Natuurbeheerplan 2027
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-10-12
Gepubliceerd door
Provincie Noord-Holland
Informatie
Natuurbeheerplan 2027 Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 22 september 2026, nr. AJAHVWPX4S2V-720256541-15865, tot vaststelling van het Natuurbeheerplan 2027 [Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Natuurbeheerplannen.] Besluiten: Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben in overeenstemming met artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 op 22 september 2026 de definitieve versie van het Natuurbeheerplan 2027 en Nota van Beantwoording vastgesteld. Natuurbeheerplan 2027 Het Natuurbeheerplan bevat de kaders en de doelen voor natuur en (agrarisch) natuurbeheer door de provincie. De provincie stelt op grond van het Natuurbeheerplan jaarlijks subsidie beschikbaar voor realisatie en beheer van natuur en voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. Deze subsidies zijn bedoeld voor particulieren, terreinbeheerders en agrarische collectieven. Beroep aantekenen Het Natuurbeheerplan 2027 is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na bekendmaking schriftelijk beroep instellen tegen het Natuurbeheerplan 2027. Het beroepschrift kunt u sturen aan de Rechtbank Noord-Holland, Sector Bestuursrecht, Postbus 1621, 2003 BR Haarlem. U kunt ook digitaal beroep instellen bij de genoemde rechtbank via Externe link:Digitale Diensten van de Rechtspraak. Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden. Meer informatie over de beroepsprocedure vindt u hier: Externe link:https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bezwaar-en-beroep/vraag-en-antwoord/in-hoger-beroep-tegen-beslissing-overheid Het Natuurbeheerplan 2027 treedt in werking, ook al wordt een beroepschrift ingediend. Gelijktijdig met het indienen van een beroepschrift kunt u - bij spoedeisend belang - een voorlopige voorziening vragen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland. NATUURBEHEERPLAN 2027 Provincie Noord-Holland In ontwerp vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 31 maart 2026 Terinzagelegging Ontwerp Natuurbeheerplan 10 april 2026 tot en met 21 mei 2026 Definitief vast te stellen door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 22 september 2026 Documentnummer: NR13022026JdJ2 / AJAHVWPX4S2V-720256541-15865 1. Wat is het Natuurbeheerplan? 1.1 Inleiding Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling van natuur en beheer van (agrarische) natuur en landschapselementen. De provincie financiert een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. Het Natuurbeheerplan vormt het inhoudelijk toetsingskader voor het beoordelen van subsidieaanvragen. Het Natuurbeheerplan bestaat uit dit document en bijbehorende kaarten die aangeven waar welke beheerdoelen gelden. Het Natuurbeheerplan is verankerd in het landelijke Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Het stelsel wordt onderhouden door BIJ12 in opdracht van de provincies en bestaat uit de volgende onderdelen: •De subsidie-verordening Natuur- en landschapsbeheer, de subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap en het Openstellingsbesluit (juridische kader); •Het Natuurbeheerplan (inhoudelijke kader, natuurdoelen); •De Index Natuur en Landschap (gemeenschappelijke ‘natuurtaal’); •De Standaardkostprijzen natuur en landschapsbeheer (landelijk gemiddelde netto kosten voor natuur- en landschapsbeheer); •Het Programma van Eisen voor Certificering (kwaliteitseisen uitvoering natuurbeheer en agrarisch natuurbeheer); •De Werkwijze Monitoring Beoordeling Natuurnetwerk – Natura 2000 (landelijk uniforme aanpak voor het monitoren van de natuur en beoordeling van de natuurkwaliteit). Het voorliggende Natuurbeheerplan is tot stand gekomen in samenwerking met verschillende partijen. Met natuurbeheerders is overlegd over het aanpassen van natuur- en landschapsbeheertypen van natuurterreinen en met agrarische collectieven over de invulling van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. BIJ12 heeft het format aangeleverd voor het Natuurbeheerplan. Ook zijn vanuit de provincie diverse experts betrokken, zoals ecologen, juristen, projectleiders en beleidsmedewerkers natuur. Het plan is geen statisch document. De provincie kan de inhoud van de plantekst en de kaarten, indien nodig, jaarlijks aanpassen. Hoewel het Natuurbeheerplan de afgelopen tijd met een jaarlijkse frequentie is aangepast, kan het plan voor meerdere jaren gelden tot Gedeputeerde Staten (GS) weer een nieuw Natuurbeheerplan vaststellen. 1.2 Doel en status Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan is een subsidiekader en daarmee een instrument om functieverandering (van landbouw naar natuur), inrichting en beheerdoelen te realiseren die gebaseerd zijn op huidig beleid voor het landelijk gebied op het gebied van water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie (zie hoofdstuk 2). In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste beheerdoelen voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden. De vaststelling van het NNN in planologisch opzicht is vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Het Natuurbeheerplan volgt dus de begrenzing van het NNN die in de Omgevingsverordening is vastgelegd. Dit betekent ook dat eventuele opmerkingen over de NNN-begrenzing niet via het Natuurbeheerplan kunnen worden meegenomen, maar via de procedure van de Omgevingsverordening lopen 1 . Het Natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties en heeft dus geen invloed op eigendomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden. Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend. Opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt dus niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van ontwikkeling of beheer van (agrarische) natuur. Het zorgt er alleen voor dat beheerders en (agrarische) collectieven van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied, als agrarische natuur of als landschapselement de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden. 1.3 Wijzigingen Natuurbeheerplan 2027 Dit Natuurbeheerplan 2027 is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van het Natuurbeheerplan 2026: •De tekst van het Natuurbeheerplan is geactualiseerd, verduidelijkt en aangepast aan recente beleidsontwikkelingen; •De meest actuele begrenzingen van het NNN zijn overgenomen uit de Omgevingsverordening; •De beheertypenkaart en de ambitiekaart zijn geactualiseerd. 1.4 Leeswijzer In het Natuurbeheerplan wordt achtereenvolgens beschreven: Hoofdstuk 2: Beleidskader Hoofdstuk 3: Subsidiestelsel Natuur en Landschap Hoofdstuk 4: Natuur- en landschapsdoelen Hoofdstuk 5: Subsidiemogelijkheden 2. Beleidskader Het Natuurbeheerplan is gebaseerd op het vigerend beleid voor het landelijk gebied voor water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie. In dit hoofdstuk lichten wij de belangrijkste onderdelen en ontwikkelingen toe. 2.1 Europees kader natuur en landschap De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het instandhouden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet er op toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen. Naast de bovenstaande beleidskaders is zowel de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016) als de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016 (SKNL2016) getoetst op staatssteun. Op basis van de Richtsnoeren voor de land- en bosbouwsector heeft de EC goedkeuring verleend aan de beide modelverordeningen en hebben de provincies zich daarmee gecommitteerd aan de bijbehorende vereisten. GLB-NSP 2023-2027 Voor het platteland zijn door de EC beleidsdoelen en regels vastgesteld in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 (GLB). Het GLB bevat ambities op het gebied van natuur, klimaat en milieu. Dit is samen te vatten in de term ‘toekomstbestendig boeren’, waarbij het belonen van boeren die naast het produceren van voedsel ook zorgen voor natuur, klimaat en milieu een belangrijke rol speelt. Het Rijk heeft het GLB uitgewerkt in een Nationaal Strategisch Plan (NSP), welke op 13 december 2022 is goedgekeurd door de EC. Met het GLB-NSP zetten rijk, provincies en waterschappen samen de beleidslijnen uit voor beide subsidiefondsen van het GLB, zowel het Plattelandsfonds (pijler 2), als het Garantiefonds (pijler 1). Het Garantiefonds wordt deels ingezet via het instrument ecoregelingen en door budget over te hevelen naar het plattelandsfonds, waardoor meer ruimte ontstaat voor investeringen, innovatie, samenwerken en kennisoverdracht voor toekomstgerichte bedrijven en verbreding en optimalisatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Ecoregelingen en conditionaliteiten uit pijler 1 en het ANLb uit pijler 2 kunnen naast elkaar worden ingezet en elkaar versterken. Ook is het mogelijk om ze beiden in te zetten mits zogenaamde double funding voorkomen wordt (dit betekent dat dezelfde activiteit op hetzelfde perceel slechts uit één regeling betaald kan worden). De ecoregelingen en conditionaliteiten hebben een meer nationaal generieke invulling (met regionale gebiedsgerichte accenten). Het herstel en instandhouding van habitats en landschappen vergt een integrale aanpak die past bij het gebied. Het ANLb richt zich op gebiedsgerichte activiteiten die boeren samen ondernemen om doelsoorten en doelen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en opgave Water en Klimaat te ondersteunen. De bijdrage die de Nederlandse lidstaat levert aan het agro milieu en klimaat is vastgelegd in het GLB-NSP, waarin de ambitie van Nederland is aangeduid. Het agrarisch natuurbeleid, het ecologisch waterbeheer en klimaatdoelen worden gekoppeld aan het ANLb en worden deels gefinancierd met Europees geld. Daarmee moet de uitvoering van het Anlb voldoen aan het GLB-NSP, als voorwaarde voor goedkeuring van het ANLb in Brussel. Zie voor de beschrijving van het Anlb paragraaf 5.3 Plattelandsontwikkelingsinterventies van het Programmadocument NSP-GLB 2023-2027. Natuurherstelverordening Op 18 augustus 2024 is de Europese natuurherstelverordening (hierna: NHV) in werking getreden. Deze verordening verplicht lidstaten om doeltreffende maatregelen te treffen om de natuur te herstellen, continu te verbeteren en niet te laten verslechteren. Het bevat oplopende kwantitiatieve doelstellingen voor terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen en mariene ecosystemen die nu niet in goede conditie verkeren, voor 2030, 2040 en 2050. Ook zijn er aanvullende doelstellingen, bijvoorbeeld voor landbouwecosystemen. Daarnaast gelden er verplichtingen m.b.t. het opstellen van een nationaal natuurherstelplan, monitoring en verslaglegging. Alle artikelen van de verordening zijn direct van toepassing. In september 2025 heeft het (demissionaire) kabinet het programmaplan vastgesteld, die de stappen omschrijft richting het opstellen en het indienen van het nationale natuurherstelplan (hierna: Natuurplan). Een concept moet voor 1 september 2026 worden ingediend bij de Europese commissie, een definitief Natuurplan uiterlijk 1 september 2027. Bestaande natuurbeleidsprogramma’s worden, waar mogelijk, in samenhang ondergebracht in het Natuurplan. Verder wordt verkend welke aanvullende opgaven de NHV stelt ten opzichte van bestaand natuurbeleid. De NHV heeft daarom op dit moment nog niet geleid tot aanpassing van het natuurbeheerplan. Bij de vaststelling van het Natuurplan (door het Rijk), en de bijbehorende afspraken over de implementatie van de natuurherstelverordening, zullen provincies bepalen of en welke wijzingen van het provinciale natuurbeheerplan gewenst zijn. 2.2 Rijksbeleid natuur en landschap Het Rijk stelt op grond van internationale verplichtingen op hoofdlijnen de doelen voor natuurbeleid vast en geeft de kaders aan waarbinnen die doelen gerealiseerd kunnen worden. Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact (2013) door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. Hierin past de transitie naar een natuurinclusieve samenleving, waaronder de transitie in de landbouw richting kringlooplandbouw. Hierin werkt het Ministerie van LVVN via o.a. de Agenda Natuurinclusief, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en Basiskwaliteit Natuur samen met provincies en maatschappelijke partijen aan de transitie naar een natuurinclusieve samenleving. De uitvoering van het beleid voor natuur en platteland is met ingang van 2014 gedecentraliseerd naar de provincies en vastgelegd in het Natuurpact. Het Natuurpact is op 18 september 2013 door staatssecretaris Dijksma aangeboden aan de Tweede Kamer. In dit pact zijn de ambities vastgelegd met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland voor de periode tot en met 2027. Het Rijk draagt bij aan de realisatie van deze ambities door – via het Provinciefonds – jaarlijks te investeren in natuur, ten behoeve van zowel NNN-realisatie als (agrarisch) natuur- en soortenbeheer. Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw’ In de Kamerbrief van 26 juni 2026 presenteert het kabinet een samenhangend pakket aan maatregelen om stikstofreductie te realiseren, natuur te herstellen en tegelijkertijd ruimte te creëren voor economische ontwikkeling. De aanpak richt zich op het terugdringen van emissies, het versterken van natuurkwaliteit en het bieden van perspectief aan de landbouw. Voor het natuurbeheer zet het kabinet in op het verbeteren van de effectiviteit en uitvoerbaarheid van beheer. Daarbij is het voornemen om de vergoedingen voor natuurbeheer structureel te verhogen, zodat deze beter aansluiten bij de werkelijke kosten en inspanningen van beheerders. Ook wil het kabinet meer sturen op resultaat door het maken van prestatieafspraken met beheerders, gericht op het daadwerkelijk realiseren van natuurdoelen en het verbeteren van de natuurkwaliteit. Het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) wordt gerichter ingezet in de zones rond Natura 2000-gebieden. In deze overgangszones kan het ANLb bijdragen aan het verminderen van stikstofbelasting op kwetsbare natuur, bijvoorbeeld door extensiever landgebruik, aangepaste bedrijfsvoering en het versterken van landschapselementen. De inzet is om juist in deze gebieden de effectiviteit van maatregelen te vergroten en zo een buffer te creëren rond Natura 2000-gebieden. Daarnaast wordt het Agrarisch Natuurbeheer (ANB, met daarin instrumenten zoals afwaardering landbouwgrond) in deze zones versterkt en verbreed. Hierbij wordt een koppeling gelegd met natuur-, water- en klimaatopgaven. Agrariërs worden gestimuleerd om als beheerder van het landschap bij te dragen aan natuurkwaliteit, onder meer via gebiedsgerichte afspraken en integrale beheermaatregelen. Hiermee wordt beoogd de samenhang tussen landbouw en natuur te versterken en de druk op Natura 2000-gebieden structureel te verlagen. De aanpak is aanvullend op de bestaande aanpak via onder andere het Natuurpact. De Kamerbrief moet nog uitgewerkt worden, waarbij Noord-Holland overigens de eigen aanpak van het provinciale Programma Natuurherstel en Stikstofvermindering actief zal inbrengen. Al met al heeft de Kamerbrief in deze fase niet geleid tot aanpassing van het natuurbeheerplan. Uitwerking Contourenbrief Agrarisch Natuurbeheer In de Kamerbrief van 4 juli 2025 geeft het ministerie van LVVN de prioriteiten aan voor de besteding van de extra middelen voor het Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Hierbij gaat het niet alleen om het Anlb-beheer, maar ook om inrichting, herwaardering van de grond en