Leidraad Invordering BSR
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-08-13
Gepubliceerd door
RegionaalSamenwerkingsorgaan Belastingsamenwerking Rivierenland
Informatie
Leidraad Invordering BSR Artikel 1 Inleiding en toepassingsgebied Dit artikel bevat de inleiding van de Leidraad Invordering gemeentelijke en waterschapsbelastingen 2008 en het beleid over het toepassingsgebied zoals opgenomen in artikel 1 van de Invorderingswet 1990.1.1. 1.1 Inleiding Net als de leidraad invordering 2008 van het Rijk (hierna: Rijksleidraad) bevat de Leidraad invordering alleen beleidsregels. Werkinstructies zijn niet toegevoegd. De indeling van de artikelen heeft dezelfde volgorde als de Rijksleidraad. Sommige artikelen uit de Invorderingswet 1990 en de Rijksleidraad staan niet in deze versie, omdat ze niet gelden voor BSR. Dit staat steeds aangegeven met: “Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR”. We hebben dit gedaan zodat de nummering hetzelfde blijft. Zo kunnen nieuwe wijzigingen van het Ministerie van Financiën makkelijker worden gevonden en aangepast. In deze leidraad gebruiken we het woord “invorderingsambtenaar” in plaats van de wettelijke term voor de ambtenaren van gemeenten en waterschappen die belastingen innen. Ook gebruiken we het woord “heffingsambtenaar” in plaats van de wettelijke term voor de ambtenaren die belastingen opleggen. Dit doen we om de tekst makkelijker leesbaar te maken. Wie stelt de Leidraad bij BSR vast? Uit de wet blijkt niet wie binnen het bestuursorgaan de leidraad moet vaststellen. Wij stellen ons op het standpunt dat het dagelijks bestuur van BSR (hierna genoemd “ons dagelijks bestuur”) hiertoe de bevoegdheid heeft. Ons dagelijks bestuur stelt de regels vast op grond waarvan de aanwijzing van de invorderingsambtenaar moet plaatsvinden. Gelet op het voorgaande zouden ons dagelijks bestuur en de invorderingsambtenaar bevoegd zijn tot het vaststellen van beleidsregels over de invordering. 1.1.1 Lijst met gebruikte afkortingen Afkorting Omschrijving Awb Algemene wet bestuursrecht Awir Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen AWR Algemene wet inzake rijksbelastingen BSR Het openbaar lichaam Belastingsamenwerking Rivierenland BW Burgerlijk Wetboek FW Faillissementswet MSNP Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen NVVK Nederlandse vereniging voor kredieten PW Participatiewet Recofa Rechters-commissaris Faillissementen Rv Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering Sr Wetboek van Strafrecht Sv Wetboek van Strafvordering WHOA Wet homologatie onderhands akkoord UWV Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen WSF Wet Studiefinanciering 2000 WSNP Wettelijke schuldsanering natuurlijke personen 1.1.2 Begrippen, definities en afkortingen Algemeen bestuur Het algemeen bestuur van BSR. Ambtenaar van BSR De door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van BSR, als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub c, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub c, van de Waterschapswet, bevoegd tot de heffing of de invordering van belastingen en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. Belastingdeurwaarder De door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van BSR als bedoeld in artikel 232, lid 4, sub d, van de Gemeentewet en artikel 124, lid 5, sub d, van de Waterschapswet. Belastingen • Gemeentelijke belastingen: de belastingen die BSR heft zoals genoemd in de Gemeentewet en de Wet milieubeheer; • Waterschapsbelastingen: de belastingen die BSR heft zoals genoemd in de Waterschapswet. Belastingverordening De verordening tot heffing en invordering van belasting of rechten van het algemeen bestuur en gemeenteraden van de deelnemers aan BSR. Beleidsregels Beleidsregels in de zin van Titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht op het gebied van de heffing en invordering van belastingen en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. Besluit Het Uitvoeringsbesluit Invorderingswet 1990. Betekenen van een exploot Het rechtsgeldig overhandigen of achterlaten van een document door een (belasting)deurwaarder. Dagelijks bestuur Het dagelijks bestuur van BSR. Echtgenoot De echtgenoot bedoeld in artikel 1 en 2a van de PW. Heffingsambtenaar De door ons dagelijks bestuur aangewezen heffingsambtenaar is bevoegd tot het heffen van belastingen, en tot de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken. Hoger beroep Hoger beroep bij een gerechtshof dan wel, als beroep in cassatie bij de Hoge Raad is ingesteld, cassatieberoep. Kwijtscheldingsregels De door de algemeen besturen en gemeenteraden van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in respectievelijk artikel 144, leden 3 en 4 van de Waterschapswet, en artikel 255, leden 3 en 4 van de Gemeentewet. Negatieve definitieve aanslag De aanslag als bedoeld in artikel 15 AWR, waarbij de aldaar bedoelde verrekeningen hebben geleid tot een per saldo negatief bedrag. Ondernemer De belastingschuldige die een onderneming drijft, zelfstandig een beroep uitoefent of inkomsten heeft uit overig werk. Invorderingsambtenaar De door ons dagelijks bestuur aangewezen invorderingsambtenaar is bevoegd tot invordering van belastingen. Particulier De belastingschuldige die niet als ondernemer wordt aangemerkt. Regeling De Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Voorlopige teruggaaf De aanslag als bedoeld in artikel 13, tweede lid, AWR. Voorzitter De voorzitter van het algemeen dan wel het dagelijks bestuur van BSR. Wet De wet van 30 mei 1990 op de invordering van rijksbelastingen (Invorderingswet 1990). 1.1.3 Reikwijdte beleidsvoorschriften Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 1.1.4 Aansprakelijkgestelden en andere derden De invordering bij aansprakelijkgestelden en andere derden gebeurt voor een groot deel hetzelfde als de invordering bij belastingschuldigen. Om de tekst makkelijker te lezen, noemen we niet steeds alle groepen apart. De regels gelden voor iedereen, tenzij anders vermeld. 1.1.5 Awb en algemene beginselen van behoorlijk bestuur Bij de invordering werken we zoveel mogelijk volgens de regels uit de Awb en het Besluit Fiscaal Bestuursrecht. Uitzonderingen worden in deze leidraad en artikel 1 van de wet benoemd. Dit betekent onder andere dat de normale beslistermijnen uit de Awb gelden, inclusief de mogelijkheid om deze te verlengen. Voor aanvragen geldt daarom meestal een termijn van acht weken. Als dat nodig is, kan hiervan worden afgeweken door een nieuwe redelijke termijn te noemen. Voor het beslissen op bezwaarschriften geldt een mogelijk uitstel (verdagingstermijn) van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:10 Awb). Voor het beslissen op beroepschriften bij administratief beroep geldt een mogelijk uitstel (verdagingstermijn)van maximaal zes weken en de mogelijkheid tot verder uitstel in gezamenlijk overleg (artikel 7:24 Awb). Dit geldt niet voor de dwangsom bij niet tijdig beslissen (artikel 4:17 Awb)5. Op de volgende gevallen is dit wel van toepassing: • bezwaarschriften tegen beschikkingen invorderingsrente als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de wet; • bezwaarschriften tegen beschikkingen aansprakelijkstelling als bedoeld in artikel 49, eerste lid, van de wet; • bezwaar- en beroepschriften als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen; • bezwaarschriften tegen beschikkingen kostenvergoeding bij een onrechtmatig opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 62a, eerste lid, van de wet; • bezwaarschriften tegen beschikkingen bestuurlijke boete als bedoel in artikel 63b van de wet. Naast het zoveel mogelijk handelen volgens de Awb moet de invorderingsambtenaar bij zijn handelen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht te nemen, ook als sprake is van privaatrechtelijke handelingen (beslag, executoriale verkoop en dergelijke). Als de belastingschuldige aan BSR goed kan uitleggen dat er waarschijnlijk een fout zit in een belastingaanslag die al definitief is, dan controleert de invorderingsambtenaar deze aanslag nog één keer op hoofdlijnen. Een belastingaanslag is definitief als er geen bezwaar of beroep meer mogelijk is. Als uit deze controle blijkt dat de belasting in werkelijkheid niet klopt, dan neemt BSR geen invorderingsmaatregelen.. Dit betekent dat BSR in dat geval geen stappen neemt om de belasting te innen. De controle gebeurt alleen op basis van informatie die BSR al heeft op het moment dat zij wil gaan invorderen. Als er toch al is verrekend met een belastingteruggave, wordt dit niet teruggedraaid, behalve als de belastingschuldige binnen één maand na de verrekening vraagt om dit te herstellen aan de invorderingsambtenaar. 1.1.5a Toepassing artikel 4:84 Awb De invorderingsambtenaar mag in zeer bijzondere omstandigheden, die naar oordeel van de invorderingsambtenaar redelijkerwijs niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten afwijken van de regels in deze leidraad. Dit gebeurt bijna nooit, omdat iedereen gelijk behandeld moet worden. 1.1.6 Keuze uit verschillende invorderingsmaatregelen Als de invordering op verschillende manieren kan plaatsvinden, heeft de eenvoudigste, snelste en minst kostbare wijze voor BSR de voorkeur. 1.1.7 Invorderingsmaatregelen tegen grote bedrijven Als de invorderingsambtenaar maatregelen wil nemen die een bedrijf met meer dan 50 werknemers in gevaar kunnen brengen, moet hij eerst toestemming vragen aan ons dagelijks bestuur. Onder een bedrijf wordt in dit verband ook verstaan een geheel van bij elkaar behorende bedrijven of een zelfstandig uitgeoefend beroep. Het nemen van beslag hoeft dit effect niet te hebben, als de invorderingsambtenaar kan zorgen dat derden er niets van merken. Toestemming moet altijd gevraagd worden als: • het beslag snel tot verkoop van (een deel van) de bezittingen van het bedrijf kan leiden; • door het beslag de werkvoorraad of het geld van het bedrijf helemaal of bijna helemaal vastligt; • anderen op de hoogte zijn van het beslag, zoals bij derdenbeslag; • de Invorderingsambtenaar een schuldeiser informatie geeft over openstaande belastingen, waardoor de schuldeiser een faillissement kan aanvragen. 1.1.8 Voor de invordering minder geschikte dagen De invorderingsambtenaar neemt geen invorderingsmaatregelen tegen particulieren op dagen die minder geschikt zijn, als het ook later kan. Voor ondernemers geldt dit alleen voor maatregelen die te maken hebben met privébezittingen. Dagen die minder geschikt zijn, zijn bijvoorbeeld: • algemeen erkende feest- en gedenkdagen, inclusief de dag ervoor en erna; • de dagen tussen de Kerstmisdagen en Nieuwjaarsdag; • Nieuwjaarsdag, tweede Paas- en Pinksterdag, beide Kerstdagen, Hemelvaartsdag, Koningsdag, vijf mei en Goede Vrijdag. 1.1.9 Binnenkomst van bescheiden Bij het indienen van documenten, waaraan rechten kunnen worden ontleend, bij een deelnemer van BSR, dan telt de datum waarop de deelnemer de documenten ontvangt als de datum van binnenkomst. Dit geldt ook als je de documenten hebt ingediend bij een andere instantie, terwijl je dacht, en redelijkerwijs mocht denken, dat die instantie de juiste was om ze te ontvangen. Als de invorderingsambtenaar in de tussentijd al heeft verrekend of dwangmaatregelen heeft genomen om de belasting te innen, dan blijven die maatregelen geldig. Dat geldt alleen als de ambtenaar niet wist, en ook redelijkerwijs niet kon weten, dat de documenten waren ingediend. Met dwangmaatregelen bedoelen we alle stappen die worden genomen om een schuld te innen. Daaronder vallen ook het via de rechter innen van een schuld en het aansprakelijk stellen van anderen. 1.1.10 Positie belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder is een ambtenaar van BSR. Hij is aangewezen door het dagelijks bestuur van BSR volgens de regels in de Gemeentewet en de Waterschapswet. De rechten en plichten uit de Ambtenarenwet zijn van toepassing op hem. De belastingdeurwaarder is een bestuursorgaan volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb), of hij werkt onder verantwoordelijkheid van de invorderingsambtenaar. De belastingdeurwaarder voert zijn werk eerlijk en zonder vooroordelen uit. Hij gebruikt zijn bevoegdheden alleen voor het doel waarvoor ze zijn bedoeld. Hij zorgt ervoor dat zijn beslissingen niet onnodig nadelige gevolgen hebben voor mensen. Om misverstanden te voorkomen, geeft de belastingdeurwaarder altijd duidelijk aan in welke rol hij optreedt. Als iemand dat vraagt, toont hij zijn legitimatiebewijs. Volgens artikel 67 van de wet mag de belastingdeurwaarder geen vertrouwelijke informatie over personen of hun zaken doorgeven, behalve als dat nodig is voor de uitvoering van de wet of voor de heffing van belastingen. De invorderingsambtenaar is altijd verantwoordelijk voor de leiding van de invordering. Dat betekent dat de belastingdeurwaarder zijn wettelijke bevoegdheden alleen gebruikt na een opdracht van de invorderingsambtenaar. Bij het uitvoeren van die opdracht moet hij zich houden aan de aanwijzingen van de invorderingsambtenaar. Iedereen heeft op grond van artikel 9:1 Awb het recht om een klacht in te dienen over het gedrag van de belastingdeurwaarder. Klachten over zijn werk kunnen worden ingediend bij de klachtencoördinator van BSR. 1.1.11 Bewaren invorderingsbescheiden De invorderingsambtenaar bewaart de documenten die direct betrekking hebben op de invordering gedurende drie jaar na afhandeling, of zoveel langer als het recht tot dwanginvordering van de belastingaanslag die daaraan ten grondslag ligt nog niet is verjaard. De documenten die op kwijtschelding betrekking hebben, worden gedurende ten minste drie jaar na de verleende kwijtschelding bewaard, of zoveel langer als dat zij nog van belang kunnen zijn. Documenten die geen betrekking hebben op één of meer bepaalde belastingaanslagen, worden ook gedurende ten minste drie jaar bewaard, of zoveel langer als dat zij nog van belang kunnen zijn. 1.1.12 Verklaring inzake nakoming fiscale verplichtingen Als de belastingschuldige of zijn gemachtigde daarom vraagt, geeft de invorderingsambtenaar een verklaring af. In deze verklaring staat dat er op dat moment geen openstaande belastingaanslagen of andere schulden zijn waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen. Als daarom wordt gevraagd, kan de invorderingsambtenaar ook verklaren dat er in het verleden geen problemen zijn geweest bij de invordering. In de verklaring kan hij, als dat nodig is, extra informatie opnemen. De invorderingsambtenaar stuurt de verklaring naar het adres van de belastingschuldige, of geeft deze persoonlijk aan hem af. De verklaring wordt niet aan iemand anders gegeven of gestuurd, behalve als de invorderingsambtenaar heeft vastgesteld dat die persoon bevoegd is om de verklaring te ontvangen. 1.1.13 Informatieplicht De invorderingsambtenaar maakt van de bevoegdheden van hoofdstuk VII van de wet enkel gebruik bij een kwijtscheldingsverzoek of betalingsachterstand, dat wil zeggen als niet is betaald binnen de betalingstermijn(en) die voor de belastingaanslag gelden. De informatieplicht vervalt zodra volledige betaling plaatsvindt. De invorderingsambtenaar kan altijd gebruik maken van zijn bevoegdheid van hoofdstuk VII als de toepassing van artikel 10 van de wet aan de orde kan komen. 1.1.14 Diplomatieke status De invordering van belastingschulden van personen met een diplomatieke status gebeurt door tussenkomst van de minister van Buitenlandse Zaken. De invorderingsambtenaar richt een verzoek om bemiddeling rechtstreeks tot: Ministerie van Buitenlandse Zaken Directie Kabinet en Protocol Postbus 20061 2500 EB ’s-Gravenhage 1.2 Toepassingsgebied De invorderingsambtenaar handelt zoveel mogelijk in overeenstemming met de Awb en het Besluit fiscaal bestuursrecht. (Zie ook artikel 1.1.5 van deze leidraad). Artikel 2 Begrippen Dit artikel legt uit wat bedoeld wordt met het begrip ‘woonplaats’. Het sluit aan bij artikel 2 van de wet. 2.1 Woonplaats De begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ hebben bij de uitvoering van de wet niet steeds dezelfde inhoud. Als het gaat om de betekening van stukken of om andere handelingen overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, sluit de invorderingsambtenaar aan bij het begrip ‘woonplaats’ als bedoeld in de artikelen 1:10 en volgende van het BW. Bij de aansprakelijkheidsbepalingen van Afdeling 1 van Hoofdstuk VI van de wet ligt het voor de hand om aan te sluiten bij de begrippen ‘woonplaats’ en ‘plaats van vestiging’ die gelden voor de heffingswet op grond waarvan de belastingschuld, waarvoor de aansprakelijkheid bestaat, is ontstaan. Artikel 3 Invorderingsambtenaar Dit artikel geeft uitleg over: • de fiscale en civiele bevoegdheden van de invorderingsambtenaar; • het leggen van conservatoir beslag; • het vragen van toestemming bij gerechtelijke procedures; • de Rijksadvocaat; • faillissementsaanvraag. 3.1 Fiscale en civiele bevoegdheden De invorderingsambtenaar heeft volgens de wet verschillende bijzondere bevoegdheden om belastingschulden in te vorderen. Daarnaast heeft hij ook dezelfde rechten en bevoegdheden als andere schuldeisers volgens de wet. Daardoor kan de invorderingsambtenaar in veel gevallen kiezen of hij zijn fiscale bevoegdheden gebruikt of zijn civielrechtelijke bevoegdheden, om het gewenste resultaat te bereiken. De invorderingsambtenaar mag zelf bepalen welke middelen hij het meest geschikt vindt om zijn taak goed uit te voeren. Als hij besluit om over te schakelen van fiscale naar civielrechtelijke bevoegdheden (of andersom), dan doet hij dat alleen als het belang van de invordering zwaarder weegt dan de belangen van de belastingschuldige en eventuele derden. 3.2 Conservatoir beslag Om de rechten van BSR veilig te stellen heeft de invorderingsambtenaar naast de versnelde invordering de mogelijkheid conservatoir beslag te leggen. Feiten en omstandigheden bepalen de keuze van de invorderingsambtenaar. 3.2.1 Geen conservatoir beslag dan ook geen versnelde invordering Als de voorzieningenrechter van de rechtbank geen toestemming verleent tot het leggen van conservatoir beslag omdat hij gegronde vrees voor verduistering van de goederen niet aanwezig acht, dan legt de invorderingsambtenaar niet alsnog om dezelfde reden executoriaal beslag op grond van de artikelen 10 en 15 van de wet. 3.2.2 Ontbreken belastingaanslag en conservatoir beslag Als het niet mogelijk is om eerst een belastingaanslag op te leggen, mag de invorderingsambtenaar alleen toestemming vragen aan de voorzieningenrechter om conservatoir beslag te leggen als het redelijk is om aan te nemen dat de belasting materieel verschuldigd is. Het opleggen van de belastingaanslag telt in dat geval als het indienen van een eis in de hoofdzaak, zoals bedoeld in artikel 700, derde lid, Rv. 3.3 Gerechtelijke procedures – toestemming 3.3.1 Juridische bijstand Op grond van artikel 3, derde lid van de wet treedt de invorderingsambtenaar zelfstandig in rechte op in rechtsgedingen die voortvloeien uit de uitoefening van zijn taak. Hij voorziet zich daarbij in alle gevallen van procesvertegenwoordiging, met uitzondering van: • beroepsprocedures op grond van artikel 26 AWR; • hoger beroepsprocedures op grond van artikel 27h AWR; • (hoger) beroepsprocedures op grond van artikel 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen; • kantonzaken; • kort gedingprocedures, indien de invorderingsambtenaar gedaagde is. 3.3.2 Toestemming In gerechtelijke procedures voor de burgerlijk rechter waarin de invorderingsambtenaar als eiser optreedt, moet hij toestemming hebben van het dagelijkse bestuur. Het voorgaande geldt niet voor: • verklaringsprocedures in het kader van derdenbeslagen; • kantonzaken; • verzoekschriftprocedures; • procedures die worden ingesteld naar aanleiding van een verzet ex artikel 435, of artikel 708, tweede lid, RV. In afwijking van de vorige volzin geldt voor in hoger beroep te voeren zaken dat altijd toestemming van het dagelijks bestuur nodig is. 3.4 Rijksadvocaat Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 3.5 Faillissementsaanvraag Bij een faillissementsaanvraag wordt vooraf toestemming gevraagd aan het dagelijks bestuur. Dit geldt ook bij een eventuele steunvordering voor het aanvragen van een faillissement. Artikel 4 Bevoegdheid belastingdeurwaarder Dit artikel geeft uitleg over de reikwijdte van die bevoegdheid. 4.1 Reikwijdte bevoegdheid belastingdeurwaarder De belastingdeurwaarder mag alle taken uitvoeren die te maken hebben met het innen van belastingen. Dit betekent dat hij officiële stukken mag bezorgen en maatregelen mag nemen om ervoor te zorgen dat openstaande bedragen worden betaald. Ook mag de belastingdeurwaarder taken uitvoeren die horen bij het innen van belastingen via de civiele rechter. Dit mag volgens artikel 3, lid 2, van de wet. Daarnaast mag hij helpen bij werkzaamheden als de invorderingsambtenaar namens BSR zelf een rechtszaak begint of zich daartegen verdedigt. 4.2 Bescherming Belastingdeurwaarders zijn ambtenaar in de zin van de artikelen 179 en 180 Sr. Daardoor hebben zij strafrechtelijke bescherming, voor zover zij hun wettelijke taken en bevoegdheden uitoefenen. 4.3 Legitimatie Voor de uitoefening van de aan hem opgedragen invorderingstaken kan de belastingdeurwaarder op verzoek zich legitimeren aan de belastingschuldige en/of zijn/haar gemachtigden. Artikel 5 Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 6 Reikwijdte van de wet Dit artikel legt uit wat het beleid is over rente en kosten. Het sluit aan bij artikel 6 van de wet. 6.1 Rente en kosten in het kader van de reikwijdte van de wet Onder rente als bedoeld in artikel 6 van de wet wordt alleen verstaan: de invorderingsrente. Onder kosten wordt verstaan: alle kosten die op basis van de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die zijn ontstaan door de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht bij de invordering langs civielrechtelijke weg. Artikel 7 Betaling en afboeking Dit artikel geeft uitleg over: • het tijdstip van de betaling; • de afboeking van de betaling; • teveelbetalingen; • het rekenen van rente en kosten bij afboeking; • het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen; • de afboeking van de betaling op de bestuurlijke boete; • de afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden; • betaling bij vergissing; • het verzenden van een mededeling bij een afboeking van een betaling; • ontvangen bedragen uit de wettelijke saneringsregeling en faillissement. 7.1 Tijdstip betaling (zie ook Onverschuldigdheid van vervolgingskosten) • Als tijdstip van betaling geldt de datum van bijschrijving op de rekening van BSR; • Bij rechtstreekse betaling aan BSR door middel van een pin- of creditcardtransactie geldt als tijdstip van betaling de datum van bijschrijving op de rekening van BSR; 7.2 De afboeking van de betaling Bij de afboeking van betalingen gelden de volgende richtlijnen: • Als iemand bij een betaling aangeeft waarvoor die bedoeld is, wordt het bedrag gebruikt voor dat doel. Alleen als die aanwijzing niet past bij de regels in artikel 7 van de wet, wordt de betaling op een andere manier verwerkt. • Als iemand een betaling doet zonder aan te geven waarvoor die is, noemen we dat een ongerichte betaling. Deze betaling wordt dan gebruikt om de oudste of belangrijkste openstaande belastingaanslagen te betalen. Hiervan kan worden afgeweken als dit in het voordeel is van de belastingschuldige. • Als na een betaling nog minder dan € 5,99 overblijft, dan wordt er niet ingevorderd. 7.3 Teveelbetaling Als het ontvangen bedrag niet (helemaal) kan worden gebruikt voor het doel dat is opgegeven, dan gebruiken we het om de resterende openstaande bedragen te betalen. We storten alleen geld terug als alle schulden zijn betaald. 7.4 Rente en kosten bij afboeking betalingen Kosten zijn alle kosten die volgens de Kostenwet invordering rijksbelastingen aan de belastingschuldige worden doorberekend. Daaronder vallen ook de kosten voor het werk dat de belastingdeurwaarder doet bij het innen van belastingen via de civiele rechter. Met rente (zoals bedoeld in artikel 7 van de wet) wordt alleen de invorderingsrente bedoeld. 7.5 Het toerekenen van kosten bij meerdere aanslagen Als de kosten niet bij één specifieke belastingaanslag horen, koppelen we de kosten aan één van de aanslagen waarvoor de kosten zijn gemaakt. 7.6 Afboeking betaling op bestuurlijke boeten waarvoor uitstel van betaling is verleend Als er een belastingaanslag is en daarnaast een bestuurlijke boete die hoort bij die aanslag, dan wordt een ontvangen bedrag eerst gebruikt om de openstaande belasting te betalen. Dit geldt alleen als er voor de betaling van de boete uitstel is gegeven omdat er een bezwaarschrift of beroepschrift is ingediend. Als er ondanks dit uitstel toch meer wordt betaald dan de openstaande belasting, dan wordt het overige bedrag gebruikt om de boete te betalen. Als de boete al is betaald en er wordt op een later moment een bezwaar- of beroepschrift ingediend, dan betalen wij de boete niet terug. De terugbetaling gebeurt alleen als het bezwaar- of beroepschrift wordt toegekend. 7.7 Afboeking van betalingen door aansprakelijkgestelden Als een aansprakelijkgestelde een betaling doet, dan wordt deze betaling gebruikt om als eerste de invorderingskosten te betalen. Het bedrag van de betaling dat overblijft wordt gebruikt om het openstaande bedrag te betalen. Dit doen wij volgens de volgorde van artikel 7 van de wet. De kosten en invorderingsrente hoeven alleen betaald te worden door de aansprakelijkgestelde, als wij die persoon hiervoor ook aansprakelijk hebben gesteld. Als na afboeking van genoemd resterend bedrag nog een bedrag overblijft, dan wordt dit op de belastingaanslag afgeboekt, met inachtneming van de toerekeningsbepaling van artikel 7, tweede lid, van de wet. Van deze toerekening naar evenredigheid wordt afgeweken als de derde niet aansprakelijk is gesteld voor de bestuurlijke boete. In dit geval kan namelijk niet op de bestuurlijke boete worden afgeboekt. Zowel de belastingschuldige als de aansprakelijkgestelde worden schriftelijk in kennis gesteld over de wijze van afboeking van de betaling door de aansprakelijkgestelde. Als er na het afboeken van het eerder genoemde bedrag nog geld over is, dan wordt dit bedrag gebruikt om de belastingaanslag verder te betalen. Dit gebeurt volgens de regels in artikel 7, tweede lid, van de wet. Soms wijken we hiervan af. Dat gebeurt als de derde persoon niet aansprakelijk is gesteld voor de boete. In dat geval mogen we het geld niet gebruiken om de boete te betalen. De belastingplichtige en de aansprakelijkgestelde krijgen allebei een brief. In deze brief leggen we uit hoe de betaling van de aansprakelijkgestelde is afgeboekt. 7.8 Betaling bij vergissing Als iemand door een duidelijke vergissing of misverstand te veel heeft betaald, moet er voorzichtig worden omgegaan met het terugbetalen van dat geld. Het kan namelijk goed zijn dat de betaling toch terecht was. Is de betaling terecht en hebben wij de betaling toch terugbetaald, dan mogen wij niet zomaar opnieuw gaan innen. Daarom wordt het bedrag in zulke situaties niet meteen terugbetaald. Terugbetaling kan alleen als de betaler verklaart om geen gebruik te maken van het feit dat de schuld eerder is betaald. En dat de belastingschuldige de schuld later op de juiste manier alsnog betaalt. 7.9 Mededeling afboeking betaling De belastingschuldige krijgt geen bericht over de veranderingen in het openstaande bedrag. 7.10 Betaling van kleine bedragen Betalingen in kleine bedragen zijn toegestaan, ook als ze lager zijn dan de termijnbedragen. Ze worden alleen geweigerd als de invorderingsambtenaar vindt dat dit onnodig veel extra werk geeft. In dat geval neemt hij contact op met de belastingschuldige om een andere manier van betalen af te spreken. 7.11 Ontvangen bedragen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en faillissement Geld dat we ontvangen uit een wettelijke schuldsanering of uit een faillissement boeken wij af volgens de uitdelingslijst. Daarbij volgen wij ook de regels van artikel 7 van deze leidraad. Artikel 7a Uitbetaling van belastingteruggaven Dit artikel legt uit wat het beleid is voor het aanwijzen van een rekeningnummer bij uitbetaling en uitbetalingsfouten. Het sluit aan bij artikel 4:89 Awb en artikel 7a van de wet. 7a.1. Aanwijzen rekeningnummer voor uitbetaling Uitbetalingen aan een belastingschuldige gaan in principe naar het bankrekeningnummer dat bij ons bekend is en waarmee de laatste betaling aan ons is gedaan. Wil de belastingschuldige dat wij het geld naar een ander rekeningnummer overmaken? Dan moet hij dit schriftelijk doorgeven. Daarbij moet hij het nieuwe rekeningnummer doorgeven. Ontvangen wij dit bericht niet tijdig? Dan kunnen wij hier geen rekening mee houden. 7a.2 Controle van een aangewezen bankrekening op de tenaamstelling Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 7a.3. Uitbetalingsfouten Als een betaling per ongeluk op een ander rekeningnummer van de belastingschuldige wordt gestort dan het rekeningnummer dat hij heeft opgegeven dan moet de invorderingsambtenaar meestal opnieuw uitbetalen. Dit gebeurt nadat het verkeerd betaalde bedrag is teruggestort. Er is één uitzondering. De invorderingsambtenaar betaalt direct opnieuw als de belastingschuldige kan aantonen dat: 1. hij op tijd heeft doorgegeven dat de betaling niet meer op het oude rekeningnummer mocht plaatsvinden en, 2. hij niet bij het geld kan, omdat de bank heeft bevestigd dat de rekening waarop is betaald, geblokkeerd is. Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, dan zal de invorderingsambtenaar het verkeerde bedrag daarna terugvorderen bij de partij die het bedrag ten onrechte heeft ontvangen. Er was namelijk geen recht op deze uitbetaling. Als de fout is ontstaan doordat de belastingschuldige zelf een verkeerd rekeningnummer heeft doorgegeven, dan is dat zijn eigen verantwoordelijkheid. De invorderingsambtenaar mag in dat geval vertrouwen dat de betaling is gedaan om de schuld te betalen (de bevrijdende werking van artikel 6:34 BW). Op verzoek krijgt de belastingschuldige de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de persoon die het bedrag ten onrechte heeft ontvangen. Artikel 7b Cessie- en verpandingsverbod uitbetalingen inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 8 Bekendmaking aanslag Dit artikel geeft uitleg over: • de verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties; • de bekendmaking van de aanslag aan een rechtspersoon die (vermoedelijk) opgehouden is te bestaan; • de verzending van de aanslagbiljetten via externe bezorger van poststukken; • de gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet; • het verzenden van een uitnodiging tot betaling aan erfgenamen. 