van 18 tot 21 jaar doet voor kosten levensonderhoud in eerste instantie een beroep op zijn onderhoudsplichtige ouders, voor zover dit redelijk is en de middelen van de ouders daartoe toereikend zijn.2.5.2.Het college verhoogt de jongerennorm met het in artikel 20, derde lid, van de Wet genoemde bedrag alleen als aan beide onderstaande voorwaarden is voldaan: a.de jongere kan geen beroep doen op zijn ouders, omdat: •de middelen van de ouders niet toereikend zijn; of •de jongere het onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde kan maken; én b.de jongere heeft hogere noodzakelijke kosten van bestaan dan de voor hem geldende jongerennorm dekt. 2.5.3.De verhoging als bedoeld in het tweede lid wordt afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de jongere (artikel 18, eerste lid, van de Wet). Dat betekent dat: •de ophoging lager kan worden vastgesteld bij duidelijk lagere noodzakelijke kosten, bijvoorbeeld vanwege een gunstige woonsituatie (zie artikel 2.6 van deze beleidsregels). •de ophoging hoger kan worden vastgesteld bij duidelijk hogere noodzakelijke kosten, tot een toereikend niveau. 2.5.4.De som van: •de van toepassing zijnde norm(en) van artikel 20, eerste en tweede lid, van de Wet, plus •de verhoging als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de Wet, is nooit hoger dan de norm genoemd in artikel 21 van de Wet voor een 21-jarige in een vergelijkbare situatie. Indien het standaardbedrag daartoe zou leiden, wordt de ophoging dienovereenkomstig verlaagd. Artikel 2.6 Lagere bijstand vanwege de woonsituatie 2.6.1.Voor een inwoner in de leeftijd van 21 tot de pensioengerechtigde leeftijd verlaagt het college de toepasselijke bijstandsnorm met 18% wanneer sprake is van één van de volgende situaties conform artikel 27 van de Wet: a.de inwoner woont in een woning zonder woonkosten; b.de woonkosten worden geheel door een ander betaald; c.de inwoner geen woning heeft. 2.6.2.De verlaging genoemd in het eerste lid is niet van toepassing op: a.personen die onder de kostendelersnorm vallen; b.inwoners die in een inrichting verblijven; c.alleenstaande minderjarige vreemdelingen (AMV) die op of na hun 18e verjaardag verblijven in een woonvoorziening onder verantwoordelijkheid van Nidos. Dit verblijf wordt niet gelijkgesteld met een woonsituatie zonder woonkosten als bedoeld in het eerste lid. 2.6.3.Voor AMV als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vindt afstemming van het noodzakelijk levensonderhoud plaats met toepassing van artikel 4.19 “aanvullende bijzondere bijstand voor AMV”. Artikel 2.6a Samenwonen in verband met mantelzorg 2.6a.1.Samenwonen wordt niet als gezamenlijke huishouding aangemerkt wanneer sprake is van een zorgbehoefte die de directe aanleiding is om samen te gaan wonen. 2.6a.2.De uitzondering zoals genoemd in het eerste lid geldt voor de duur van de periode waarin de zorgbehoefte bestaat en het samenwonen uitsluitend plaatsvindt om die zorg te kunnen verlenen.2.6a.3.De inwoner maakt desgevraagd aannemelijk dat de zorgbehoefte bestaat en dat dit de reden is voor het samenwonen. Artikel 2.7 Tijdelijke opname 2.7.1.Als een alleenstaande inwoner voor verpleging en/of verzorging en/of behandeling tijdelijk in een inrichting verblijft en het volgens het college belangrijk is dat de inwoner na het verblijf kan terugkeren naar zijn woning, houden we de bijstandsuitkering maximaal zes maanden even hoog als die voor de opname was. 2.7.2.Als duidelijk is dat de opname langer gaat duren dan zes maanden wordt de uitkering aangepast naar de norm die geldt bij verblijf in een inrichting zoals opgenomen in artikel 23 van de Wet. Artikel 2.7a Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg 2.7a.1.Wanneer een bijstandsgerechtigde tijdelijk op een ander adres verblijft om mantelzorg te verlenen bij een intensieve zorgbehoefte, wordt de uitkering niet opgeschort op grond van afwijking van het BRP-adres.2.7a.2.Het verblijf is tijdelijk wanneer terugkeer naar het eigen adres is beoogd en het oorspronkelijke hoofdverblijf behouden blijft.2.7a.3.De inwoner maakt desgevraagd aannemelijk dat het tijdelijke verblijf uitsluitend verband houdt met het verlenen van mantelzorg. Artikel 2.8 Waarschuwing inlichtingenplicht 2.8.1.Indien de inwoner gegevens die onder de inlichtingenplicht vallen niet tijdig heeft verstrekt, maar deze uiterlijk binnen 60 dagen na het ontstaan van de wijziging alsnog verstrekt, en er geen benadelingsbedrag is ontstaan, wordt geen waarschuwing en geen boete opgelegd.2.8.2.Indien de inwoner de inlichtingenplicht niet binnen 60 dagen na het ontstaan van de wijziging nakomt en er geen benadelingsbedrag is ontstaan, kan het college, met inachtneming van verwijtbaarheid en evenredigheid, besluiten om: a.een schriftelijke waarschuwing op te leggen, of b.geen schriftelijke waarschuwing te geven wanneer de schending gering of begrijpelijk is. 2.8.3.Een waarschuwing wordt alleen gegeven indien de inwoner in de voorafgaande 24 maanden geen eerdere waarschuwing of bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht heeft ontvangen.2.8.4.Indien er wél een benadelingsbedrag is ontstaan, wordt een bestuurlijke boete opgelegd conform artikel 18a van de Wet, tenzij: a.verminderde verwijtbaarheid toepassing van matiging rechtvaardigt; en/of b.het benadelingsbedrag lager is dan € 150,00. 2.8.5.Indien blijkt dat sprake is van een schending van de medewerkingsplicht in plaats van de inlichtingenplicht, worden uitsluitend maatregelen uit artikel 54 van de Wet toegepast (opschorting of intrekking) en volgt geen waarschuwing of boete. Artikel 2.9 Herziening verlaging 2.9.1.Wanneer een inwoner de verplichtingen uit artikel 18, vierde lid, van de Wet niet naleeft, verlaagt het college de uitkering. De inwoner ontvangt hierover een besluit.2.9.2.Een maatregel geldt alleen voor de periode waarin de schending van de verplichting voortduurt. Zodra de inwoner de verplichting weer naleeft, beëindigt het college de maatregel ambtshalve.2.9.3.Deze automatische beëindiging geldt voor alle verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Wet, waaronder: •onder a. het aanvaarden of behouden van werk; •onder f. het verkrijgen en behouden van noodzakelijke kennis en vaardigheden nodig om een baan te krijgen en te houden; •onder g. het niet belemmeren van arbeidsinschakeling door kleding, gedrag of persoonlijke verzorging. 2.9.4.De maatregel wordt beëindigd vanaf de datum waarop de inwoner de verplichting daadwerkelijk weer nakomt. De inwoner hoeft hiervoor geen verzoek in te dienen, maar moet – indien nodig – aannemelijk maken dat het gedrag is gecorrigeerd.2.9.5.Indien na beëindiging van de maatregel opnieuw dezelfde verplichting wordt geschonden, beoordeelt het college de ernst en verwijtbaarheid en kan opnieuw een maatregel worden opgelegd conform artikel 18 van de Wet. Artikel 2.10 Commerciële prijs kamerhuur of kostgang 2.10.1.Artikel 19a eerste lid onder c van de Wet bepaalt onder andere dat de persoon die van een derde een kamer huurt en een commerciële prijs betaalt niet als kostendeler wordt gezien. Ten aanzien van het begrip commerciële prijs hanteert het college de volgende regels: a.een kale huurprijs vanaf € 230,- per maand wordt gezien als een commerciële prijs; b.een inclusieve huurprijs vanaf € 280,- per maand wordt gezien als een commerciële prijs; c.een prijs voor kostgangers vanaf € 480,- per maand wordt gezien als een commerciële prijs. 