ruilverkaveling. Ten behoeve van verbetering van de effectiviteit wordt het Anlb-budget gebiedsgericht en geclusterd ingezet voor zwaar beheer. Het ANLb moet vooral worden ingezet voor het beschermen en verbeteren van internationale soorten. In de Kamerbrief is aangegeven dat de extra middelen voor ANLb prioritair worden ingezet in specifieke aandachtsgebieden, te weten: 1) de leefgebieden voor de grutto en 2) in en rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden wordt integraal ingezet op de doelen voor natuur, water en klimaat. Voor de inzet van extra middelen voor het ANLb in 2027 is door Rijk en provincies de ‘Leidraad 2.0 inzet ANLb groeimiddelen 2027’ (verder de leidraad genoemd) ontwikkeld. Deze leidraad geeft richting aan waar en op welke wijze de extra middelen ingezet behoren te worden. Doel is om te zorgen dat extra middelen op duurzame wijze ingezet kunnen worden op de plekken waar dat het meeste prioriteit heeft. Daarbij wordt aangesloten bij de prioritaire gebieden die hierboven zijn genoemd. De leidraad is verwerkt in voorliggend Natuurbeheerplan. In paragraaf 4.3 is aangegeven wat dit betekent voor de gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven. Inbreukprocedure en Afsprakenkader grutto De Europese Commissie (EC) startte eind juli 2024 een inbreukprocedure tegen Nederland. De Nederlandse regering neemt volgens de EC onvoldoende maatregelen om de grutto te beschermen en voldoet daarom niet aan zijn verplichtingen op grond van de Europese Vogelrichtlijn. Daarop heeft het ministerie van LVVN verschillende maatregelen gepresenteerd die de daling van de gruttopopulatie tegen moeten gaan. Het gaat hierbij onder meer om het versterken van weidevogelbeheer binnen en buiten het NNN en om faciliterende maatregelen zoals optimaliseren waterbeheer, predatiebeheer en grondbeleid. LVVN benoemt hierbij de zogeheten gruttokerngebieden, waar internationaal belangrijke concentraties grutto's broeden. Van de 16 Nederlandse gruttokerngebieden liggen er 7 geheel of gedeeltelijk in Noord-Holland. In het verlengde hiervan hebben LVVN en de 7 weidevogelprovincies op 6 juli 2026 het Afsprakenkader Aanvalsplan Grutto ondertekend om de bescherming van de grutto in de Aanvalsplan Grutto gebieden te versterken. In het afsprakenkader leggen Rijk en provincies vast wie waarvoor verantwoordelijk is om het Aanvalsplan Grutto sneller, gerichter en gezamenlijk uit te voeren. Partijen hebben toegezegd zorg te dragen voor een mix aan instrumenten gericht op zwaar beheer en grondbeleid. De inzet richt zich daarbij op 35 kansrijke leefgebieden van minimaal 2000 hectare, waarvan per gebied ten minste 1000 hectare optimaal wordt ingericht en beheerd voor de grutto. Doel is om de gruttopopulatie richting 2035 weer te laten groeien. Aan de maatregelen voor de grutto wordt nog verder gewerkt en deze leiden daarom niet tot aanpassingen van dit natuurbeheerplan. 2.3 Provinciaal beleid De provincies zijn volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. In Noord-Holland zetten we onder meer in op het beschermen van natuurgebieden en kwetsbare landschappen. Dit doen we op grond van landelijke en provinciale wet- en regelgeving, zoals de Omgevingsverordening. Daarnaast heeft de provincie een ontwikkelende taak en is daarbij verantwoordelijk voor de aanleg en het herstel van natuurgebieden en het bieden van rust, ruimte en recreatieve mogelijkheden aan bewoners en bezoekers. Verder is de provincie op grond van de Omgevingswet verantwoordelijk voor de instandhouding en herstel van in het wild levende planten en dieren en hun leefgebieden. Ook het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden is een wettelijke verantwoordelijkheid. Door gebieden te beheren, creëren we gunstige condities voor biodiversiteit en natuurbeleving, gaan we de ontwikkeling van ongewenste soorten tegen en voorkomen we schade. De provincie voert de regie en werkt voor de uitvoering samen met (gecertificeerde) beheerders, zoals terreinbeherende organisaties en natuur- en agrarische collectieven. Het ontwikkelen van natuurgebieden en het beheer van (agrarische) natuur wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van subsidie via het SNL. Wij streven daarbij naar een goede natuurkwaliteit (SNL-kwaliteit ‘Hoog’ voor elk natuurbeheertype). Programma Landelijk Gebied Noord-Holland (PLG) Het Programma Landelijk Gebied Noord-Holland 2025–20402 geeft richting aan de aanpak van grote en samenhangende opgaven in het landelijk gebied. Voor de provincie Noord-Holland gelden de volgende hoofddoelen: 1.Meer biodiversiteit 2.Minder stikstofuitstoot 3.Een klimaatadaptief en gezond water- en bodemsysteem 4.Een beter klimaat en minder bodemdaling 5.Een sterke en duurzame agrarische sector 6.Een beleefbaar landelijk gebied 7.Integraal beleid voor het landelijk gebied Wij richten de inzet primair op die doelen waarvoor we én hoofdverantwoordelijk zijn én sprake is van hoge urgentie. Dit geldt in het bijzonder voor het afronden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het uitvoeren van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) voor natuurherstel (beiden onderdeel van het eerste hoofddoel Meer