8.1 Verzending of uitreiking van het aanslagbiljet in bijzondere situaties Het aanslagbiljet wordt gestuurd naar de belastingschuldige of zijn wettelijke vertegenwoordiger. Dit gebeurt als volgt: • Als iemand onder curatele staat, wordt het aanslagbiljet naar de curator gestuurd. • Bij een faillissement gaat het aanslagbiljet naar de curator, als de schuld onder het faillissement valt of een schuld van de boedel is. • Als de belastingschuldige minderjarig is, wordt het aanslagbiljet naar de wettelijke vertegenwoordiger gestuurd als bekend is dat het eerder misging bij verzending aan het kind zelf. • Als de belastingschuldige is overleden, wordt het aanslagbiljet gestuurd naar de executeur, de bewindvoerder van de nalatenschap, of de erfgenamen. Als wij opleggen aan een erfgenaam, dan doen wij dit bij de oudste erfgenaam, die bij ons bekend is. Krijgen wij geen contact met de oudste erfgenaam? Dan kunnen wij de aanslag opleggen aan een andere erfgenaam. In deze situatie beslissen wij wie we aanschrijven. 8.2 Bekendmaking als de rechtspersoon (vermoedelijk) is opgehouden te bestaan Als een bedrijf of organisatie waarschijnlijk niet meer bestaat, mag de invorderingsambtenaar zelf bepalen hoe de belastingaanslag bekend gemaakt wordt. Bij deze keuze kijkt hij naar: • De rechtsvorm van de onderneming; • Het belang om de aanslag snel bekend te maken. Dit in verband met vrees van onverhaalbaarheid (het recht verliezen om de aanslag op te leggen en te innen). 8.3 Verzending aanslagbiljetten via externe bezorger van poststukken Voor de verzending van de aanslagbiljetten en andere brieven maakt de invorderingsambtenaar gebruik van de diensten van een externe bezorger van poststukken. 8.4 Gehoudenheid tot betalen belastingaanslag en aanslagbiljet De plicht om te betalen verandert niet als het bedrag op de belastingaanslag anders is dan het bedrag dat iemand eigenlijk moet betalen. Ook verandert deze plicht niet als de belastingaanslag op naam staat van iemand anders dan degene die de belasting werkelijk moet betalen. 8.5 Vooraf uitnodigen erfgenamen tot betalen belastingaanslag Als een belastingaanslag op naam van een overledene staat en de erfgenamen apart moeten worden aangesproken, krijgen zij eerst een schriftelijke uitnodiging. Daarin staat dat zij het bedrag binnen een redelijke termijn moeten betalen. Artikel 9 Betalingstermijnen Dit artikel geeft uitleg over: • de afwijking van de betalingstermijnen bij voorlopige aanslagen; • de afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven; • de uitbetaling van een voorlopige teruggave in één termijn; • de dagtekening van het aanslagbiljet; • het begrip maand bij betalingstermijnen; • het verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling; • de regeling betalingstermijn; • de automatische incasso. 9.1 Afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige aanslagen In de verordeningen van de deelnemers van BSR is een andere termijn bepaald voor voorlopige aanslagen. 9.2 Afwijking van de betalingstermijn bij voorlopige teruggaven Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 9.3 Uitbetaling voorlopige teruggave in één termijn. Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 9.4 Dagtekening aanslagbiljet De dagtekening van het aanslagbiljet wordt normaal zo bepaald dat de belastingschuldige het biljet een paar dagen voor de dag van dagtekening ontvangt. Hiervan kan worden afgeweken als wij op grond van artikel 10 van de wet versnelde invordering toepassen. 9.5 Begrippen bij betalingstermijnen De betalingstermijn van een belastingaanslag kan één maand of zes weken zijn. Hoe de einddatum wordt bepaald, hangt af van de dagtekening (de datum op de aanslag). Voorbeelden: • Staat op de aanslag 31 oktober? o Termijn van één maand: eindigt op 30 november. o Termijn van zes weken: eindigt op 12 december. • Staat op de aanslag 28 februari? o Termijn van één maand: eindigt op 31 maart. o In een schrikkeljaar: eindigt op 28 maart. o Termijn van zes weken: eindigt op 11 april o In een schrikkeljaar: eindigt op 10 april. Algemene regel: Als de dagtekening niet de laatste dag van de maand is, eindigt: • de termijn van één maand op dezelfde dag van de volgende maand; • de termijn van zes weken zes weken na de dagtekening. Voorbeeld: • Dagtekening: 15 maart o Termijn van één maand: eindigt op 15 april o Termijn van zes weken: eindigt op 26 april 9.6 Verzuim invorderingsambtenaar bij uitbetaling Volgens artikel 2, tweede lid, onderdeel e van de wet hoort bij het invorderen van belastingen ook het uitbetalen van belastingteruggaven. Daarom gelden voor een belastingteruggaaf dezelfde betalingstermijnen als voor een gewone belastingaanslag. Deze termijnen staan in de belastingverordeningen van onze deelnemers. Zijn die er niet, dan geldt de termijn uit artikel 9, eerste lid van de wet. Dit betekent dat de invorderingsambtenaar niet te laat is met betalen zolang de teruggaaf binnen deze termijn wordt uitbetaald. 9.7 Regeling betalingstermijn Onze deelnemers hebben voor iedere belastingsoort de betalingstermijn(en) in haar belastingverordeningen geregeld. Is in de belastingverordening niets geregeld, dan zijn de betalingstermijnen van de wet van toepassing. Volgens artikel 9, tiende lid, van de wet wordt de Algemene Termijnenwet in beide gevallen niet van toepassing verklaard. Op elke belastingaanslag vermelden wij de betalingstermijn(en). Uiterlijk op die datum moet de belastingschuldige de aanslag (of het deel ervan bij meerdere termijnen) hebben betaald. 9.8 Automatische incasso Voor sommige belastingaanslagen kun je onder bepaalde voorwaarden betalen via automatische incasso. Onze deelnemers hebben hiervoor het Incassoreglement BSR gemaakt. Betaal je via automatische incasso, dan krijg je meer tijd om de aanslag te betalen (ruimere betalingstermijnen). Artikel 10 Versnelde invordering Dit artikel geeft uitleg over: • de regels van de versnelde invordering; • de vrees voor verduistering; • het metterwoon verlaten van Nederland; • geen vaste woonplaats in Nederland; • als er al beslag ligt; • de verkoop namens derden; • de vordering ex artikel 19. 10.1 Regels versnelde invordering Als de invorderingsambtenaar besluit dat een belasting meteen moet worden betaald (versnelde invordering), dan zet hij dit op het aanslagbiljet. Hij schrijft ook waarom hij dit doet en naar welk onderdeel van artikel 10 hij verwijst. Als de reden voor versnelde invordering pas ontstaat nadat het aanslagbiljet is verstuurd, dan krijgt de belastingschuldige een brief. In deze brief staat dat de belasting direct en volledig moet worden betaald en dat de gewone betalingstermijnen niet meer gelden. Ook staat erbij welk onderdeel van artikel 10 de reden is. Vaak wordt daarna een versneld dwangbevel gebruikt volgens artikel 15. Dit dwangbevel kan niet per post worden betekend. Als de deurwaarder de belastingschuldige spreekt, moet hij die persoon eerst de kans geven om meteen te betalen. Als er al een dwangbevel is betekend, maar de betalingstermijn van twee dagen (of vier dagen bij verzending per post) is nog niet voorbij, dan geeft de invorderingsambtenaar dit door via het beslagexploot of via een aparte brief. Daarbij noemt hij artikel 10 en artikel 15 en het juiste onderdeel. Dit geldt ook wanneer er een hernieuwd bevel tot betaling is betekend en de tweedagentermijn nog loopt. Er hoeft dan geen nieuw dwangbevel te komen. Bij direct contact krijgt de belastingschuldige weer eerst de kans om direct te betalen. Als een belastingaanslag terecht geheel opeisbaar is geworden, blijft dit zo, ook als de situatie later verandert. Wel kan de belastingschuldige uitstel van betaling vragen. De invorderingsambtenaar geeft dan uitstel van betalen, zodat dit overeenkomt met de normale betalingstermijnen. 10.2 Vrees voor verduistering en versnelde invordering Er is sprake van gegronde vrees voor verduistering, zoals bedoeld in artikel 10, als de invorderingsambtenaar goed kan uitleggen dat er een reële verwachting is dat de belastingschuldige ervoor zal zorgen dat bepaalde goederen niet meer te vinden of te gebruiken zijn voor de invordering. Hierdoor zou de invordering van de belasting ernstig in gevaar komen. Meestal ontstaat deze vrees door gedrag van de belastingschuldige zelf. Maar soms kan de vrees ook ontstaan door anderen, bijvoorbeeld schuldeisers, die iets doen waardoor het lijkt alsof de goederen straks niet meer te verhalen zijn. Als er snel beslag wordt gelegd op goederen, maar later blijkt dat deze goederen alleen van een derde persoon zijn, dan voldoet dit niet aan artikel 10. In dat geval is het beslag niet geldig. Het beslag hoeft dan niet officieel te worden opgeheven, maar de invorderingsambtenaar moet de betrokken personen wel laten weten dat er geen geldig beslag ligt. 10.3 Metterwoon verlaten van Nederland en versnelde invordering De invorderingsambtenaar moet een redelijk vermoeden hebben dat de belastingschuldige Nederland wil verlaten of naar het buitenland wil verhuizen. Daarnaast moet hij redelijkerwijs zeker weten dat de belastingaanslag, na afloop van de normale betalingstermijn, niet meer kan worden verhaald op goederen van de belastingschuldige die in Nederland staan. Pas als aan beide voorwaarden is voldaan, mag de invorderingsambtenaar de aanslag op grond van artikel 10, meteen en volledig invorderbaar verklaren. 10.4 Geen vaste woonplaats in Nederland en versnelde invordering Het enkele feit dat de belastingschuldige buiten Nederland woont of is gevestigd, is op zich geen reden voor de invorderingsambtenaar om de belastingaanslag direct en tot het volledige bedrag in te vorderen. Er moet een situatie bestaan waarin de invorderingsambtenaar er redelijkerwijs vanuit kan gaan dat de belastingschuld niet binnen de termijnen zal worden voldaan en de belastingschuld niet in Nederland kan worden verhaald. 10.5 Beslag en versnelde invordering Als de invorderingsambtenaar verhaalsbeslag legt op bepaalde goederen, worden alle andere belastingschulden van de belastingschuldige direct en volledig invorderbaar. Met andere belastingschulden worden hier alle schulden bedoeld waarvan de invordering is toegewezen aan de invorderingsambtenaar. 10.6 Verkoop namens derden en versnelde invordering Bij dwanginvordering door derden wordt de belasting pas direct en volledig invorderbaar op het moment van de (aankondiging van de) executoriale verkoop van goederen. Dit betekent dat de invorderingsambtenaar niet eerder maatregelen kan nemen. Hij kan pas handelen wanneer het duidelijk en redelijk zeker is dat de verkoop echt zal plaatsvinden. Pas dan kan de invorderingsambtenaar de belasting officieel direct invorderbaar verklaren. 10.7 Vordering ex artikel 19 en versnelde invordering De invorderingsambtenaar mag een vordering volgens artikel 19 van de wet niet doen alleen om de belasting sneller in te vorderen. Als de invorderingsambtenaar een vordering heeft gedaan bij een derde voor een bepaalde aanslag, en er later nieuwe belastingaanslagen worden opgelegd, dan kunnen ook die nieuwe aanslagen direct en volledig worden ingevorderd. Dit geldt zelfs als de normale betalingstermijnen van die nieuwe aanslagen nog niet zijn verstreken. Artikel 11 Aanmaning Dit artikel gaat over: • de geadresseerde van de aanmaning; • als de aanmaning ten onrechte is verzonden; • het achterwege laten van tussentijdse vervolging; • de gedeeltelijke voldoening na aanmaning; • de betalingsherinnering; • de aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg. 11.1 De geadresseerde van de aanmaning De invorderingsambtenaar zendt de aanmaning aan degene aan wie het aanslagbiljet is verzonden of uitgereikt. Is de belastingschuldige minderjarig of staat belastingschuldige onder curatele, dan moet de invorderingsambtenaar de invordering toch voortzetten. De invorderingsambtenaar stuurt dan een aanmaning naar het adres van de wettelijke vertegenwoordiger. Als de belastingschuldige is overleden, dan zendt de invorderingsambtenaar de aanmaning naar de oudste erfgenaam, die bij ons bekend is. Als de invorderingsambtenaar weet dat de nalatenschap al is verdeeld, dan zendt hij een aanmaning aan iedere erfgenaam afzonderlijk. 11.2 Aanmaning ten onrechte verzonden Als een belanghebbende bij de invorderingsambtenaar meldt dat hem ten onrechte een aanmaning is toegezonden, dan wordt de invordering niet voortgezet voordat dit is opgehelderd. Als de invorderingsambtenaar duidelijke aanwijzingen heeft dat de belastingaanslagen niet meer ingevorderd kunnen worden, of dat iemand de mededeling alleen doet om de invordering uit te stellen, dan kan de invorderingsambtenaar maatregelen nemen. Deze maatregelen zijn bedoeld om onze rechten te beschermen. 11.3 Achterwege laten van tussentijdse vervolging en aanmaning Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 11.4 Gedeeltelijke voldoening aan aanmaning Is er een gedeeltelijke betaling ontvangen na een aanmaning, dan sturen wij geen nieuwe aanmaning voor het resterende bedrag. De volgende stap is het betekenen van een dwangbevel. 11.5 Betalingsherinnering Als de belastingschuld en het betalingsgedrag van de belastingschuldige daartoe aanleiding geven, kan de invorderingsambtenaar de belastingschuldige eerst kosteloos een schriftelijke betalingsherinnering toezenden. Als er geen betalingsherinnering wordt verzonden of als deze niet of niet zorgt voor een tijdig en volledige betaling van de belastingschuld dan, verzendt de invorderingsambtenaar een aanmaning. 11.6 Aanmaning bij invordering langs civielrechtelijke weg Wil de invorderingsambtenaar geld invorderen via civielrechtelijke weg, dan stuurt hij een dagvaarding. Hij hoeft daar niet eerst een ingebrekestelling voor te versturen. Wel stuurt hij eerst een aanmaning. Is er conservatoir beslag gelegd, dan stuurt hij geen aanmaning. Artikel 12 Dwangbevel Dit artikel gaat over: • het onderwerp van het dwangbevel; • tegen wie een dwangbevel wordt verleend. 12.1 Onderwerp van het dwangbevel De invorderingsambtenaar betekent een dwangbevel voor het bedrag dat nog openstaat op een aanslagbiljet van belastingaanslagen of beschikkingen. Als een bedrag in termijnen mag worden betaald, geeft de invorderingsambtenaar een dwangbevel voor de termijnen waarvoor al een aanmaning is gestuurd. Het bedrag van het dwangbevel wordt verminderd met: • betalingen die al zijn gedaan; • verleende verminderingen; • bedragen waarvoor kwijtschelding of uitstel van betaling is gegeven. Betaalt de belastingschuldige na de vervaldatum van de aanmaning de belasting, invorderingsrente of aanmaningskosten niet volledig, dan wordt zonder extra herinnering of waarschuwing een dwangbevel betekend. Als de late betaling niet de schuld van de belastingschuldige is, worden invorderingsrente en kosten voor het dwangbevel niet in rekening gebracht. 12.2 Tegen wie verleent de invorderingsambtenaar een dwangbevel De invorderingsambtenaar betekent een dwangbevel tegen de belastingschuldige of diens rechtsopvolgers. Als het dwangbevel aan iemand anders wordt gegeven, staat duidelijk vermeld waarom. Als de invorderingsambtenaar weet dat de belastingschuldige minderjarig is, onder bewind staat of onder curatele staat, wordt dit in het dwangbevel genoemd. Weet hij dit niet, dan hoeft hij geen onderzoek te doen voordat hij het dwangbevel betekent. Wordt een belastingschuld van een overledene ingevorderd bij de gezamenlijke erfgenamen, dan geeft de invorderingsambtenaar één dwangbevel voor alle erfgenamen. Is het niet mogelijk of niet wenselijk om het dwangbevel aan alle erfgenamen tegelijk te betekenen volgens artikel 53 Rv, dan worden alle erfgenamen met naam, adres en hun hoedanigheid als erfgenaam genoemd in het dwangbevel. Het dwangbevel vermeldt echter niet welk deel van de schuld ieder erfgenaam moet betalen. Artikel 13 Betekening van het dwangbevel Dit artikel gaat over: • de betekening van het dwangbevel per post; • de betekening van het dwangbevel door de deurwaarder; • de bijzondere gevallen van betekening van het dwangbevel. 13.1 Betekening dwangbevel per post De invorderingsambtenaar betekent een afschrift van het dwangbevel met bevel tot betaling per post aan de belastingschuldige. Ter postbezorging betekent dat het afschrift wordt aangeboden aan een externe postbezorger. De datum van verzending geldt als betekeningsdatum. De invorderingsambtenaar gebruikt deze manier van betekenen zoveel mogelijk. 13.1.1 Adressering van per post betekende dwangbevelen Het afschrift wordt gestuurd naar het bij ons bekende adres van de belastingschuldige. Voor personen in Nederland is dit meestal het adres in de basisregistratie personen. Heeft de belastingschuldige een ander adres doorgegeven, bijvoorbeeld een postbus, dan kan het afschrift daarheen worden gestuurd. Is het dwangbevel naar een verkeerd adres gestuurd en ontvangt de belastingschuldige het dwangbevel hierdoor niet, dan heeft het geen rechtsgevolg. Dit betekent dat wij handelen alsof het dwangbevel niet is verstuurd. Is het dwangbevel naar het juiste adres gestuurd, dan geldt het als betekend, ook als de belastingschuldige zegt het niet te hebben ontvangen. Dit geldt niet als de belastingschuldige kan aantonen dat het afschrift het juiste adres niet heeft bereikt. 13.2 Betekening dwangbevel door de belastingdeurwaarder Heeft de deurwaarder aanwijzingen dat belastingschuldige niet wilt dat een huisgenoot het dwangbevel aanneemt, dan betekent hij het dwangbevel volgens artikel 47, eerste lid, Rv. De deurwaarder gebruikt deze manier ook als hij verwacht dat het afschrift de belastingschuldige anders niet bereikt. Bij betekening kiest de deurwaarder domicilie (woonplaats) op het kantoor waar hij werkt. Een ander domicilieadres wordt alleen gekozen als dat door de wet of omstandigheden nodig is. 13.3 Bijzondere gevallen van betekening dwangbevel Wordt het dwangbevel betekend aan een minderjarige, of iemand onder bewind of curatele, dan wordt het ook betekend aan de wettelijke vertegenwoordiger. Pas daarna kan het dwangbevel worden uitgevoerd. Zo nodig wordt eerst een aanmaning aan de wettelijke vertegenwoordiger gestuurd. Schippers zonder vaste woonplaats aan de wal kunnen het dwangbevel ontvangen op hun verplicht gekozen domicilieadres. Artikel 14 Tenuitvoerlegging van het dwangbevel Dit artikel gaat over: • de algemene regels over tenuitvoerlegging; • het beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn; • het beslag op onroerende zaken; • het beslag onder derden; • het beslag op schepen. 14.1 Tenuitvoerlegging algemeen Het dwangbevel levert een executoriale titel op. Na betekening kan de belastingdeurwaarder het dwangbevel uitvoeren volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 14, eerste lid, van de wet). Is het dwangbevel per post betekend, dan moet de deurwaarder eerst een hernieuwd bevel tot betaling betekenen voordat hij tot uitvoering overgaat (artikel 14, tweede lid). Als dit hernieuwde bevel wordt betekend via artikel 47 Rv (achterlaten in een gesloten envelop of per post), begint de deurwaarder pas twee dagen later met de uitvoering. In andere gevallen kan hij direct het dwangbevel ten uitvoer leggen en dwangmaatregelen toepassen. Betekening van een hernieuwd bevel is niet nodig als het dwangbevel direct kan worden uitgevoerd volgens artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel c. 14.1.1 Keuze van invorderingsmaatregelen Vervallen. 14.1.2 Houding van de belastingdeurwaarder tijdens tenuitvoerlegging Dwangbevelen tegen dezelfde belastingschuldige worden zo veel mogelijk tegelijk uitgevoerd. Onnodige ruchtbaarheid wordt vermeden. De deurwaarder stelt zich flexibel op en kan tijdelijk afwijken van de formele procedure om persoonlijk contact met de belastingschuldige mogelijk te maken. De deurwaarder kan beslaglegging uitstellen, onderbreken of beëindigen als: • de invorderingsambtenaar het beslag niet zou hebben gegeven als alle omstandigheden bekend waren; • de belastingschuldige aantoont dat de betaling inmiddels is gedaan, • het indienen van een verzoek om uitstel, kwijtschelding of een verzoekschrift zoals bedoeld in artikel 25.1.15 of 26.1.11 de beslagopdracht heeft gekruist. Is het dwangbevel eenmaal uitgevoerd door beslaglegging, dan gaan wij over tot uitvoering van het beslag. Komt belastingschuldige met een betaalvoorstel en gaat de invorderingsambtenaar hiermee akkoord, dan kunnen wij hiervan afwijken. 14.1.3 Tenuitvoerlegging dwangbevel als de belastingschuldige is overleden Is de belastingschuldige overleden, dan mag de deurwaarder het dwangbevel pas ten uitvoer leggen nadat de termijn van drie maanden uit artikel 4:185 BW is verstreken. Aanvaarden alle erfgenamen de nalatenschap zuiver, dan kan de rechtbank deze termijn verlengen. Wordt de nalatenschap vereffend, dan kan de invorderingsambtenaar tijdens vereffening van de nalatenschap zijn vordering niet verhalen op de nalatenschap. 14.1.4 Volgorde van uitwinning bij beslag Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 14.1.5 Verhaal op met vruchtgebruik of recht van gebruik bezwaarde zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 14.1.6 Beslaglegging voor vordering van derden Als de invorderingsambtenaar voor een belastingschuld beslag heeft gelegd, gaat hij ook over tot beslaglegging voor vorderingen van derden met gelijke preferentie, waarvan de invordering aan hem is opgedragen, ongeacht de executiewaarde van de inbeslaggenomen zaken. 14.1.7 Opheffing beslag na gedeeltelijke betaling of voldoening aan voorwaarden De invorderingsambtenaar kan besluiten dat geen invorderingsmaatregelen meer worden getroffen als een bepaald bedrag wordt betaald of aan voorwaarden wordt voldaan. De invorderingsambtenaar heft het beslag dan op. 14.1.8 Opheffing beslag tegen betaling door een derde Doet een derde het verzoek om het beslag op te heffen, dan kan de invorderingsambtenaar hieraan meewerken. Voor deze medewerking moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: • Het geld komt niet uit het vermogen van de belastingschuldige. • Het bedrag is hoger dan de verwachte opbrengst bij executie. • Onze belangen worden niet geschaad. De invorderingsambtenaar houdt rekening met andere schuldeisers en kan extra voorwaarden stellen. 14.1.9 Opschorten van de executie De belastingdeurwaarder stelt bij het opmaken van het proces-verbaal van beslag een verkoopdatum vast. Op deze datum vindt de openbare verkoop plaats, tenzij de invorderingsambtenaar ervan overtuigd is dat betaling van de belastingschuld alsnog op zeer korte termijn zal plaatsvinden. In dat geval kan de invorderingsambtenaar besluiten de verkoopdatum op te schorten tot (in totaal) maximaal vier maanden na de datum waarop het beslag is gelegd. Als sprake is van beslag op roerende zaken, dan deelt de belastingdeurwaarder de nieuwe verkoopdatum bij exploot aan de belastingschuldige mee, tenzij deze nieuwe datum op grond van een schriftelijke overeenkomst tussen de invorderingsambtenaar en de belastingschuldige is verschoven. Het opschorten van de verkoopdatum houdt op zich geen uitstel van betaling in, in de zin van artikel 25 van de wet. 14.1.10 Onderhandse verkoop Vervallen. 14.1.11 Samenloop opheffing beslag en onderhandse verkoop Vervallen. 14.1.12 Strafrechtelijk beslag Rust er op een goed ook strafrechtelijk beslag (niet een ontnemingsmaatregel), dan volgt voortzetting van het fiscaal beslag pas na opheffing van het strafrechtelijke beslag. Het fiscale beslag kan blijven liggen zolang de uitkomst van het strafrechtelijke beslag onbekend is. 14.1.13 Invordering en ontnemingswetgeving Wij belemmeren strafrechtelijke sanctionering en ontneming zo min mogelijk. Bij samenloop van strafrechtelijke sancties en invordering gaat de invorderingsambtenaar terughoudend te werk. De invorderingsambtenaar begint niet direct met uitwinning van beslag, tenzij de belangen van ons worden geschaad. 14.2 Beslag op roerende zaken die geen registergoederen zijn 14.2a. Administratief beslag op motorrijtuigen en aanhangwagens De belastingdeurwaarder kan in het proces-verbaal opnemen waar, wanneer en hoe laat een voertuig of aanhangwagen moet worden ingeleverd. Dit staat in artikel 442, eerste lid, Rv. Als de belastingschuldige het voertuig niet op dat moment inlevert, stelt de deurwaarder één nieuw inlevermoment vast. De deurwaarder meldt dit schriftelijk. In deze brief staan opnieuw de plaats, datum en het tijdstip van inlevering. 14.2.1 Kennisgeving vooraf en beslag roerende zaken Als de deurwaarder niemand thuis treft en alleen beslag kan leggen via artikel 444 Rv, dan doet hij dat vooralsnog niet. Hij laat dan een schriftelijke kennisgeving achter. Daarin staat op welke dag en welk uur hij terugkomt. De deurwaarder laat geen kennisgeving achter als de belastingschuldige dit misbruikt of als dit ons belang in de weg staat. 14.2.2 Domiciliekeuze en beslag roerende zaken Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 14.2.3 Aanbod van betaling en beslag roerende zaken Als de belastingschuldige direct wil betalen om beslag te voorkomen, accepteert de deurwaarder dat. De betaling moet dan digitaal plaatsvinden en belastingschuldige moet een bewijs hiervan direct aan de deurwaarder laten zien. 14.2.4 Omvang van het beslag op roerende zaken De deurwaarder legt beslag op zoveel zaken als nodig is om de schuld, rente en kosten te kunnen betalen. Volgens artikel 441, derde lid, Rv wordt geen beslag gelegd op zaken waarvan de opbrengst duidelijk lager is dan de kosten. De deurwaarder mag dit wel doen wanneer: • de belastingschuldige vooral onwillig is; of • verkoop voorkomt dat de schuld verder oploopt; en • beslag de belastingschuldige niet onevenredig zwaar treft. 14.2.5 Beslag op roerende zaken van derden Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 14.2.6 Beroep of verzet door een derde tegen inbeslagneming roerende zaken Als een derde bij de belastingdeurwaarder bezwaar maakt tegen de inbeslagname van bepaalde roerende zaken waarvan hij de eigendom claimt, wijst de belastingdeurwaarder op de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij de invorderingsambtenaar, waarna het dagelijks bestuur op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet het beroepschrift afhandelt. Eventueel kan belastingschuldige ook in verzet gaan op grond van artikel 456 of artikel 435 Rv. Als duidelijk is dat de zaak van de derde is en de invorderingsambtenaar geen verhaal kan halen, dan wordt geen beslag gelegd. 14.2.7 Voldoening zekerheidsschuld door invorderingsambtenaar en beslag roerende zaken De invorderingsambtenaar kan de resterende schuld van de belastingschuldige aan een derde betalen (artikel 6:30 BW) als: • de zaken niet onder het bodemrecht vallen; • de zaken eigendom zijn van een derde; • de zaken dienen als zekerheid voor een schuld van de belastingschuldige (bijv. huurkoop); • de invorderingsambtenaar zich daarna op deze zaken kan verhalen. Dit gebeurt alleen als de executiewaarde duidelijk hoger is dan die schuld. Dit geldt ook bij zaken met retentierecht bij een derde. 14.2.8 Beslag roerende zaken bij derden De deurwaarder legt beslag op zaken van de belastingschuldige die bij een derde staan. Hij legt in plaats daarvan derdenbeslag wanneer: • de derde geen medewerking geeft; • de deurwaarder de zaken niet kan zien of inventariseren; • de derde vóór afronding van het beslag een beroep doet op artikel 461d Rv. Als de derde pas ná afsluiting van het exploot zo’n beroep doet, geldt het beslag automatisch als derdenbeslag. De deurwaarder stuurt dan binnen drie dagen een formulier zoals in artikel 475, tweede lid, Rv. Dit laatste geldt ook wanneer te verwachten is dat de derde dit beroep later zal doen volgens artikel 461d Rv. 14.2.9 Wegvoeren van beslagen zaken Normaal mag de belastingschuldige de beslagen zaken blijven gebruiken. De deurwaarder mag zaken wegvoeren wanneer dat nodig is om ze te bewaren of te beschermen. Hij stelt dan een gerechtelijke bewaarder aan. De verantwoording voor de in beslag genomen zaken verandert hierdoor niet. De invorderingsambtenaar blijft hiervoor verantwoordelijk. Wegvoeren is mogelijk wanneer: • zaken anders verduisterd of beschadigd raken; • verhaal anders moeilijk of onmogelijk wordt; • bij administratief beslag op een voertuig dat de belastingschuldige niet inlevert na twee kansen. Dit doen wij alleen als anders de schuld niet kan worden geïnd en de invorderingsambtenaar na toetsing niet twijfelt aan de juistheid van de aanslagen. Voor wegvoeren, ook bij Automatic Number Plate Recognition-acties, is toestemming nodig van de invorderingsambtenaar. De deurwaarder kan een wielklem of ander middel gebruiken om verduistering te voorkomen. 14.2.10 Belasting van personenauto’s en motorrijwielen en belasting zware motorrijtuigen en beslag roerende zaken Deze bepaling geldt niet voor BSR. 14.2.11 Afsluiting en beslag roerende zaken De deurwaarder of bewaarder kan een ruimte afsluiten wanneer de omstandigheden van artikel 14.2.9 gelden en de zaken niet of alleen tegen zeer hoge kosten kunnen worden weggebracht. Na afsluiting van de ruimte volgt zo snel mogelijk verkoop. Voor afsluiting is vooraf toestemming nodig van de invorderingsambtenaar. 14.2.12 Bewaarder en beslag roerende zaken Bij wegvoeren of afsluiting volgens artikel 14.2.9 en 14.2.11 van deze leidraad, benoemt de deurwaarder een bewaarder. De bewaarder moet de bijbehorende taken daadwerkelijk goed uit kunnen voeren. Dit staat in het proces-verbaal. Een ambtenaar van BSR kan bewaarder zijn. Dit is bij voorkeur een andere deurwaarder, maar zeker een andere deurwaarder dan degene die beslag legde. Deze ambtenaar krijgt geen vergoeding. De bewaarder moet de zaken goed bewaren, vervoeren en opslaan. De maatregelen en kosten moeten in verhouding staan tot de waarde van de zaken. De bewaarder wordt vervangen wanneer: • hij langdurig niet in staat is zijn taak te doen; • hij is overleden; • hij als ambtenaar van BSR niet meer betrokken kan zijn bij het beslag. Ontslag gebeurt schriftelijk en als dit nodig is gebeurt dit via een exploot. 