2.10.2.De in het eerste lid opgenomen uitgangspunten zijn weerlegbare rechtsvermoedens. Als een belanghebbende een lagere prijs verschuldigd is dan de in het eerste lid opgenomen prijzen en hij toch van mening is dat in zijn geval sprake is van een commerciële prijs, is het aan hem om dit aan te tonen.2.10.3.Het college hanteert de regel dat indien er sprake is van een woning van een derde die al dan niet met individuele huurcontracten in gedeelten (kamers) wordt verhuurd, in beginsel wordt aangenomen dat er sprake is van een commerciële prijs. In dat geval is tussen de bewoners onderling geen sprake van kostendeling. Artikel 2.11 Inkomsten kamerhuur of kostgang en (niet) toepassen kostendelersnorm 2.11.1.Het college kan afzien van toepassing van de kostendelersnorm als opvang wordt geboden aan: •een (dreigend) dak- of thuisloze; •een persoon in acute nood (bijvoorbeeld na huiselijk geweld, uitzetting, brand of vergelijkbare calamiteiten); •ontheemden uit Oekraïne. 2.11.2.De beoordeling niet toepassen van de kostendelersnorm omvat in elk geval: •noodzaak: er is objectieve nood (opvang voorkomt/ beëindigt dakloosheid of crisissituatie). •tijdelijkheid: opvang duurt maximaal 6 maanden; een herbeoordeling vindt uiterlijk in maand 6 plaats. •eigen woonsituatie: de hoofdbewoner behoudt zijn eigen huishouding; er is geen sprake van duurzaam samenwonen. •registratie: het college legt de datum start opvang en de beoogde einddatum vast en bewaakt de termijn. 2.11.3.Na afloop van de termijn van 6 maanden: •beoordeelt het college opnieuw of de opvang noodzakelijk is; •kan in uitzonderlijke gevallen éénmalig verlenging worden verleend (met motivering), indien toepassing van de kostendelersnorm onevenredig zou zijn; •wordt, als de noodzaak is vervallen of de opvang feitelijk duurzaam is geworden, de kostendelersnorm weer toegepast conform de Wet. 2.11.4.Wanneer de kostendelersnorm niet wordt toegepast, worden inkomsten die de inwoner ontvangt uit kamerverhuur of kostgang verrekend met de bijstand volgens artikel 19 en paragraaf 3.4 van de Wet.2.11.5.Kosten die direct samenhangen met kamerhuur, kostgang of de tijdelijke opvang worden uitsluitend in mindering gebracht op de inkomsten als de inwoner deze aantoont of voldoende aannemelijk maakt. Het college beoordeelt de redelijkheid van de opgevoerde kosten. Artikel 2.11a Geen kostendelersnorm bij mantelzorg 2.11a.1.Het college past de kostendelersnorm niet toe wanneer een belanghebbende tijdelijk inwoont bij of tijdelijk elders verblijft voor het verlenen van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte.2.11a.2.De beoordeling niet toepassen van de kostendelersnorm omvat in elk geval: a.de zorgbehoefte; b.de tijdelijkheid van de situatie; en de c.voorgenomen terugkeer naar het eigen adres. 2.11a.3.De mantelzorger wordt in deze situatie niet aangemerkt als kostendeler in het huishouden waar tijdelijk wordt ingewoond.2.11a.4.Na de beëindiging van de noodzaak tot mantelzorg beoordeelt het college opnieuw of de kostendelersnorm van toepassing is. Artikel 2.12 Vrijlating inkomsten 2.12.1.Het college gaat er in beginsel vanuit dat vrijlating van inkomsten uit arbeid, zoals die geregeld is in artikel 31, lid 2, onder n. en onder r. van de Wet, bijdraagt aan arbeidsinschakeling en past deze toe, voor zover daarvan sprake is. 2.12.2.In afwijking van het eerste lid passen wij geen inkomstenvrijlating toe als de inkomsten in strijd met de inlichtingenplicht niet of niet tijdig zijn gemeld aan het college.2.12.3.De uitsluiting zoals bedoeld in het tweede lid geldt voor de periode waarop de niet-gemelde inkomsten betrekking hebben en eindigt zodra de belanghebbende de inkomsten volledig en controleerbaar heeft gemeld. Daarna wordt de vrijlating weer toegepast op nieuw te ontvangen inkomsten.2.12.4.De vrijlating kan ook worden toegepast indien een belanghebbende bij aanvang van de bijstand reeds inkomsten uit arbeid heeft, voor zover deze arbeid naar het oordeel van het college bijdraagt aan een verdere arbeidsinschakeling. Artikel 2.12a Verrekening en vrijlating van inkomsten uit arbeid voor jongeren van 18 tot 27 jaar 2.12a.1.Inkomsten uit arbeid worden verrekend met de bijstand. Voor de belanghebbende van 18 jaar of ouder, maar jonger dan 27 jaar, wordt met ingang van 1 juli 2026 gedurende maximaal twaalf aaneengesloten maanden 15% van de netto-inkomsten per maand buiten beschouwing, indien: a.deze inkomsten uit arbeid tijdig zijn gemeld; en b.deze naar het oordeel van het college bijdragen aan arbeidsinschakeling. 2.12a.2.Voor de toepassing van het eerste lid gelden de volgende uitgangspunten: a.inkomsten uit tijdig gemelde arbeid worden in beginsel geacht bij te dragen aan arbeidsinschakeling; b.inkomsten uit niet gemelde werkzaamheden blijven buiten toepassing van de vrijlating; c.het college stelt bij aanvang van de inkomsten uit arbeid vast of de vrijlating wordt toegepast; d.de vrijlating wordt toegepast gedurende een aaneengesloten periode van maximaal twaalf maanden; e.indien de inkomsten uit arbeid zijn beëindigd en de belanghebbende binnen zes maanden opnieuw inkomsten uit arbeid verwerft, beoordeelt het college opnieuw of toepassing van de vrijlating aangewezen is. 2.12a.3.Het college beoordeelt uiterlijk één maand voor afloop van de in het eerste lid genoemde periode of verlenging met maximaal twaalf maanden wordt toegepast. Het college verlengt de vrijlating indien: a.voortzetting bijdraagt aan de arbeidsinschakeling; en b.uitbreiding van de arbeidsomvang redelijkerwijs nog niet mogelijk is. De belanghebbende wordt hierover schriftelijk geïnformeerd.2.12a.4.De vrijlating wordt niet met terugwerkende kracht toegepast, tenzij: a.de inkomsten tijdig zijn gemeld; en b.het college vaststelt dat toepassing van de vrijlating bij aanvang ten onrechte achtergelaten is gebleven. 2.12a.5.De toepassing, voortzetting en beëindiging van de vrijlating worden door het college schriftelijk vastgelegd.2.12a.6.Dit artikel is niet van toepassing op bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Artikel 2.13 Vrijlaten van giften in individuele gevallen 2.13.1.Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, lid 2, onder m. en onder s. van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord: a.giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend had kunnen worden; b.giften die worden ingezet voor medisch noodzakelijke kosten; c.giften waarmee probleemschulden zijn afgelost die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de algemene bijstand; d.overige giften tot een totaalbedrag van € 1200,00 per kalenderjaar; 2.13.2.Het college laat een gift met een specifieke bestemming volledig vrij als deze bedoeld is voor een duidelijk omschreven doel, zoals het betalen van een specifieke rekening, aankoop van een bepaald product of het vergoeden van een vastgestelde kostenpost. De belanghebbende toont op verzoek aan – bijvoorbeeld door een betaalbewijs, factuur, bankafschrift of korte toelichting – dat de gift ook daadwerkelijk voor dit doel is gebruikt. 2.13.3.Overige giften laten wij vrij tot een bedrag van € 1200,00 per kalenderjaar. Dit betreft zowel geldelijke giften als giften in natura, waarbij de belanghebbende een redelijke waardering hanteert.2.13.4.Zolang het totaal van giften met een specifieke bestemming en overige giften in een kalenderjaar onder € 1200,00 blijft, bestaat geen meldingsplicht. Zodra dit totaal € 1200,00 of meer bedraagt, meldt de belanghebbende dit aan het college. Het college beoordeelt vervolgens of sprake is van een gift met een specifieke bestemming of een overige gift. Als de gift uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is, kan ook het bedrag boven € 1200,00 worden vrijgelaten.2.13.5.Giften van instanties zoals de Voedselbank laten wij volledig vrij. Deze giften tellen niet mee voor het vrijlatingsbedrag van € 1200,00 en hoeven nooit te worden gemeld.2.13.6.Structurele of periodieke bijdragen van derden voor algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan (zoals huur, zorgverzekering, boodschappen of nutsvoorzieningen) worden beschouwd als kostenbesparend. Deze bijdragen tellen niet mee als inkomen of vermogen, zolang het totaal van deze bijdragen, giften met een specifieke bestemming en overige giften samen minder dan €1200,00 per kalenderjaar bedraagt. Bij overschrijding beoordeelt het college per situatie of het meerdere als middel bij de bijstandverlening wordt betrokken. Artikel 2.14 Vaststellen vermogen 2.14.1.Wij stellen het vermogen van de bijstandsgerechtigde vast conform artikel 17, 31 en 34 van de Wet. 2.14.2.Bij het vaststellen van het vermogen laten we de waarde van algemeen gebruikelijke goederen, zoals de inboedel van een woning, buiten beschouwing. Dit betekent dat vrijstellingen binnen het vermogen worden toegepast voor: •Een niet opneembare uitvaartreservering tot € 5.000,00; •Een auto of motor tot € 4.500,00; •Een scooter of fiets met ondersteuning tot € 1.500,00; •Banksaldi tot het bedrag van de bijstandsnorm (zonder vakantietoeslag, afgerond op € 5,00). 