biodiversiteit) en op stikstofreductie. Voor deze opgaven zetten wij alle beschikbare instrumenten in en richten wij zoveel mogelijk capaciteit op de uitvoering. Zie voor een nadere beschrijving: Programma Landelijk Gebied (PLG). Realisatiestrategie NNN Op 7 oktober 2025 hebben GS de realisatiestrategie NNN vastgesteld. Hieruit blijkt dat in vijf gebieden met kwetsbare, stikstofgevoelige (moeras)natuur het natuurherstel het meest urgent is. Dat zijn de Oostelijke Vechtplassen, Polder Westzaan, Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (IVOT), Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder en Eilandspolder. In deze gebieden, focusgebieden genaamd, zet de provincie extra capaciteit in om het NNN hier af te ronden. Ter voorbereiding op het maken van inrichtings- en beheerplannen voor de focusgebieden zullen we uiterlijk op 1 januari 2027 de ambitiekaarten en de begrenzingen voor de focusgebieden geactualiseerd hebben, zodat deze volledig aansluiten op de VHR-doelen. De geactualiseerde ambitiekaarten worden, na de gebruikelijke terinzagelegging, vastgesteld in het Natuurbeheerplan 2028 (dus nog niet met dit voorliggende Natuurbeheerplan 2027, behoudens technische wijzigingen). In de genoemde focusgebieden is de meeste urgentie voor natuurherstel. Hier moeten de randvoorwaarden voor VHR-doelbereik zo snel mogelijk worden gerealiseerd. Vandaar dat de subsidie voor Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) per 1 januari 2029 stopt in de focusgebieden en op reguliere pachtgrond (binnen en buiten focus). Bestaande Anlb-pakketten binnen NNN kunnen tot en met 2028 worden uitgediend, maar tussentijds niet worden verzwaard of uitgebreid. Na die datum, of zoveel eerder als mogelijk, kan voor natuurbeheer aanspraak worden gemaakt op de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer (SVNL)3 . In de realisatiestrategie NNN en de daaraan voorafgaande Korte Termijn Agenda (KTA) worden ‘overgangszones’ benoemd. Deze zijn gedefinieerd als een zone van 500 meter rondom stikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Hierin staat de verzachting van de overgang van natuur en landbouw centraal. De provincie stimuleert hier maatregelen die de natuur versterken, bijvoorbeeld de inzet van agrarisch natuurbeheer, subsidies voor investeringen in een emissiearme bedrijfsvoering of voor groenblauwe dooradering. In de overgangszones wordt actief ingezet op het promoten van dergelijke regelingen onder agrariërs omdat hier de meeste effecten worden verwacht. Zoals ook aangegeven in de KTA is het uitgangspunt dat overgangszones geen planologisch instrument zijn. Zie voor meer informatie over de realisatiestrategie NNN: Natuurnetwerk Nederland (NNN). 3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap De provincie verleent subsidies voor de ontwikkeling en het beheer van natuurterreinen, en voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer op basis van subsidieregelingen die vallen onder het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). In het SNL wordt onderscheid gemaakt in subsidie voor functieverandering en inrichting en subsidie voor beheer. Subsidie is alleen mogelijk voor de percelen die op de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan met een beheertype/leefgebied zijn aangegeven en begrensd. In interprovinciaal verband hebben de provincies afgesproken de regelingen zo uniform mogelijk uit te voeren. Zie verder hoofdstuk 5 voor de verschillende subsidiemogelijkheden. 3.1 De Index Natuur en Landschap De Index Natuur en Landschap vormt de basis voor het Natuurbeheerplan. Deze Index is een landelijk uniforme en sterk gestandaardiseerde ‘natuurtaal’ waarin de Nederlandse natuur- en landschapselementtypen worden vastgelegd. De Index wordt gebruikt voor de aanduiding van de natuur- en landschapsdoelen en voor de monitoring. Het bevordert een goede afstemming tussen beheerders onderling en tussen beheerders en overheden. De Index Natuur en Landschap bestaat uit de onderdelen natuur, agrarische natuur en landschapselementen. In de Index worden twee niveaus onderscheiden: de natuurtypen voor de sturing op landelijk niveau en de beheertypen voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau. Zij vormen de basis voor afspraken over doelen en middelen tussen provincie en beheerder. Voor meer informatie over de Index Natuur en Landschap zie https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/ 3.2 De kaarten in het Natuurbeheerplan Het Natuurbeheerplan kent een beheertypenkaart, een ambitiekaart en een kaart ‘bijzondere gebieden’ (vaarland, schapenbegrazing en kerngebieden grutto), zie kaartviewer. Zij vormen met de beschrijving van de doelen de kern van het Natuurbeheerplan. Beheertypenkaart De beheertypenkaart (kaart 1) geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur weer volgens de Index Natuur en Landschap. De beheertypenkaart vormt de basis voor het verlenen van beheersubsidies voor (agrarische) natuur, waarbij onderscheid is tussen het NNN en de agrarische leefgebieden. Alle bestaande, gerealiseerde NNN heeft een beheertype toegekend gekregen op de beheertypenkaart. Van beheerders van bestaande natuur – ook als zij geen