14.2.13 Executoriale verkoop computerapparatuur Bij beslag op computerapparatuur valt alleen de hardware onder het beslag. Voor verkoop moet de belastingschuldige de kans krijgen software te verwijderen en een back-up te maken. 14.2.14 Executoriale verkoop zilveren, gouden en platina werken De invorderingsambtenaar zorgt dat geen werken zonder het juiste stempel van de Waarborgwet 1986 worden verkocht of getoond. Bij elke openbare verkoop van zulke werken moet melding worden gedaan volgens artikel 46 van die wet. 14.2.15 Beslag op illegale zaken Als zaken mogelijk strafbaar zijn om te maken, te bezitten of te gebruiken, kan beslag gewoon doorgaan. De politie wordt direct of zo snel mogelijk ingeschakeld. Hierbij volgen wij artikel 14.1.12 van deze leidraad. Als geen strafrechtelijke maatregelen volgen, dan moet de invorderingsambtenaar eerst overleggen met het dagelijks bestuur voordat verkoop plaatsvindt. 14.2.16 Bieden voor rekening van BSR en beslag roerende zaken Om een hogere opbrengst te krijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere deurwaarder laten bieden namens ons. Ook kan hij opdracht geven tot verkoop via internetveiling. De regels hiervoor moeten openbaar zijn. 14.2.17 Opheffing van het beslag op roerende zaken Wanneer de belastingschuldige er om vraagt, of wanneer de invorderingsambtenaar dat nodig vindt, wordt opheffing van het beslag via exploot meegedeeld. Opheffing volgens artikel 445 Rv gebeurt altijd via exploot. 14.2.18 Afboeking executieopbrengst verkoop roerende zaken De schuld waarvoor beslag is gelegd wordt verhaald op de opbrengst van de verkoop. Eerst worden de kosten van de executie betaald. Daarna wordt afgeboekt volgens artikel 7 van deze leidraad. Als er andere beslagleggers of beperkt gerechtigden zijn, probeert de invorderingsambtenaar eerst onderling een verdeling van de netto-executieopbrengst te regelen. Lukt dat niet, dan gelden artikel 481 en verder van Rv. 14.2.19 Proces-verbaal van verkoop roerende zaken Als de belastingschuldige een afschrift wil van het proces-verbaal van verkoop, krijgt hij dit zo snel mogelijk. De namen en woonplaatsen van kopers worden onleesbaar gemaakt. 14.2.20 Gegevensverstrekking omtrent beslag roerende zaken Als de belastingschuldige of een derde vraagt of het beslag nog geldt, dan geeft de invorderingsambtenaar deze informatie, tenzij dit de invordering belemmert. 14.2.21 Relaas van onttrekking Als spullen waarop beslag ligt worden weggehaald of verborgen (artikel 198 Strafrecht), kan daarvan aangifte worden gedaan (artikel 162 Strafvordering). De invorderingsambtenaar beslist of hij een verslag van deze onttrekking doorstuurt naar de officier van justitie. 14.3 Beslag op onroerende zaken 14.3.1 Bewaring van in beslag genomen roerende zaken bij beslag onroerende zaken Als het beslag op een onroerende zaak ook geldt voor de onderdelen of natuurlijke vruchten die in of op die zaak aanwezig zijn, dan mag de deurwaarder deze onderdelen of vruchten weghalen. Dit mag alleen als dat nodig is voor het behoud van deze onderdelen of vruchten en na toestemming van de invorderingsambtenaar. Artikel 14.2.9 geldt hier op dezelfde manier. 14.3.2 Nieuwe belastingschuld en beslag onroerende zaken Als de invorderingsambtenaar al beslag heeft gelegd op een onroerende zaak voor een belastingschuld, legt hij bij een nieuwe belastingschuld zo veel mogelijk opnieuw beslag. Als de invorderingsambtenaar bij de eerste beslaglegging de eerste beslaglegger was, legt hij altijd beslag voor vorderingen van derden waarvan hij de invordering uitvoert. 14.3.3 Verhuurde of verpachte onroerende zaken Als de invorderingsambtenaar beslag op een onroerende zaak heeft gelegd en ook de huur of pacht wil innen, doet hij hiervoor zo veel mogelijk een vordering op grond van artikel 19 van de wet bij de huurder of pachter. In dit geval wordt niet gehandeld volgens artikel 507, derde lid, Rv. 14.3.4 Voorwaarden van verkoop van onroerende zaken De invorderingsambtenaar vraagt de notaris om een afschrift van de veilingvoorwaarden die gelden bij de verkoop. Hij overlegt met de notaris als dit nodig is. Samen bepalen zij dat de kosten van executie, toewijzing en een eventuele rangregeling door de executant (belastingschuldige) worden betaald uit de koopprijs. Als de koopprijs te laag is, moet de executant het tekort zelf betalen. 14.3.5 Opheffing van het beslag onroerende zaken Bij de opheffing van het beslag ontvangt de belastingschuldige een schriftelijke mededeling. Als het beslag ook was betekend aan een huurder of pachter, ontvangt deze persoon ook een schriftelijke mededeling. Daarnaast wordt de opheffing per exploot gemeld aan: • een eventuele derde-eigenaar; • alle eventuele hypotheekhouders; • de eventuele bewaarder. 14.4 Beslag onder derden 14.4.1 Beslag op vordering van een derde Artikel 475 Rv en volgende maakt het mogelijk om beslag te leggen bij een derde voor een schuld van de belastingschuldige. Als de derde na zijn verklaring laat weten dat hij geen geld of goederen van de belastingschuldige heeft, dan geldt dat er feitelijk nooit beslag heeft gelegen. De invorderingsambtenaar meldt dit aan de derde. Een belastingaanslag kan ook worden verhaald door beslag te leggen op een vordering die op naam staat van iemand anders dan de belastingschuldige, of die door bijvoorbeeld een bank op naam van die ander wordt beheerd. In het exploot, dat binnen acht dagen moet worden betekend aan zowel de belastingschuldige als aan degene op wiens naam de vordering staat, moet de invorderingsambtenaar zo goed mogelijk uitleggen waarom hij vindt dat deze vordering toch kan worden uitgewonnen. De deurwaarder laat een afschrift van het exploot achter bij de derdenbeslagen. 14.4.1a Geen beslag op corona bonus zorgprofessional De invorderingsambtenaar legt geen derdenbeslag onder een zorgaanbieder op de coronabonus die bedoeld is voor een zorgprofessional, voor zover hiervoor subsidie is verstrekt op basis van de Subsidieregeling bonus zorgprofessionals COVID-19. Als er al beslag ligt, vraagt de invorderingsambtenaar geen afdracht van de bonus. Als de zorgaanbieder de bonus al heeft afgedragen aan de invorderingsambtenaar, betaalt de invorderingsambtenaar de bonus alsnog uit aan de zorgprofessional. 14.4.1b Bankbeslag en energietoeslag Als de invorderingsambtenaar bankbeslag legt ten laste van een belastingschuldige die op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Participatiewet, een energietoeslag heeft ontvangen, geldt het volgende. Op schriftelijk verzoek van de belastingschuldige betaalt de invorderingsambtenaar het door de bank op het bankbeslag afgedragen bedrag terug, tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag. 14.4.2 Derdenbeslag of vordering ex artikel 19 Als naast een derdenbeslag ook een vordering op grond van artikel 19 van de wet mogelijk is, kiest de invorderingsambtenaar voor het doen van een vordering. 14.4.3 Roerende zaken bij derden Als zich onder de derde roerende zaken van de belastingschuldige bevinden, wordt gehandeld volgens artikel 14.2.8 van deze leidraad. 14.4.4 Plaats beslaglegging en omvang derdenbeslag In het exploot wordt de naam en eventuele rechtsvorm van de derde nauwkeurig vermeld. Als de derde een hoofdkantoor en bijkantoren heeft, legt de belastingdeurwaarder het beslag zo veel mogelijk bij het hoofdkantoor, of bij het filiaal dat betrokken is bij de gelden of zaken waarop beslag wordt gelegd. In spoedeisende gevallen mag het beslag worden gelegd bij een ander filiaal. De executant kiest altijd domicilie bij de belastingdeurwaarder. De invorderingsambtenaar kan de omvang van het beslag beperken. Dit kan bij de beslaglegging of later, zolang er geen beslag van een andere schuldeiser op dat deel ligt. De beperking wordt duidelijk vermeld in het exploot of in een apart schriftelijk stuk aan de derde. 14.4.5 Derdenbeslag op een vordering waar geen beslagvrije voet voor geldt Als beslag is gelegd in een situatie zoals bedoeld in artikel 475e of 475f Rv en de belastingschuldige laat zien dat hij volledig afhankelijk is van de beslagen betalingen, past de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet toe. Dit gebeurt volgens de artikelen 475b en 475d Rv. 14.4.5a Derdenbeslag en kosten van levensonderhoud Als door het derdenbeslag de belastingschuldige niet meer in zijn levensonderhoud kan voorzien, werkt de invorderingsambtenaar mee aan volledige of gedeeltelijke opheffing van het beslag. Hij kan ook een passend deel van het ontvangen bedrag aan de belastingschuldige ter beschikking stellen. Deze medewerking wordt alleen gegeven als de belastingschuldige kan aantonen dat hij door het beslag tijdens een bepaalde periode zijn kosten van bestaan niet kan betalen. Bij het bepalen van het passende deel gebruikt de invorderingsambtenaar de kosten van bestaan als bedoeld in artikel 16 van de regeling. 14.4.5b Vrij te laten bedrag en beslag onder derden bij geen adres in Nederland Als bankbeslag wordt gelegd op iemand zonder adres in Nederland, volgens de basisregistratie personen, geldt het volgende. Wanneer de belastingschuldige inzicht geeft in zijn leefsituatie en aannemelijk maakt dat hij door het beslag onvoldoende middelen overhoudt, kan hij vragen om toepassing van het vrij te laten bedrag. De invorderingsambtenaar stelt dan het passende vrij te laten bedrag vast. Hij betaalt vervolgens het verschil tussen het eerste vastgestelde vrij te laten bedrag en het nieuwe bedrag aan de belastingschuldige terug. Dit doet de invorderingsambtenaar nadat het geld van de bank is ontvangen. 14.4.5c Toepassing 5%-regeling Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 14.4.6 Bij derdenbeslag in gebreke blijven tot het doen van verklaring Vervallen. 14.4.7 Bij derdenbeslag niet afdragen na het doen van verklaring Vervallen. 14.4.8 Afdracht binnen de vierwekentermijn bij derdenbeslag Vervallen. 14.4.9 Derdenbeslag op polis van levens- of spaarverzekering of lijfrente Bij derdenbeslag op een levensverzekering, spaarverzekering of lijfrente gelden de regels van artikel 479l en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarnaast gelden de volgende uitgangspunten: • De invorderingsambtenaar is terughoudend met het leggen van derdenbeslag als de polis niet buitensporig is. • De invorderingsambtenaar houdt rekening met de hoogte van de belastingschuld ten opzichte met de opbrengst van afkoop of belening van de polis. • Hierbij houdt de invorderingsambtenaar rekening met het feit dat (voortijdige) afkoop of belening in sommige gevallen wordt gezien als een verboden handeling. Dit kan leiden tot negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en tot een aanslag inkomstenbelasting. • De invorderingsambtenaar wint het derdenbeslag niet uit en gaat niet over tot afkoop of belening als: o de netto-opbrengst van de polis minder is dan € 2.500, of o de polis al is afgekocht, of o het derdenbeslag is gelegd binnen drie jaar vóór de vervaldatum. In deze situaties blijft het beslag, in overleg met de belastingschuldige, liggen tot de vervaldatum. • Dat de polis pas na lange tijd tot uitkering komt, is op zichzelf geen reden om geen derdenbeslag te leggen. • De belastingaanslagen waarvoor het derdenbeslag wordt gelegd, moeten definitief vaststaan en er moet geen redelijke twijfel zijn over de belastingplicht. 14.4.10 Retentierecht en derdenbeslag Soms heeft de derde-beslagene een retentierecht op een zaak waarop derdenbeslag is gelegd. In dat geval kan de invorderingsambtenaar het bedrag betalen waarvoor het retentierecht geldt. Dit gebeurt op basis van artikel 6:30 BW en in afwachting van verrekening met de belastingschuldige. Dit mag alleen als dit bedrag duidelijk lager is dan de waarde van de zaak bij verkoop. 14.4.11 Opheffing van het derdenbeslag Het derdenbeslag kan via exploot worden opgeheven als: de belastingschuldige hier zelf om vraagt, of de invorderingsambtenaar dit zelf nodig vindt. De opheffing wordt dan via een exploot gemeld aan de belastingschuldige en aan de derde. In andere gevallen krijgt de derde-beslagene een schriftelijk bericht over de opheffing. De belastingschuldige ontvangt hiervan een kopie. 14.4.12 Onverschuldigde betaling en derdenbeslag Als een derde een bedrag heeft betaald dat niet verschuldigd was en dit bedrag terugvraagt bij de invorderingsambtenaar, dan geldt het volgende. Als de invorderingsambtenaar dit bedrag terugbetaalt, wordt de belastingaanslag waarvoor het beslag is gelegd, voor dat deel niet als betaald gezien. De invorderingsambtenaar mag de invordering van deze aanslag dan opnieuw voortzetten. 14.4.13 Derdenbeslag onder de Staat, de invorderingsambtenaar of openbaar lichaam en het doen van verklaring Als derdenbeslag wordt gelegd onder de Staat, een openbaar lichaam of de invorderingsambtenaar, moet de verklaring duidelijk en volledig zijn. Dit staat in artikel 479 Rv. Deze regel is bedoeld om het werk van de Staat, het openbaar lichaam of de invorderingsambtenaar eenvoudiger te maken. Het is niet bedoeld om het innen van de schuld tegen te houden. De verklaring mag zich daarom niet beperken tot de standaard onderdelen uit artikel 479 Rv. De verklaring moet ook gaan over alle vorderingen die de belastingschuldige heeft, voor zover deze bekend waren op het moment van beslaglegging. Dit geldt ook bij derdenbeslag onder BSR of de invorderingsambtenaar. 14.4.14 Derdenbeslag op voorlopige teruggaaf Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 14.5 Beslag op schepen 14.5.1 Beletten van het vertrek van het schip De belastingdeurwaarder kan een bewaarder aanwijzen voor het schip. Hij kan ook maatregelen nemen om te voorkomen dat het schip vertrekt. Een voorbeeld is het vastleggen van het schip met een ketting. Als dat nodig is, schakelt de belastingdeurwaarder deskundige hulp in. Dit gebeurt na overleg met de invorderingsambtenaar. De kosten van deze hulp zijn voor rekening van de belastingschuldige. In bijzondere gevallen mag de belastingschuldige het schip blijven gebruiken. Dit kan bijvoorbeeld als hij een voorstel doet voor een regeling om verkoop te voorkomen. Dit geldt alleen als de invorderingsambtenaar dit voorstel akkoord gaat. Een regeling moet altijd passen binnen het uitstelbeleid zoals bedoeld in artikel 25 van deze leidraad en artikel 25 van de wet. 14.5.2 De executie van schepen Tenzij een andere wijze van verkoop is toegestaan of voorgeschreven gebeurt de executoriale verkoop van een schip ten overstaan van een bevoegde notaris. De verkoop van een buitenlands zeeschip kan ook plaatsvinden ten overstaan van de rechtbank. Van deze mogelijkheid zal met name gebruik moeten worden gemaakt als het land van herkomst de verkoop door een notaris niet erkent. De executie van schepen, die niet ingeschreven zijn bij een openbaar register, gebeurt op dezelfde wijze als de executie van andere roerende zaken die geen registergoederen zijn. Om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, kan de invorderingsambtenaar een andere belastingdeurwaarder dan de belastingdeurwaarder die met de verkoop is belast, opdragen voor rekening van ons te bieden. De invorderingsambtenaar geeft deze belastingdeurwaarder zo nodig extra aanwijzingen. 14.5.3 Afgelasting van de verkoop van een schip Als een aangekondigde verkoop van een schip niet doorgaat, zorgt de invorderingsambtenaar ervoor dat aanplakbiljetten (of andere vormen van aankondigingen) direct worden verwijderd. Als de belastingschuldige nog niet weet dat de verkoop is afgelast, krijgt hij hiervan zo snel mogelijk schriftelijk bericht, met een uitleg. Als dit bericht hem waarschijnlijk niet op tijd bereikt, stelt de invorderingsambtenaar hem op een andere manier op de hoogte, als dat mogelijk is. 14.5.4 Deskundige hulp en beslag op schepen Als bij een executie deskundige hulp nodig is, kan de invorderingsambtenaar een makelaar of een andere deskundige inschakelen. 14.5.5 Opheffing van het beslag op schepen Als het beslag op een schip wordt opgeheven, krijgt de belastingschuldige hiervan schriftelijk bericht. Bij schepen, ingeschreven in een openbaar register, krijgen ook de ingeschreven schuldeisers bericht. Dit gebeurt via een exploot. Artikel 15 Hierbij volgen wij de regels van artikel 10 van deze leidraad. Er zijn geen extra regels vastgelegd. Artikel 16 Doorlopend beslag Dit artikel gaat over derdenbeslagen die zijn gelegd vóór 1 januari 2011. 16.1 Voor 1 januari 2011 gelegde beslagen Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 17 Verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel Dit artikel gaat over: • de schorsing van de invordering bij verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel; • verzet tegen tenuitvoerlegging van dwangbevel bij onjuiste adressering. 17.1 Aanhouden tenuitvoerlegging bij verzet Als de belastingschuldige in verzet gaat bij de rechter tegen de uitvoering van een dwangbevel, dan stopt de invorderingsambtenaar de verdere uitvoering van het dwangbevel. Als de reden voor verzet volgens de invorderingsambtenaar kansloos zijn en het belang van de Staat maakt het onwenselijk om de uitvoering te stoppen, dan stopt de uitvoering van het dwangbevel niet. 17.2 Verzet bij onjuiste adressering De belastingschuldige kan in verzet gaan als het aanslagbiljet, de aanmaning of het dwangbevel per post is verzonden naar een verkeerd adres en de belastingschuldige de stukken daardoor niet heeft ontvangen. Artikel 18 Dit artikel is vervallen. Artikel 19 Doen van een vordering Dit artikel gaat over: • de algemene regels over het doen van een vordering; • de faillissementsvordering; • vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen: • de overheidsvordering, bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet. 19.1 Vordering algemeen Als het wettelijk is toegestaan om een vordering te doen, krijgt dit middel de voorkeur boven derdenbeslag. Als er twijfel is of de persoon aan wie de vordering wordt gericht wel geld van de belastingschuldige onder zich heeft, beoordeelt de invorderingsambtenaar per geval of derdenbeslag beter is. 19.1.1 Bekendmaking vordering De invorderingsambtenaar maakt de vordering bekend door een beschikking te sturen aan de derde aan wie de vordering is gedaan, en aan de belastingschuldige. Als de invorderingsambtenaar dat nodig vindt, kan hij de vordering ook laten betekenen door een belastingdeurwaarder. De belastingdeurwaarder volgt daarbij de regels voor betekening uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Voor deze betekening worden geen kosten in rekening gebracht. 19.1.2 Voldoen aan de vordering Als de derde betaalt op een vordering die ziet op twee of meer belastingaanslagen dan bepalen wij op welke aanslag de ontvangen betaling wordt afgeboekt. 19.1.3 Niet voldoen aan de vordering Derdenbeslag wordt alleen gelegd als de derde ten onrechte niet betaalt of de derde ten onrechte niet reageert op de vordering. Dit is in ieder geval zo als blijkt dat het niet betalen aan de derde zelf te wijten is. Als de invorderingsambtenaar derdenbeslag niet wenselijk vindt, bijvoorbeeld vanwege de kosten, dan ziet hij af van derdenbeslag en trekt hij de vordering in. Als toch derdenbeslag wordt gelegd, vermeldt het beslagexploot dat eerst een vordering is gedaan en op welke datum die vordering is gedaan. 19.1.4 Intrekken van een vordering Als een vordering niet meer nodig is, trekt de invorderingsambtenaar deze bij beschikking in. Deze beschikking wordt bekendgemaakt aan degene aan wie de vordering was gericht. 19.1.5 Vermindering of vernietiging van de belastingaanslag in relatie tot vordering Als een derde betaalt na een vordering en de belastingaanslag daarna wordt verminderd of vernietigd, dan geldt het volgende de teruggaaf wordt verrekend met andere schulden of uitbetaald aan de belastingschuldige. 19.1.6 Doorbreken beslagverboden en vordering Artikel 19, eerste lid, van de wet maakt het mogelijk om in bepaalde gevallen een wettelijk beslagverbod deels te doorbreken. De invorderingsambtenaar gebruikt deze mogelijkheid alleen als de belastingschuldige een notoire wanbetaler is, zoals bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet. Deze vordering gebeurt altijd apart en wordt vooraf schriftelijk aangekondigd aan de belastingschuldige. Daarbij wordt duidelijk vermeld dat het om een bijzondere maatregel gaat. De vordering mag nooit worden gedaan op kinderbijslag, ongeacht de benaming. Als de verruimde beslagmogelijkheid wordt toegepast, wordt uitgegaan van het maximale toegestane deel. Dit is één tiende van het bedrag dat normaal niet vatbaar is voor beslag. 19.1.6a Toepassing 5%-regeling Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 19.1.6b Geen vordering voor corona bonus zorgprofessional De invorderingsambtenaar doet geen vordering op de coronabonus voor zorgprofessionals. Is er toch al een vordering gedaan? Dan geldt het volgende de zorgaanbieder hoeft de bonus niet af te dragen aan de invorderingsambtenaar of als de bonus al is afgedragen, betaalt de invorderingsambtenaar het bedrag alsnog uit aan de zorgprofessional. 19.1.7 Notoire wanbetaler en vordering Er gelden een aantal wettelijk beslagverboden. Met deze verboden hoeven geen rekening te worden gehouden als alle onderstaande voorwaarden gelden: a. de belastingschuldige heeft meer dan één aanslag niet betaald; b. de laatste betalingstermijn is minstens twee maanden verstreken; c. de belastingschuldige krijgt geen uitstel of kwijtschelding, omdat hij voldoende geld of vermogen heeft. 19.1.8 Vordering ten laste van de echtgenoot Heeft de echtgenoot van de belastingschuldige recht op geld of een vordering op een derde en valt dit recht in de huwelijksgemeenschap? Dan kan de invorderingsambtenaar een vordering doen bij de echtgenoot. Gaat de vordering over een belastingschuld die niet tot de huwelijksgemeenschap behoort? Dan beperkt de invorderingsambtenaar de vordering tot de helft van het bedrag waarop beslag mogelijk is. Deze beperking geldt niet als de echtgenoot schriftelijk instemt met verhaal op het hele bedrag. De invorderingsambtenaar maakt de vordering zo snel mogelijk bekend, uiterlijk binnen 8 dagen. De invorderingsambtenaar stuurt de bekendmaking afzonderlijk aan de belastingschuldige en aan de echtgenoot. Gaat de vordering over een periodieke uitkering zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet? Dan past de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet toe alsof de echtgenoot de belastingschuldige is. Gaat de vordering over een vordering van de echtgenoot op een betaaldienstverlener? Dan is artikel 1cbis.2 Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 ook van toepassing. 19.2 De faillissementsvordering 19.2.1 Aan te melden schulden in faillissement In een faillissement vallen belastingschulden onder het faillissement als zij een dag vóór de faillietverklaring zijn ontstaan. Dit geldt ook als de belastingschulden zijn ontstaan na de faillietverklaring, maar voortkomen uit een belastingplicht van vóór het faillissement. Belastingschulden die pas na het faillissement ontstaan en niet voortkomen uit een eerdere belastingplicht, zijn boedelschulden. Valt een gedeelte van de belastingschuld onder het faillissement en een gedeelte onder de boedel, dan splitst de invorderingsambtenaar op in twee delen. Voorlopige aanslagen worden pas aangemeld nadat de betalingstermijnen zijn verlopen. Hierbij wordt ook onderscheid gemaakt tussen een faillissement- en een boedelschuld. 19.2.2 Belastingschulden ontstaan gedurende een surseance zijn boedelschulden in faillissement Belastingschulden die ontstaan tijdens een surseance van betaling gelden in het faillissement als boedelschulden. Dit is geregeld in artikel 249 Fw. Artikel 19.2.1 van deze leidraad is hierop van toepassing. 19.2.3 Opkomen in faillissement De invorderingsambtenaar vraagt de curator meestal niet om directe betaling. Dit gebeurt alleen als dit voor de invordering noodzakelijk is. Bij elke vordering in faillissement vermeldt de invorderingsambtenaar dat hij recht heeft op eventuele voorrang. Betaalt de curator boedelschulden ten onrechte niet? Dan neemt de invorderingsambtenaar eerst contact op met de curator. Leidt dit niet tot een oplossing? Dan wendt hij zich tot de rechter-commissaris. In het uiterste geval verhaalt hij zich rechtstreeks op de boedel. 19.3 Vorderingen met betrekking tot periodieke uitkeringen 19.3.1 Overwegen van vordering op periodieke uitkeringen Een vordering op een periodieke uitkering is een zwaar invorderingsmiddel. Het doel is een snelle en goede inning van belastingen. In principe heeft deze vordering voorrang op andere maatregelen zoals beslag. De invorderingsambtenaar heeft de mogelijkheid om eerst andere maatregelen te proberen. 19.3.2 Vooraankondiging van vordering op periodieke uitkeringen Is het dwangbevel per post betekend en willen wij een vordering innen via de werkgever of periodieke uitkering? Dan stuurt de invorderingsambtenaar eerst een schriftelijke vooraankondiging. Dit gebeurt minimaal vier dagen na dagtekening van het dwangbevel. Tussen de vooraankondiging en de vordering zit minimaal vier weken. De vooraankondiging vervalt als de werkgever of uitkeringsinstantie al betaalt op een eerdere vordering. Bij deze vordering houdt de invorderingsambtenaar rekening met een beslagvrije voet. 19.3.3 Beslagvrije voet en vordering op periodieke uitkeringen In de situatie dat er geen beslagvrije voet geldt, maar is de belastingschuldige volledig afhankelijk van deze uitkering? Dan past de invorderingsambtenaar alsnog de regels over de beslagvrije voet toe. Hierbij volgen wij artikel 475b en 475d tot en met 475e Rv. De vordering geldt dan alleen voor het bedrag boven de beslagvrije voet. Dit geldt ook voor belastingschuldigen die niet in Nederland wonen of verblijven. 19.3.3a Beslagvrije voet en vakantiegeld Vervallen. 19.3.4 Beslagvrije voet voor belastingschuldige zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland Is er geen woon- of verblijfadres bekend? Dan stelt de invorderingsambtenaar de beslagvrije voet vast volgens de wet. Wordt later een adres bekend? Dan past de invorderingsambtenaar de juiste beslagvrije voet toe vanaf de volgende inhouding. Er is geen terugwerkende kracht, tenzij de betrokkene bewijst dat het ontbreken van het adres niet zijn schuld was. 19.3.5 Belastingschuldige woont in buitenland en beslagvrije voet Heeft de belastingschuldige buiten Nederland een vaste woon- of verblijfplaats? Dan stelt de invorderingsambtenaar eerst een standaard beslagvrije voet vast volgens artikel 475da, vierde lid, Rv. De belastingschuldige kan daarna informatie aanleveren over zijn leefsituatie en zijn inkomen. Op basis daarvan stelt de invorderingsambtenaar de juiste beslagvrije voet vast. Levert de belastingschuldige geen of onduidelijke informatie aan? Dan blijft de eerdere beslagvrije voet gelden. Inkomen uit het woonland wordt in mindering gebracht op de beslagvrije voet. Is de uitkering in het woonland belast? Dan wordt het beslag verminderd met die belasting, als de belastingschuldige dit aantoont. Is de beslagvrije voet onjuist vastgesteld? Dan krijgt de belastingschuldige een redelijke termijn om gegevens aan te leveren. Na ontvangst wordt de beslagvrije voet aangepast voor toekomstige inhoudingen. 19.3.6 Verrekening ex artikel 117 Ambtenarenwet Vervallen. 19.3.7 Periodieke uitkeringen onder de bijstandsnorm Soms is een uitkering lager dan de bijstandsnorm, omdat kosten in natura worden vergoed. De invorderingsambtenaar vermindert dan de beslagvrije voet met de waarde van deze vergoedingen. 19.3.8 Vordering in relatie tot voorlopige teruggaaf. Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 19.3.9 Toepassing beslagvrije voet bij AOW-gerechtigden Bij AOW-gerechtigden die in Nederland wonen, houdt de invorderingsambtenaar rekening met de hoogst mogelijke beslagvrije voet die voor hun situatie geldt volgens artikel 475da, eerste lid, Rv. 19.4 Beslagvrije voet en overheidsvordering Houdt de belastingschuldige door een overheidsvordering, volgens artikel 19, vierde lid, van de wet, minder over dan de beslagvrije voet? Dan maakt de invorderingsambtenaar de vordering deels ongedaan. De belastingschuldige moet hier zelf om vragen. De belastingschuldige moet dan de gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de beslagvrije voet en een overzicht van bank- en spaartegoeden op de datum van de overheidsvordering aanleveren. Moet er achteraf een beslagvrije voet worden vastgesteld, dan geldt deze correctie alleen voor de laatste overheidsvordering. Is er sprake van een situatie zoals bedoeld in artikel 19, lid 2 van de wet, dan handelen wij volgens artikel 19, lid 1 van de wet. Hierbij geldt ook artikel 19.1.7 van deze leidraad. Had de belastingschuldige meer spaargeld dan de beslagvrije voet? Dan wordt de beslagvrije voet verminderd met de aanwezige saldi op de bankrekeningen. 19.5 Beslagvrij bedrag en betalingsvordering bij geen adres in Nederland Heeft de belastingschuldige geen adres in Nederland en ook geen vast adres in het buitenland? Dan stelt de invorderingsambtenaar een beslagvrij bedrag vast volgens artikel 1cbis.2, tweede lid, van de URIW 1990. Woont belastingschuldige vast in het buitenland? Dan wordt er geen beslagvrij bedrag vastgesteld. Als de belastingschuldige een natuurlijk persoon is, dan kan er een verzoek worden ingediend om alsnog een beslagvrij bedrag vast te stellen. Belastingschuldige moet dan zijn leefsituatie aantonen. Wordt dit aangetoond, dan stelt de invorderingsambtenaar alsnog het juiste beslagvrije bedrag vast en betaalt het teveel ontvangen bedrag terug. 19.6 Vordering en energietoeslag Heeft de belastingschuldige een energietoeslag ontvangen op grond van artikel 35, vierde of vijfde lid, Participatiewet? En wordt er een overheids- of betalingsvordering gedaan? Dan betaalt de invorderingsambtenaar op schriftelijk verzoek het afgedragen bedrag terug. Dit gebeurt tot maximaal het bedrag van de ontvangen energietoeslag. Artikel 20 Lijfsdwang Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 21 Voorrecht rijksbelastingen Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 22 Bodemrecht Dit artikel gaat over: • de werkingssfeer van het bodemrecht; • bodemrecht en bestuurlijke boeten; • overbetekening bodembeslag; • de volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement; • de volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement; • bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar; • bodemrecht en voorrang; • verzet en beroep. 