2.14.3.Indien de waarde van een bezitting als genoemd in het vorige lid hoger is dan de genoemde vrijlatingswaarde,32 wordt uitsluitend het meerdere tot het vermogen gerekend.2.14.4.Indien de belanghebbende meerdere vervoermiddelen of andere bezittingen binnen dezelfde categorie bezit, wordt de vrijlating slechts bij één van deze middelen toegepast. Indien sprake is van voertuigen in verschillende categorieën, wordt per categorie eenmalig vrijlating toegepast.2.14.5.Bij echtscheiding of verlating wordt het vermogen vastgesteld op basis van het aandeel van de belanghebbende in de gezamenlijke bezittingen. Indien de verdeling nog niet is afgerond, kan het vermogen voorlopig worden vastgesteld en na afronding definitief worden bepaald.2.14.6.Vermogen dat aantoonbaar is bestemd voor noodzakelijke kosten die direct samenhangen met een gewijzigde leefsituatie, wordt buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van de draagkracht.2.14.7.indien de inwoner direct voorafgaand aan de aanvraag bijstand ontving in een andere gemeente en deze bijstand niet langer dan 30 dagen is beëindigd, kan het college het door die gemeente vastgestelde vermogen als uitgangspunt nemen, mits: a.de omstandigheden niet wezenlijk zijn gewijzigd; en b.er geen concrete aanwijzingen zijn dat het vermogen onjuist is vastgesteld. Artikel 2.15 Gebruik bevoegdheid 2.15.1.Het college herziet of trekt een toekenningsbesluit in met toepassing van artikel 54, derde en vierde lid van de Wet en de artikelen 17, derde en vierde lid van de IOAW en IOAZ, en vordert ten onrechte verleende bijstand of uitkering terug met toepassing van artikel 58 tot en met 60 van de wet en de artikelen 25 tot en met 31 van de IOAW en IOAZ, tenzij sprake is van omstandigheden als bedoeld in dit artikel waarbij geheel of gedeeltelijk van herziening, intrekking of terugvordering wordt afgezien.2.15.2.Teveel betaalde bijstand of uitkering wordt teruggevorderd inclusief de eventueel door het college betaalde loonheffing en premies, voor zover verrekening met nog af te dragen bedragen niet mogelijk is;2.15.3.Het college vordert loonheffing en premies niet terug als: •de vordering buiten toedoen van de inwoner is ontstaan; en •de inwoner niet verwijtbaar is dat de vordering niet is voldaan in het betreffende kalenderjaar. 2.15.4.Het college ziet af van terugvordering als dit leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de inwoner, rekening houdend met inkomen, gezinssituatie en woonlasten.2.15.5.Het college kan afzien van terugvordering als de vordering volledig door de gemeente is veroorzaakt. Artikel 2.16 Kruimelbedragen 2.16.1.Het college kan afzien van terugvordering bij bedragen lager dan € 250,00, tenzij er sprake is van een vordering wegens schending van de inlichtingenplicht.2.16.2.Bij een restantvordering lager dan € 250,00, kan het college afzien van verdere invordering als, gelet op doelmatige invordering, de te verwachten opbrengst niet in redelijke verhouding staat tot de kosten en er geen andere openstaande vorderingen zijn, tenzij sprake is van een vordering wegens schending van de inlichtingenplicht. Artikel 2.17 Invordering 2.17.1.Bij het terugbetalen van een vordering houdt het college altijd rekening met de beslagvrije voet zoals bedoeld in artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De aflossing wordt nooit hoger vastgesteld dan wat de inwoner redelijkerwijs kan missen.2.17.2.Wanneer het inkomen van de inwoner gelijk is aan de toepasselijke bijstandsnorm, wordt het maandelijkse aflossingsbedrag vastgesteld op 5% van die norm.2.17.3.Wanneer het inkomen hoger is dan de toepasselijke bijstandsnorm, bestaat de aflossing uit: a.5% van de bijstandsnorm, plus b.50% van het deel van het inkomen dat boven de bijstandsnorm uitkomt, met inachtneming van de beslagvrije voet. 2.17.4.Voor het terugbetalen van een lening gelden de afspraken die bij het verstrekken van de lening zijn vastgelegd. Indien toepassing van de beslagvrije voet ertoe leidt dat de inwoner minder kan aflossen dan eerder afgesproken, wordt het aflossingsbedrag daarop aangepast.2.17.5.Het college gaat bij leningen in de regel uit van een aflosperiode van 36 maanden, tenzij dit vanwege de aard van de regeling (zoals bij Bbz-leningen) niet passend is. Artikel 2.18 Kwijtschelding 2.18.1.Het college verleent medewerking aan een buitengerechtelijke of gerechtelijke schuldregeling, voor zover dit niet is uitgesloten is op grond van artikel 60c van de Participatiewet, artikel 29a van de IOAW of artikel 29a van de IOAZ.2.18.2.Het college kan afzien van terugvordering of verdere invordering als zich één van de situaties voordoet van artikel 58, lid 7 van de wet, artikel 25, lid 6 van de IOAW of artikel 25, lid 6 van de IOAZ. Hoofdstuk 3 Werk In dit hoofdstuk staan regels over werk en over het aanbieden van hulp om aan het werk te komen en te blijven. Artikel 3.1 Mantelzorg en op geld gewaardeerde arbeid 3.1.1.Het verlenen van onbetaalde mantelzorg wordt niet beschouwd als op geld waardeerbare arbeid en heeft geen gevolgen voor de hoogte van de bijstand.3.1.2.Indien mantelzorg wordt vergoed vanuit een persoonsgebonden budget of anderszins, beoordeelt het college deze inkomsten volgens de reguliere regels.3.1.3.Wanneer mantelzorg van invloed is op het nakomen van participatieverplichtingen, betrekt het college dit bij de individuele beoordeling. Hierbij worden de aard, omvang en zwaarte van de zorgtaken, alsook de draagkracht en draaglast van de mantelzorger meegewogen. Op basis hiervan wordt bepaald in welke mate participatieverplichtingen kunnen worden opgelegd of aangepast. Artikel 3.2 Termijn ontheffing arbeidsverplichtingen 3.2.1.Wij kunnen op grond van dringende redenen tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om werk te aanvaarden en/of de verplichting om onbetaald nuttige werkzaamheden te verrichten (artikel 9 van de Wet, artikel 37a van de IOAZ en artikel 37a van de IOAZ). 3.2.2.De duur van een ontheffing stellen we op de periode dat de dringende redenen naar verwachting zullen bestaan.3.2.3.Een ontheffing wordt niet verleend voor een periode van langer dan vijf jaar. Artikel 3.3 Taaltoets 3.3.1.Het college neemt een taaltoets af bij inwoners van wie op grond van feiten en omstandigheden redelijkerwijs wordt vermoed dat zij onvoldoende Nederlands beheersen om werk (algemeen geaccepteerde arbeid) te verrichten (artikel 18b, eerste lid van de Wet). 3.3.2.Geen toets/ aantoonplicht is aan de orde indien de inwoner aantoont te beschikken over één van de volgende bewijzen van voldoende taalvaardigheid: a)een in Nederland behaald diploma primair onderwijs, voortgezet onderwijs (vmbo/havo/vwo) of mbo/hbo/wo; b)een diploma Inburgering (B1) of Staatsexamen NT2 (programma I of II); c)een ander, naar aard en niveau gelijkwaardig bewijs waaruit voldoende taalvaardigheid blijkt. 