subsidie ontvangen, zoals drinkwaterbedrijven – wordt verwacht dat zij hun beheer uitvoeren, gericht op de instandhouding van de beheertypen. Voor natuurbeheer is per natuurterrein en/of perceel één beheertype toegekend. Een beheerder komt alleen voor financiering van het aangewezen beheertype in aanmerking. Indien er op een perceel nog geen bestaand beheertype aanwezig is, wordt het op de beheertypenkaart als type ‘N00.01 Nog om te vormen naar natuur’ aangegeven. Dit betekent dat de grond nog niet is gerealiseerd als NNN en dat hier ontwikkeling tot een gewenst beheertype uit de ambitiekaart nodig is. Deze gronden komen niet direct, maar pas na het beschikbaar komen voor de natuurfunctie (door aankoop, particulier beheer of reguliere pachtbeëindiging) en eventueel noodzakelijke inrichting voor beheersubsidie in aanmerking. Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden we de leefgebieden open grasland, open akkerland en dooradering. Dit zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat. Alleen binnen de begrenzing van deze leefgebieden/categorieën is Anlb-subsidie mogelijk. Ambitiekaart Voor alle als NNN begrensde natuurgebieden is een ambitie bepaald. De ambitie bestaat uit een (ambitie)beheertype waar de provincie naar streeft. De ambitiekaart (kaart 2) vormt de basis voor de (subsidiëring van) kwaliteitsverbetering op grond van de SKNL, inclusief omvorming van landbouw naar natuur. Een verschil tussen de beheertypenkaart en de ambitiekaart laat zien waar een verbetering van de natuurkwaliteit mogelijk en wenselijk is. Bijzondere gebieden De kaart bijzondere gebieden (kaart 3) laat zien waar er subsidies mogelijk zijn voor specifiek beheer voor natuur (vaarland- en schapenbijdrage). Vaarland De provincie Noord-Holland kan subsidie verstrekken voor percelen die op de vaarlandkaart staan. De vaarbijdrage betreft een extra vergoeding voor transportkosten in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt. Gescheperde schaapskuddes De provincie Noord-Holland kan subsidie verstrekken voor het onderhoud van (minstens 10 ha grote) terreinen met een gescheperde schaapskudde. Dit is een rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden. Hierbij wordt het landelijke onderscheid aangehouden tussen hoog tarief (uitsluitend voor de beheertypen N06.03 (Hoogveen), N09.01 (Schor of kwelder), N11.01 (Droog schraalland) of N12.01 (Bloemdijk)) en laag tarief (uitsluitend voor de beheertypen N06.04 (Vochtige heide), N07.01 (Droge heide), N07.02 (Zandverstuiving), N08.02 (Open duin) of N08.04 (Duinheide)). Om budgettaire redenen zijn uitsluitend de percelen met bestaande schaapskuddes in de Gooise heidegebieden opgenomen op de bijdragekaart. Voor continuering van de subsidie zal in ieder geval getoetst worden op de aanwezigheid van bovengenoemde beheertypen. Ook verwachten wij een inhoudelijke onderbouwing in een beheerplan dat schapenbegrazing met een gescheperde schaapskudde noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen (van de betreffende beheertypen). Eventuele nieuwe aanvragen voor andere gebieden, welke inhoudelijk zijn onderbouwd in een Natura 2000-beheerplan, worden vóór indiening besproken in het goede gesprek tussen provincie en beheerder. 3.3 Monitoring Monitoring Voor het Nederlandse natuurbeleid en natuurbeheer wordt jaarlijks veel geïnvesteerd om waardevolle natuurgebieden en soorten te behouden, te beschermen en waar nodig de omstandigheden te verbeteren. Uiteraard dient onderzocht te worden of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Daarom is monitoring een essentieel onderdeel van de beheercyclus. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijv. aantallen dieren en planten (kwaliteit). Natuurbeheer Voor de monitoring van het natuurbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen. Op de website van BIJ12 zijn de werkwijze en aanvullende informatie over deze monitoring weergegeven (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd. Gecertificeerde natuurbeheerders hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Uit efficiencyoverwegingen hebben wij met Natuurcollectief Noord-Holland en Natuurcollectief Water, Land & Dijken afgesproken dat wij zelf de monitoring voor hun leden uitvoeren. Deze collectieven ontvangen dus geen SNL-monitoringssubsidie. Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen (op provinciaal, landelijk en Europees niveau) te evalueren). De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring. Water Met de categorie Water (blauwe diensten) van het ANLb wordt ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit). Klimaat Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middel van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) (nog) geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld. Kwaliteitsborging Voorwaarde voor beheersubsidie is dat de aanvrager (van zowel SVNL- als Anlb-subsidie) is gecertificeerd. De Stichting Certificering verzorgt in opdracht van de provincies de certificering en borgt daarmee dat de beheerders via een continue cyclus de kwaliteit van interne werkprocessen verbeteren. Dit komt het professionele beheer van natuurterreinen en agrarische landschappen ten goede. Conform de certificeringseisen draagt de beheerder zorg voor een evaluatie van het beheer en maakt daarbij gebruik van resultaten van de monitoring. Daarnaast vinden er jaarlijks zogeheten Goede Gesprekken plaats tussen de provincie en de beheerder over de kwaliteit van de gebieden en de ecologische effectiviteit van het beheer, op basis van de uitgevoerde monitoring. De monitoring en evaluatie, de certificering en het Goede Gesprek geven samen invulling aan de gewenste borging van de kwaliteit van het beheer. 