22.1 Werkingssfeer en reikwijdte bodemrecht Derden die stellen dat zij eigenaar zijn van in beslag genomen zaken, kunnen in verzet komen op grond van artikel 456 Rv of artikel 538 Rv en verder. Op grond van artikel 435 Rv kunnen derden ook verzet instellen tegen het beslag. Daarnaast kunnen derden die menen dat zij geheel of gedeeltelijk recht hebben op roerende zaken waarop beslag is gelegd voor een belastingschuld, hun bezwaren ook administratief indienen bij het dagelijks bestuur via een beroepschrift. Met “derden” worden niet alleen eigenaars bedoeld. Het gaat ook om personen met een beperkt recht, zoals een pandrecht of vruchtgebruik. Een tijdig ingediend beroepschrift op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet schort de executie automatisch op. Artikel 22, derde lid, van de wet geldt niet voor BSR. 22.2 Bodemrecht en bestuurlijke boeten Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.3 Overbetekening beslag Weet de invorderingsambtenaar dat in beslag genomen zaken mogelijk eigendom zijn van een derde? Dan moet hij het beslag binnen acht dagen na beslaglegging aan die derde laten betekenen door de belastingdeurwaarder (artikel 435, derde lid, Rv). Bij deze betekening wordt de derde schriftelijk gewezen op de mogelijkheid om een beroepschrift in te dienen bij het dagelijks bestuur. Krijgt de invorderingsambtenaar pas later – maar vóór de geplande verkoop – informatie dat de zaken mogelijk van een derde zijn? Dan laat hij het beslag alsnog direct betekenen. Ligt er minder dan acht dagen tussen de betekening en de geplande verkoopdatum? Dan wordt een nieuwe verkoopdatum vastgesteld. 22.4 Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.5 Volgorde uitwinning bodembeslag buiten faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.6 Bodemrecht en insolventie van de derde-eigenaar Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.7 Bodemrecht en voorrang Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.8 Verzet en beroep 22.8.1 Verzet artikel 435, derde lid, Rv tegen bodembeslag Blijkt uit een verzetschrift dat de derde geen eigenaar is van de betreffende zaken? Of is dit anderszins duidelijk voor de invorderingsambtenaar? Dan gaat de executie in beginsel door. 22.8.2 Taken met betrekking tot de schriftelijke mededeling ex artikel 435, derde lid, Rv inzake bodembeslag Heeft een derde een schriftelijke mededeling gedaan en Is direct duidelijk dat de invorderingsambtenaar geen verhaal kan nemen op de zaken? Dan wordt het beslag opgeheven. In andere gevallen stuurt de invorderingsambtenaar de mededeling door naar het dagelijks bestuur. Ziet het dagelijks bestuur geen aanleiding om aan het verzet tegemoet te komen? Dan worden de stukken doorgestuurd naar een advocaat om een procedure te starten en een executoriale titel tegen de derde te verkrijgen. 22.8.3 Opschorting verkoop na verzet volgens artikel 456 Rv in rechte tegen bodembeslag Ondanks dat een verzet tegen de verkoop van roerende zaken de executie niet automatisch opschort, neemt de invorderingsambtenaar meestal geen onomkeerbare maatregelen. Dit geldt niet als de invorderingsambtenaar van oordeel is dat het verzet alleen is ingesteld om de invordering te vertragen. 22.8.4 Beroepschrift ex artikel 22 van de wet Een beroepschrift moet worden ingediend bij de invorderingsambtenaar waaronder de belastingschuldige valt. Is het beslag opgeheven of vervallen? Dan kan geen beroepschrift meer worden ingediend. Wordt toch een beroepschrift ingediend terwijl het beslag niet meer bestaat? Dan neemt het dagelijks bestuur dit niet in behandeling. 22.8.5 Beroepschriftprocedures ex artikel 22 van de wet Is uit het beroepschrift niet duidelijk waarop het beroep is gebaseerd? Dan vraagt de invorderingsambtenaar om binnen een redelijke termijn een nadere motivering te geven. Daarbij wordt gewezen op de mogelijkheid dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als geen motivering wordt gegeven. 22.8.6 Taak van de invorderingsambtenaar met betrekking tot beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet Is het beroepschrift te laat ingediend, maar ligt het beslag nog? Dan verklaart het dagelijks bestuur het beroep niet-ontvankelijk. Een niet ontvankelijk beroepschrift wordt wel ambtshalve in behandeling genomen. Is de indiener niet in verzuim geweest, dan wordt het beroep toch ontvankelijk verklaard. De invorderingsambtenaar schort in het algemeen de verkoop op, ook als het beroepschrift niet alle in beslag genomen zaken betreft. Wendt de belanghebbende zich eerst tot de invorderingsambtenaar voordat hij beroep instelt? Dan wijst de invorderingsambtenaar hem op de mogelijkheid van een beroepschrift bij het dagelijks bestuur. Als in deze fase de belanghebbende en de invorderingsambtenaar tot een oplossing kunnen komen, heeft dat de voorkeur. Bij leasing wordt een beslag alleen opgeheven na overleg met het dagelijks bestuur. 22.8.7 Beslissing dagelijks bestuur op het beroepschrift tegen bodembeslag Het dagelijks bestuur motiveert zijn beslissing, ook bij een te laat ingediend beroepschrift. Bij een ontvankelijk verklaard beroepschrift stuurt het dagelijks bestuur de beslissing aan de invorderingsambtenaar. De invorderingsambtenaar laat de beslissing direct betekenen aan: • de derde; • de belastingschuldige of hun gemachtigde; • en zo nodig de bewaarder. Voor deze betekening worden geen kosten in rekening gebracht. Bij een niet-ontvankelijk verklaard beroepschrift wordt de beslissing rechtstreeks toegezonden, of – op verzoek – betekend zoals bij een ontvankelijk beroep. Moeten de zaken snel worden verkocht in afwachting van de beslissing? Dan kan de invorderingsambtenaar, na overleg met het dagelijks bestuur, toestaan dat de derde verkoopt. De opbrengst wordt dan tijdelijk bij de invorderingsambtenaar gestort. 22.8.8 Onduidelijk bezwaar tegen bodembeslag Is niet duidelijk of een ingediend stuk bedoeld is als administratief beroep (artikel 22, eerste lid, van de wet) of als verzet (artikel 435, derde lid, Rv)? Dan vraagt de invorderingsambtenaar de derde om dit binnen tien dagen te verduidelijken. Reageert de derde niet? Dan wordt het stuk aangemerkt als een beroepschrift op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet. 22.8.9 Samenloop administratief beroep en verzet tegen bodembeslag Dient een derde zowel een beroepschrift in op grond van artikel 22, eerste lid, van de wet als een schriftelijke mededeling op grond van artikel 435, derde lid, Rv? Dan stuurt de invorderingsambtenaar eerst het beroepschrift naar het dagelijks bestuur voor behandeling. Pas daarna behandelt de invorderingsambtenaar het verzet. 22.8.10 Criteria voor de beslissing op het beroepschrift ex artikel 22, eerste lid, van de wet Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.8.11 Beëindiging operationele leaseovereenkomst Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.8.12 Executie en bodemrecht Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 22.9. Terughoudend beleid bij reëel eigendom derde Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 22bis Mededeling Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 22a Dit artikel is vervallen. Artikel 23 Dit artikel is vervallen. Artikel 23a Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 24 Verrekening Dit artikel gaat over: • wanneer verrekening; • betwiste schuld en verrekening; • reikwijdte van de verrekening; • bekendmaking verrekening; • instemmingsregeling bij cessie en verpanding. 24.1 Wanneer verrekening Verrekening gebeurt niet automatisch. De invorderingsambtenaar beslist of hij verrekent. Vraagt de belastingschuldige om een belastingteruggaaf of een ander uit te betalen bedrag te verrekenen met een openstaande aanslag of andere vordering? Dan gaat de invorderingsambtenaar altijd akkoord met dit verzoek. Dit geldt ook als het verzoek wordt gedaan voordat de teruggaaf officieel is vastgesteld. In dat geval wordt de invordering niet automatisch opgeschort. De belastingschuldige kan zo nodig apart om uitstel van betaling vragen in verband met de te verwachten teruggaaf (zie artikel 25.3 van deze leidraad). 24.1.1 Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 24.2 Betwiste schuld en verrekening Normaal gesproken wordt niet verrekend met een schuld die de belastingschuldige betwist en waarvoor uitstel van betaling is verleend op grond van artikel 25.2 van deze leidraad. Er kan toch worden verrekend als de financiële situatie van de belastingschuldige zodanig is dat het risico bestaat dat de schuld niet meer kan worden geïnd. 24.3 Reikwijdte van de verrekening De invorderingsambtenaar verrekent een uit te betalen bedrag op of na de dagtekening van het aanslagbiljet. 24.4 Bekendmaking verrekening Vervallen. 24.5 Verrekening en fiscale eenheid bij vennootschapsbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 24.6 Instemmingregeling bij cessie of verpanding 24.6.1 Geen verrekening bij instemming cessie of verpanding Artikel 24, vijfde lid, van de wet bevat een instemmingsregeling waarin het volgende is geregeld. Als de invorderingsambtenaar instemt met cessie (artikel 3:94 BW) of stille verpanding (artikel 3:239 BW), dan mag hij het betreffende uit te betalen bedrag niet verrekenen. Heeft hij niet ingestemd? Dan mag hij wel verrekenen met openstaande schulden, ook als de cessie of verpanding aan hem is meegedeeld. De verrekening vindt plaats met de schulden die openstaan op het moment waarop het uit te betalen bedrag wordt geformaliseerd. Bij openbare verpanding geldt geen instemmingsregeling. 24.6.2 Mogelijkheid van cessie of verpanding uit te betalen bedragen Soms krijgt iemand geld terug van de gemeente of het waterschap. Dat bedrag kan worden overgedragen (cessie) aan iemand anders of worden verpand (stille verpanding) aan bijvoorbeeld een bank. Dit mag alleen als duidelijk is om welk bedrag het gaat. Een stille verpanding kan pas als vaststaat dat iemand echt recht heeft op geld terug (materieel vaststaat). Dat is op zijn vroegst na het einde van het jaar of het tijdvak waar de teruggaaf over gaat. 24.6.3 Instemming of weigering met een cessie of verpanding Cessie of verpanding is alleen mogelijk als de invorderingsambtenaar hier toestemming voor geeft. De toestemming geldt voor het hele bedrag. Er wordt geen toestemming gegeven voor een deel van één aanvraag. Wel mag iemand het bedrag in delen overdragen of verpanden. De ambtenaar beoordeelt elke aanvraag apart. De invorderingsambtenaar weigert de aanvraag alleen als er gegronde redenen zijn, waardoor BSR benadeeld wordt. Dat is bijvoorbeeld zo als: - Er nog een openstaande belastingschuld is, waarmee verrekend had kunnen worden. - Het risico bestaat dat die schuld niet meer kan worden geïnd. - Iemand bekend staat als een bekende (notoir) slechte betaler. Zonder overdracht of verpanding zou het terug te betalen bedrag namelijk kunnen worden verrekend met openstaande schulden. Er wordt geen rekening gehouden met belastingschulden die nog niet officieel op een belastingaanslag staan (geformaliseerd). Als er op het moment van de aanvraag geen openstaande schuld die verrekend kan worden, dan moet de ambtenaar toestemming geven. De invorderingsambtenaar stuurt een beschikking met de beslissing naar de belastingschuldige en de derde (bijvoorbeeld de bank of andere partij). In deze beschikking staat ook dat beroep bij het dagelijks bestuur mogelijk is. 24.6.4 Beroepsprocedure weigeren instemming cessie of verpanding en Awb Als iemand in beroep gaat, maar niet duidelijk uitlegt waarom, dan vraagt de invorderingsambtenaar om een uitleg. Hierbij blijft artikel 24 van de wet ook van toepassing. De indiener krijgt daarvoor een redelijke termijn. De invorderingsambtenaar vermeldt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als er geen uitleg wordt gegeven. 24.6.5 Bekendmaking beschikking dagelijks bestuur bij cessie of verpanding Het dagelijks bestuur beslist op het beroep. De beslissing wordt per beschikking gestuurd naar de belastingschuldige en de derde (pandhouder of nieuwe schuldeiser). 24.6.6 Houding invorderingsambtenaar bij procedure tegen weigeren instemming met cessie of verpanding De belastingschuldige kan naar de voorzieningsrechter stappen met het verzoek om de weigering te verbieden. Zolang de rechter nog geen uitspraak heeft gedaan verrekent de invorderingsambtenaar het bedrag niet. Als de rechter het verzoek afwijst, dan wacht de invorderingsambtenaar 14 dagen met verrekenen. Wordt er hoger beroep ingesteld, dan verrekent de invorderingsambtenaar niet totdat de rechter een uitspraak heeft gedaan. Als ook in hoger beroep het verzoek wordt afgewezen, dan wacht de invorderingsambtenaar met verrekenen tot de uitspraak definitief vaststaat. Artikel 25 Uitstel van betaling Dit artikel gaat over: • de algemene uitgangspunten van het uitstelbeleid; • uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag; • uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag; • uitstel in verband met betalingsproblemen; • betalingsregeling voor particulieren; • betalingsregeling voor ondernemers; • administratief beroep. 25.1 Algemene uitgangspunten uitstelbeleid 25.1.1 Houding van de invorderingsambtenaar tijdens behandeling verzoek om uitstel Tijdens de behandeling van een verzoek om uitstel van betaling houdt de invorderingsambtenaar rekening met het verzoek en handelt hij alsof uitstel is verleend. Als er signalen zijn dat de belangen van BSR in gevaar komen, kan de invorderingsambtenaar toch invorderingsmaatregelen nemen, ook als er een verzoek om uitstel loopt. 25.1.2 Toewijzing van het verzoek om uitstel van betaling Als de invorderingsambtenaar het verzoek om uitstel van betaling toewijst, vermeldt hij in de beschikking onder welke voorwaarden het uitstel wordt verleend. 25.1.3 Redenen afwijzing verzoek om uitstel Een verzoek om uitstel van betaling wordt afgewezen in de volgende gevallen: a. de persoon die het verzoek indient werkt volgens de invorderingsambtenaar onvoldoende mee aan BSR; b. er worden onjuiste gegevens gegeven; c. de gevraagde gegevens zijn niet of niet volledig binnen de door de invorderingsambtenaar gestelde termijn aangeleverd – als gegevens ontbreken, krijgt de belastingschuldige twee weken extra om ze aan te leveren; d. de gevraagde zekerheid is niet gegeven (zie artikel 25.1.1, 25.2.5, 25.5.2 en 25.6.2 van deze leidraad); e. er zijn bezittingen die redelijk verkocht kunnen worden om de belasting te betalen; f. de berekening laat zien dat de belastingschuldige genoeg geld heeft om de schuld meteen te betalen; g. de voorgestelde betalingsregeling duurt te lang voor de invorderingsambtenaar; h. de betalingsproblemen zijn blijvend en een regeling helpt niet; i. er is al eerder uitstel gegeven bij dezelfde aanslag in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure, terwijl er toen genoeg geld beschikbaar was om te betalen; j. deze regel geldt niet voor BSR; k. het bezwaar gaat direct of indirect over een WOZ-beschikking die al definitief is; l. de belastingschuldige heeft eerder voor dezelfde aanslag een betalingsregeling gekregen en heeft zich daar niet aan gehouden; m. er is al een beslagopdracht naar de belastingdeurwaarder gestuurd of beslag gelegd; n. er is een vordering gedaan volgens artikel 19 van de wet. De invorderingsambtenaar hoeft de belastingschuldige niet altijd de kans te geven om zijn mening te geven voordat het verzoek om uitstel helemaal of gedeeltelijk wordt afgewezen. Als het verzoek om uitstel wordt afgewezen, moet de invorderingsambtenaar uitleggen waarom. Alle redenen voor afwijzing moeten worden genoemd; het is niet genoeg om alleen de belangrijkste reden te noemen. 25.1.4 Redenen beëindigen uitstel Het uitstel van betaling wordt in ieder geval beëindigd in de volgende gevallen: a. de belastingschuldige houdt zich niet aan de afspraken van het uitstel; b. tijdens het uitstel blijkt dat er onjuiste gegevens zijn gegeven; c. de reden waarvoor het uitstel is verleend bestaat niet meer; d. de financiële situatie van de belastingschuldige verandert zo dat de invorderingsambtenaar vindt dat het uitstel niet meer kan doorgaan; e. de verzoeker werkt volgens de invorderingsambtenaar onvoldoende mee aan BSR; f. er gebeurt iets zoals beschreven in artikel 10 van de wet en de invorderingsambtenaar vindt dat de belasting daardoor waarschijnlijk niet betaald kan worden; g. de belastingschuldige wordt failliet verklaard, krijgt surseance van betaling, of wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen. 25.1.5 Beëindigen van een betalingsregeling met meer dan één termijn Voor artikel 25.1.5 zijn geen aparte regels opgesteld in deze leidraad. 25.1.6 Van rechtswege vervallen van een verleend uitstel Als het uitstel is verleend tot een bepaalde datum en die datum voorbij is, vervalt het uitstel automatisch. Als het verzoek schriftelijk is ingediend, krijgt de belastingschuldige bericht over het vervallen van het uitstel, met uitleg waarom. Als het uitstel vervalt omdat niet aan de voorwaarden is voldaan, krijgt de belastingschuldige geen bericht. 25.1.7 Geen invordering tijdens verleend uitstel Tijdens het uitstel mag de invorderingsambtenaar geen invorderingsmaatregelen nemen, tenzij in de leidraad anders staat. 25.1.8 Na (afwijzen) uitstel tien dagen wachttijd Als uitstel niet wordt verleend, wordt beëindigd of afgewezen, of als een beroepschrift daartegen wordt afgewezen, start de invordering in principe pas na tien dagen. Deze termijn kan korter zijn als de invorderingsambtenaar denkt dat de belangen van BSR anders worden geschaad. De termijn geldt niet bij opschorting van een executoriale verkoop of bij uitstel in verband met een prolongatieovereenkomst. 25.1.9 Uitstel voor een ambtshalve belastingaanslag Bij een ambtshalve opgelegde aanslag kan de invorderingsambtenaar maximaal één maand uitstel geven om alsnog bezwaar te maken bij de heffingsambtenaar. Het bezwaar moet samen met het ingevulde aangiftebiljet worden ingediend. Als dit niet gebeurt, vervalt het uitstel en wordt geen nieuw uitstel gegeven. 25.1.10 Uitstel voor een aanslag ter behoud van rechten Voor een aanslag die alleen wordt opgelegd om de bevoegdheid tot het vaststellen van de aanslag te behouden (art. 11, 16 en 20 AWR), wordt uitstel automatisch verleend voor het hele bedrag. Het uitstel duurt totdat de heffingsambtenaar de belastingschuldige de details van de aanslag heeft meegedeeld. 25.1.11 Uitstel voor een bestuurlijke boete De invorderingsambtenaar kan uitstel geven bij bezwaar, beroep of hoger beroep tegen een bestuurlijke boete. Ook bij een bezwaar tegen een belastingaanslag waarop de boete op hetzelfde aanslagbiljet staat, wordt uitstel verleend. Geen uitstel als het bezwaar niet over de boete gaat. Het uitstel kan voorwaarden bevatten om de belangen van BSR te beschermen en duurt tot er een beslissing op het bezwaar is genomen. 25.1.12 Tijdens uitstel nieuwe aanslagen voldoen Vervallen. 25.1.13 Zekerheid bij uitstel De invorderingsambtenaar kan bij het verlenen van uitstel van betaling om zekerheid vragen van de belastingschuldige of een derde. De voorkeur gaat uit naar zekerheid die eenvoudig te regelen en te controleren is. Een bezitloze verpanding van voorraden wordt meestal niet geaccepteerd, tenzij duidelijk is dat de schuld niet betaald kan worden en er geen andere zekerheid is. 25.1.14 Tijdstip indiening verzoek om uitstel Een verzoek om uitstel wordt altijd in behandeling genomen. Het maakt niet uit wanneer het wordt ingediend of hoe ver de invordering is gevorderd. De invorderingsambtenaar wijst een verzoek om uitstel van betaling door betalingsproblemen in het algemeen af als het is ingediend nadat een executoriale verkoop is aangekondigd of gepubliceerd. Om de belangen van BSR niet te schaden, kan de invorderingsambtenaar een beslissing mondeling bekendmaken vlak voor de verkoop en later schriftelijk bevestigen. Als de belastingdeurwaarder al is begonnen met de executoriale verkoop, wordt geen uitstel meer verleend. 25.1.15 Verzoekschriften aan andere instellingen Als een verzoek is ingediend bij de Nationale Ombudsman, raad, college, algemeen bestuur, dagelijks bestuur of ombudsman van een deelnemer van BSR, wordt de invordering tijdelijk stilgelegd. Als de invorderingsambtenaar denkt dat hierdoor de belangen van BSR worden geschaad, kan na toestemming van het dagelijks bestuur toch invordering plaatsvinden. 25.2 Uitstel in verband met bezwaar tegen een belastingaanslag 25.2.1 Bezwaar tegen hoogte belastingaanslag De belastingschuldige kan bezwaar maken tegen de hoogte van een belastingaanslag door een bezwaarschrift in te dienen. Als iemand daarvoor uitstel van betaling vraagt, kan de invorderingsambtenaar dit uitstel geven tot de heffingsambtenaar uitspraak doet op het bezwaarschrift. Onder een bezwaarschrift wordt ook een beroepschrift of hoger beroepschrift verstaan. Het uitstelbeleid in artikel 25.2 geldt alleen voor het gedeelte van de aanslag waarvoor bezwaar is ingediend. Als het bezwaar gaat over de WOZ-waarde die is gebruikt voor de aanslag en is ingediend bij de gemeente, kan ook uitstel worden verleend. Hiervoor moet de belastingschuldige een kopie van het WOZ-bezwaarschrift overleggen. Het is niet nodig bezwaar te maken tegen de aanslag als de heffingsambtenaar deze automatisch herziet vanwege wijziging van de WOZ-waarde. Bezwaren tegen andere besluiten of kennisgevingen door invorderingsambtenaar vallen zoveel mogelijk onder hetzelfde beleid. 25.2.2 Bezwaarschrift geldt als verzoek om uitstel; beroepschrift niet Een gemotiveerd bezwaarschrift tegen een belastingaanslag wordt door de invorderingsambtenaar niet automatisch gezien als verzoek om uitstel. Als belastingschuldige uitstel wilt, dan moet dit in het bezwaarschrift zijn aangegeven. Een beroepschrift tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar geldt niet automatisch als verzoek om uitstel. Daarvoor moet een apart verzoek worden ingediend. Het verzoek wordt in dat geval ook gezien als een pro-forma bezwaarschrift. 25.2.2.a Afzonderlijk verzoek om uitstel in verband met een bezwaarschrift Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel indient voor een bezwaarschrift, moet hij het bestreden bedrag van de aanslag en de berekening daarvan vermelden. 25.2.2.b Ontbrekende gegevens Als het bestreden bedrag of de berekening daarvan niet is vermeld, krijgt de belastingschuldige de kans om deze gegevens alsnog schriftelijk te geven. De invorderingsambtenaar kan ook andere gegevens vragen om de hoogte van het bestreden bedrag vast te stellen. De termijn voor het aanleveren van gegevens is maximaal één maand vanaf het verzoek. De invordering wordt gedurende deze termijn geschorst. Een langere termijn kan worden gegeven als dit redelijk is. Als de belastingschuldige de termijn laat verlopen, wordt het verzoek om uitstel afgewezen. Dezelfde regels gelden voor een verzoek dat direct in het bezwaarschrift is opgenomen of voor een pro-forma bezwaarschrift. Bij een verzoek om uitstel in verband met een beroepschrift moet een kopie van het beroepschrift worden meegeleverd. 25.2.3 De beslissing op het verzoek om uitstel van betaling In het algemeen wordt het verzoek om uitstel toegekend als aan de eisen van artikelen 25.2.2, 25.2.2.a en 25.2.2.b is voldaan. De invorderingsambtenaar kan voorwaarden stellen aan het uitstel. Het uitstel geldt alleen voor het bestreden bedrag van de aanslag. 25.2.4 Uitstel in verband met een onderlinge overlegprocedure De bepaling is niet van toepassing voor BSR. 25.2.5 Zekerheid bij uitstel in verband met bezwaar De invorderingsambtenaar kan zekerheid vragen voor de bestreden belastingschuld. Dit gebeurt vooral als de aard of hoogte van de schuld reden geeft tot twijfel over betaling. Ook wordt gekeken naar het betalings- en aangiftegedrag van de belastingschuldige. 25.2.6 Onherroepelijke invorderingsmaatregelen voor bestreden belastingschuld Zolang de aanslag nog niet definitief is, worden in principe geen onherroepelijke invorderingsmaatregelen getroffen voor het bestreden bedrag. Als er aanwijzingen zijn dat belangen van BSR of de belastingschuldige worden geschaad door het niet treffen van invorderingsmaatregelen, kunnen deze maatregelen wel worden genomen. Het leggen van beslag als bewaringsmaatregel geldt niet als onherroepelijke invorderingsmaatregel. 25.2.7 Verrekening tijdens uitstel in verband met bezwaar Als uitstel is verleend, wordt het bestreden bedrag niet verrekend met teruggaaf of andere betalingen, tenzij artikel 24 van deze leidraad anders bepaalt. Afwijking kan alleen als de belastingschuldige het risico loopt dat de belasting niet betaald kan worden en er geen andere zekerheid is. Bij verrekening licht de invorderingsambtenaar de belastingschuldige hierover schriftelijk in. 25.2.7A. Nadere voorwaarden bij herbeoordeling verleend uitstel. Als bij verlening van het uitstel geen voorwaarden zijn gesteld, kan de invorderingsambtenaar binnen vier maanden vanaf de datum van het verleende uitstel alsnog schriftelijk voorwaarden stellen. Bij herbeoordeling kijkt de invorderingsambtenaar naar de looptijd van het bezwaarschrift en de hoogte van het bestreden bedrag. De invorderingsambtenaar beoordeelt op basis van de voorwaarden van artikel 25.2.5 van deze leidraad of zekerheid gesteld moet worden. Als de belastingschuldige tijdig aan de voorwaarden voldoet, blijft het uitstel gelden. Bij niet-naleving van de voorwaarden wordt het uitstel ingetrokken. 25.2.8 Geen uitstel voor het niet-bestreden bedrag Als een belastingaanslag een bestreden en niet-bestreden deel heeft, wordt uitstel alleen verleend voor het bestreden bedrag. Het niet-bestreden deel moet direct of tijdig worden betaald. Bij niet-betaling wordt de invordering van de hele aanslag gestart of voortgezet. Een nieuw verzoek om uitstel wordt pas behandeld nadat het niet-bestreden deel is voldaan. 25.2.9 Ten onrechte uitstel voor het gehele bedrag van de belastingaanslag Als uitstel voor de volledige aanslag is verleend terwijl bezwaar alleen een deel betreft, wordt het uitstel ingetrokken. De invorderingsambtenaar geeft daarbij aan dat een nieuw verzoek om uitstel pas wordt behandeld nadat het niet-bestreden deel is betaald. 25.3 Uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag 25.3.1 Uitstel in verband met een belastingteruggaaf en andere uit te betalen bedragen Als de invorderingsambtenaar verwacht dat hij binnenkort een bedrag moet uitbetalen aan de belastingschuldige, kan hij uitstel van betaling geven. Dit uitstel geldt tot het moment waarop hij dit bedrag kan verrekenen met de openstaande belastingaanslag. Er is sprake van een teruggaaf die binnen korte tijd wordt verwacht als: • het belastingjaar of tijdvak is afgelopen; én • de belastingschuldige een verzoek om teruggaaf heeft ingediend; én • er geen verschil van mening is tussen de heffingsambtenaar en de belastingplichtige over de teruggaaf. 25.3.2 Berekening van het uit te betalen bedrag bij uitstel Verzoekt de belastingschuldige om uitstel van betalen en is er de verwachting dat BSR op korte termijn nog een bedrag terug moet betalen. Dan moet de belastingschuldige zelf met een voorstel komen. Ontbreekt dit voorstel of is dit niet duidelijk genoeg? Dan krijgt de belastingschuldige maximaal één maand de tijd om het verzoek aan te vullen. Deze termijn begint op de dag van de brief waarin staat dat het verzoek moet worden aangevuld. Tijdens deze termijn wordt de invordering tijdelijk stopgezet. De invorderingsambtenaar kan een langere termijn geven als dat redelijk is. Wordt de termijn niet gebruikt? Dan wijst de invorderingsambtenaar het verzoek om uitstel af. 25.3.3 Beslissing op het verzoek om uitstel in verband met een uit te betalen bedrag De invorderingsambtenaar beslist meestal positief op een volledig en goed gemotiveerd verzoek. Hij kan daarbij voorwaarden stellen. Het uitstel geldt alleen voor het bedrag dat wordt verrekend. Is de belastingaanslag hoger dan het te verrekenen bedrag? Dan moet het verschil op tijd worden betaald. De invorderingsambtenaar kan hiervoor een betalingsregeling toestaan. 25.3.4 Verrekening en uitstel in verband met een te verwachten uit te betalen bedrag Bedragen die worden uitbetaald en die niet onder het uitstel vallen, verrekent de invorderingsambtenaar met de openstaande belastingschuld waarvoor uitstel is verleend. Als de invorderingsambtenaar vindt dat verrekening direct leidt tot gevaar voor de voortzetting van de onderneming, en er geen risico is dat de schuld oninbaar wordt, kan de invorderingsambtenaar besluiten om (een deel van) de teruggaaf toch uit te betalen. 25.4 Uitstel in verband met betalingsproblemen 25.4.1 Beslissing op een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen Kan de belastingschuldige de belasting niet binnen de wettelijke termijn betalen? Dan kan hij om een betalingsregeling vragen. De Invorderingsambtenaar kan voorwaarden stellen. Bij de beoordeling kijkt de Invorderingsambtenaar niet alleen naar de huidige situatie. Ook het betalingsgedrag in het verleden telt mee. Bijvoorbeeld: • is er voldoende geld gereserveerd voor te verwachten schulden? • zijn aangiften en betalingen op tijd gedaan? Bij structurele betalingsproblemen of activiteiten zonder toekomstperspectief wordt geen betalingsregeling toegestaan. 25.4.2 Uitstel en autobelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 25.4.3 Verrekening tijdens een betalingsregeling Tijdens een betalingsregeling verrekent de invorderingsambtenaar belastingteruggaven en andere teruggaven met een openstaande belastingschuld. Als daar aanleiding toe is, kan de invorderingsambtenaar besluiten om bepaalde bedragen niet te verrekenen. 