3.3.3.De toets wordt in beginsel binnen acht weken na aanvraag van de bijstand afgenomen. De inwoner wordt binnen acht weken na afname schriftelijk geïnformeerd over het resultaat en over het bestaan van het redelijk vermoeden dat de taal onvoldoende wordt beheerst (artikel 18b, tweede en vierde lid van de Wet).3.3.4.Het niet of onvoldoende meewerken aan de taaltoets kan gevolgen hebben voor de bijstand of andere arbeidsverplichtingen, op grond van artikel 18b van de Wet en artikel 7.1.6. van de verordening sociaal domein. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot verlaging van de bijstand of andere passende maatregelen zoals re-integratie of participatie.3.3.5.Indien uit de toets blijkt dat de taalvaardigheid onvoldoende is, wordt het redelijk vermoeden geacht aanwezig te zijn. Het college kan hierop vervolgacties baseren, zoals extra taalondersteuning of toepassing van de bijstandsverlaging volgens artikel 18b, negende, tiende en elfde lid van de Wet).3.3.6.Het redelijk vermoeden kan te allen tijde door de inwoner worden weggenomen door het overleggen van de in lid 2 genoemde bewijsstukken. Artikel 3.4 Werkervaringsplaats 3.4.1.Als wij een werkervaringsplaats aanbieden volgens artikel 2.3.4. van de verordening doen wij dat in overleg met de werkgever voor een periode van maximaal drie maanden.3.4.2.De periode van drie maanden kan zo nodig eenmalig verlengd worden met maximaal drie maanden. Artikel 3.5 Participatieplaats 3.5.1.De premie voor het vervullen van een participatieplaats wordt ambtshalve toegekend en uitbetaald. Artikel 3.6 Nazorg 3.6.1.Nazorg na het vinden van betaald werk (artikel 2.3.14 van de verordening) verlenen wij voor een periode van zes maanden.3.6.2.Bij nazorg zijn er tenminste drie contactmomenten: bij de aanvang, bij afloop van de proeftijd en na zes maanden. Hoofdstuk 4 Bijzondere vergoedingen Dit hoofdstuk gaat over de bijzondere vergoedingen, waaronder bijzondere bijstand, waarmee het college inwoners ondersteunt bij noodzakelijke kosten die zij zelf niet kunnen betalen én bij voorzieningen die bijdragen aan het actief en gezond meedoen in de samenleving. Als we het in dit hoofdstuk over bijstand hebben bedoelen we de bijzondere bijstand volgens artikel 35 van de wet. Wat er in de wet staat over bijstand en de uitleg die rechters daaraan geven, gaat altijd boven wat er in deze beleidsregels staat. Artikel 4.1 Draagkracht uit inkomen en vermogen 4.1.1.Voor de berekening van het inkomen volgens dit hoofdstuk vergelijken we inkomsten inclusief vakantietoeslag altijd met de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag en inkomsten zonder vakantietoeslag met de norm zonder vakantietoeslag. Bij een combinatie van inclusief en exclusief rekenen we één van beide om.4.1.2.Bijzondere bijstand wordt alleen verleend als iemand de kosten niet zelf kan betalen. Het bedrag dat de inwoner zelf kan betalen, noemen we draagkracht.4.1.3.Om de draagkracht te berekenen, betrekken we zowel inkomen en vermogen.4.1.4.De draagkracht uit inkomen stellen we vast op het inkomen boven 120% van de toepasselijke bijstandsnorm.4.1.5.In afwijking van het vierde lid stellen we de draagkracht vast op het inkomen boven 100% van de toepasselijke bijstandsnorm bij: a.woonkostentoeslag; b.kosten voor woninginrichting; c.de eigen bijdrage kosten kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie. Onder de toepasselijke bijstandsnorm wordt verstaan de norm op grond van de Participatiewet die voor betrokkene geldt, met inbegrip van de kostendelersnorm indien van toepassing.4.1.6.We gaan bij de berekening uit van het inkomen in de maand vóór de aanvraag. Bij sterk wisselende inkomsten gebruiken we het gemiddelde over de laatste drie maanden. Het inkomen boven 120% (of 100% bij woonkostentoeslag en woninginrichting) rekenen we om naar een jaarbedrag.4.1.7.Als de inwoner in een schuldregelingstraject zit, of als er beslag gelegd is op het inkomen van de inwoner, gaan we bij berekening uit van het draagkracht uit het werkelijk beschikbare inkomen.4.1.8.Voor de draagkracht uit vermogen geldt: •Alleen het deel van het vermogen dat boven de vermogensgrens uitkomt uit artikel 34 van de Wet, wordt betrokken bij de draagkrachtberekening. Vermogen onder deze grens leidt niet tot draagkracht. •Bij inwoners met een lopende uitkering wordt het vermogen alleen opnieuw vastgesteld wanneer: ohet vermogen 20% of meer stijgt of daalt ten opzichte van de laatst vastgestelde waarde, of odit noodzakelijk is voor de beoordeling van een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand. •De vaststelling van het vermogen volgt de regels zoals opgenomen in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels. 4.1.9.De berekende totale draagkracht geldt voor een jaar (een periode van twaalf maanden), gerekend vanaf de eerste dag van de maand waarin de aanvraag gedaan is. Als er geen draagkracht is en het inkomen naar verwachting niet zal veranderen, kan deze vaststelling worden verlengd tot maximaal 36 maanden. Deze verlenging wordt alleen toegepast bij periodieke bijzondere bijstand. Denk aan terugkerende kosten zoals bewindvoering, beschermingsbewind, mentorschap, curatele. 4.1.10.De draagkracht kan tussentijds opnieuw vastgesteld worden als er een wijziging in inkomen en/of vermogen plaatsvindt, waardoor de draagkracht meer dan 10% hoger of lager wordt.4.1.11.Bij incidentele bijzondere bijstand verrekenen we de draagkracht altijd in één keer. Bij periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht automatisch verdeeld over de betreffende maanden. Alleen wanneer dit tot financiële problemen leidt, kan het college besluiten de verdeling aan te passen. Artikel 4.2 Drempelbedrag 4.2.1.Het college past geen drempelbedrag toe bij aanvragen om bijzondere bijstand. Artikel 4.3 Het verlenen van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht 4.3.1.Het college kan bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verlenen wanneer bijzondere individuele omstandigheden ertoe leiden dat het niet redelijk is om bijzondere bijstand pas toe te kennen vanaf de dag waarop de aanvraag of melding is gedaan. 4.3.2.De bijzondere bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop het recht op bijzondere bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal twee maanden vóór de datum van de aanvraag of melding.4.3.3.Indien geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, wordt geen bijzondere bijstand met terugwerkende kracht verleend. Artikel 4.4 Voorwaarden 4.4.1.Tegemoetkomingen moeten worden besteed aan het doel waarvoor ze toegekend zijn.4.4.2.Het college kan ook andere voorwaarden aan de tegemoetkomingen verbinden.4.4.3.Indien de tegemoetkoming niet (aantoonbaar) is besteed aan het doel waarvoor deze is toegekend of de gestelde voorwaarden niet zijn nageleefd, kan het college de tegemoetkoming geheel of gedeeltelijk herzien en (terug)vorderen. Bij leenbijstand kan het college de lening (versneld) opeisen. Het college past hierbij proportionaliteit toe en houdt rekening met de individuele omstandigheden. Artikel 4.5 Uitbetaling 4.5.1.Bij het uitbetalen van tegemoetkomingen kiest het college welke manier van uitbetalen het beste is. We willen het liefste dat elke inwoner zelfstandig de regie over zijn leven voert en zelf zijn geld beheert. Als het nodig is kijken we of de inwoner ondersteuning kan krijgen door hulp bij het beheer en de besteding. Het is ook mogelijk om gespreid uit te betalen. Tenslotte kunnen we de inwoner ook volledig ontzorgen door rechtstreeks te betalen aan een aanbieder/leverancier. Artikel 4.6 Rechtsbijstand/ griffierecht 4.6.1.Als een inwoner in een gerechtelijke procedure gebruik maakt van een door de overheid betaalde advocaat of mediator op grond van de Wet op de rechtsbijstand, komen de betalen eigen bijdrage, de kantoorkosten en het griffierecht in aanmerking voor bijzondere bijstand. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt altijd rekening gehouden met de korting die toegepast wordt na advies bij Het Juridisch Loket (www.juridischloket.nl). Dat gebeurt ook als de inwoner ervoor kiest om rechtstreeks contact met een advocaat op te nemen. 4.6.2.We spreken met de inwoner af dat hij de gemeente informeert als de rechter de tegenpartij veroordeelt in de kosten van de procedure. De inwoner moet de bijstand dan terugbetalen aan de gemeente. Artikel 4.7 Uitvaart 4.7.1.Indien een uitvaart niet kan worden betaald uit de nalatenschap of door de erfgenamen of andere onderhoudsplichtigen, kan het college bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke en passende uitvaartkosten.4.7.2.De hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt afgestemd op de noodzakelijke kosten en is gemaximeerd op de bedragen zoals vermeld in de Nibud-prijzengids inclusief jaarlijkse indexering. Afwijking is mogelijk indien de individuele omstandigheden dat rechtvaardigen.4.7.3.Indien de kosten over meerdere erfgenamen kunnen worden verdeeld, wordt het in het tweede lid genoemde maximum evenredig per persoon toegepast.4.7.4.Het college kan de noodzaak en omvang van de te vergoeden kosten toetsen aan offertes of facturen en kan bepalen dat (een deel van) de vergoeding rechtstreeks aan de uitvaartondernemer wordt betaald.4.7.5.De bijzondere bijstand wordt in beginsel om niet verleend. Indien aannemelijk is dat op korte termijn middelen beschikbaar komen, kan de bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening of onder voorbehoud van terugvordering. Artikel 4.8 Verblijfsvergunning 4.8.1.De inwoner moet de legeskosten van een verblijfsvergunning zelf betalen.4.8.2.Er is één uitzondering mogelijk: als het gaat om een hereniging van een erkende vluchteling met zijn gezinsleden en daardoor het recht op gezinsleven volgens het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens uitgeoefend kan worden, kan bijzondere bijstand worden verleend voor de vergunning van de gezinsleden.4.8.3.Bij verlenging van een verblijfsvergunning moet de inwoner de legeskosten altijd zelf betalen. Artikel 4.9 Verhuizing en woninginrichting 4.9.1.Kosten van verhuizing en woninginrichting moet de inwoner zelf betalen. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan bijzondere bijstand worden verleend. Dit is het geval wanneer sprake is van een noodzakelijke verhuizing die niet redelijkerwijs voorzienbaar was en waarvoor geen mogelijkheid bestond om te reserveren. Ook inwoners die zich vanuit opvang of asielopvang in de gemeente vestigen, kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.4.9.2.De kosten van een verhuizing kunnen erg verschillen. Als we bijstand verlenen doen we dat alleen voor de goedkoopst, adequate oplossing. Tweedehands goederen worden in beginsel als passend beschouwd.4.9.3.Er wordt onderscheid gemaakt tussen: a.duurzame gebruiksgoederen: onder meer kookplaat of fornuis, koelkast, wasmachine, basis woonkamer- en slaapkamermeubilair, bedden en matrassen, en een computer; b.stofferings- en overgangskosten: onder meer stoffering (vloer- en raambekleding, verf en behang) en verhuiskosten. 4.9.4.Voordat bijzondere bijstand wordt verstrekt, beoordeelt het college of een voorliggende voorziening beschikbaar en toereikend is. 4.9.5.Als een inwoner gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar heeft geleefd van een inkomen op of rond de toepasselijke bijstandsnorm, wordt aangenomen dat er geen reserveringsruimte was voor duurzame gebruiksgoederen. Deze veronderstelling ziet uitsluitend op het ontbreken van reserveringsruimte en heeft geen invloed op de beoordeling van de draagkracht op grond van artikel 4.1. Bij de beoordeling van de noodzakelijke kosten wordt uitgegaan van een goedkoopst adequate en duurzame oplossing, waarbij rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid en bruikbaarheid van tweedehands of circulaire goederen.4.9.6.Voor duurzame gebruiksgoederen wordt bijzondere bijstand in beginsel in de volgende volgorde verstrekt in de vorm van: a.een sociale lening via de Kredietbank; b.een geldlening bij de gemeente; c.een bedrag om niet, bij ontbreken van afloscapaciteit. 4.9.7.Wij vinden het noodzakelijk dat een huishouden kan beschikken over: a.een kookvoorziening: een kookplaat of fornuis passend bij de woning. Een oven of magnetron wordt niet als noodzakelijk beschouwd; alleen bij objectieve noodzaak kan één van beide worden vergoed; b.een koelvoorziening: een koelkast of koel-vriescombinatie; c.een wasvoorziening: een eenvoudige wasmachine; d.woonkamermeubilair: basis zitgelegenheid (bank/ stoelen) en een tafel; e.slaapkamermeubilair: •alleenstaande: één eenpersoonsbed met matras; •gehuwden/ samenwonenden: één tweepersoonsbed of twee eenpersoonsbedden met matras; •kinderen: één kind per bed; een stapelbed kan worden aangemerkt als goedkoopst adequaat; f.digitale participatie: een goedkoopst adequate oplossing in de vorm van een eenvoudige computer (desktop met monitor, toetsenbord en muis) of een laptop. g.televisie: wordt niet als noodzakelijk beschouwd. 4.9.8.Een vergoeding voor stofferingskosten en noodzakelijk gemaakte verhuiskosten hoeft niet terugbetaald te worden.4.9.9.Voor de geboorte van het eerste kind kan bijzondere bijstand worden verleend. Wanneer wij overgaan tot het verlenen van deze bijzondere bijstand wordt deze in natura verstrekt via Babygoed voor de noodzakelijke kosten van een basale babyuitzet ten bedrage van € 545,00 voor: a.babykamer b.babyverzorging c.babykleding d.aanvullend babypakket 4.9.10.Voor de hoogte van de bijzondere bijstand sluit het college aan bij de richtbedragen van het Nibud voor duurzame gebruiksgoederen. Daarbij geldt: a.voor een volledige woninginrichting en voor afzonderlijke duurzame gebruiksgoederen wordt maximaal 50% van de desbetreffende Nibud-richtbedragen vergoed. b.voor de volgende noodzakelijk geachte voorzieningen wordt maximaal 100% van de Nibud-richtprijs vergoed, uitgaande van een goedkoopst adequate voorziening: •fornuis of kookplaat; •koelkast met vriesvak; •wasmachine; •matras. c.In alle gevallen wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate oplossing. Tweedehands goederen worden daarbij in beginsel als passend beschouwd, met uitzondering van de in sub b genoemde voorzieningen. 4.9.11.Bij vervanging van duurzame gebruiksgoederen beoordeelt het college of reparatie een goedkoper en adequaat alternatief is. Daarbij houdt het college rekening met de ouderdom en staat van het gebruiksgoed, de verwachte resterende levensduur, de kosten van reparatie en de kosten van vervanging. Voor duurzame gebruiksgoederen hanteert het college als uitgangspunt een afschrijvingstermijn van tien jaar, gerekend vanaf de datum van aanschaf. Binnen deze termijn wordt in beginsel geen bijzondere bijstand of bijzondere vergoeding verstrekt voor vervanging van hetzelfde gebruiksgoed, tenzij bijzondere individuele omstandigheden een andere beoordeling rechtvaardigen. Bij tweedehands gebruiksgoederen houdt het college rekening met de ouderdom, staat en verwachte resterende levensduur van het gebruiksgoed. Richtprijzen en levensduurindicaties van het Nibud kunnen ondersteunend bij de beoordeling worden betrokken.4.9.12.Voor inwoners die voor het eerst zelfstandig gaan wonen wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor verhuizing of woninginrichting, omdat deze kosten voorzienbaar zijn. Inwoners die uitstromen vanuit opvang of asielopvang, kunnen hiervan worden uitgezonderd. Beoordeling vindt plaats per individueel geval. Artikel 4.10 Reiskosten/vervoer 4.10.1.Reiskosten worden in beginsel aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en komen voor rekening van de inwoner. De bijstandsnorm bevat een vervoerscomponent waaruit regulier vervoer, waaronder woon-schoolverkeer, geacht wordt te worden bekostigd. De inwoner wordt geacht hiervoor te reserveren.4.10.2.