4. Natuur- en Landschapsdoelen In dit hoofdstuk worden de beleidsdoelen en criteria beschreven ten aanzien van onze natuur-, landschaps-, water- en klimaatdoelen. Deze doelen zijn verwerkt in de kaarten. Gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven worden door de provincie getoetst op de inhoudelijke beoordelingscriteria van paragraaf 4.3 en 4.4 en door de RVO op de criteria van tabel 4.5. 4.1 Gebiedsbeschrijving/wezenlijke kenmerken en waarden In de Omgevingsverordening zijn de wezenlijke kenmerken en waarden (wkw's) opgenomen van alle begrensde NNN-gebieden. Per deelgebied NNN zijn naast de algemene gegevens de oppervlakte en samenhang NNN, de landschapsecologische karakteristiek, de natuurwaarden (aan de hand van kernkwaliteiten, beheertypen, soortgroepen en soorten), abiotische en ruimtelijke condities en de vervangbaarheid beschreven. Zie bijlage 6 van de Omgevingsverordening NH2022 | Lokale wet- en regelgeving. 4.2 Beleidsdoelen en criteria natuur- en landschapsbeheer De beleidsdoelen en criteria voor het NNN zijn beschreven in termen van de beheertypen zoals opgenomen in de ambitiekaart. De beheertypen zijn nader uitgewerkt in de Index Natuur en Landschap (Index Natuur en Landschap - BIJ12), die landelijk wordt bijgehouden door BIJ12 in opdracht van de provincies. Onderdelen van de Index zijn: •Een algemene beschrijving van het beheertype. •De afbakening: specifieke kenmerken van het beheertype waardoor het zich onderscheidt van andere. De Index maakt deel uit van de Subsidieverordening Natuur en Landschap (SVNL). Ontvangers van beheersubsidie hebben een instandhoudingsverplichting van het beheertype zoals omschreven en afgebakend in de Index. De Index schrijft meestal echter niet voor wat een beheerder moet doen of laten om beheersubsidie te krijgen. Om beheerders hierbij meer houvast te geven heeft de provincie Noord Holland beheerrichtlijnen opgesteld. Dit document bevat per natuur- en landschapsbeheertype de basisverplichtingen en richtlijnen voor inrichting en beheer. Het bieden van heldere beheerkaders ondersteunt niet alleen de NNN-realisatie, maar borgt ook de gunstige staat van instandhouding van natuurwaarden. 4.3 Beleidsdoelen en criteria agrarische leefgebieden In deze paragraaf zijn de beleidsdoelen voor de drie agrarische leefgebieden open grasland, open akkerland en dooradering beschreven. De provincie heeft alle drie de leefgebieden in het Natuurbeheerplan opgenomen. Per leefgebied zijn de doelsoorten genoemd, afgeleid van het landelijke overzicht van Anlb-doelsoorten (website BIJ12). Het gaat om soorten die afhankelijk zijn van of in grote mate baat hebben bij agrarisch natuurbeheer. Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor vitale populaties. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Uit doelmatigheidsoverwegingen hebben de provincies afgesproken uniforme instapcriteria te hanteren in de vorm van aanwezigheid van doelsoorten en een minimumomvang aan samenhangend leefgebied. De instapcriteria zijn gebaseerd op het Alterra-rapport Criteria voor leefgebieden en beheertypen. Deze instapcriteria zijn ook opgenomen in het Europees goedgekeurde NSP en vormen de basis voor de begrenzingen van de leefgebieden. In de gebiedsaanvragen van de collectieven worden deze criteria vertaald naar een beheerstrategie. 4.3.1. Open grasland (deelkaart b). Het leefgebied open grasland bestaat uit open landschappen met overwegend grasland, waarvan een substantieel deel uit vochtig en kruidenrijk grasland bestaat. Vaak is dit leefgebied doorsneden met een fijnmazig netwerk van lijnvormige wateren: sloten, weteringen en vaarten. Er kan in beperkte mate opgaande begroeiing aanwezig zijn. Het leefgebied open grasland bevindt zich met name in de veenweidegebieden van Laag-Holland, Amstelland en West-Friesland. De prioriteit bij het beheer ligt bij broedende weidevogels, maar ook wintergasten worden door dit leefgebied bediend. Voor wat betreft de broedende weidevogels is Nederland internationaal gezien vooral van belang voor de grutto, maar ook voor bijvoorbeeld de scholekster, slobeend en tureluur. De onderstaande doelsoortenlijst is gebaseerd op het landelijk vastgestelde overzicht van de doelsoorten van internationaal belang, voorkomend in Noord-Holland. Genoemde vogels betreffen broedvogels, tenzij anders vermeld. Doelsoorten Noord-Holland. •Watersnip •Grutto •Kievit •Scholekster •Slobeend •Wulp •Tureluur •Zomertaling •Kemphaan •Gele kwikstaart •Graspieper •Veldleeuwerik •Kwartelkoning •Torenvalk •Spreeuw •Kleine zwaan (niet-broedvogel/nbrv) •Rotgans (nbrv) •Noordse woelmuis De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in