25.4.4 Uitstel in verband met faillissement, WSNP en surseance Bij faillissement en bij schulden waarop de Wettelijke Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (WSNP) van toepassing is, meldt de invorderingsambtenaar de schuld aan bij de curator of bewindvoerder. Voor deze schulden wordt geen betalingsregeling getroffen. Zolang niet duidelijk is of alle boedelschulden kunnen worden betaald, kan de invorderingsambtenaar hiervoor uitstel geven. Tijdens een surseance van betaling kan de Invorderingsambtenaar op verzoek van de bewindvoerder uitstel verlenen voor belastingschulden die vóór de surseance zijn ontstaan. De nieuwe verplichtingen moeten wel op tijd worden nagekomen. Tijdens de WSNP kan ook uitstel worden verleend voor belastingaanslagen waarop de WSNP niet van toepassing is. Hiervoor gelden de gebruikelijke voorwaarden. Als wij beslag hebben gelegd of een vordering hebben gedaan (zekerheid hebben gesteld), dan gaan wij door met de uitvoering hiervan (te gelde maken). Daarna informeert de invorderingsambtenaar de curator of bewindvoerder over de nieuwe hoogte van de belastingschuld. 25.4.5 Uitstel van betaling erfbelasting bij verkrijging eigen woning door broers of zussen van de erflater. Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 25.5 Betalingsregeling voor particulieren 25.5.1 Duur betalingsregeling particulieren De invorderingsambtenaar kan een betalingsregeling geven voor maximaal twaalf termijnen. Deze termijn gaat in op de datum die in de beschikking, waarin de regeling wordt toegestaan, wordt benoemd. Alleen bij bijzondere omstandigheden kan de invorderingsambtenaar een langere termijn toestaan. 25.5.2 Voorwaarden aan betalingsregeling particulieren De invorderingsambtenaar kan voorwaarden verbinden aan de betalingsregeling. In ieder geval geldt de volgende voorwaarde dat nieuwe belastingen en andere financiële verplichtingen waarvoor de invordering bij de invorderingsambtenaar ligt, op tijd moeten worden betaald. Op verzoek kan de invorderingsambtenaar toestaan dat een nieuwe belastingaanslag wordt toegevoegd aan een bestaande regeling. Dit kan alleen als het ontstaan of niet betalen van die aanslag de belastingschuldige niet kan worden verweten en de belastingschuldige zijn volledige betalingscapaciteit al gebruikt voor de bestaande regeling. De invorderingsambtenaar kan daarnaast eisen dat minimaal 50% van de schuld binnen 10 dagen is bijgeschreven op de rekening van BSR. Als een bezoek van de belastingdeurwaarder is aangekondigd, dan geldt deze 10 dagen niet. Het geld moet dan door ons ontvangen zijn, voor de bezoekdatum. Voordat uitstel wordt verleend, kan de invorderingsambtenaar zekerheid eisen. Dit kan als de hoogte van de schuld, de duur van het uitstel of de mogelijkheden tot verhaal daartoe aanleiding geven. Ook eerder aangifte- en betalingsgedrag kan reden zijn om zekerheid te vragen. 25.5.3 Kort uitstel particulieren Op schriftelijk of telefonisch verzoek kan zonder verder onderzoek een betalingsregeling worden gegeven. De looptijd is maximaal twaalf termijnen na de laatste vervaldag van de oudste aanslag. Dit kan alleen als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: a. De totale openstaande schuld is minder dan € 20.000. Schulden waarvoor uitstel is verleend vanwege bezwaar of beroep tellen niet mee. b. Deze bepaling geldt niet voor BSR. c. Voor dezelfde of andere aanslagen is niet eerder uitstel verleend vanwege betalingsproblemen of vanwege een te verwachten teruggaaf. d. Deze bepaling geldt niet voor BSR. e. Er is geen openstaande belastingschuld waarvoor een hernieuwd bevel tot betaling is betekend en waarvan de betalingstermijn is verstreken. 25.5.4 Behandeling verzoek betalingsregeling particulieren In andere gevallen dan bedoeld in artikel 25.5.3 beoordeelt de invorderingsambtenaar de betalingscapaciteit en de vermogenspositie. Dit gebeurt op basis van de gegevens die de verzoeker aanlevert en gegevens die wij tot onze beschikking hebben. Voor het berekenen van de betalingscapaciteit gebruikt de invorderingsambtenaar de normen van het kwijtscheldingsbeleid , behalve als in artikel 25.5.6 tot en met 25.5.9 anders is bepaald. Voor de definitie van het vermogen gebruiken wij dezelfde uitleg als in de kwijtscheldingsregeling. 25.5.5 Vermogen en betalingsregeling particulieren Als de belastingschuldige vermogen heeft op het moment van aanvragen, wordt meestal geen betalingsregeling verleend. Dit geldt vooral als het vermogen eenvoudig kan worden omgezet in geld. Vermogen dat volgens het kwijtscheldingsbeleid is vrijgesteld, telt niet mee. Onder vermogen wordt verstaan: alle bezittingen van de belastingschuldige en zijn echtgenoot/huisgenoot min schulden met een hogere preferentie dan de belastingschuld. 25.5.6 Betalingscapaciteit en betalingsregeling particulieren Bij de beoordeling van het verzoek kijkt de invorderingsambtenaar naar de betalingscapaciteit. Dat is het bedrag dat iemand kan betalen. Bij het bepalen van de betalingscapaciteit kijken wij naar de situatie op het moment dat het verzoek wordt ingediend. Hierbij wordt de betalingscapaciteit vastgesteld voor de periode die gelijk is aan de periode van de betalingsregeling. De hoogte van de betalingscapaciteit bepaalt hoeveel periodiek moet worden afgelost. Ook bepaalt dit of een betalingsregeling zinvol is. Voor huur en hypotheek van de woning waarin de belastingschuldige feitelijk verblijft, wordt uitgegaan van de werkelijke kosten. De betalingscapaciteit is het netto besteedbaar inkomen min het normbedrag voor levensonderhoud. Van de berekende betalingscapaciteit wordt 80% gebruikt voor aflossing. 25.5.6a Correctie vaststellen nettowoonlasten Vervallen. 25.5.7 Berekening betalingscapaciteit – bijzondere uitgaven De invorderingsambtenaar kan in bijzondere situaties extra uitgaven in mindering brengen op de betalingscapaciteit. Het moet gaan om noodzakelijke uitgaven die passen bij de maatschappelijke positie van de belastingschuldige en zijn gezin. Deze uitgaven mogen niet al binnen het normbedrag voor levensonderhoud en moeten binnen de uitvoeringstolerantie van 20% vallen. 25.5.8 Berekening betalingscapaciteit – aflossingsverplichtingen aan derden Bij de berekening van de betalingscapaciteit wordt meestal geen rekening gehouden met aflossingen aan andere schuldeisers als de schuld aan BSR een hogere voorrang heeft. De invorderingsambtenaar kan hiervan afwijken als het niet betalen van die andere schuld tot ongewenste gevolgen leidt. 25.5.9 Berekening betalingscapaciteit: extra inkomsten Extra inkomsten, zoals vakantiegeld of bonussen (tantièmes), tellen alleen mee als deze worden uitbetaald in de periode van de betalingsregeling. 25.5.10 Belastingschuldige stelt zelf een betalingsregeling voor Stelt de belastingschuldige zelf een regeling voor waarbij de schuld binnen twaalf maanden wordt betaald? En wijkt dit beperkt af van de berekening van de invorderingsambtenaar? Dan hoeft dit niet te leiden tot afwijzing van het verzoek. Is het voorstel niet acceptabel, maar is een andere regeling wel mogelijk? Dan wijst de invorderingsambtenaar het verzoek af en geeft hij aan welke regeling wel mogelijk is. 25.5.11 Betalingsregeling langer dan twaalf maanden Bij een regeling langer dan twaalf maanden gelden dezelfde uitgangspunten als bij kortere regelingen. Bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding zijn voor een langere looptijd. De belastingschuldige moet in de eerste twaalf maanden zijn uitgaven, die afwijken van de kwijtscheldingsnormen (zoals huur of hypotheek), zoveel mogelijk aanpassen. Na twaalf maanden moet de volledige betalingscapaciteit volgens het kwijtscheldingsbeleid worden gebruikt voor aflossing. De invorderingsambtenaar stemt de betalingsregeling hierop af. 25.6 Betalingsregeling voor ondernemers 25.6.1 Duur betalingsregeling ondernemers Een betalingsregeling moet zo kort mogelijk zijn. Bij het bepalen van de duur kijkt de invorderingsambtenaar naar de omstandigheden, zoals: • de aard en hoogte van de schuld. • de liquiditeitspositie van de onderneming. • de vermogenspositie. • het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden. De betalingsregeling duurt maximaal twaalf maanden. Deze termijn wordt berekend vanaf de (laatste) vervaldag van de belastingaanslag. 25.6.2 Voorwaarden betalingsregeling ondernemers Bij het verlenen van een betalingsregeling stelt de invorderingsambtenaar als voorwaarde dat nieuwe belastingen en andere financiële verplichtingen waarvoor de invorderingsambtenaar verantwoordelijk is, op tijd worden betaald. De invorderingsambtenaar kan zekerheid eisen (zie artikel 25.1.13). Dit doet hij in ieder geval als: • het aangifte- en betalingsgedrag in het verleden daartoe aanleiding geeft, of • de aard of de hoogte van de schuld dat rechtvaardigt. De hoogte van de zekerheid is normaal gesproken gelijk aan de schuld waarvoor uitstel wordt gevraagd. 25.6.2a Bijzondere omstandigheden betalingsregeling ondernemers Is een ondernemer tijdelijk in liquiditeitsproblemen gekomen en is dit (hoofdzakelijk) niet zijn schuld? Dan kan de invorderingsambtenaar op verzoek uitstel voor een langere periode verlenen. De ondernemer moet aannemelijk maken dat: a. er daadwerkelijk betalingsproblemen zijn; b. deze problemen tijdelijk zijn; c. de problemen vóór een bepaald moment zijn opgelost; d. de onderneming levensvatbaar is. Dit moet worden onderbouwd met een verklaring van een onafhankelijke deskundige (zie artikel 25.6.2b). Is de totale belastingschuld bij ontvangst van het verzoek minder dan € 20.000? Dan mag de ondernemer een eigen verklaring indienen. Ook dan moet hij aannemelijk maken dat aan de voorwaarden a tot en met d is voldaan. De invorderingsambtenaar kan aanvullende voorwaarden stellen. Om risico’s voor de gemeente te beperken, vraagt de invorderingsambtenaar waar mogelijk zekerheid. Die zekerheid kan ook bestaan uit het leggen van beslag. 25.6.2b Verklaring van een deskundige De verklaring van de deskundige moet ingaan op: • de aard van de betalingsproblemen • de bedrijfseconomische gezondheid van de onderneming • de haalbaarheid van het inlopen van de achterstand • de feiten en omstandigheden waarop het oordeel is gebaseerd Er gelden geen formele eisen voor de deskundige. Een deskundige kan bijvoorbeeld zijn: • een externe adviseur • een externe financier • een brancheorganisatie • de (huis)accountant De invorderingsambtenaar kan aanvullende eisen stellen aan de inhoud van de verklaring. 25.6.2c Geen uitstel voor ondernemers in verband met betalingsproblemen als al kort uitstel is verleend Vervallen. 25.6.2d Kort uitstel van betaling voor ondernemers Ondernemers kunnen zonder uitgebreid onderzoek kort uitstel krijgen. Dit kan schriftelijk of telefonisch worden aangevraagd. Het uitstel duurt maximaal vier maanden na de laatste vervaldag van de oudste aanslag. De volgende voorwaarden gelden: a. De totale openstaande schuld is minder dan € 20.000. Schulden waarvoor uitstel is verleend vanwege bezwaar of beroep tellen niet mee. b. Er staan geen aanslagen open waarvoor een dwangbevel is betekend. c. Er staat geen vergrijpboete open. d. Voor dezelfde of andere aanslagen is niet eerder uitstel verleend vanwege betalingsproblemen of vanwege een te verwachten teruggaaf. e. Niet van toepassing. f. Er is geen aangifteverzuim voor de schuld waarvoor uitstel wordt gevraagd. 25.6.3 Uitstelbeleid particulieren geldt voor ex-ondernemers Voor ex-ondernemers geldt het uitstelbeleid voor particulieren. Dit geldt ook als de schuld is ontstaan tijdens de periode waarin zij ondernemer waren. 25.6.4 Uitstel voor ondernemers en overheidssteun/subsidie Onderzoekt een overheidsinstantie of subsidie of steun kan worden verleend om de schuld te betalen of een sanering mogelijk te maken en is dit bij de invorderingsambtenaar bekend? Verwacht de invorderingsambtenaar dat de subsidie of steun zal worden toegekend, dan verleent de invorderingsambtenaar uitstel van betaling. Voorwaarde is dat de belastingschuldige blijft voldoen aan de lopende verplichtingen. 25.7 Administratief beroep 25.7.1 Toetsing uitstelbeschikking door dagelijks bestuur Wijst de invorderingsambtenaar een schriftelijk verzoek om uitstel af? Of beëindigt hij een eerder verleend uitstel? Dan kan de belastingschuldige hiertegen administratief beroep instellen bij het dagelijks bestuur. Tijdens de behandeling van het beroepschrift handelt de invorderingsambtenaar volgens het beleid dat geldt als het uitstel is toegekend. Zijn er aanwijzingen dat de belangen van BSR kunnen worden geschaad? Dan mag de invorderingsambtenaar ondanks het lopende beroep toch invorderingsmaatregelen nemen. 25.7.2 Beroepsfase uitstel De termijn voor het indienen van een beroepschrift is tien dagen. Dit volgt uit artikel 24 van de regeling. Is uit het beroepschrift niet duidelijk waarop het beroep is gebaseerd? Dan vraagt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige om het beroep binnen een redelijke termijn nader te motiveren. De invorderingsambtenaar beslist welk termijn redelijk is. Daarbij wijst hij erop dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als geen nadere motivering wordt gegeven. 25.7.3 Beslissing dagelijks bestuur op beroepschrift bij uitstel Verklaart het dagelijks bestuur het beroep gegrond? Dan kan het de zaak inhoudelijk afdoen. Dat kan op twee manieren. het verzoek om uitstel wordt alsnog toegewezen of het verzoek wordt afgewezen omdat er nog een andere of nieuwe afwijsgrond is. 25.7.4 Niet tijdig beslissen op een verzoek om uitstel Neemt de invorderingsambtenaar niet op tijd een beslissing op een verzoek om uitstel? Dan kan de belastingschuldige daartegen beroep instellen bij het dagelijks bestuur. Voor het indienen van dit beroep geldt geen termijn. Blijkt tijdens de behandeling van het beroep dat uitstel had moeten worden verleend? Dan hoeft het dagelijks bestuur niet alleen vast te stellen dat er te laat is beslist. Het kan ook direct inhoudelijk op het verzoek beslissen. 25.7.5 Beroep of herhaald verzoek om uitstel bij de invorderingsambtenaar Maakt de belastingschuldige bij de invorderingsambtenaar bezwaar tegen de beslissing op het uitstelverzoek? Of dient hij voor dezelfde schuld opnieuw een verzoek om uitstel in? Dan beschouwt de invorderingsambtenaar dit als een beroepschrift. Ziet de invorderingsambtenaar op dat moment aanleiding om een gunstigere beslissing te nemen? Dan geeft hij een nieuwe beschikking. Is de belastingschuldige het niet eens met deze nieuwe beschikking? Dan kan hij binnen tien dagen beroep instellen bij het dagelijks bestuur. Artikel 25a Uitstel van betaling exitheffingen inkomstenbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 25a.1 Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 25b Uitstel van betaling exitheffingen vennootschapsbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 25b.1 Beoordeling zekerheid bij uitstel van betaling ter zake van exitheffingen Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 26 Kwijtschelding van belastingen Dit artikel gaat over: • algemene uitgangspunten voor kwijtschelding; • kwijtschelding van (belastingen voor particulieren; • kwijtschelding van (belastingen voor ondernemers; • administratief beroep; • invordering na een afwijzing; • situaties waarin niet verder wordt ingevorderd; • geautomatiseerde kwijtschelding. 26.1 Algemene uitgangspunten kwijtscheldingsbeleid De invorderingsambtenaar kan de belasting helemaal of deels kwijtschelden. Dat gebeurt alleen als betalen niet of amper mogelijk is. Daarvan is sprake als iemand nu geen inkomen of vermogen heeft om te betalen en dit ook niet snel wordt verwacht. De regels voor kwijtschelding staan in de uitvoeringsregeling invorderingswet 1990. Daarin staan ook regels over schuldsanering voor natuurlijke personen. De kwijtscheldingsnorm (wat mag je aan inkomen en vermogen hebben om kwijtschelding te kunnen krijgen) is 100% van de bijstandsnorm. Voor AOW-gerechtigden is er een andere norm. Deze is 100% van het netto AOW-bedrag. Een persoon die aansprakelijk is gesteld, krijgt geen kwijtschelding. Deze persoon kan wel vragen of er niet betaald hoeft te worden. Dit staat in artikel 53, derde lid van de wet. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als bij kwijtschelding. Voor sommige belastingen is geen kwijtschelding mogelijk. Dit staat in de belastingverordeningen van de deelnemers van BSR. De behandeling start pas als het (digitale) formulier volledig is ingediend. De invorderingsambtenaar stuurt daarna binnen 120 dagen een bericht. 26.1.1 Kwijtschelding van betaalde belastingschulden Er kan ook kwijtschelding worden verleend voor aanslagen die al betaald zijn. Dat kan alleen als aan beide voorwaarden is voldaan: • Het verzoek is ingediend binnen 3 maanden nadat de betaling door ons is ontvangen. • Betaling gebeurde terwijl kwijtschelding eigenlijk mogelijk was. Bij toewijzing krijgt de belastingschuldige het teveel betaalde bedrag terug. 26.1.2 Het indienen van een verzoek om kwijtschelding Een verzoek moet worden ingediend met het aangewezen formulier. Is een ander formulier of geen formulier gebruikt? Dan wordt het verzoek niet behandeld. Wij sturen dan een brief met instructies om het formulier alsnog in te vullen. 26.1.3 Niet ingevuld of onjuist ingevuld verzoekformulier om kwijtschelding Is het formulier niet volledig of onjuist ingevuld? • Dan krijgt de aanvrager 2 weken om dit aan te vullen. • De invordering wordt meestal tijdelijk stopgezet. De gegevens worden maar één keer opgevraagd. Blijven gegevens ontbreken? Dan wordt het verzoek afgewezen. 26.1.4 Gegevens en normen ten tijde van indiening verzoek om kwijtschelding De beoordeling gebeurt met de gegevens en de normen die gelden op het moment dat het kwijtscheldingsverzoek wordt ingediend. Bij een nieuw verzoek kan soms worden gekeken naar bekende gegevens. Dit mag alleen als: • er over het vorige belastingjaar geen kwijtscheldingsverzoek is ingediend, én • er geen onderneming is, én • het geen herhaald verzoek is. 26.1.5 Toewijzing van het verzoek om kwijtschelding onder voorwaarden De invorderingsambtenaar kan kwijtschelding verlenen onder voorwaarden. Deze voorwaarden staan dan in het besluit. Als in de voorwaarden is opgenomen dat er verrekend wordt, dan mag de invorderingsambtenaar teruggave voor maximaal drie jaar verrekenen. Dit mag alleen voor de periode dat er geen verjaring is. Als in de voorwaarden is opgenomen dat een deel van de schuld betaald moet worden, dan krijgt de belastingschuldige 10 dagen de tijd om met een betalingsvoorstel te komen. Hierbij geldt het uitstelbeleid in artikel 25 van deze leidraad. • Als een deel moet worden betaald, krijgt de aanvrager 10 dagen. • Hij mag zelf een voorstel doen. • Het uitstelbeleid is van toepassing. 26.1.6 Motivering afwijzing van het verzoek om kwijtschelding Bij afwijzing legt de invorderingsambtenaar uit waarom het verzoek is afgewezen. Hierbij moeten alle bekende afwijsgronden benoemd worden. 26.1.7 Na afwijzen kwijtschelding/saneringsakkoord tien dagen wachttijd bij voortzetting invordering Na afwijzing geldt meestal een wachttijd van 10 dagen. In die tijd start of loopt de invordering niet door. Deze wachttijd vervalt als dit ons benadeelt. Als de normale betaaltermijn nog niet voorbij is, dan blijft de normale betaaltermijn van toepassing. 26.1.8 Mondeling meedelen afwijzen kwijtschelding Bij spoed, bijvoorbeeld vlak voor verkoop van goederen, mag de afwijzing mondeling worden meegedeeld. De schriftelijke bevestiging volgt zo snel mogelijk. De wachttijd van 10 dagen geldt dan niet. Ook bij geen formulier of een onvolledig formulier wordt het verzoek direct afgewezen. Als dit vlak voor een executoriale verkoop wordt gedaan, dan geldt artikel 26.12 en 26.1.3 van deze leidraad niet. 26.1.9 Wanneer wordt geen kwijtschelding verleend Er wordt geen kwijtschelding verleend als: • geen of onjuiste gegevens zijn aangeleverd; • er te hoge uitgaven zijn in verhouding met de inkomsten zonder goede uitleg. De invorderingsambtenaar bepaalt of dit voldoende is uitgelegd; • de benodigde aangifte niet is gedaan. Belastingschuldige kan een nieuw verzoek indienen, zodra de aangifte is gedaan. Dit wordt dan gezien als het eerste kwijtscheldingsverzoek; • het bezwaar of beroep tegen de aanslag loopt nog; • voor de aanslag is een garantie of onderpand gegeven (zekerheid gesteld); • er meerdere belastingschuldigen zijn; • er een derde aansprakelijk kan worden gesteld; • de schuld te verwijten is aan de aanvrager. Dit kan zijn als er sprake is van: o opzet of grove schuld; o een uitbetaald bedrag niet is gebruikt om de aanslag te betalen. Bijvoorbeeld een belastingteruggave; o voldoende financiële middelen om de aanslag te betalen tussen het moment dat de aanslag bekend is gemaakt en het indienen van het kwijtscheldingsverzoek; o Het niet reserveren van geld om de aanslag te kunnen betalen. Terwijl belastingschuldige wist of kon weten dat de belastingaanslag opgelegd zou worden; • het niet aanvragen van (aanvullende) bijstand. Terwijl dit er voor gezorgd zou hebben dat de aanslag betaald kon worden; • er surseance van betaling of faillissement speelt, tenzij er een akkoord is gesloten zoals benoemd in artikel 138 en 252 Fw; • er sprake is van schuldsanering natuurlijke personen. Dit is anders als er een akkoord is, zoals bedoeld in artikel 329 Fw, of als het gaat om een materiele belastingschuld die is ontstaan na de start van de schuldsanering. Hierbij mag het niet gaan om een boedelschuld; • het gaat over een voorlopige belastingaanslag. Zou belastingschuldige kwijtschelding krijgen, dan verlenen wij uitstel van betalen totdat de definitieve belastingaanslag is opgelegd. Dit laten wij weten door middel van een brief. Hierin vermelden wij ook dat belastingschuldige zelf een nieuw kwijtscheldingsverzoek moet indienen zodra de definitieve belastingaanslag is ontvangen; • de invorderingsambtenaar aanvullende voorwaarden heeft verbonden aan de uitspraak kwijtschelding en deze zijn nog niet nagekomen; • betaling binnen korte tijd mogelijk is door, bijvoorbeeld: o verwacht hoger inkomen; o verbetering financiële situatie; o belastingteruggaaf binnen een jaar. 26.1.10 Begrip ‘ex-ondernemer’ en kwijtschelding Als een ex-ondernemer om kwijtschelding vraagt, dan behandelen wij het verzoek alsof het door een particulier is ingediend. Is het bedrijfsvermogen nog (deels) aanwezig, dan wordt het kwijtscheldingsverzoek behandeld alsof het door een ondernemer is ingediend. Dit is verder uitgewerkt in artikel 26.3 van deze leidraad. Het nog aanwezige bedrijfsvermogen zal geheel moeten worden gebruikt om de openstaande (zakelijke) belastingaanslagen te betalen. 26.1.11 Verzoekschriften aan andere instellingen Vervallen. 26.2 Kwijtschelding van (rijks)belastingen voor particulieren 26.2.1 Vermogen en kwijtschelding particulieren Met vermogen bedoelen we de waarde van alle bezittingen van de belastingschuldige en de partner. Hiervan trekken we de schulden van de belastingschuldige en de partner af, die voorrang hebben boven rijksbelastingen. 26.2.2 De inboedel en kwijtschelding particulieren De waarde van de inboedel die bovengemiddeld is telt mee als bezit. Dit sluit aan bij de regels over beslag op roerende zaken. Het gaat om spullen die niet nodig zijn voor een gewone en eenvoudige huishouding. Spullen die wel nodig zijn en dus niet meetellen, zijn bijvoorbeeld bedden en beddengoed, tafel en stoelen, gordijnen, bestek, servies en ander keukengerei, kasten, een koelkast en een wasmachine. Bij de beoordeling kijkt men naar de persoonlijke situatie. 26.2.3 De auto/(motor)voertuig en kwijtschelding particulieren Onder auto’s en andere (motor)voertuigen vallen alle voer- en vaartuigen voor het vervoer van personen of goederen. Dit zijn bijvoorbeeld: een auto, caravan, vouwwagen, camper, scooter, jetski, Segway, boot, scootmobiel, trike en quad. De waarde van een (motor)voertuig telt niet mee als vermogen als deze op het moment van de kwijtscheldingsaanvraag € 3.350 of minder waard is. Is de waarde hoger dan € 3.350? Dan telt de hele waarde mee als vermogen. Staat er een lening op het (motor)voertuig en heeft de financier een pandrecht? Dan wordt de openstaande schuld van de waarde afgetrokken om de actuele waarde te bepalen. Een (motor)voertuig telt ook niet mee als vermogen als de belastingschuldige kan aantonen dat het voertuig absoluut nodig is voor het uitoefenen van het beroep, of vanwege ziekte of een beperking van de belastingschuldige of een gezinslid. Met gezinsleden bedoelen we de partner van belastingschuldige en zijn/haar kinderen. Is de auto/(motor)voertuig noodzakelijk voor de kinderen, dan is hiervoor de aanvullende voorwaarde dat de kinderen geen inkomen en/of vermogen hebben waarmee de auto/(motor)voertuig zelf betaald kan worden. Het bezit van een auto van de hieronder genoemde automerken wordt bij de automatische controle altijd gezien als een reden om geen automatisch kwijtschelding te verlenen. Dit geldt niet als uit Autotelex blijkt dat de waarde € 3.350 of minder is. Krijgen wij geen waarde door vanuit de Autotelex, dan moet het kwijtscheldingsverzoek altijd handmatig worden beoordeeld. Daarbij wordt gekeken naar de handelswaarde. Aston Martin Land Rover Audi Lexus Bentley Lotus BMW Maserati Bugatti Maybach Cadillac Mercedes-Benz Corvette Pagani Donkervoort Porsche Ferrari Range Rover Hummer Rolls Royce Jaguar Spyker Lamborghini Tesla 26.2.4 Saldo op bankrekening en kwijtschelding voor particulieren Eenmalige bedragen die op de bankrekening binnenkomen, zoals vakantiegeld, tellen mee als vermogen. Dit geldt niet als dit bedrag al is meegenomen bij het berekenen van wat iemand kan betalen. Dit gebeurt vooral bij de uitbetaling van vakantiegeld. Heeft de belastingschuldige een energietoeslag ontvangen op basis van de Participatiewet? Dan telt een bedrag ter hoogte van deze energietoeslag niet mee als vermogen bij het beoordelen van het recht op kwijtschelding. De nog beschikbare ruimte van een doorlopend krediet telt niet mee als vermogen bij kwijtschelding. In afwijking van de regels mag het totale bedrag aan financiële middelen worden verhoogd. Hieronder staan de verhogingen per situatie. • Voor een belastingschuldige met partner is de verhoging maximaal € 2.000. • Voor een alleenstaande is de verhoging maximaal 75% van € 2.000, dat is €1800. • Voor een alleenstaande ouder is de verhoging maximaal 90% van € 2.000, dat is €1500,-. 26.2.5 De eigen woning en kwijtschelding voor particulieren De waarde van onroerende zaken, zoals een woning of grond, telt mee als vermogen van de belastingschuldige. Bij het bepalen van de waarde wordt uitgegaan van de verkoopwaarde van de woning in vrije verkoop in het economisch verkeer. Dit houdt in dat wij de WOZ-waarde hanteren, zolang deze bekend is. Soms zorgt dit vermogen ervoor dat een verzoek om kwijtschelding wordt afgewezen. Als de belasting daarna niet wordt betaald, kan invordering bij oudere belastingschuldigen tot onredelijke situaties leiden. Zij willen vaak in hun laatste levensjaren in hun eigen woning blijven wonen. Een gedwongen verkoop en verhuizing is voor hen zwaarder dan voor andere mensen. In deze situaties kan de invorderingsambtenaar, in overleg met de belastingschuldige, besluiten om de invordering uit te stellen. In plaats van direct invorderen, wordt dan uitstel van betaling gegeven. Dit uitstel wordt verzekerd door een hypotheek of beslag op de eigen woning van de belastingschuldige. De hypotheek moet opeisbaar zijn na het overlijden van de langstlevende partner, of als de woning eerder vrijkomt. Dit soort uitstel van betaling wordt alleen gegeven in bijzondere gevallen naar oordeel van de invorderingsambtenaar. 26.2.6 Vermogen van kinderen en kwijtschelding voor particulieren Wonen er kinderen bij de belastingschuldige thuis en hebben zij een eigen vermogen? Dan telt dit vermogen niet mee bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding van de ouder. Dit is anders als de ouder bewust (een deel van) zijn vermogen aan de kinderen heeft gegeven om belastingvoordeel te krijgen. In dat geval telt dit vermogen wel mee. 26.2.7 Nalatenschappen en kwijtschelding voor particulieren Bij een verzoek om kwijtschelding van belastingaanslagen van een overledene, wordt normaal gesproken niet gekeken naar de financiële situatie van de erfgenamen. Alleen wordt bekeken of de belastingaanslagen betaald konden worden uit de nalatenschap. Dit is anders als het verzoek wordt ingediend door de langstlevende partner. In dat geval wordt wel gekeken naar de persoonlijke financiële situatie. Dit geldt ook als bijvoorbeeld de kinderen als mede-erfgenamen (deels) verantwoordelijk zijn voor de belastingschuld. Komt een erfgenaam op basis van het verzoek in aanmerking voor kwijtschelding? Dan krijgt deze erfgenaam een besluit waarin staat dat hij of zij voor zijn of haar deel van de belastingschuld niet hoeft te betalen. Deze werkwijze geldt ook als de partner van de overledene het verzoek om kwijtschelding indient. 26.2.8 Levensloopregeling en kwijtschelding voor particulieren Vervallen. 26.2.9 Beroepsvermogen wikker en kwijtschelding voor particulieren Vervallen. 26.2.10 Betalingscapaciteit en kwijtschelding voor particulieren Is vastgesteld dat er geen of te weinig vermogen is om de openstaande belasting te betalen? Dan wordt gekeken of de belastingschuldige genoeg inkomen heeft om (een deel van) de belasting te betalen. Dit noemen wij de betalingscapaciteit. De betalingscapaciteit is het verschil tussen het gemiddelde netto inkomen per maand en de gemiddelde kosten van levensonderhoud per maand. Deze berekening wordt gemaakt over een periode van 12 maanden, vanaf de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is ingediend. Bij het netto inkomen wordt ook het gemiddelde netto inkomen van de partner meegerekend over dezelfde periode. Dit staat los van de vraag wie juridisch verantwoordelijk is voor het betalen van de belastingaanslag. De partner is alleen verantwoordelijk voor belastingschulden die zijn ontstaan tijdens het huwelijk of in de periode dat er een gezamenlijke huishouding was. Zijn de belastingschulden buiten deze periode ontstaan? Dan tellen het vermogen en de betalingscapaciteit van de partner niet mee. In sommige gevallen moet de belastingaanslag daarom worden gesplitst. In deze situatie wordt het normbedrag gebruikt dat hoort bij een alleenstaande of een alleenstaande ouder (zie artikel 16 van de regeling). 