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor noodzakelijke reiskosten indien en voor zover deze kosten, gelet op de individuele omstandigheden, niet uit het inkomen en/of vermogen en/of een voorliggende voorziening kunnen worden voldaan. Voor zover een voorliggende voorziening bestaat, zoals ziekenvervoer op grond van de Zorgverzekeringswet of leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving, wordt geen bijzondere bijstand verleend. Bijzondere bijstand kan in elk geval worden overwogen bij: a.reizen voor medische behandeling, onderzoek of therapie buiten de gemeente; b.familiebezoek bij opname in een ziekenhuis of instelling, of bij detentie; c.reizen door mantelzorgers die noodzakelijk zijn om mantelzorg te kunnen verrichten. 4.10.3.Bij vergoeding van reiskosten voor familiebezoek weegt het college onder meer mee: a.de familiegraad; b.de sociale, medische of psychosociale noodzaak van het bezoek; c.de mogelijkheid van het te bezoeken familielid om zelf bezoek af te leggen, en d.de redelijke bezoekfrequentie gelet op de omstandigheden. Er wordt geen onderscheid gemaakt in de aanspraak voor ziekenhuis-, instellingen- of detentiebezoek, maar de noodzaak kan per situatie verschillen.4.10.4.De hoogte van de bijzondere bijstand voor reiskosten wordt bepaald op basis van de goedkoopst adequate wijze van vervoer. Het college hanteert daarbij als uitgangspunt de volgorde: fiets, openbaar vervoer en indien noodzakelijk eigen vervoer. Bij gebruik van een privéauto wordt de tegemoetkoming berekend volgens de onbelaste kilometervergoeding (2026: € 0,23 per kilometer).4.10.5.Voor afstanden tot 10 kilometer beschouwt het college een (tweedehands) fiets als passend vervoermiddel. Als een inwoner niet of niet voldoende heeft kunnen reserveren voor de aanschaf van een (tweedehands) fiets, kan eenmalig bijzondere bijstand worden verleend tot maximaal 60% van het Nibud-normbedrag voor een gewone fiets. 4.10.6.Voor woon-schoolverkeer van minderjarige scholieren bij afstanden van meer dan 10 kilometer blijft de fiets uitgangspunt. Indien het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving geen passende oplossing biedt, kan het college bijzondere bijstand voor openbaar vervoer verstrekken wanneer sprake is van een objectieve noodzaak, waaronder: a.medische beperkingen waardoor fietsen niet mogelijk of onverantwoord is; b.structureel onveilige of niet-vermijdbare risico’s in de fietsroute; c.zodanige afstand dat deze voor een minderjarige als onredelijk is aan te merken; d.reistijd of fysieke belasting die schooldeelname belemmert. Comfort, tijdswinst of gebruikelijkheid in de omgeving vormen geen reden voor bijzondere bijstand.4.10.7.Het college kan verlangen dat de noodzaak en de gemaakte kosten worden aangetoond met bewijsstukken (bijvoorbeeld afsprakenbrieven, bezoekoverzichten, facturen of vervoersbewijzen). Artikel 4.11 Alarmsysteem 4.11.1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor personenalarmering wanneer de inwoner op grond van een sociale indicatie is aangewezen op het gebruik daarvan en er geen voorliggende voorziening aanwezig is.4.11.2.De bijzondere bijstand kan betrekking hebben op de kosten van een sleutelkluis, de aansluitkosten en de maandelijkse abonnementskosten.4.11.3.De kosten worden alleen vergoed wanneer deze noodzakelijk zijn voor de veiligheid of zelfredzaamheid van de inwoner en niet uit eigen middelen kunnen worden betaald. Artikel 4.12 Bewind 4.12.1.Wanneer de rechtbank bewind uitspreekt en de beloning van de bewindvoerder vaststelt, kan het college bijzondere bijstand verlenen voor deze kosten indien de inwoner niet in staat is deze zelf te betalen.4.12.2.De bijzondere bijstand heeft betrekking op: a.de door de rechtbank vastgestelde beloning van de bewindvoerder; b.noodzakelijke en niet door de rechtbank vastgestelde bijkomende kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het bewind, zoals: •griffierechten die samenhangen met het instellen of wijzigen van het bewind; •kosten voor het openen van een beheerrekening of leefgeldrekening, voor zover deze noodzakelijk zijn en de hoogte redelijk is. Artikel 4.13 Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering 4.13.1.Het college biedt inwoners de mogelijkheid om zich collectief aanvullend te verzekeren bij Menzis. Dat kan met een gemeentepolis in de pakketten Garant Aanvullend, GarantVerzorgd 1, GarantVerzorgd 2 en GarantVerzorgd 3 met verschillende aanvullende verzekeringen, bijvoorbeeld voor tandartskosten.4.13.2.Het college geeft een bijdrage in de premie voor de gemeentepolis. De hoogte van de bijdrage is gekoppeld aan de extra vergoedingen in de gemeentepolis en wordt jaarlijks vastgesteld in overleg met Menzis.4.13.3.Het nemen van een aanvullende verzekering is een vrije keuze en de verzekering kan niet worden gezien als een voorliggende voorziening in de zin van de Wet. Wel volgen wij de uitspraken van rechters: medische kosten worden passend en voldoende vergoed vanuit de voorliggende voorzieningen Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Voor medische kosten die de wetgever bewust buiten de Zvw en Wlz heeft gelaten, kan geen beroep op bijzondere bijstand worden gedaan. Artikel 4.14 Dieetkosten 4.14.1.Dieetkosten zijn de meerkosten ten opzichte van normale voedingskosten, ontstaan door het volgen van een medisch noodzakelijk dieet. Bij de aanvraag moet een recent, op naam gesteld dieetvoorschrift van arts of diëtist meegestuurd worden met vermelding van dieettype en (verwachte) duur.4.14.2.Voor de vaststelling van de meerkosten vergelijkt het college de kosten van het dieet met de Nibud-normen voor normale voeding. 4.14.3.De bijzondere bijstand voor dieetkosten wordt, indien sprake is van noodzakelijke meerkosten en onvoldoende draagkracht, in beginsel als gift, toegekend (periodiek of per kalenderjaar), voor zover het medisch voorschrift loopt.4.14.4.Voor dieetmeerkosten geldt fiscaal het volgende: a.de aftrek ‘specifieke zorgkosten’ in de inkomstenbelasting is geen voorliggende voorziening; b.voor hetzelfde kostendeel is geen cumulatie mogelijk van bijzondere bijstand en fiscale aftrek; c.bij toekenning verklaart de inwoner het door het college vergoede kostendeel niet in aftrek te brengen; d.indien achteraf toch fiscaal voordeel wordt genoten over dezelfde kosten, kan het college dit voordeel tot maximaal het toegekende bedrag terugvorderen. 4.14.5.De voorziening wordt toegekend voor de duur van het dieetvoorschrift en kan worden herzien of beëindigd bij wijziging van medische of financiële omstandigheden. Artikel 4.15 Woonkosten 4.15.1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor woonkosten als: a.de inwoner in een gehuurde woning of woonwagen woont en door bijzondere omstandigheden (nog) geen beroep kan doen op huurtoeslag volgens de Wet op huurtoeslag. Deze bijzondere bijstand eindigt zodra de inwoner wél een beroep op huurtoeslag kan doen. b.de inwoner in een eigen woning woont en alleen vanwege die eigen woning geen beroep op huurtoeslag kan doen. 4.15.2.De hoogte van de bijzondere bijstand voor woonkosten wordt vastgesteld volgens de bepalingssystematiek van de Wet op de huurtoeslag, met inachtneming van de per 2026 geldende wijzigingen, waaronder: •het vervallen van de maximale huurgrens voor de het recht op huurtoeslag; •het feit dat alleen de kale huur in de berekening wordt meegenomen, omdat servicekosten vanaf 2026 niet meer meetellen. 