26.2.11 Vakantiegeld en kwijtschelding voor particulieren Bij het inkomen telt ook het vakantiegeld mee. Het vakantiegeld wordt normaal vastgesteld op 7% van het inkomen waarover loonheffing wordt betaald en waarvoor recht bestaat op vakantiegeld. Blijkt uit het aanvraagformulier, of is bij de invorderingsambtenaar bekend, dat het vakantiegeld in werkelijkheid hoger of lager is dan 7%? Dan wordt uitgegaan van het werkelijk ontvangen vakantiegeld. 26.2.12 Studiefinanciering en kwijtschelding voor particulieren Bij de berekening van het netto besteedbare inkomen wordt rekening gehouden met inkomsten die studenten ontvangen op grond van de WSF en hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS VO-18+). Studenten in het hoger en middelbaar beroepsonderwijs hebben recht op een normbudget voor levensonderhoud: in het kader van de kwijtscheldingsregeling is dit normbudget de optelsom van basisbeurs, maximale aanvullende beurs en maximale basislening. Hierbij houden wij rekening met het feit of de student thuiswonend of uitwonend is. Is de student een alleenstaande ouder, dan wordt het normbudget verhoogd met de één-oudertoeslag. De inkomsten van een student worden gesteld op een vast (forfaitair) bedrag. a. Voor studenten in het hoger onderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen van € 80. b. Voor studenten in het middelbaar beroepsonderwijs is dit het bedrag voor het normbudget voor levensonderhoud verminderd met een forfaitair bedrag voor boeken en leermiddelen van € 70 en met het bedrag aan onderwijsretributie. Als de belastingschuldige naast studiefinanciering ook eigen inkomsten heeft dan wordt er uitgegaan van de forfaitaire inkomsten zoals eerder berekend onder A en B. Als het totaal van de ontvangen studiefinanciering (zonder het collegegeldkrediet voor hoger onderwijs) en de eigen inkomsten hoger is dan de maximaal toegestane kosten van bestaan voor het betreffende type huishouden, dan wordt de betalingscapaciteit berekend met de volgende formules: Formule 1: (P + Q) – R – S = X In deze formule wordt met P aangegeven het totaal van de daadwerkelijk ontvangen studiefinanciering (exclusief het ontvangen collegegeldkrediet voor studenten in het hoger onderwijs). Het totaal van de eigen inkomsten wordt aangegeven met Q. Met R wordt aangegeven het voor de kwijtschelding geldende normbudget voor levensonderhoud. Het in mindering te brengen bedrag van de daadwerkelijk ontvangen lening van de IB-groep wordt aangeduid met S. De uitkomst van deze berekening wordt aangegeven met X. X kan nooit minder zijn dan nul. Formule 2: X + Y = T In deze formule wordt met Y aangegeven het forfaitaire bedrag aan inkomsten van de betreffende student zoals bedoeld onder A of B. Het resultaat van de berekening volgens formule 1 (X) vermeerderd met Y is het inkomen (T). Dit inkomen vormt vervolgens het uitgangspunt om het netto-besteedbaar inkomen te kunnen berekenen en de betalingscapaciteit. In sommige gevallen bestaat de studiefinanciering voor een groot deel of helemaal uit een lening. In die situaties wordt nog steeds gekeken naar de hierboven genoemde forfaitaire inkomsten. 26.2.13 Bijzondere bijstand/ouderlijke bijdrage en kwijtschelding voor particulieren Uitkeringen die je krijgt als bijzondere bijstand, en die bedoeld zijn voor specifieke kosten die de gewone bijstand niet dekt, worden niet als inkomen gezien. Bijzondere bijstand voor jongeren onder de 21 jaar wordt wel als inkomen gezien. Dit geldt ook voor geld dat zij van hun ouders krijgen. Deze bijstand is namelijk bedoeld om de lage bijstand voor jongeren aan te vullen als de ouderlijke bijdrage (deels) ontbreekt. 26.2.13a Persoonsgebonden budget en kwijtschelding voor particulieren Geld dat wordt ontvangen uit een persoonsgebonden budget voor specifieke kosten op het gebied van zorg, begeleiding of hulp en waarop geen aanspraak bestaat vanuit de zorgverzekering of de reguliere bijstand, wordt niet als inkomen gezien. 26.2.14 Betalingen op belastingschulden en kwijtschelding voor particulieren Bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen wordt geen rekening gehouden met nog te ontvangen belastingaanslagen. Betalingen van belastingschulden omvatten niet alleen rijksbelastingen, maar ook gemeentelijke belastingen (behalve de rechten genoemd in artikel 229 van de Gemeentewet), waterschapsbelastingen en andere belastingen van lokale overheden. 26.2.15 Woonlasten en kwijtschelding van belasting van voorhuwelijkse belastingschulden Als belastingschuldige een kwijtscheldingsverzoek indient voor belastingschulden die zijn ontstaan voor het huwelijk of voor de gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3 Pw (zie artikel 26.2.10 van deze leidraad), dan worden de woonlasten meegenomen tot maximaal 50% van het bedrag dat volgens artikel 15, eerste lid, onderdeel b, van de regeling wordt berekend. 26.2.15.a Woonlasten van meerpersoonshuishoudens Vervallen. 26.2.16 Uitgaven in verband met onderhoudsverplichtingen en kwijtschelding voor particulieren Naast de alimentatieverplichtingen wordt bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen de werkelijk betaalde onderhoudsbijdrage in mindering gebracht. Dit is de bijdrage die een gemeente volgens de Pw van een ex-partner vraagt om de kosten van bijstand te dekken. 26.2.17 Kwijtschelding tijdens WSNP Als iemand een belastingschuld heeft en voor wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen geldt, en deze persoon vraagt om kwijtschelding van nieuwe belastingschulden die niet tot de boedel behoren, dan wordt het verzoek behandeld volgens het bestaande beleid. Bij het berekenen van de betalingscapaciteit houden wij geen rekening met de afdracht aan de boedel. Het geld dat tot de boedel behoort en door de bewindvoerder wordt beheerd, wordt niet gezien als vermogen volgens artikel 12 van de regeling. 26.2.18 Inkomen wikker Vervallen. 26.2.19 Normpremie ziektekostenverzekering begrepen in de bijstandsuitkering De normpremie zoals genoemd in artikel 2 van de Wet op de zorgtoeslag en die is meegenomen in de bijstandsnorm, bedraagt voor een alleenstaande of alleenstaande ouder €47,- per maand en voor echtgenoten €106,- per maand. 26.2.20 Onderhoud gezinsleden in het buitenland Een gehuwde belastingschuldige die in Nederland alleen woont, maar zijn in het buitenland verblijvende echtgenoot en/of kinderen echt onderhoudt, wordt niet als alleenstaande gezien bij de berekening van de betalingscapaciteit. Er wordt dan uitgegaan van het normbedrag voor echtgenoten zoals genoemd in artikel 3 Pw. Voor de huur wordt de werkelijk betaalde huur in Nederland meegenomen. Door het normbedrag voor echtgenoten te gebruiken, houdt het kwijtscheldingsbeleid op een forfaitaire manier rekening met het geld dat de belastingschuldige naar zijn buitenlandse familie stuurt. De werkelijke bedragen die hij overmaakt, worden niet meegeteld. 26.3 Kwijtschelding van (rijks)belastingen voor ondernemers 26.3.1 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord Kwijtschelding voor ondernemers is alleen mogelijk als er een saneringsakkoord is. Dit is een afspraak tussen de schuldenaar en alle schuldeisers. Daarbij betalen schuldeisers een deel van hun vordering en verlenen zij finale kwijting. Dit houdt in dat de rest niet betaald hoeft te worden. Ook als er geen andere schuldeisers zijn, of alleen speciale crediteuren zoals bedoeld in artikel 26.3.8 van deze leidraad, kan de invorderingsambtenaar kwijtschelding verlenen. Hierbij houdt de invorderingsambtenaar rekening met de volgende punten: • Is het (deels) de schuld van de ondernemer dat de belastingschuld niet is betaald? (zie artikel 8 van de regeling en artikel 26.1.9 van deze leidraad)? • Heeft de belastingschuldige andere schuldeisers met voorrang betaald en is de invorderingsambtenaar daardoor de enige schuldeiser geworden. Hierbij gelden, zover mogelijk, de voorwaarden van artikel 22 van de regeling voor medewerking aan een saneringsakkoord. 26.3.1a Kwijtschelding voor ondernemers voor privé-belastingen Ondernemers kunnen ook een kwijtscheldingsverzoek indienen voor hun privé-belastingen. Dit kan alleen als het algemeen bestuur dit heeft toegestaan op grond van artikel 28, eerste lid, onder b, van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Als er meerdere belastingjaren openstaan, kan worden gevraagd om bedrijfsgegevens van meerdere jaren. Als wij de aangifte inkomstenbelasting nodig hebben, dan kan dit ervoor zorgen wij langer nodig hebben dan de vermelde termijn. Wij zien een kleine zelfstandige met een eenmanszaak zonder personeel als ondernemer. De volgende rechtsvormen zijn uitgesloten van kwijtschelding: • Eenmanszaak met personeel; • Vennootschap onder firma (vof), als de belastingschuldige niet samenwoont met de andere vennoot; • Commanditaire vennootschap (cv); • Maatschap; • Stichting; • Besloten vennootschap (bv), ook als deze is geregistreerd als zelfstandige zonder personeel met als rechtsvorm besloten vennootschap; • Naamloze vennootschap (nv). 26.3.2 Aansprakelijkheid en kwijtschelding voor ondernemers Voordat de invorderingsambtenaar instemt met een saneringsakkoord, onderzoekt hij of derden aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de belastingschuld. Als de verwachte opbrengst uit aansprakelijkstelling hoger is dan het aanbod in het saneringsakkoord, werkt de invorderingsambtenaar niet mee aan het akkoord. Bij deelname aan een saneringsakkoord kan de invorderingsambtenaar besluiten om geen derden aansprakelijk te stellen. In dat geval wordt bij het akkoordbedrag rekening gehouden met het bedrag dat anders via aansprakelijkheid geïnd had kunnen worden. Als de invorderingsambtenaar zowel deelneemt aan het akkoord als derden aansprakelijk stelt, wordt een eventuele opbrengst uit die aansprakelijkheid niet meegenomen bij het vaststellen van het akkoordbedrag. Als een aansprakelijkgestelde later zijn kosten verhaalt op de onderneming en dit opnieuw financiële problemen veroorzaakt, eist de invorderingsambtenaar niet dat de onderneming het tekort aanvult. Ook als later blijkt dat de aansprakelijkgestelde niet kan betalen, wordt het tekort niet alsnog ingevorderd door de invorderingsambtenaar. 26.3.3 Voorwaarden tot deelname aan een saneringsakkoord De invorderingsambtenaar werkt niet mee aan een saneringsakkoord als één of meerdere schuldeisers het niet-betaalde deel van zijn vordering niet kwijtscheldt, maar dit deel overdraagt aan een derde of omzet in aandelenkapitaal. 26.3.4 Toepassingsbereik saneringsakkoord Bij de beoordeling van het saneringsakkoord bepaalt de invorderingsambtenaar welke belastingaanslagen in het akkoord worden opgenomen. Uitgangspunt is de formele belastingschuld op het moment van het verzoek. Dit houdt in: alle belastingschulden waarvoor een aanslag is verstuurd. De belastingschuldige/ondernemer is verantwoordelijk voor het aanleveren van juiste en volledige gegevens, zodat de formele schuld zo goed mogelijk aansluit bij de materiële belastingschuld. Als de ondernemer deze gegevens niet aanlevert, werkt de Invorderingsambtenaar niet mee aan het akkoord. Naast de Belastingdienst heeft ook BSR de plicht om de te saneren schuld zo volledig en correct mogelijk vaststelt (formaliseren). Dit geldt ook voor belastingen over tijdvakken tot het moment waarop het saneringsverzoek is ingediend. 26.3.5 Ten minste dubbele percentage en saneringsakkoord Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 26.3.6 Bestuurlijke boeten en saneringsakkoord Bestuurlijke boeten worden volledig in het saneringsakkoord meegenomen. Eerst moet het heffingstraject zijn afgerond. Daarna past de invorderingsambtenaar het akkoordpercentage toe op de belastingschuld en de bestuurlijke boete. 26.3.7 Rente en kosten en saneringsakkoord Rente en invorderingskosten worden volledig in het saneringsakkoord betrokken. Het betaalde akkoordbedrag wordt, in afwijking van artikel 7 van de wet, op de hoofdsom afgeboekt. De invorderingsambtenaar vermeldt dit in de beschikking. 26.3.8 Speciale crediteuren en saneringsakkoord Sommige schuldeisers hebben een bijzondere positie. Zij hoeven niet altijd deel te nemen aan het akkoord om (een deel van) hun vordering te innen. Dit zijn onder andere: • Pandhouders Zij hebben voorrang op het verpande goed. Hun positie geldt alleen voor de waarde van dat goed. Voor het overige deel zijn zij gewone (concurrente) schuldeisers. Een bezitloos pandhouder met een pandrecht als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet, heeft een lagere voorrang dan de Belastingdienst. • Leveranciers met eigendomsvoorbehoud Bij het vaststellen van hun vordering wordt rekening gehouden met dit voorbehoud. Dit geldt niet als de Invorderingsambtenaar met het bodemrecht beslag heeft gelegd. In dat geval moet de waarde van de bodemzaak volledig worden voldaan. Voor de rest van de openstaande schuld moet (tenminste) het dubbele percentage worden aangeboden die voor de gewone schuldeiser geldt. • Cessionarissen Als sprake is van een geldige cessie en de Invorderingsambtenaar hiermee heeft ingestemd, wordt hun vordering meegenomen op basis van de te verwachten uitbetaling. Bij het bepalen van de hoogte van de vordering, wordt gekeken naar het openstaande bedrag zonder het gecedeerde bedrag in mindering te brengen. • Dwangcrediteuren Dit zijn schuldeisers die niet willen meewerken met een saneringsakkoord en nodig zijn om het bedrijf voort te zetten, zoals essentiële leveranciers of de boekhouder die stukken moet aanleveren. De invorderingsambtenaar houdt er rekening mee dat de vordering van dwangcrediteuren volledig wordt betaald. 26.3.9 Betaling bedrag saneringsakkoord Het akkoordbedrag moet in principe direct worden betaald. De invorderingsambtenaar kan betaling in termijnen toestaan als de ondernemer een bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent en aannemelijk maakt dat zowel de termijnen als nieuwe fiscale verplichtingen tijdig worden betaald. Bij betaling in termijnen treedt de invorderingsambtenaar onder de voorwaarde toe tot het akkoord. Daarbij gelden artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van deze leidraad, met de volgende afwijkingen: • Belastingteruggaven die materieel zijn ontstaan na het indienen van het verzoek worden niet verrekend (afwijking van artikel 25.4.3). • De looptijd van twaalf maanden start op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking. • Nieuwe fiscale en andere verplichtingen moeten worden nagekomen gedurende de hele saneringsprocedure. • De ondernemer hoeft geen zekerheid te stellen. Kwijtschelding wordt pas verleend als het saneringsakkoord volledig en correct is nagekomen. 26.4 Administratief beroep 26.4.1 Administratief beroep tegen de afwijzing van een verzoek om kwijtschelding Is iemand het niet eens met de beslissing van de invorderingsambtenaar over kwijtschelding? Dan kan hij een gemotiveerd administratief beroepschrift richten aan het dagelijks bestuur. Het beroepschrift wordt ingediend bij de invorderingsambtenaar. Voor het advies aan het dagelijks bestuur kan de invorderingsambtenaar opnieuw een aanvraagformulier sturen naar belastingschuldige. Als de belastingschuldige dit formulier niet terugstuurt, dan krijgt hij nog één keer de kans om dit alsnog te doen. Reageert hij daarna nog steeds niet, dan informeert de invorderingsambtenaar het dagelijks bestuur en adviseert om het beroep af te wijzen. 26.4.2 Herhaald verzoek om kwijtschelding Een nieuw verzoek om kwijtschelding na een eerdere afwijzing wordt gezien als een beroepschrift aan het dagelijks bestuur. Ziet de invorderingsambtenaar zelf reden om alsnog gunstiger te beslissen? Dan mag hij het verzoek zelf afhandelen. Is het eerdere verzoek afgewezen, omdat er niet gereageerd is op het verzoek om aanvullende informatie, dan kunnen wij het verzoek nog één keer als een herhaald verzoek in behandeling nemen. Is het eerdere verzoek afgewezen door een duidelijke fout van BSR? Dan wordt het nieuwe verzoek behandeld als een eerste aanvraag. Na deze nieuwe beslissing kan de belastingschuldige opnieuw beroep instellen bij het dagelijks bestuur. 26.4.3 Beroepsfase kwijtschelding Als het niet duidelijk is waarom iemand beroep instelt, dan vraagt de invorderingsambtenaar om een nadere uitleg. De belastingschuldige krijgt een redelijke termijn om te reageren. De invorderingsambtenaar vermeldt dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, als belastingschuldige geen uitleg geeft. 26.4.4 Gegevens en normen eerste verzoek om kwijtschelding Bij de beoordeling van het beroep of een herhaald verzoek gelden de gegevens en de normen die ook golden bij het eerste verzoek. Er wordt opnieuw gerekend als het inkomen inmiddels duidelijk lager is geworden en de betalingscapaciteit hierdoor te hoog is vastgesteld. Wijzigingen in huurtoeslag of zorgtoeslag kunnen ook leiden tot een nieuwe berekening. Er wordt niet opnieuw gerekend als alleen de kosten van levensonderhoud zijn veranderd. Er wordt alleen opnieuw gerekend als de aanpassing in het inkomen en/of toeslagen hebben plaatsgevonden in de 12 maanden vanaf de datum dat het kwijtscheldingsverzoek is ingediend. 26.4.5 Beslissing dagelijks bestuur op beroep bij kwijtschelding Verklaart het dagelijks bestuur het beroep gegrond? Dan kan het de zaak inhoudelijk afdoen. Dat kan op twee manieren. Het kwijtscheldingsverzoek wordt alsnog toegewezen of het kwijtscheldingsverzoek wordt afgewezen omdat er nog een andere of nieuwe afwijsgrond is. 26.4.6 Invordering na administratief beroep en herhaald verzoek om kwijtschelding Als kwijtschelding afgewezen wordt, dan wordt de invordering pas voortgezet na 10 dagen. Als binnen 10 dagen beroep ingesteld wordt, dan wordt de invordering opgeschort volgens de geldende regels. Als het beroep te laat wordt ingediend (na 10 dagen), dan is het beroep niet-ontvankelijk. Toch kan het dagelijks bestuur in sommige gevallen het beroepschrift alsnog inhoudelijk beoordelen. Dit gebeurt alleen als het belang van de invordering zich daar niet tegen verzet. Dat belang verzet zich in ieder geval tegen behandeling als er al onherroepelijke invorderingsmaatregelen zijn genomen. Op dit artikel is artikel 9 van de regeling ook van toepassing. 26.4.7 Niet tijdig beslissen op een verzoek om kwijtschelding Als de invorderingsambtenaar niet op tijd beslist op een verzoek om kwijtschelding, dan kan de belastingschuldige beroep instellen bij het dagelijks bestuur. Hiervoor geldt geen termijn. Als tijdens het beroep blijkt dat kwijtschelding had moeten worden verleend, dan kan het dagelijks bestuur zelf inhoudelijk beslissen en alsnog kwijtschelding verlenen. 26.5 Voortzetting van de invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding Vervallen. 26.5.1 Invordering na afwijzing verzoek om kwijtschelding Vervallen. 26.6 Geen verdere invorderingsmaatregelen en afwijzing verzoek om kwijtschelding Er kunnen situaties zijn waardoor het kwijtscheldingsverzoek wordt afgewezen, maar de invorderingsambtenaar het niet wenselijk vindt om verder te gaan met de invordering. In zulke gevallen kan de invorderingsambtenaar besluiten om geen invorderingsmaatregelen te nemen. In zulke gevallen wordt het verzoek formeel afgewezen. In de beschikking vermelden wij in hoeverre geen invordering plaatsvindt. Als de invorderingsambtenaar besluit geen invorderingsmaatregelen te nemen en hier geen voorwaarden aan verbindt, dan heeft dit in de praktijk hetzelfde gevolg als kwijtschelding. De invorderingsambtenaar kan ook een verrekeningsvoorwaarde opnemen. Dit houdt in dat teruggaven nog wel mogen worden verrekend. Dit mag voor maximaal drie jaar vanaf de datum van de beschikking of korter als de aanslag eerder verjaart. Deze voorwaarde moet duidelijk in de beschikking staan. Als de invorderingsambtenaar besluit om tijdelijk geen invorderingsmaatregelen te nemen, dan vermeldt hij dit en de bijbehorende voorwaarden in de beschikking. Als de belastingschuldige zich niet aan deze voorwaarden houdt, dan kan dit besluit worden ingetrokken. De invorderingsambtenaar informeert de belastingschuldige per brief dat hij van plan is het besluit te gaan intrekken. In deze brief krijgt belastingschuldige 14 dagen de tijd om alsnog aan de voorwaarden te voldoen. Als na deze termijn belastingschuldige nog niet voldoet aan de voorwaarden, dan wordt het besluit ingetrokken. 26.7 Geautomatiseerde kwijtschelding BSR kan gebruik maken van de mogelijkheid om automatisch te toetsen of iemand recht heeft op kwijtschelding. De toets loopt via het Bureau InformatieDiensten Nederland en de normen worden jaarlijks vastgesteld door de VNG en de Unie van Waterschappen. Als er geheel of gedeeltelijke kwijtschelding wordt verleend, dan wordt dit vermeld op het aanslagbiljet of zo spoedig mogelijk. Komt een belastingschuldige niet in aanmerking voor automatische kwijtschelding, dan kan er nog een individueel verzoek worden ingediend. Om te voorkomen dat verzoeken alsnog moeten worden toegewezen, nadat het Bureau InformatieDiensten Nederland aangeeft dat er geen recht op automatisch kwijtschelding is, hanteert BSR een marge van 10% boven de inkomensnorm. Hierbij wordt de inkomensnorm inclusief vakantiegeld gebruikt. Artikel 27 Verjaring Dit artikel is een aanvulling op afdeling 4.4.3 van de Awb en gaat over: • versnelde invordering en verjaring; • aansprakelijkgestelden en verjaring; • stuiting van de verjaring; • schorsing van de verjaring; • afstand van verjaring; • rente en kosten en verjaring; • verjaring van belastingteruggaven. 27.1 Versnelde invordering en verjaring Soms wordt een belastingaanslag direct en voor het hele bedrag invorderbaar. Dit gebeurt bij versnelde invordering op grond van artikel 10 van de wet. In dat geval begint de verjaring te lopen op het moment dat de aanslag onmiddellijk en voor het volledige bedrag invorderbaar wordt. De oorspronkelijke vervaldatum is dan niet meer van belang voor de verjaring. 27.2 Aansprakelijkgestelden en verjaring Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking op grond van artikel 49 van de wet) volgt de verjaring van de oorspronkelijke belastingaanslag. Als de belastingaanslag verjaart, dan vervalt ook het recht om de aansprakelijkheidsvordering via dwang in te vorderen en deze te verrekenen. 27.3 Stuiting van de verjaring De verjaring kan worden gestuit. Dit houdt in dat het verjaringstermijn weer opnieuw begint. Als een dwangbevel wordt betekend met als enige doel om de verjaring te stuiten, dan licht de invorderingsambtenaar belastingschuldige hierover in. De betekening van het dwangbevel is dan kosteloos voor de belastingschuldige. Een dwangbevel mag meerdere keren worden betekend om de verjaring te stuiten. De invorderingsambtenaar kan de verjaring ook stuiten door het versturen van een schriftelijke mededeling. 27.4 Schorsing van de verjaring Als belastingschuldige uitstel van betaling krijgt voor een deel van de aanslag, dan wordt de verjaringstermijn verlengd voor de hele aanslag. De verlenging van de termijn is even lang als het gegeven uitstel. 27.5 Afstand van verjaring Als belastingschuldige bewust wilt afzien van de verjaring en begrijpt welke gevolgen dit heeft, dan handelt de invorderingsambtenaar hiernaar. 27.6 Rente en kosten en verjaring Rente en invorderingskosten horen bij de belastingaanslag. Als de belastingaanslag is verjaard, dan worden ook de rente en de kosten niet meer ingevorderd of verrekend. 27.7 Na verjaring geen civiele invordering Als een belastingschuld verjaard, dan start de invorderingsambtenaar geen civiele procedure om de schuld alsnog te innen via een dagvaarding. 27.8 Verjaring van belastingteruggaven Voor belastingteruggaven geldt dezelfde verjaringstermijn als voor belastingschulden. Na verjaring ontstaat een natuurlijke verbintenis. Dit betekent dat betaling niet meer kan worden afgedwongen. De invorderingsambtenaar doet een beroep op verjaring. Als er gerede twijfel bestaat of de belastingaanslag correct aan de belastingschuldige is bekendgemaakt, dan doet hij dit niet. Artikel 27a Betalingskorting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 28 Invorderingsrente Dit artikel gaat over: • correctie berekende invorderingsrente; • vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente; • kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk; 28.1 Cheque buitenland en invorderingsrente Vervallen. 28.2 Correctie berekende invorderingsrente Als bij de berekening van de invorderingsrente onjuiste gegevens zijn gebruikt of een belastingaanslag een nieuwe dagtekening krijgt waardoor de rente op een ander moment moet ingaan, dan corrigeert de invorderingsambtenaar de renteberekening. 28.3 Vermindering terecht in rekening gebrachte invorderingsrente Als de rente terecht in rekening is gebracht omdat er te laat is betaald, dan kan deze rente alleen in uitzonderlijke situaties worden verminderd. Hiervoor gelden twee voorwaarden. De belastingschuldige kan geen verwijt worden gemaakt van de te late betaling en het invorderen van de rente is in dat geval onredelijk en onbillijk. De invorderingsambtenaar neemt hierover een besluit. 28.4 Verzuim van de Belastingdienst en invorderingsrente Vervallen. 28.5 Rente- of schadevergoeding Vervallen. 28.6 Kwijtschelding invorderingsrente niet mogelijk Het is niet mogelijk om kwijtschelding te verlenen voor alleen de invorderingsrente. Als de invorderingsambtenaar kwijtschelding verleent voor de gehele belastingaanslag of deze buiten de invordering laat, dan gelden de regels op grond van artikel 26 van deze leidraad. 28.7 Verminderingen en toepassing artikel 28, zesde lid, van de wet Vervallen. Artikel 28 a en 28b Er zijn in deze leidraad op artikel 28a en 28b van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 28c Er zijn in deze leidraad op artikel 28c van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 29 Er zijn in deze leidraad op artikel 29 van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Dit artikel gaat over: • beschikking terug te nemen betalingskorting; • verzoek tot vermindering rente is bezwaar; • betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie; • teruggenomen betalingskorting en invorderingsrente: uitstel van betaling; • geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting. 30.1 Beschikking terugnemen betalingskorting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 30.2 Verzoek tot vermindering rente is bezwaar Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van in rekening gebrachte rente merkt de invorderingsambtenaar aan als een bezwaarschrift. 30.3 Betalingskorting en invorderingsrente: (hoger) beroep en cassatie Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op bezwaar, dan handelt de invorderingsambtenaar volgens het Besluit beroep in belastingzaken 2005. Daarbij geldt dat de invorderingsambtenaar niet dezelfde stukken hoeft in te dienen als de heffingsambtenaar. Hij mag zich beperken tot de stukken die relevant zijn voor de betalingskorting of de invorderingsrente. 30.4 Teruggenomen betalingskorting en Invorderingsrente: uitstel van betaling Het beleid over teruggenomen betalingskorting is niet van toepassing voor BSR. Indiening van een bezwaar- of beroepschrift (in hoger beroep) stopt de verplichting om de invorderingsrente te betalen niet. Als om uitstel van betaling wordt gevraagd is het beleid in artikel 25 van deze leidraad en artikel 34 van de regeling allebei van toepassing. 30.5 Geen bezwaar mogelijk tegen de niet verleende betalingskorting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 31 Renteregeling Invorderingswet Renteregeling BSR Artikel 31 van de Invorderingswet 1990 geeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid om regels vast te stellen over: • de afronding van invorderingsrente bij de berekening; • het niet in rekening brengen van invorderingsrente onder een bepaald bedrag; • en andere regels die nodig zijn voor een doelmatige invordering van invorderingsrente. Het dagelijks bestuur heeft hiervoor een apart besluit genomen. In dat besluit is bepaald dat: • Hoofdstuk III van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 van toepassing is, BSR hanteert een drempelbedrag van € 49,-. Dit betekent dat als bij de enige en laatste betaling van een belastingaanslag de berekende invorderingsrente lager is dan € 49, dat deze rente niet in rekening wordt gebracht. Artikel 31a Er zijn in deze leidraad op artikel 31a van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 32 Samenloop fiscale en civiele aansprakelijkheidsbepalingen Dit artikel gaat over: • keuze aansprakelijkheid; • gemeenschapsschulden en aansprakelijkheid. 32.1 Keuze aansprakelijkheid Soms kan de invorderingsambtenaar kiezen tussen een aansprakelijkheidsbepaling uit de belastingwet of een aansprakelijkheidsbepaling uit het civiele recht. In die situatie volgt de invorderingsambtenaar normaal gesproken het beleid zoals beschreven onder “Fiscale en civiele bevoegdheden” in artikel 3.1 van deze leidraad. Bij de keuze welke bepaling wordt toegepast, maakt de invorderingsambtenaar eerst een belangenafweging. Er wordt normaal gesproken gekozen voor de aansprakelijkheidsbepaling waarbij de aansprakelijk gestelde persoon de mogelijkheid heeft zich te verweren door aan te tonen dat hem geen verwijt treft (disculperen). 32.2 Gemeenschapsschulden De invorderingsambtenaar beschouwt een belastingschuld normaal gesproken als een gemeenschapsschuld. Dit betekent dat de schuld kan behoren tot een wettelijke gemeenschap van goederen, tenzij uit de wet of uit de feiten anders blijkt. 32.3 Heffingsrente en aansprakelijkheid Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 33 Aansprakelijkheid van bestuurder, leider vaste inrichting, vaste vertegenwoordiger en vereffenaar voor alle belastingen Dit artikel gaat over: • leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger; • feitelijke vestiging; • lichaam dat is ontbonden; • vereffenaar; • bestuurder; • gewezen bestuurder. 33.1 Leider vaste inrichting en vaste vertegenwoordiger bij aansprakelijkheid De begrippen ‘vaste inrichting’ en ‘vaste vertegenwoordiger’ hebben dezelfde betekenis als bij de heffing van belastingen. Er wordt dus aangesloten bij de uitleg die daarvoor in de belastingwetgeving geldt. 