4.15.3.Is de kale huur hoger dan de maximale rekenhuur die wordt gebruikt voor de berekening van de huurtoeslag (zoals vastgesteld voor het betreffende jaar), dan wordt de bijzondere bijstand verhoogd met het deel van de werkelijke kosten boven deze rekenhuur. De bijzondere bijstand wordt in dat geval toegekend voor maximaal 12 maanden. De inwoner krijgt daarbij de verplichting om zich in te spannen voor het vinden van een meer passende en betaalbare woning. Zodra de inwoner een goedkopere woning heeft kunnen accepteren, eindigt de bijzondere bijstand. Indien de inwoner voldoende inspanning heeft geleverd maar geen passende woning heeft kunnen vinden, kan de toekenning met maximaal 12 maanden worden verlengd.4.15.4.Voor eigenaren wordt de woonkostentoeslag overeenkomstig de huurtoeslag bepaald. Als woonkosten tellen onder andere hypotheekrente (geen aflossing), erfpachtcanon en zo nodig VVE-bijdragen voor instandhouding/onderhoud gemeenschappelijke delen. Hypotheekrenteaftrek (fiscaal voordeel) wordt verdisconteerd in de te vergoeden woonkosten en/of de draagkracht.4.15.5. Bij zelfstandigen kunnen de inkomsten sterk wisselen. Om te voorkomen dat de woonkostentoeslag daardoor onnodig fluctueert, kan het college uitgaan van een representatief gemiddeld jaarinkomen of een voorlopige draagkrachtberekening. Nadat het definitieve inkomen over het boekjaar bekend is, kan het college de woonkostentoeslag herzien op basis van het werkelijke inkomen. Artikel 4.16 Overbrugging en aanvang woonlasten 4.16.1.Het college kan bijzondere bijstand verlenen voor de periode tussen het wegvallen van inkomsten en de eerste uitbetaling van algemene bijstand, indien de inwoner deze periode door bijzondere omstandigheden niet zelf kan overbruggen. 4.16.2.De overbrugging bedraagt maximaal de toepasselijke bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag), verminderd met de eerste maand huur en overige beschikbare middelen.4.16.3.Indien de inwoner de huurtoeslag niet tijdig kan ontvangen, kan het college bijzondere bijstand verlenen voor maximaal drie maanden .Deze bijstand wordt verrekend met de alsnog te ontvangen huurtoeslag.4.16.4.De eerste maand huur wordt in beginsel aangemerkt als een noodzakelijke bestaanskost. Bijzondere bijstand is alleen mogelijk indien: a.de huisvesting noodzakelijk is (zoals bij dakloosheid, uitstroom opvang of relatiebeëindiging); b.de kosten zijn gemaakt vóór ingangsdatum van de bijstand; en c.reservering redelijkerwijs niet mogelijk was. 4.16.5.Bij tijdelijke en niet-voorkombare dubbele woonlasten kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke duur.4.16.6.Borg wordt verstrekt als bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening.4.16.7.Bij vergunninghouders wordt in beginsel aangenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Overbrugging en de eerste maand huur kunnen om niet worden verstrekt, tenzij de inwoner over eigen middelen beschikt.4.16.8.Bijstand wordt in beginsel om niet verstrekt; alleen bij voorzienbare snelle terugbetaling kan een lening worden verstrekt. Het college kan bewijsstukken vragen, zoals bankafschriften en huurovereenkomsten. Artikel 4.17 Kortdurende detentie 4.17.1.Als een alleenstaande uitkeringsontvanger kortdurend gedetineerd wordt, beoordelen wij of het voor het slagen van het nazorgtraject belangrijk is dat hij na afloop van de detentie kan terugkeren naar zijn woning.4.17.2.Met ‘kortdurend’ in lid 1 bedoelen wij een periode van maximaal zes maanden.4.17.3.Als wij na afweging van alle omstandigheden en verwachtingen vinden dat een terugkeer voldoende belangrijk is, kunnen wij – in afwijking van artikel 13 van de Wet – bijzondere bijstand geven voor de kosten van huur van de woning en vastrecht voor energie- en waterlevering.4.17.4.Bij deze bijstand laten wij geen vermogen vrij. De inwoner zal eerst zelf zijn vermogen moeten gebruiken om de kosten te voldoen voordat wij bijstand geven. Artikel 4.18 Aanvullend levensonderhoud jongvolwassenen in een instelling 4.18.1.Een in een instelling verblijvende jongere van 18 tot 21 jaar die hogere kosten levensonderhoud heeft dan waar hij zelf ik kan voorzien, doet voor deze kosten in eerste instantie een beroep op zijn onderhoudsplichtige ouders.4.18.2.Indien de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: •de middelen van de ouders niet toereikend zijn; of •de jongere het onderhoudsrecht redelijkerwijs niet te gelde kan maken kan het college bijzondere bijstand verlenen voor de noodzakelijke kosten van levensonderhoud op grond van artikel 35 van de Wet. De hoogte van deze bijstand wordt gemaximeerd op de inrichtingsnorm zoals bedoeld in artikel 23 van de Wet, inclusief de verhoging als genoemd in het tweede lid van dat artikel.4.18.3.Omdat jongeren die in een instelling verblijven geen recht hebben op algemene bijstand (artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van de Wet), kan voor deze doelgroep geen toepassing worden gegeven aan de ophoging van artikel 20, derde lid, van de Wet. Voor hen is uitsluitend bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Wet mogelijk, tot maximaal de inrichtingsnorm als bedoeld in artikel 23 van de Wet. Artikel 4.19 Aanvullende bijzondere bijstand voor AMV’s 4.19.1.Een alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) van 18, 19 of 20 jaar kan aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud ontvangen wanneer geen of een ontoereikende voorliggende voorziening beschikbaar is als bedoeld in artikel 15 van de Wet en de AMV niet kan terugvallen op ouderlijk onderhoud.4.19.2.Voor een AMV die na zijn 18e verjaardag verblijft in een woonvoorziening onder verantwoordelijkheid van Nidos, vult het college de jongerennorm aan tot maximaal de norm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder (inclusief vakantietoeslag). Zolang de AMV geen zelfstandige woonlasten heeft, wordt daarop een forfaitaire woonkostencorrectie van € 600 per maand in mindering gebracht. Deze correctie is gebaseerd op de gemiddelde maandelijkse woonlasten voor jongeren en wordt jaarlijks geïndexeerd.4.19.3.Wanneer de AMV uitstroomt naar zelfstandige huisvesting, wordt de aanvullende bijzondere bijstand vastgesteld op het verschil tussen de jongerennorm en de norm voor een alleenstaande van 21 jaar en ouder, zonder woonkostencorrectie.4.19.4.Het college kan een eenmalige overbruggingsbijstand verstrekken bij verhuizing of uitstroom. Eventuele verstrekkingen vanuit de begeleidingsorganisatie worden hiermee verrekend tot maximaal € 600. Dit bedrag van € 600 wordt jaarlijks geïndexeerd. 4.19.5.Eventuele inkomsten of tegemoetkomingen, zoals vanuit Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS) of Wet Studiefinanciering 2000 (WSF 2000), worden in aanmerking genomen als voorliggende voorziening bij het bepalen van de hoogte van de aanvullende bijzondere bijstand.4.19.6.De algemene draagkrachtregels van artikel 4.1 zijn van toepassing. De voorziening wordt toegekend voor maximaal twaalf maanden en wordt herzien bij wijziging van omstandigheden of wanneer de AMV 21 jaar wordt. Artikel 4.20 Alleenstaande ouders 4.20.1.De alleenstaande ouder, die algemene bijstand ontvangt en van de Belastingdienst in het kindgebonden budget geen alleenstaande-ouderkop (artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget) ontvangt omdat: •de alleenstaande ouder – nog – een partner heeft als bedoeld in artikel 3 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, of •de alleenstaande ouder recent naar Nederland gekomen is en door de Sociale Verzekeringsbank – nog – niet gezien wordt als verzekerde voor de Algemene Kinderbijslagwet, of •een co-oudersituatie bestaat waarin het kind/ de kinderen op het adres van de andere co-ouder ingeschreven is/ zijn, de andere co-ouder het kindgebonden budget ontvangt en een regeling van de kosten tussen beide ouders niet mogelijk is, heeft recht op bijzondere bijstand ter hoogte van het bedrag van artikel 2, zesde lid, van de Wet op het kindgebonden budget, omgerekend naar een bedrag per maand. 4.20.2. Bij co-ouderschap wordt de bijzondere bijstand vastgesteld naar rato van het aantal dagen per week waarop de ouder feitelijk als alleenstaande ouder fungeert, afgezet tegen een volledige week van zeven dagen. Deze berekening heeft uitsluitend betrekking op de hoogte van de bijzondere bijstand en staat los van de draagkracht- en vermogensbeoordeling. Artikel 4.21 Meedoen 4.21.1.De inwoner van Lingewaard heeft recht op een tegemoetkoming voor actief meedoen in de samenleving als hij op de datum aanvraag aan alle onderstaande voorwaarden voldoet: a.hij heeft een inkomen dat niet hoger is dan 120% van de toepasselijke netto-uitkeringsnorm; b.hij heeft een vermogen dat niet hoger is dan de vermogensgrens van artikel 34 van de Wet; c.hij is volgens de Basisregistratie Personen (BRP) woonachtig in de gemeente Lingewaard; d.hij is geen vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede of derde lid van de Wet; e.hij is 18 jaar of ouder; f.hij is geen student, waaronder wordt verstaan dat hij geen recht heeft op studiefinanciering op grond van de WSF 2000 of op een tegemoetkoming op grond van de WTOS. 4.21.2.Als de inwoner in een schuldregelingstraject zit, of als er beslag is gelegd op het inkomen van de inwoner, gaan we uit van het werkelijk beschikbare inkomen.4.21.3.De inwoner kan een aanvraag indienen via de website: www.meedoeninlingewaard.nl4.21.4.Een aanvraag moet uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarop de kosten betrekking hebben, worden ingediend. De punten dienen ook uiterlijk op 31 december van hetzelfde kalenderjaar te zijn besteed.4.21.5.De tegemoetkoming is persoonsgebonden en bestemd voor aantoonbare kosten die verband houden met maatschappelijke, sportieve, culturele of educatieve participatie.4.21.6.De inwoner kan kiezen uit: a.een geldbedrag van € 125, of b.een puntentegoed met een waarde van maximaal € 250 4.21.7.Het puntentegoed kan worden gebruikt voor aankopen via de webwinkel op www.meedoeninlingewaard.nl. Punten kunnen niet worden omgezet in geld en vervallen op 31 december van het betreffende kalenderjaar.4.21.8.Het college kan de in het zesde lid genoemde bedragen jaarlijks vaststellen en waar nodig actualiseren of indexeren. Artikel 4.22 Kindpakket 4.22.1.Kinderen in de leeftijd van -9 maanden tot 18 jaar, van wie de ouders in aanmerking komen voor de meedoenregeling (zoals opgenomen in artikel 4.22), kunnen gebruik maken van het kindpakket.4.22.2.Het kindpakket kan worden aangevraagd via de website: www.meedoeninlingewaard.nl4.22.3.Voor elk kind is een puntensaldo van 600 per jaar beschikbaar, te besteden via de webwinkel op website: www.meedoeninlingewaard.nl. De besteding moet gebeuren vóór 31 december van het betreffende jaar. Artikel 4.23 Studietoeslag 4.23.1.Het college verstrekt op aanvraag een studietoeslag aan een aanvrager die voldoet aan artikel 36b van de Wet: a.als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is om naast de studie inkomsten te verwerven; b.studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF 2000 (niet zijnde het levenlanglerenkrediet) of een tegemoetkoming krijgt op grond van hoofdstuk 4 WTOS; en c.geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). 4.23.2.Bij de beoordeling vraagt het college in beginsel een medisch advies, tenzij zonder dat advies kan worden vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat.4.23.3.De hoogte van de studietoeslag bedraagt ten minste het per leeftijdscategorie landelijke minimumbedrag zoals vastgesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Het college kan hogere bedragen vaststellen.4.23.4.De aanvrager die in het kader van de studie inkomsten uit een stage ontvangt, behoudt het recht op studietoeslag; het deel van de stagevergoeding boven de landelijke drempel wordt op de studietoeslag in mindering gebracht.4.23.5.De aanvraag wordt digitaal of schriftelijk ingediend met gebruikmaking van het daarvoor bestemde formulier. Indien recht bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan, voor zover deze dag niet vóór de dag van aanvraagt ligt.4.23.6.In afwijking van het vijfde lid kan de studietoeslag op verzoek met terugwerkende kracht worden toegekend, indien gedurende die periode aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Er wordt geen studietoeslag met terugwerkende kracht toegekend vóór 1 april 2022.4.23.7.De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald. Indien met terugwerkende kracht wordt toegekend, vindt uitbetaling van dat deel plaats als bedrag ineens. Hoofdstuk 5 Slotbepalingen In dit hoofdstuk staat wanneer de regels ingaan en welke oude regels er worden ingetrokken. Verder staat er een regeling voor de situatie dat een inwoner volgens de oude regels een gunstiger besluit zou krijgen. Artikel 5.1 Evaluatie 5.1.1.Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel onderzoekt het college de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk. Artikel 5.2 Inwerkingtreding 5.2.1.Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.5.2.2.Met ingang van dezelfde datum worden ingetrokken: •De beleidsregels Werk, Inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2025 •Verordening individuele studietoeslag Participatiewet gemeente Lingewaard 2015 Artikel 5.3 Overgangsregeling 5.3.1.Besluiten die zijn genomen vóór de datum waarop deze beleidsregels in werking zijn getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.5.3.2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden lopende verstrekkingen van bijzondere bijstand, waaronder die aan jongeren als bedoeld in artikel 2.5, per 1 augustus 2026 beëindigd en omgezet in algemene bijstand op grond van artikel 20 van de wet. De hoogte en de resterende duur van de algemene bijstand sluiten aan bij de toegekende bijzondere bijstand.5.3.3.Indien toepassing van deze beleidsregels voor de inwoner nadeliger uitpakt, wordt beoordeeld of afbouw of overgangsmaatregelen noodzakelijk zijn.5.3.4.Lopende bezwaarprocedures worden beoordeeld met inachtneming van de ten tijde van de beslissing geldende beleidsregel, waarbij het college rekening houdt met de belangen van de inwoner. Artikel 5.4 Citeertitel 5.4.1.Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026’. Aldus vastgesteld op 7 juli 2026, burgemeester en wethouders van de gemeente Lingewaard, de secretaris, drs. I.P. van der Valk de burgemeester,dr. P.T.A.M. Kalfs
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio
Meer meldingen zoals "Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026"

Mededelingen
Beleidsregels werk, inkomen en bijzondere vergoedingen Lingewaard 2026

Mededelingen
Beleidsregel Aversieve conditionering wolf Gelderland 2026

Omgeving
Provincie Gelderland Omgevingsverordening Gelderland, locatie provinciale weg N325, km 23-27.5 en N338, km 1.4 in Arnhem en Duiven

APV
Verordening van Provinciale Staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent nazorgheffing stortplaatsen (Verordening nazorgheffing stortplaatsen Gelderland 1999)

Mededelingen
Informatie over collecte

Omgeving
Kennisgeving besluit op de aanvraag omgevingsvergunning, ontheffing geluidvoorschriften Westervoortse Brug

Mededelingen
Informatieprotocol 2025 Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen

Mededelingen
Grondprijzenbrief Westervoort 2026

Mededelingen
Beleidsregel Windenergie Gelderland 2026

Mededelingen
Regeling melden vermoeden integriteitsschending of misstand gemeente Arnhem 2026

APV
Beoordeling nazorgplannen

APV
Regeling Fonds Nazorg Stortplaatsen Gelderland