33.2 Feitelijke vestiging bij aansprakelijkheid Het begrip “gevestigd” in artikel 33, eerste lid, onderdeel b, van de wet, moet feitelijk worden beoordeeld. Dat betekent dat er wordt gekeken naar de werkelijke situatie. De beoordeling hangt af van de omstandigheden van het geval. De invorderingsambtenaar sluit hierbij aan bij het materiële vestigingsbegrip van artikel 4, eerste lid, van de AWR. 33.3 Lichaam dat is ontbonden bij aansprakelijkheid Artikel 33, eerste lid, onderdeel c, van de wet gaat over ontbinding van een lichaam (bijvoorbeeld een vennootschap of rechtspersoon). Ontbinding kan blijken uit formele ontbindingsbepalingen of uit feitelijke handelingen van vennoten of bestuurders. Bij een stilzwijgende ontbinding geldt voor de berekening van de driejaarstermijn dat de ontbinding wordt geacht te hebben plaatsgevonden op het moment waarop de betreffende handelingen zijn verricht. Het alleen stoppen met bedrijfsactiviteiten en/of het voortzetten van activiteiten in een andere rechtsvorm (het zogenaamde ‘leeg’ maken van het lichaam), kan niet worden aangemerkt als het ontbinden van het lichaam. 33.4 Vereffenaar bij aansprakelijkheid Niet alleen de formeel benoemde vereffenaar kan aansprakelijk zijn. Ook iemand die feitelijk als vereffenaar heeft gehandeld, zonder officiële benoeming, kan aansprakelijk worden gesteld. De invorderingsambtenaar moet aannemelijk maken dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van kennelijk onbehoorlijk bestuur van de vereffenaar. Het begrip kennelijk onbehoorlijk bestuur heeft hier dezelfde betekenis als in artikel 36 van de wet. 33.5 Bestuurder bij aansprakelijkheid Vervallen. 33.6 Gewezen bestuurder bij aansprakelijkheid Een voormalige bestuurder kan door de invorderingsambtenaar aansprakelijk worden gesteld voor belastingschulden die tijdens zijn bestuursperiode materieel zijn ontstaan en waarvoor hij in die periode hoofdelijk aansprakelijk was 33.7 Disculpatie bestuurders, leiders en vaste vertegenwoordigers Bestuurders van: • lichamen zonder rechtspersoonlijkheid; • rechtspersonen die niet volledig rechtsbevoegd zijn; • leiders van een vaste inrichting van een buiten Nederland gevestigd lichaam; • de in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger van dat lichaam, zijn niet aansprakelijk voor zover zij kunnen bewijzen dat de niet-betaling hen niet kan worden verweten. Of er sprake is van niet-verwijtbaarheid wordt beoordeeld naar redelijkheid en passend is bij de omstandigheden (billijkheid). Dit hangt sterk af van de feitelijke omstandigheden. Niet-verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als: • een ondernemer voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen; • maar toch wordt getroffen door onvoorziene calamiteiten; • of door een ernstige economische verslechtering; • of door een onverwachte grote miscalculatie; • of door het faillissement van een belangrijke debiteur. Bij dit laatste geldt echter dat een ondernemer die zijn bedrijf uitoefent op een te zwakke financiële basis zich niet gemakkelijk op niet-verwijtbaarheid zal kunnen beroepen. 33a Aansprakelijkheid van begunstigden Er zijn in deze leidraad op artikel 33a van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 34 tot en met 47 Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor BSR. Artikel 48 Beperking aansprakelijkheid van erfgenamen Dit artikel gaat over: • beneficiaire aanvaarding; • invordering ten laste van een erfgenaam blijft achterwege. 48.1 Beneficiaire aanvaarding Als een nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard, dan wordt eerst de boedel vereffend. Dat betekent dat eerst wordt bekeken welke bezittingen en schulden er zijn en hoe deze worden betaald. De invorderingsambtenaar mag in deze periode maatregelen nemen om zijn rechten veilig te stellen. Dit staat ook in artikel 14.1.13 van deze leidraad. Het privévermogen van de erfgenamen mag niet worden aangetast. 48.2 Invordering ten laste van een erfgenaam Soms kan een belastingaanslag die op naam staat van een overledene niet meer worden ingevorderd bij de gezamenlijke erfgenamen. In dat geval kan de invordering plaatsvinden bij elke afzonderlijke erfgenaam. De invorderingsambtenaar kan zelf beslissen bij welke erfgenaam hij invordert. Alleen in bijzondere omstandigheden wordt hiervan afgezien. Het kan ook voorkomen dat een klein restbedrag om tactische redenen niet wordt ingevorderd. Artikel 48a Aansprakelijkheid van derden voor uitbetaalde bedragen inkomstenbelasting of omzetbelasting Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 49 Formele bepalingen voor aansprakelijkstelling Dit artikel gaat over: • aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete; • aansprakelijkstelling voor invorderingsrente; • vooraankondiging aansprakelijkstelling; • de aansprakelijkstelling – in gebreke zijn; • informatieverstrekking in beschikking aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid; • informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden • eerst uitwinning belastingschuldige; • volgorde van aansprakelijk stellen; • bezwaar en uitstel van betaling; • overgangsrecht. 49.1 Aansprakelijkstelling voor bestuurlijke boete De invorderingsambtenaar kan de beschikking aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete opnemen in dezelfde brief waarbij hij ook de beschikking voor de aansprakelijkstelling voor de belastingschuld bekendmaakt. In die beschikking moet hij duidelijk uitleggen waarom iemand aansprakelijk wordt gesteld voor de boete. Als de betrokkene geen gebruik maakt van de mogelijkheid om te reageren op het voornemen tot aansprakelijkstelling voor een vergrijpboete, of als de invorderingsambtenaar de reactie ongegrond vindt, dan stelt hij de derde daarvan op de hoogte. Daarna kan hij de derde aansprakelijk stellen voor de bestuurlijke boete op grond van artikel 49, eerste lid, van de wet. 49.2 Aansprakelijkstelling voor invorderingsrente Als aan de aansprakelijkgestelde invorderingsrente wordt berekend, dan gebeurt dit over het bedrag waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Als in de beschikking al invorderingsrente is opgenomen, dan wordt over dat rentebedrag geen extra rente berekend. 49.2a. Vooraankondiging aansprakelijkstelling Deze bepaling is niet van toepassing bij de gemeente. 49.3 De aansprakelijkstelling – in gebreke zijn 49.3.1 Wanneer in gebreke De belastingschuldige is in gebreke als hij de belasting niet betaalt binnen de betalingstermijn die voor de belastingaanslag geldt. 49.3.2 In gebreke zijn en versnelde invordering De belastingschuldige is ook in gebreke als de belastingaanslag direct invorderbaar is op grond van artikel 10 van de wet. 49.3.3 In gebreke zijn en een beschikking ‘geen verdere invorderingsmaatregelen’ Als de invorderingsambtenaar een beschikking stuurt waarin staat dat hij geen verdere invorderingsmaatregelen neemt tegen de belastingschuldige, dan kan hij een derde ook niet aansprakelijk worden gesteld. Als de invorderingsambtenaar in de beschikking uitdrukkelijk heeft vermeldt dat een derde nog aansprakelijk kan worden gesteld, dan mag hij dit nog wel doen. 49.4 Informatieverstrekking in beschikking aan aansprakelijkstelling keten- en inlenersaansprakelijkheid Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 49.5 Informatieverstrekking aan aansprakelijkgestelden Op grond van artikel 49, zesde lid, van de wet moet de invorderingsambtenaar op verzoek informatie geven aan de aansprakelijkgestelde. Het gaat om gegevens over de belasting waarvoor hij aansprakelijk is gesteld. Hieronder vallen in elk geval alle stukken die bij het besluit een rol hebben gespeeld, zoals bedoeld in de artikelen 7:4 en 8:42 van de Awb. Dit zijn alle documenten die zijn gebruikt bij het nemen van de beslissing. Als er andere gegevens zijn die redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep, dan moeten deze gegevens ook worden verstrekt. De informatie wordt verstrekt zodra de aansprakelijkgestelde hierom vraagt. Dit kan ook vóórdat hij een bezwaarschrift indient of beroep instelt. De informatieplicht beperkt zich niet alleen tot gegevens over de belasting. Ook andere onderdelen van de aansprakelijkheidsbeslissing vallen hieronder. Voorwaarde is wel dat deze gegevens betrekking hebben op de zaak of van belang kunnen zijn voor bezwaar of beroep. 49.6 Aansprakelijkheid: eerst uitwinning belastingschuldige De invorderingsambtenaar zal normaal gesproken eerst proberen de belastingschuld te innen bij de belastingschuldige zelf. Pas daarna zal hij zich verhalen op het vermogen van de aansprakelijkgestelde. Dit is anders als er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 14.1.4, laatste zin, van de leidraad. 49.7 Volgorde van aansprakelijkstelling Als de invorderingsambtenaar een derde op grond van meerdere fiscale of civielrechtelijke bepalingen aansprakelijk kan stellen, dan hoeft hij geen vaste volgorde aan te houden. Dit geldt ook als meerdere personen aansprakelijk kunnen worden gesteld, op grond van dezelfde of verschillende bepalingen. Dit is anders als in de wet of in deze leidraad een andere volgorde is bepaald. 49.8 Bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie tegen de beschikking aansprakelijkstelling 49.8.1 Bezwaar en uitstel van betaling Een bezwaarschrift tegen de beschikking aansprakelijkstelling geldt automatisch ook als een verzoek om uitstel van betaling. 49.8.2 Beslissing op het bezwaarschrift Vervallen. 49.9 Overgangsrecht Vervallen. Artikel 50 Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 51 Conservatoir beslag bij aansprakelijkheid Dit artikel gaat over conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar. 51.1 Conservatoir beslag en uitstel in verband met bezwaar Als er conservatoir beslag is gelegd en de aansprakelijkgestelde vraagt om uitstel van betaling vanwege een bezwaar tegen de beschikking, dan verleent de invorderingsambtenaar alleen uitstel als er zekerheid wordt gesteld. Dat betekent dat de aansprakelijkgestelde een vorm van garantie moet geven voor de betaling van de schuld. Zonder zekerheid wordt geen uitstel verleend. Artikel 52 Betalingstermijn beschikking aansprakelijkstelling Dit artikel gaat over vermindering van de belastingaanslag. 52.1 Vermindering van de belastingaanslag en aansprakelijkstelling Als de heffingsambtenaar de belastingaanslag verlaagt, dan past de invorderingsambtenaar het bedrag van de aansprakelijkstelling aan. Dit gebeurt alleen als de verlaging van de aanslag invloed heeft op het bedrag waarvoor iemand aansprakelijk is gesteld. De invorderingsambtenaar laat dit weten aan de aansprakelijkgestelde. Artikel 53 Aansprakelijkheid: verhaalsrechten en kwijtschelding Volgens artikel 53 van de wet mag de invorderingsambtenaar de regels voor verrekening toepassen op een aansprakelijkgestelde. Het gaat om artikel 24 van de wet, behalve het tweede lid. Dit betekent dat een openstaande aansprakelijkheidsschuld mag worden verrekend met een bedrag dat aan de aansprakelijkgestelde moet worden uitbetaald. Als de aansprakelijkgestelde de schuld alleen met buitengewoon bezwaar kan betalen, dan kan hij vragen om ontslag van de betalingsverplichting. Dat betekent dat hij de schuld geheel of gedeeltelijk niet hoeft te betalen. Dit artikel gaat over: • het ontbreken van zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld; • ontslag van betalingsverplichting bij een aansprakelijk gestelde bestuurder en de beoordeling van verwijtbaarheid. 53.1 Geen zelfstandige verjaring van de aansprakelijkheidsschuld Een aansprakelijkheidsschuld (beschikking volgens artikel 49 van de wet) verjaart niet zelfstandig. Als de belastingaanslag waarvoor iemand aansprakelijk is gesteld verjaart, dan vervalt ook het recht van de invorderingsambtenaar om de aansprakelijkheidsschuld via dwanginvordering of verrekening te innen. 53.2 Ontslag van betalingsverplichting aansprakelijk gestelde bestuurder en verwijtbaarheid Als de aansprakelijkgestelde verwijtbaar heeft gehandeld, dan verleent de invorderingsambtenaar geen ontslag van de betalingsverplichting. Dit volgt uit artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de regeling. De invorderingsambtenaar beoordeelt zelf of er sprake is van verwijtbaarheid. Hij kijkt daarbij naar het handelen van de aansprakelijkgestelde. Als een bestuurder aansprakelijk is gesteld op grond van artikel 36, vierde lid, van de wet, dan betekent het enkele feit dat het lichaam niet op de juiste manier melding heeft gedaan nog niet automatisch dat geen ontslag van betalingsverplichting kan worden verleend. Artikel 54 Mededeling aan de aansprakelijkgestelde Dit artikel gaat over het aanhouden van de betaling van een teruggaaf bij aansprakelijkheidstelling. 54.1 Betaling teruggaaf aanhouden bij aansprakelijkstelling Als de invorderingsambtenaar een teruggaaf moet betalen, zoals bedoeld in artikel 54, eerste lid, van de wet, dan doet hij dit niet direct. Hij wacht vier weken na de datum van de schriftelijke mededeling aan de belastingschuldige. In deze periode kan de belastingschuldige derdenbeslag leggen bij de invorderingsambtenaar op het bedrag van de teruggaaf. Dit kan alleen als een derde zich al op hem heeft verhaald voor de aansprakelijkheidsschuld. In de procedure over het derdenbeslag wordt besloten aan wie de invorderingsambtenaar het bedrag van de teruggaaf moet betalen. Artikel 55 tot en met 57 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 55 tot en met 57 van de wet geen beleidsregels gemaakt. Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor BSR. Artikel 58 Informatieverplichtingen van de belastingschuldige of de aansprakelijkgestelde Dit artikel gaat over geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure. 58.1 Geen invorderingsonderzoek tijdens een gerechtelijke procedure Als er een gerechtelijke procedure loopt en de rechter heeft de invorderingsambtenaar de gelegenheid gegeven om bewijs te leveren, dan mag hij geen invorderingsonderzoek laten uitvoeren. Dit geldt alleen als het onderzoek bedoeld is om alsnog gegevens te verzamelen om dat bewijs te leveren. 58.2 Gegevens voor invordering van ‘eigen’ belastingschulden Onder gegevens die voor de invordering van de ‘eigen’ belastingschulden van de belastingschuldige van belang zijn, vallen ook de gegevens die de invorderingsambtenaar nodig heeft om te beoordelen of hij mogelijk derden aansprakelijk kan stellen. 58.3 Invorderingsonderzoek tijdens faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 59 Informatieverplichting: gegevensdragers bij een derde Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 60 Formele bepalingen voor de informatieverplichtingen Dit artikel gaat over: • het stellen van een redelijke termijn voor verstrekken van informatie; • de kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen. 60.1 Redelijke termijn voor verstrekken van informatie De invorderingsambtenaar geeft een redelijke termijn om gegevens en informatie aan te leveren. Dit geldt ook voor het beschikbaar stellen van gegevensdragers, zoals digitale bestanden of administraties. Heeft de invorderingsambtenaar belang bij snelle informatie? Dan kan hij bepalen dat de gegevens direct moeten worden verstrekt. 60.2 Kwaliteit van de gegevens en wijze van verstrekking of beschikbaar stellen De gevraagde gegevens moeten duidelijk, volledig en zonder voorbehoud worden gegeven. Als de gegevens niet duidelijk of niet volledig zijn, dan herhaalt de invorderingsambtenaar zijn verzoek. Hij vraagt (vordert) dan op grond van artikel 60, eerste lid, van de wet om juiste en concrete gegevens. Als de juiste gegevens daarna nog steeds niet worden gegeven, dan beoordeelt de invorderingsambtenaar wat hij doet. Hij kan een civiele procedure starten of strafmaatregelen toepassen volgens Hoofdstuk VIII van de wet. Voldoet de belastingschuldige niet aan de verplichting van artikel 60, tweede lid, van de wet? Dan kan de invorderingsambtenaar een verzuimboete opleggen. Dit staat in artikel 63b, tweede lid, van de wet. De gegevens moeten normaal gesproken schriftelijk worden aangeleverd. Alleen in bijzondere situaties mag dit mondeling. De invorderingsambtenaar legt het gesprek dan schriftelijk vast. Dit is belangrijk als bewijs. Artikel 61 Geen geheimhoudingsplicht bij de informatieverplichtingen Dit artikel gaat over niet van de administratie gescheiden (beroeps-) vertrouwelijke gegevens. 61.1 Niet van de administratie gescheiden (beroeps-)vertrouwelijke gegevens De invorderingsambtenaar heeft alleen belang bij gegevens die inzicht geven in de financiële situatie van de belastingschuldige. Meestal zijn vertrouwelijke beroepsgegevens (bijvoorbeeld van een advocaat of arts) gescheiden van financiële gegevens. Als dat niet mogelijk is, dan kan het gebeuren dat de invorderingsambtenaar ook vertrouwelijke of privacygevoelige informatie ziet. Dit is geen reden om de gevraagde gegevens niet te verstrekken. De invorderingsambtenaar moet deze gegevens geheimhouden. Deze geheimhoudingsplicht staat in artikel 67, eerste lid, van de wet. Artikel 62 Informatieverplichtingen van de administratieplichtige Deze bepalingen is niet van toepassing voor BSR. Artikel 62bis Artikel 62bis is niet van toepassing voor BSR. Artikel 63 en 63ab Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63, 63a, 63aa en 63ab van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 63b Bestuurlijke boeten Dit artikel gaat over: • algemene uitgangspunten; • betalingsverzuim bij aanslagbelastingen; • verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt. 63b.1. Algemene uitgangspunten Bij het opleggen van een bestuurlijke verzuimboete op grond van hoofdstuk VIIA van de wet gelden: • de regels uit artikel 63b van de wet; • de bepalingen uit de AWR waar artikel 63b naar verwijst; • de regels uit titel 5.1 en titel 5.4 van de Awb. 63b.2. Betalingsverzuim bij aanslagbelastingen Bij het opleggen van de boete wordt er gekeken naar de hoogte van het bedrag dat niet, gedeeltelijk niet of niet binnen de termijn betaald is. De boete is normaal gesproken: • 5% van het bedrag dat niet, niet volledig of niet op tijd is betaald; • met een wettelijk maximum dat staat in artikel 63b, eerste lid, van de wet; • met een minimum van € 50. In bijzondere situaties kan de invorderingsambtenaar afwijken van de 5%-regel. Hij kan dan een hogere boete opleggen, tot het wettelijke maximum van artikel 63b, eerste lid. Als een aanslag in termijnen worden betaald mag worden, dan kan per termijn een apart betalingsverzuim ontstaan. Voor elk gemist termijn kan een boete worden opgelegd. Bij het bepalen van de boete kijkt de invorderingsambtenaar alleen naar het bedrag van de gemiste termijn. Als het belastingbedrag later aangepast wordt, dan blijft de eerder opgelegde verzuimboete in principe gelijk. De beschikking waarin de boete staat, mag tegelijk met een (ambtshalve) beslissing worden genomen. Dat hoeft niet. De boete mag ook later worden opgelegd. 63b.3 Verplichting toe te laten dat kopieën e.d. worden gemaakt. Het kan voorkomen dat iemand volgens artikel 63b, tweede lid van de wet moet toestaan dat kopieën worden gemaakt van gegevens of administraties. Als deze persoon niet meewerkt, dan kan de invorderingsambtenaar een verzuimboete opleggen. De boete is normaal gesproken 50% van het wettelijke maximum dat in artikel 63b is genoemd. In bijzondere gevallen kan een boete tot het volledige wettelijke maximum van artikel 63b, tweede lid, worden opgelegd. De boete wordt opgelegd aan degene die niet meewerkt. Dat kan iemand anders zijn dan de belastingschuldige. De boetebeschikking mag tegelijk met een (ambtshalve) beslissing worden genomen, maar dat hoeft niet. Artikel 63c en 64 Er zijn in deze leidraad op de artikelen 63c en 64 van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 65 Niet nakomen informatieverplichting: strafmaat voor misdrijf Dit artikel gaat over de reikwijdte opzetcriterium bij een misdrijf. 65.1 Reikwijdte opzetcriterium bij misdrijf Voor toepassing van artikel 65, eerste en tweede lid, van de wet is opzet vereist. Als er opzet is bij het niet nakomen van de informatieverplichting, dan maakt het niet uit of er daadwerkelijk te weinig belasting is ingevorderd. Artikel 65a Er zijn in deze leidraad op artikel 65a van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 66 Er zijn in deze leidraad op artikel 66 van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 67 Geheimhoudingsplicht Dit artikel gaat over: • bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf; • informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarders over periodieke betalingen. Artikel 67a Er zijn in deze leidraad op artikel 67a van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. 67a.1 Bekendmaking gegevens op verzoek van de belastingschuldige zelf Vraagt de belastingschuldige zelf om informatie over zijn belastingschulden? Dan mag de invorderingsambtenaar deze informatie geven. Dit is geen schending van de geheimhoudingsplicht. Er is in dat geval geen ontheffing nodig van het dagelijks bestuur. Soms kan het toch niet wenselijk zijn om informatie te geven. Bijvoorbeeld als er een strafrechtelijk onderzoek loopt. 67a.2 Informatieverstrekking aan gerechtsdeurwaarder over periodieke betalingen Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 68 tot en met 72 Artikel 68 tot en met 70f zijn niet van toepassing voor BSR. Er zijn in deze leidraad op de artikelen 71 en 72 van de wet geen aanvullende beleidsregels gemaakt. Artikel 73 Insolventieprocedures Dit artikel gaat over: • de algemene uitgangspunten insolventieprocedures; • insolventieprocedure: wettelijke schuldsanering; • insolventieprocedure: surseance; • insolventieprocedure: faillissement; • insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door leden van de Vereniging voor schuldhulpverlening en sociaal bankieren (“NVVK”) of gemeenten; • insolventieprocedure: minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten; • insolventieprocedure: akkoorden; • wettelijk breed moratorium. 73.1 Algemene uitgangspunten insolventieprocedures 73.1.1 Aanmelden belastingschulden in WSNP of faillissement De invorderingsambtenaar meldt zijn vorderingen aan bij de bewindvoerder of curator. Dit gebeurt uiterlijk 14 dagen vóór de verificatievergadering. Bij belastingen die per tijdvak worden geheven, wordt aangenomen dat deze van dag tot dag ontstaan. Ook conserverende aanslagen worden aangemeld. Voor het indienen van vorderingen in faillissement geldt artikel 19 van deze leidraad. 73.1.2 Invorderingsmaatregelen tijdens de toepassing van WSNP of faillissement Tijdens een faillissement of WSNP kan de invorderingsambtenaar derden aansprakelijk stellen voor belastingaanslagen. 73.1.3 Boedelschulden De invorderingsambtenaar ziet er op toe dat de boedelschulden op tijd worden betaald door de curator. Als deze schulden niet op tijd worden betaald, dan: 1. vraagt de invorderingsambtenaar eerst informatie aan de curator; 2. probeert hij in overleg te zorgen dat de curator betaalt; 3. lukt dit niet, dan gaat hij naar de rechter-commissaris; 4. in uiterste gevallen kan hij zich rechtstreeks verhalen op de boedel. Dit geldt ook bij de WSNP. Tijdens de WSNP kan voor boedelschulden geen faillissement worden aangevraagd. Belastingschulden die ontstaan tijdens surseance van betaling, zijn boedelschulden als daarna faillissement volgt (zie artikel 19.2.2. van deze leidraad). 73.1.4 Proceskostengarantie Soms moet een curator een rechtszaak starten om geld voor de boedel te krijgen. Als er te weinig geld is om de proceskosten te betalen, dan kan de curator een gemotiveerd verzoek indienen bij de invorderingsambtenaar met daarin het verzoek om garant te staan voor het bedrag dat niet uit de boedel kan worden voldaan. De invorderingsambtenaar beoordeelt dit. Daarbij kijkt hij of de boedel voordeel heeft bij de procedure en of hij (een deel van) zijn vordering kan innen. Als er andere schuldeisers zijn die ook profiteren van de vermoedelijke opbrengst, dan eist de invorderingsambtenaar dat zij naar verhouding garant moeten staan voor de proceskosten. Dit geldt ook voor boedelschuldeisers. Bij een verzoek van een WSNP-bewindvoerder overlegt de invorderingsambtenaar met het dagelijks bestuur. Dit artikel is niet van toepassing bij een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure. 73.1.5 Belangbehartiging door de bewindvoerder of de curator Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.1.6 Bodemvoorrecht in WSNP en faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.1.7 Bodemvoorrecht en insolventie van de derde-eigenaar Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.1.8 Uitstel in relatie tot WSNP en faillissement Voor uitstel van betaling in relatie tot faillissement en WSNP wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en artikel 25.4.4 van deze leidraad. 73.1.9 Kwijtschelding in relatie tot WSNP en faillissement Zie voor kwijtschelding in relatie tot WSNP en faillissement artikel 26.1.9 van deze leidraad. 73.1.10 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot faillissement en WSNP Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.1.11 Toeslagenschuld in relatie tot MSNP, WSNP en Faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.1.12 Verplichtingensignaal in relatie tot MSNP, WSNP en Faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.2 Insolventieprocedure - wettelijke schuldsanering 73.2.1 Kwijtschelding tijdens WSNP Als iemand in de Wettelijke Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) zit en ontstaan er nieuwe belastingschulden tijdens die periode en zijn dit geen boedelschulden, dan gelden de regels uit artikel 26.2.17 van deze leidraad. 73.2.2 De WSNP is beëindigd met een schone lei. Als de WSNP met een schone lei is beëindigd, worden de belastingschulden die onder de WSNP vallen en niet betaald zijn (volgens artikel 356, tweede lid Fw), een natuurlijke verbintenis. Dat betekent dat de schuld nog bestaat, maar wij mogen geen invorderingsmaatregelen gebruiken. Dit geldt ook als de schuld niet is aangemeld bij de bewindvoerder. Als een belastingaanslag pas wordt opgelegd nadat de WSNP met een schone lei is beëindigd, maar gaat deze over de periode van de WSNP, dan gaan wij normaal gesproken niet invorderen. Dit geldt als de bewindvoerder voorlopige aanslagen of toeslagen goed heeft gecontroleerd en bij fouten op tijd contact heeft opgenomen met BSR. Als in bovenstaande gevallen een belastingteruggave moet worden uitbetaald na de datum dat de WSNP is beëindigd, waarbij de belastingschuld ontstaan is tijdens de WSNP, dan verrekenen wij dit normaal gesproken niet met een natuurlijke verbintenis. De invorderingsambtenaar kan hier van af wijken als het redelijk en passend bij de omstandigheden is. Dit is zeker het geval als de belastingaanslag en de teruggave over dezelfde periode en dezelfde belasting gaan. Gaat het om een belastingteruggave die betrekking heeft op een periode vóór het einde van de WSNP met schone lei en is deze pas ná beëindiging van de WSNP vastgesteld? Dan geldt het volgende: • Is de teruggave (na eventuele verrekening met openstaande schulden) lager dan € 500? Dan wordt het bedrag uitbetaald aan de belastingschuldige. • Is de teruggave € 500 of hoger? Dan neemt de invorderingsambtenaar contact op met de voormalige bewindvoerder. Samen beoordelen zij of de vereffening van de schuldsaneringsregeling moet worden heropend. Ook na beëindiging van de WSNP met schone lei kan de invorderingsambtenaar derden aansprakelijk stellen voor niet-betaalde belastingaanslagen die een natuurlijke verbintenis zijn geworden. Lopende aansprakelijkheidsprocedures kunnen na beëindiging van de WSNP worden voortgezet. 73.2.3 De WSNP is beëindigd zonder schone lei of de schone lei is ingetrokken Als de WSNP eindigt zonder schone lei of wordt de schone lei later ingetrokken, dan mogen wij weer beginnen met invorderen. Hierbij gelden artikel 358, tweede lid Fw en artikel 358a, eerste lid Fw. 73.2.4 De WSNP is tussentijds beëindigd Als de schuldsanering eerder stopt en zijn er geen (financiële)middelen om faillissement te starten, dan gelden de regels die horen bij het stoppen van een faillissement zonder (financiële) middelen (geen baten). Hierbij geldt artikel 350, vijfde lid Fw en artikel 73.4.14 van deze leidraad. 73.3 Insolventieprocedure - surseance 73.3.1 Uitstel, kwijtschelding en surseance Voor uitstel van betaling met betrekking tot surseance wordt verwezen naar artikel 25.1.4 en 25.4.4 van deze leidraad. Voor kwijtschelding met betrekking tot surseance wordt verwezen naar artikel 26.1.9 van deze leidraad. 73.3.2 Ketenaansprakelijkheid en bestuurdersaansprakelijkheid in relatie tot surseance Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.3a.3 Gevolgen homologatie WHOA-akkoord bij instemming Als de invorderingsambtenaar in stemt met het akkoord volgens artikel 370, eerste lid Fw, dan verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft. Dit doet hij alleen nadat het akkoord tot stand is gekomen of door de rechtbank is goedgekeurd (gehomologeerd) en de invorderingsambtenaar het bedrag heeft ontvangen waarop hij volgens het akkoord recht heeft. Als het gaat om belastingaanslagen waarvoor ook derden aansprakelijk kunnen worden gesteld dan verleent de invorderingsambtenaar geen kwijtschelding. Hij geeft dan aan dat hij tegen de belastingschuldige geen verdere invorderingsmaatregelen neemt. In de beschikking vermeldt hij dan dat hij zich het recht voorbehoudt om derden aansprakelijk te stellen. 73.3a.4. Gevolgen homologatie WHOA-akkoord zonder instemming Als de invorderingsambtenaar niet in stemt met het akkoord (volgens artikel 370, eerste lid Fw), maar keurt de rechtbank het toch goed, dan verleent de invorderingsambtenaar geen kwijtschelding voor het resterende bedrag maar hij neemt ook geen verdere invorderingsmaatregelen. De resterende belastingvorderingen worden dan een natuurlijke verbintenis. Als in bovenstaande gevallen een belastingteruggave moet worden uitbetaald na de datum dat het akkoord is goedgekeurd, waarbij de belastingschuld ontstaan is in de periode waar het akkoord over gaat, dan verrekenen wij dit normaal gesproken niet met een natuurlijke verbintenis. De invorderingsambtenaar kan hier van af wijken als het redelijk en passend bij de omstandigheden is. Dit is zeker het geval als de belastingaanslag en de teruggave over dezelfde periode en dezelfde belasting gaan. 73.4 Insolventieprocedure - faillissement 73.4.1 Faillissementsaanvraag - algemeen De invorderingsambtenaar vraagt alleen faillissement aan voor belastingaanslagen die onherroepelijk vaststaan of naar redelijk materieel verschuldigd zijn. Hij vraagt geen faillissement aan als de belastingschuldige aannemelijk maakt dat de betalingsproblemen tijdelijk zijn. Voor een voorlopige aanslag wordt alleen faillissement aangevraagd als: • daarna een definitieve aanslag is opgelegd, of • er naast de voorlopige aanslag nog andere aanslagen onbetaald zijn. 73.4.2 Ontbinding van rechtspersonen in plaats van faillissementsaanvraag Als het gaat om een rechtspersoon zonder activiteiten en zonder baten, dan wordt normaal gesproken gekozen voor ontbinding volgens artikel 2:19a BW, in plaats van het aanvragen van faillissement. Hierbij geldt artikel 2:19a BW. 73.4.3 Particulieren en faillissement Bij particulieren wordt geen faillissement aangevraagd als verwacht wordt dat de bezittingen ook zonder faillissement kunnen worden uitgewonnen, zelfs als daarmee niet de hele schuld wordt betaald. Particulieren zijn natuurlijke personen die: • geen onderneming hebben, • geen zelfstandig beroep uitoefenen, • en niet van plan zijn dat te gaan doen. Als de belastingschuld te maken heeft met een (voormalige) onderneming of zelfstandig beroep dan wordt belastingschuldige niet gezien als een particulier. 73.4.4 Saneringsaanbod en faillissementsaanvraag Doet de belastingschuldige vóór behandeling van de faillissementsaanvraag een verzoek om kwijtschelding of een aanbod voor een buitengerechtelijk akkoord als bedoeld in artikel 73.6 van deze leidraad? Dan houdt de invorderingsambtenaar de aanvraag aan of trekt deze in om het verzoek te beoordelen. Dit doet hij niet als: • het verzoek alleen is gedaan om de behandeling te vertragen; • het aanbod niet past binnen het geldende beleid; • of het aanbod is gebaseerd op onjuiste gegevens. In dat geval wijst hij het verzoek onderbouwd af en zet hij de faillissementsaanvraag voort. 73.4.5 Verzoek om uitstel van betaling vóór behandeling faillissementsaanvraag door rechter Als de belastingschuldige een verzoek om uitstel van betaling vóórdat de rechtbank de faillissementsaanvraag behandelt, dan houdt de invorderingsambtenaar de aanvraag aan of trekt deze in om het verzoek te beoordelen. Dit gebeurt niet als: • het verzoek alleen is gedaan om de behandeling te vertragen; • het aanbod niet past binnen het uitstelbeleid; • of het verzoek is gebaseerd op onjuiste gegevens. In dat geval wijst hij het verzoek onderbouwd af zet hij de faillissementsaanvraag voort. 73.4.6 Toestemming voor faillissementsaanvraag Voor iedere faillissementsaanvraag is vooraf schriftelijke toestemming van het dagelijks bestuur nodig. Dit geldt ook voor hoger beroep over een faillissementsaanvraag. 73.4.7 Steunvordering UWV voor faillissementsaanvraag Vervallen. 73.4.8 Verlenen van steunvordering en faillissementsaanvraag Voor het verstrekken van gegevens als steunvordering gelden andere regels dan bij een eigen faillissementsaanvraag. Artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 van deze leidraad gelden dan niet. Gaat het om een onderneming of zelfstandig beroep met meer dan 50 werknemers? Dan is vooraf toestemming van het dagelijks bestuur nodig. Gegevens worden alleen schriftelijk verstrekt. Als de invorderingsambtenaar zelf het initiatief neemt om een andere schuldeiser te vragen faillissement aan te vragen met de belastingschuld als steunvordering, dan gelden artikel 73.4.1 tot en met 73.4.6 van deze leidraad wel. 73.4.9 Verzet tegen faillietverklaring Als de invorderingsambtenaar gebruik wil maken van de mogelijkheid tot verzet tegen de faillietverklaring als bedoeld in artikel 10 Fw, dan heeft hij hiervoor toestemming van het dagelijks bestuur nodig. 73.4.10 Beroep op regresrecht in faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.4.11 Verzending of uitreiking aanslagbiljet bij faillissement Voor toezending of uitreiking van het aanslagbiljet bij een faillissement wordt verwezen naar artikel 8.1 van deze leidraad. 73.4.12 Opkomen in faillissement Als invorderingsambtenaar op grond van artikel 19 van de wet directe betaling vereist van de curator, dan wordt verwezen naar artikel 19.2.3 van deze leidraad. 73.4.13 Volgorde uitwinning bodembeslag in faillissement Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.4.14 Na de toepassing van het faillissement Na beëindiging van het faillissement maakt de invorderingsambtenaar normaal gesproken geen gebruik van de bevoegdheid van artikel 196 Fw om het onbetaald gebleven bedrag alsnog te executeren. Als er toch reden is om in te vorderen, dan gebeurt dit zoveel mogelijk via een dwangbevel. Bij natuurlijke personen wordt de invordering alleen hervat in bijzondere omstandigheden. Bijvoorbeeld als betrokkene binnen vijf jaar na het faillissement beschikt over een meer dan modaal inkomen of beschikt over vermogensbestanddelen van aanzienlijke waarde. Als na beëindiging van het faillissement ontvangen bedragen moeten worden terugbetaald, dan overlegt de invorderingsambtenaar hierover met de curator op grond van artikel 194 Fw. 73.4.15 Opening nationale (secundaire) insolventieprocedure Woont of is de belastingschuldige gevestigd in een andere EU-lidstaat (niet Denemarken) en is daar een insolventieprocedure gestart en is er in Nederland een nevenvestiging? Direct na kennisname van de in het buitenland gestarte procedure kan in Nederland een secundaire of territoriale procedure worden gestart op grond van de EU-insolventieverordening. Deze procedure: • betreft alleen een liquidatieprocedure; • niet een surseance van betaling; • wordt uitgevoerd volgens Nederlands recht; • vereist geen afzonderlijk bewijs van insolventie. 73.4.16 Omzetting faillissement in WSNP Als een faillissement mogelijk omgezet kan worden in een wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) en verzoekt de belastingschuldige hier zelf om, dan toetst de invorderingsambtenaar het bij het faillissement aangeboden akkoord. Hierbij volgt hij het beleid zoals vermeld in artikel 19a en 22a van de regeling. 73.5 Insolventieprocedure - minnelijke schuldsanering door leden van de NVVK of gemeenten 73.5.1 Voorwaarden voor MSNP Stabilisatiefase Een schuldhulptraject begint meestal met een stabilisatie-overeenkomst tussen de schuldenaar en de schuldhulpverlener. Dit mag ook een schriftelijke mededeling zijn van de schuldhulpverlener. In deze mededeling staat dat hij werkt aan het stabiliseren van de financiële situatie van de schuldenaar op korte termijn. Vanaf het moment dat de invorderingsambtenaar de mededeling ontvangt: • neemt hij 240 dagen geen dwangmaatregelen; • lopende maatregelen worden zo nodig tijdelijk gestopt in overleg met de hulpverlener; • verrekening gebeurt alleen met belastingteruggaven die zijn ontstaan tot en met de datum van ontvangst. Dit beleid geldt niet als vooraf duidelijk is dat de schuldenaar geen recht heeft op uitstel. De invorderingsambtenaar laat dit weten aan de schuldhulpverlener. Schuldregelingsovereenkomst Als de schuldhulpverlener meldt dat er een schuldregeling is, geeft de invorderingsambtenaar uitstel van betaling voor maximaal 18 maanden, als aan deze voorwaarden is voldaan: a. Het gaat om een natuurlijk persoon; b. De schuldhulpverlener is lid van de NVVK of werkt namens een gemeente (zie ook artikel 73.5a); c. Er is een schuldregeling volgens de NVVK-regels (of vergelijkbaar), met Recofa-normen; d. Voor ondernemers: regeling volgens de NVVK-module voor ondernemers; e. Het is te verwachten dat het bedrijf kan blijven bestaan (levensvatbaar); f. De schuldenaar zou waarschijnlijk toegelaten worden tot de schuldhulpregeling op basis van artikel 287a Fw; g. De opbrengst is minimaal gelijk aan de WSNP. Voor ex-ondernemers gelden d en e niet als zij stoppen met ondernemen en in de toekomst geen nieuw bedrijf zal starten of een zelfstandig beroep gaat uitoefenen. Als anderen aansprakelijk gesteld kunnen worden voor bepaalde belastingaanslagen, dan mag de invorderingsambtenaar deze belastingaanslagen buiten de regeling laten. Het uitstel start op de datum van de schuldregeling. De schuldhulpverlener onderzoekt of schuldeisers akkoord gaan. Het streven is om dit binnen 120 dagen af te ronden. De maximale termijn is 240 dagen. Als er een akkoord is dan loopt de regeling door en krijgen de schuldeisers hiervan bericht. Lukt het niet op tijd, dan stopt de regeling. Bij de schuldregeling geldt ook onderstaande: • Belastingen waarvoor kwijtschelding niet mogelijk is (zoals de watersysteemheffing gebouwd). • Het uitstel geldt voor belastingen die materieel verschuldigd zijn tot de datum van het verzoek om een schuldopgave. Wanneer de schuldhulpverlener een verzoek tot saldo-opgave doet, dan geeft de invorderingsambtenaar direct akkoord op een toekomstige schuldhulpregeling als aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan: • de schuldhulpverlener is NVVK-lid is of een gemeente is; • de schuld lager is dan € 3.000, Een nieuw voorstel is dan niet nodig. Wij moeten wel een bevestiging van de afgesloten regeling ontvangen met daarin de financiële gevolgen. De schriftelijke opgave laat zien welke belastingen tot de datum van het verzoek betaald moeten worden. Dit overzicht is definitief. Dat betekent dat de invorderingsambtenaar dit normaal niet meer verandert. Soms wordt het bedrag van de belastingen geschat. Als later blijkt dat deze schatting veel te laag was, mag de invorderingsambtenaar dit alleen aanpassen in twee situaties: • als er voor die belasting op dat moment ten onrechte geen aangifte was gedaan of; • als de belastingschuldige of de schuldhulpverlener wist, of had moeten weten, dat de schatting te laag was. 73.5.2 Opschorten invorderingsmaatregelen na verzoek MSNP Vervallen. 73.5.3 Gevolgen uitstel MSNP voor invorderingsmaatregelen Als er een schuldregeling tot stand komt worden bestaande beslagen opgeheven. Verrekening blijft mogelijk, maar alleen voor oude belastingteruggaven (van vóór de stabilisatie-overeenkomst). 73.5.4 Houding invorderingsambtenaar tijdens uitstel MSNP Tijdens het uitstel handelt de Invorderingsambtenaar hetzelfde als bij de wettelijke schuldsanering (WSNP). Als de schuldenaar nieuwe belastingschulden krijgt: • kan hij daarvoor apart kwijtschelding aanvragen; • deze aanvraag wordt volgens de normale regels beoordeeld. Bij het berekenen van de betalingscapaciteit: wordt inkomen dat onder beheer van de schuldhulpverlener valt niet in mindering gebracht. Het vermogen dat onder financieel beheer van de schuldhulpverlener valt geldt niet als vermogen zoals bedoeld in artikel 12 van de regeling. 73.5.5 Intrekken uitstel gedurende MSNP De invorderingsambtenaar trekt het uitstel in als: • er na 240 dagen geen vervolg van de regeling is gemeld, en/of; • nieuwe belastingschulden niet worden betaald, en/of; • fiscale verplichtingen niet worden nagekomen, en/of; • de schuldenaar schuldeisers benadeelt, en/of; • de regeling wordt beëindigd, anders dan wanneer de regeling succesvol wordt afgerond. Belangrijke uitzonderingen: • Als het uitstel ingetrokken gaat worden op basis van de eerste grond en ligt er een verzoek bij de rechter voor een dwangakkoord, dan wordt eerst de uitspraak afgewacht. • In alle andere gevallen krijgt de schuldhulpverlener een schriftelijke mededeling dat de invorderingsambtenaar het uitstel gaat intrekken, als de verplichtingen niet binnen 14 dagen zijn nagekomen. 73.5.6 De schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen MSNP Als de belastingschuldige de schuldhulpregeling goed heeft afgerond en voldaan heeft aan de verplichtingen in artikel 19a en 22a van de regeling ziet de invorderingsambtenaar dit als een buitengerechtelijk akkoord volgens artikel 73.6.3 van deze leidraad. Dit houdt in dat er kwijtschelding wordt verleend voor het onbetaald gebleven deel van de belastingaanslag(en). Hiervoor moet de schuldhulpverlener een kennisgeving versturen naar de invorderingsambtenaar en hierin aangeven dat de belastingschuldige aan zijn verplichtingen heeft voldaan en dat de regeling beëindigd is. 73.5.7 Na de toepassing van de MSNP Belastingen die betrekking hebben op de periode van de regeling, maar pas daarna worden vastgesteld, worden meestal niet meer ingevorderd. Het is hierbij wel noodzakelijk dat de belastingschuldige aan zijn verplichtingen uit de schuldhulpregeling heeft voldaan. Verdere voorwaarden zijn dat de schuldhulpverlener de gegevens goed heeft gecontroleerd en tijdig contact heeft opgenomen bij fouten. 73.5a. Insolventieprocedure – minnelijke schuldsanering door anderen dan leden van de NVVK of gemeenten Een verzoek voor een minnelijke schuldregeling kan worden gedaan door een persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 48, eerste lid, van de Wet op het consumentenkrediet. Dit geldt alleen als deze persoon of instelling geen lid is van de NVVK en geen gemeente is. De invorderingsambtenaar moet zo’n verzoek altijd beoordelen. Hij moet daarbij een afweging maken tussen de belangen van BSR en de belastingschuldige. Hij kijkt of het redelijk is om mee te werken aan de schuldregeling. Als het nadeel voor de schuldenaar groter is dan het belang van de invorderingsambtenaar, kan dit een reden zijn om toch akkoord te gaan. Artikel 73.5 van deze leidraad geldt hierbij ook. De schuldregeling moet gaan over een natuurlijk persoon. Bij het beoordelen van de belangen kunnen onderstaande punten van invloed zijn: • het voorstel is duidelijk en goed onderbouwd met documenten; • het is goed uitgelegd dat dit het maximale is wat de belastingschuldige kan betalen; • de schuldregeling biedt een beter vooruitzicht dan faillissement of schuldsanering voor de belastingschuldige; • de schuldregeling biedt een beter vooruitzicht dan faillissement of schuldsanering voor de invorderingsambtenaar. Hierbij wordt ook gekeken wat de eventuele ontvangsten zullen zijn bij een faillissement of de schuldsanering; • bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen; • hoe groot is het financiële belang van de invorderingsambtenaar bij volledige betaling; • hoe groot is het aandeel van de invorderingsambtenaar in de totale belastingschuld; • is de invorderingsambtenaar de enige schuldeiser die niet akkoord gaat; • is er eerder een schuldregeling geweest die niet goed is nagekomen. 73.6 Insolventieprocedure - akkoorden 73.6.1 Buitengerechtelijk akkoord In artikel 19a en 22a van de regeling staan regels die aansluiten bij de doelen van de WSNP. Het doel is om zonder rechter afspraken te maken met alle schuldeisers over het aflossen van schulden (een buitengerechtelijk akkoord). Deze regels gelden ook voor BSR. Deze regels gelden ook voor een persoon die aansprakelijk is gesteld voor een schuld, als het aannemelijk is dat de WSNP op hem van toepassing zou zijn. Iedereen kan een verzoek doen voor een buitengerechtelijk akkoord. Dit kan ook de schuldenaar zelf doen. 73.6.2 Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord Vervallen. 73.6.2a Voorwaarden voor toetreding tot een buitengerechtelijk akkoord Het afgesproken bedrag moet normaal gesproken in één keer worden betaald. De invorderingsambtenaar kan toestaan dat in termijnen wordt betaald. Dit mag alleen als: • de belastingschuldige een bedrijf heeft of zelfstandig werkt, en • hij aannemelijk maakt dat hij de termijnen én nieuwe belastingen op tijd kan betalen. In dat geval doet de invorderingsambtenaar voorwaardelijk mee aan het akkoord. Voor deze regeling gelden de artikelen 25.6.1 en 25.6.2 van deze leidraad, met de volgende afwijkingen: • Belastingteruggaven die zijn ontstaan na de aanvraag van het akkoord worden niet verrekend (artikel 25.4.3 van deze leidraad). • De termijn van 12 maanden start op de dag na de datum van de beschikking voor voorwaardelijke kwijtschelding (artikel 25.6.1 van deze leidraad). • De belastingschuldige moet tijdens de hele saneringsperiode alle nieuwe verplichtingen op tijd nakomen (artikel 25.6.2 van deze leidraad). • De belastingschuldige hoeft geen zekerheid te geven (artikel 25.6.2 van deze leidraad). De invorderingsambtenaar verleent pas kwijtschelding als alle afspraken uit het akkoord en de uitstelregeling zijn nagekomen. Als er belastingschulden zijn waarvoor anderen aansprakelijk zijn, geldt een extra voorwaarde. Kwijtschelding wordt pas definitief als er niets meer te halen is bij die aansprakelijke personen. De invorderingsambtenaar gaat alleen akkoord als het bodemvoorrecht of de waarde van de bodemzaken goed is meegenomen in het aanbod. 73.6.3 Gevolgen buitengerechtelijk akkoord Als de invorderingsambtenaar meedoet aan het akkoord, verleent hij kwijtschelding voor het deel van de schuld dat niet wordt betaald. Beslagen blijven liggen tijdens het akkoord. Deze worden opgeheven zodra het afgesproken bedrag door ons is ontvangen. 73.6.4 Voorwaarden voor toetreding tot een gerechtelijk akkoord Het bedrag moet normaal gesproken in één keer worden betaald. Als betaling in termijnen wordt toegestaan, moet de schuldenaar zekerheid geven. Als er aansprakelijke derden zijn, geldt ook hier: kwijtschelding wordt pas definitief als daar niets meer te halen is. Deze voorwaarde vervalt als dit al is meegenomen in het aangeboden bedrag. 73.6.5 Gevolgen toetreden tot gerechtelijk akkoord Als de invorderingsambtenaar vrijwillig toetreedt tot een gerechtelijk akkoord verleent hij kwijtschelding voor het deel van de belastingschuld dat onbetaald blijft. 73.6.6 Begrip belastingschuld en (buiten)gerechtelijk akkoord Bij de beoordeling van een akkoord stelt de invorderingsambtenaar eerst vast op welke belastingaanslagen het akkoord betrekking heeft. Uitgangspunt daarbij is de materiële belastingschuld die is ontstaan tot aan de dag dat de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitgesproken of de dag waarop een buitengerechtelijk akkoord wordt aangeboden. Er rust een inspanningsverplichting op BSR om de te saneren schuld zo volledig mogelijk en tot het juiste bedrag vast te stellen, in die zin dat de materieel verschuldigde belasting formeel wordt door het versturen van een belastingaanslag. Boetes, rente en kosten worden door de invorderingsambtenaar volledig meegenomen in het akkoord. 73.6.7 Schuldig nalatig en (buiten)gerechtelijk akkoord Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. 73.6.8 Gevolgen dwangakkoord Als de rechter een dwangakkoord oplegt, wordt het onbetaalde deel van de schuld als oninbaar gezien. De invorderingsambtenaar heeft niet ingestemd, dus er wordt geen kwijtschelding verleend. De resterende schuld blijft bestaan als een natuurlijke verbintenis (de schuld bestaat nog, maar kan niet meer worden afgedwongen). Belastingteruggaven na de datum van het akkoord worden meestal niet verrekend met deze schuld. Dit gebeurt alleen als het onredelijk zou zijn om niet te verrekenen. Dat is in ieder geval zo als het gaat om dezelfde belasting en hetzelfde tijdvak. 73.6.9 Kwijtschelding voor ondernemers bij een saneringsakkoord Ondernemers krijgen alleen kwijtschelding als er een saneringsakkoord is met alle schuldeisers. Daarbij wordt een deel van de schuld betaald tegen finale kwijting. Zie artikel 26.3 van deze leidraad. 73.7 Wettelijk breed moratorium Als de rechtbank een afkoelingsperiode vaststelt (op basis van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening), stopt de invorderingsambtenaar tijdelijk met invorderingsmaatregelen. Tijdens deze periode: • worden geen belastingteruggaven verrekend; • maakt het niet uit wanneer de teruggave is ontstaan; • blijven bestaande afspraken over uitstel of kwijtschelding (artikel 25 en 26 van deze leidraad) gelden; • wordt geen geld uitgekeerd aan derden bij beslag op belastingteruggaven. Artikel 74 Deze bepaling is niet van toepassing voor BSR. Artikel 75 Kosten van vervolging Dit artikel beschrijft het beleid bij het in rekening brengen van kosten van vervolging. Met ‘vervolgingskosten of kosten’ wordt bedoeld de kosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) in rekening worden gebracht. Hieronder vallen ook de kosten die verbonden zijn aan de werkzaamheden die de belastingdeurwaarder verricht voor de invordering op civiele wijze. In dit onderdeel is het volgende beleid over kosten van vervolging opgenomen: • gevorderde som bevat geen vervolgingskosten; • aan derden toekomende bedragen; • rechtsmiddelen en vervolgingskosten; • verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar; • niet in rekening brengen van vervolgingskosten; • onverschuldigdheid van vervolgingskosten; • niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten; • versnelde invordering en vervolgingskosten; • aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten; • geen kwijtschelding van vervolgingskosten; • limitering betekeningskosten dwangbevel. 73.8 Gevorderde som bevat geen vervolgingskosten Voor het vaststellen van de kosten voor een aanmaning (artikel 2 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen) en een dwangbevel (artikel 3 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen) wordt gekeken naar het op dat moment openstaande bedrag zonder rekening te houden met de vervolgingskosten en invorderingsrente. 73.9 Aan derden toekomende bedragen Op grond van artikel 6 van de Kostenwet invordering rijksbelastingen kunnen de volgende kosten aan de belastingschuldige worden doorberekend: • kosten voor advertenties (artikel 3, vierde lid, en artikel 4, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen); • kosten voor een bewaarder of ingeschakelde derden; • kosten voor het openen van deuren en huisraad (artikel 444 Rv); • kosten voor werkzaamheden bij verkoop van in beslag genomen zaken; • kosten van makelaars, deskundigen en veilingmeesters; • kosten voor vervoer van in beslag genomen zaken; • kosten voor het plaatsen en verwijderen van wielklemmen of andere bestandsdelen die het gebruik, vervoer en belasting van de in beslag genomen zaak verhinderen; • kosten voor opslag en bewaring van in beslag genomen zaken. De kosten voor opslag, vervoer en bewaring worden alleen in rekening gebracht als: • de belastingschuldige hier zelf om vraagt, of • dit vooral in zijn belang is. Reiskosten, portokosten en telefoonkosten van BSR worden niet doorberekend. 73.10 Rechtsmiddelen en vervolgingskosten Als de belastingschuldige in beroep gaat tegen de uitspraak op bezwaar, volgt de invorderingsambtenaar het Besluit beroep in belastingzaken. De invorderingsambtenaar kan zich beperken tot de stukken die van belang zijn voor de Kostenwet. Volgens artikel 6:16 Awb stopt een bezwaar- of beroepschrift de invordering niet. Bij een verzoek om uitstel van betaling gelden artikel 25.1 en 25.2 van deze leidraad. 73.11 Verzoek om vermindering vervolgingskosten aanmerken als bezwaar Een verzoek van de belastingschuldige tot vermindering van de in rekening gebrachte kosten wordt aangemerkt als een bezwaarschrift. Artikel 75.3 van deze leidraad is hierop van toepassing. 73.12 Niet in rekening brengen van vervolgingskosten In de volgende gevallen brengt de invorderingsambtenaar voor het uitbrengen van exploten geen vervolgingskosten in rekening: • herhaalde betekening van een dwangbevel; • (herhaalde) betekening van een dwangbevel uitsluitend ter stuiting van de verjaring; • betekening van een vordering; • betekening aan een minderjarige of onder curatele gestelde als bedoeld in artikel 13.3 van deze leidraad. De eerste betekening wordt wel in rekening gebracht, maar de tweede betekening (aan de wettelijke vertegenwoordiger) wordt niet in rekening gebracht; • betekening van een beslissing op een beroepschrift tegen beslag op goederen van een derde die het beroepschrift heeft ingediend, de beslagene/belastingschuldige en zo nodig de bewaarder. Dit kan samengaan met het geheel of gedeeltelijk opheffen van het beslag; • betekening van een proces-verbaal van wijziging van bewaring, als dit niet door de belastingschuldige komt. 73.13 Onverschuldigdheid van vervolgingskosten Naast de gevallen waarin er fouten zijn gemaakt bij de kostenberekening zijn de kosten niet verschuldigd in de volgende gevallen: • als de betaling is ontvangen vóór de dag waarop de kosten zijn ontstaan; • als de schuld later wordt verlaagd door vermindering van de aanslag; • als de invordering eigenlijk al had moeten worden stopgezet, bijvoorbeeld bij: o een schriftelijk verzoek om uitstel; o een volledig ingevulde aanvraag voor kwijtschelding; o een verzoek bij het (algemeen/dagelijks) bestuur of de Nationale ombudsman. Soms moet de invordering toch doorgaan. Dan blijven de kosten wel gelden. Daarnaast zijn kosten niet verschuldigd in deze situaties: • als een aanslag een nieuwe dagtekening krijgt; • als een derdenbeslag achteraf niet blijkt te hebben bestaan (artikel 14.4.1 van deze leidraad); • als onduidelijk was welk beslag (roerend of onroerend) moest worden gebruikt en dit later wordt opgelost; • bij invordering volgens artikel 10 en 15 van de wet, als binnen 2 werkdagen wordt betaald. Bij opzettelijk vertragen van betaling (traineren) worden kosten altijd in rekening gebracht. 73.14 Niet-verwijtbaarheid en vervolgingskosten In bijzondere situaties kan de invorderingsambtenaar besluiten om de terecht in rekening gebrachte vervolgingskosten te verlagen. Dit kan alleen als de belastingschuldige hier schriftelijk om vraagt. Dit kan bijvoorbeeld wanneer de belastingschuldige kan aantonen dat hij in omstandigheden zat waardoor het feitelijk onmogelijk was om op tijd te betalen. Ook moet blijken dat het in rekening brengen van de vervolgingskosten, gezien de omstandigheden niet passend is. 73.15 Versnelde invordering en vervolgingskosten Als invorderingsmaatregelen zijn genomen volgens artikel 10 en artikel 15 van de wet, dan vermeldt de belastingdeurwaarder dit in de akte van betekening bij het dwangbevel. De belastingdeurwaarder vermeldt daarbij dat als er binnen 2 werkdagen na de uitreiking van het belastingaanslagbiljet betaald wordt, dan hoeven de vervolgingskosten niet betaald te worden. Deze regel geldt ook voor de beslagkosten. 73.16 Aansprakelijkgestelden en vervolgingskosten Dit hoofdstuk geldt ook voor aansprakelijkgestelden. Dit betekent dat de regels uit dit hoofdstuk van toepassing zijn op de kosten die een aansprakelijkgestelde moet betalen, wanneer deze kosten het gevolg zijn van invorderingsmaatregelen die tegen hem zijn genomen. 73.17 Geen kwijtschelding van vervolgingskosten Het is niet mogelijk om kwijtschelding van vervolgingskosten te krijgen vanwege betalingsonmacht. De invorderingsambtenaar doet in zo’n geval ook geen toezegging dat deze kosten niet zullen worden ingevorderd. Hierop bestaat een uitzondering. Als er kwijtschelding wordt verleend of de belastingaanslag buiten invordering wordt gelaten, dan worden ook de vervolgingskosten kwijtgescholden of niet ingevorderd. Zie hiervoor artikel 26 van deze leidraad. 73.18 Limitering betekeningskosten dwangbevel Als de invorderingsambtenaar of de belastingdeurwaarder op dezelfde dag meerdere dwangbevelen aan dezelfde belastingschuldige betekent, dan hoeft de belastingschuldige niet meer betekeningskosten te betalen dan het maximumbedrag. Dit maximumbedrag staat in artikel 3, eerste lid, van de Kostenwet invordering rijksbelastingen en geldt voor het betekenen van één dwangbevel. Artikel 76 tot en met 79 Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor BSR. Artikel 80 Invordering, Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen In dit artikel is beleid opgenomen met betrekking tot artikel 4:121 van de Awb en het moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen. 80.1 Tenuitvoerlegging termijndwangbevel Soms wordt een dwangbevel uitgevaardigd voor één of meer vervallen termijnen van een belastingaanslag. Als de invordering voor deze termijnen is gestart, wordt deze op dezelfde voortvarende manier voortgezet en afgerond als bij een eindvervolging. In sommige gevallen kan de invorderingsambtenaar lijfsdwang toepassen. Dit kan alleen voor de termijnen die al waren vervallen op het moment dat het dwangbevel werd uitgevaardigd. Termijnen die pas daarna zijn vervallen, mogen niet worden meegenomen in dezelfde tenuitvoerlegging. Voor deze later vervallen termijnen moet eerst een aanmaning worden verzonden. Als daarna nog niet wordt betaald, kan voor deze termijnen een apart dwangbevel worden uitgevaardigd. 80.2 Moment van vaststelling van (naheffings)aanslagen Voor het bepalen van het moment waarop een betalingsverplichting ontstaat, geldt het overgangsrecht van Afdeling 4.4.1 van de Awb (vaststelling en inhoud van de verplichting tot betaling). De regels zijn als volgt: • Voor een betalingsverplichting die is vastgesteld of ontstaan vóór 1 juli 2009, geldt het recht dat gold vóór die datum. • Voor een betalingsverplichting vanaf 1 juli 2009, geldt Afdeling 4.4.1 van de Awb. Voor het bepalen van het moment van vaststelling gelden de volgende regels: • Bij aanslagbelastingen is het moment van vaststelling de dagtekening van de aanslag. • Bij aangiftebelastingen is het moment van vaststelling de dagtekening van de naheffingsaanslag. Vaststelling Deze leidraad treedt in werking met ingang van 1 januari 2026. Deze leidraad kan worden aangehaald als: “Leidraad invordering BSR”. Aldus vastgesteld in de vergadering van het dagelijks bestuur van 6 juni 2026. W. van Wikselaar, G.M. ScholtusVoorzitter Directeur
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio
Meer meldingen zoals "Leidraad Invordering BSR"

Mededelingen
Leidraad Invordering BSR

Omgeving
Provincie Gelderland Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990), locatie alle provinciale wegen in Gelderland, in alle gemeenten in Gelderland

Weerwaarschuwingen
Weerwaarschuwing KNMI - code geel: Temperatuur

Omgeving
Gemeente Arnhem - Aanvraag Alcoholwetvergunning en exploitatievergunning,

Omgeving
Gemeente Arnhem - besluit terrasvergunning

Omgeving
Aanvraag omgevingsvergunning - Nieuwstraat 0 [Kad. Sect. O nr. 8059] in Arnhem

Omgeving
Besluit Omgevingsvergunning - Weverstraat 12 in Arnhem

Mededelingen
Budgethoudersregeling Omgevingsdienst Rivierenland 2026 (met ingang van 1-4-2026)

APV
Algemene Plaatselijke Verordening voor Arnhem

Mededelingen
Privacybeleid Omgevingsdienst Rivierenland 2026

APV
Regeling voor de interne klachtbehandeling (Awb)

Mededelingen
Reglement ambtelijk horen Omgevingsdienst Rivierenland 2025