het leefgebied open grasland dragen voor deze soorten bij aan het optimaliseren van de foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden en het creëren van nat biotoop. Tabel instapcriteria voor oppervlakte en doelsoorten (open grasland) De instapcriteria voor het leefgebied open grasland ondersteunen ecologisch effectief beheer en staan in onderstaand overzicht. Beheertypen open grasland Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor) Omvang gebied Weidevogelgrasland in open landschap Minimaal 10 broedparen van grutto per 100 ha óf minimaal 50 broedparen van de soorten grutto, tureluur en slobeend samen per 100 ha. Minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is. Weidevogelland met riet en opgaande begroeiing Minimaal 30 broedparen van de soorten kievit, scholekster en wulp samen per 100 ha óf het gebied is van groot belang voor de noordse woelmuis. Minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is. Aanvalsplan Grutto Via het Aanvalsplan Grutto zijn in 2023 extra middelen beschikbaar gesteld voor het uitbreiden en verzwaren van het ANLb in de zogenaamde grutto-kansgebieden, verspreid over zeven provincies. In Noord-Holland zijn vier kansgebieden aangewezen, namelijk Laag Holland, Amstelland, West-Friesland en Spaarnwoude. De kansgebieden omvatten zowel natuurgebied (NNN) met een weidevogeldoelstelling (13.01 Vochtig weidevogelgrasland) als landbouwgrond in het leefgebied Open grasland, waar agrarisch natuurbeheer voor is of wordt afgesloten. Onderstaand wordt alleen ingegaan op de mogelijkheden van inzet van ANLb voor de realisatie van het Aanvalsplan Grutto (AvG). Speerpunten AvG De inrichting en beheer voor het Aanvalsplan Grutto richt zich op vier speerpunten. Ten eerste wordt ingezet op grote open gebieden van voldoende schaal. In de praktijk wordt gestreefd naar gebieden van minimaal 1000 ha, met een kern van circa 200 ha met inrichting en beheer volledig toegespitst op weidevogels. Ten tweede worden deze gebieden gekenmerkt door een relatief hoog waterpeil. Het derde speerpunt richt zich op aangepast agrarisch beheer met voldoende kuikenland zodat er per broedpaar jaarlijks 0,8 grutto's kunnen uitvliegen. Het vierde punt betreft actief predatorenbeheer. Kwaliteitscriteria AvG Vanuit de behoefte binnen AvG om meer houvast te bieden, zijn de speerpunten vertaald naar heldere criteria. Voor de percelen die deelnemen aan het Aanvalsplan zijn de volgende criteria uitgewerkt4 : •Minimaal 1 ha plasdras volvelds per 100 ha gedurende het gehele broedseizoen met kruidenrijk grasland aangrenzend, ook in juli en augustus (periode vogelgestuurd in afstemming met gebiedsregisseur). Bij minder dan 100 ha een halve ha volvelds plas dras gedurende het gehele broedseizoen met kruidenrijk grasland aangrenzend, ook in juli en augustus (periode vogel gestuurd in afstemming met gebiedsregisseur). •50% hoog oppervlaktewaterpeil variërend van 0- 40 cm beneden maaiveld (15 februari-1 juli,) bv via de greppel/slootplasdras (aanvullend) bij zowel veen als klei; aanpassing periode is mogelijk in overleg met de mozaïekregisseur5 . •Minimaal 20% van de percelen worden tijden het broedseizoen beweid met melkvee en/of jongvee. Vogelgericht beweiden op advies van de mozaïekregisseur. Voor- en naweiden, in afstemming met mozaïek/beheerregisseur. •Minimaal 30% van de percelen zijn kruidenrijk met inheemse kruiden en latere of tragere grassen. Dit betekent type 2 grassenmix-plus als basis, idealiter type 3 graskruidenmix of type 4 bloemrijk grasland. Of er wordt toegegroeid naar kruidenrijk grasland via verschralingsbeheer (via niet bemesten en hoger waterpeil). •Op minimaal 50% van de percelen is een rustperiode tijdens het broedseizoen aanwezig (15 maart- 1 juli) aanpassing periode is mogelijk in overleg met de mozaïekregisseur. •Bemesting vaste mest en/of vaste fractie voor percelen met kruidenrijk grasland en uitgesteld maaibeheer. Geen kunstmest voor deze percelen. Voorjaar minimale tot lichte bemesting (max 5-10 ton per ha per jaar)6 . •Geen kerende grondbewerking, behoud microreliëf. •Rust (niet nachtmaaien). 4.3.2. Open akkerland (deelkaart c). Dit leefgebied bestaat uit landschappen met overwegend bouwland waarin wordt voldaan aan de eisen die akkervogels stellen. Bouwland bestaat uit akkers met gewassen zoals bijvoorbeeld granen, aardappels of suikerbieten. De akkers zijn doorsneden met bermen, sloten, waterkeringen en meer of minder opgaande begroeiing. Het leefgebied open akkerland concentreert zich in de kop van Noord-Holland, Texel en de grote droogmakerijen (Haarlemmermeer, Beemster, Schermer). Deze gebieden herbergen hoge dichtheden akkervogels als gele kwikstaart, kievit en scholekster, die ook landelijk in het oog springen. De belangrijkste ecologische eisen van akkersoorten zijn: voldoende voedsel en veilige broedgebieden in de zomer en voldoende voedsel en rustgebieden in de winter. De onderstaande doelsoortenlijst is gebaseerd op het landelijk vastgestelde overzicht van de doelsoorten van internationaal belang, voorkomend in Noord-Holland. Het betreft broedvogels, tenzij anders vermeld. Doelsoorten Noord-Holland •Blauwe kiekendief (nbrv) •Ruigpootbuizerd (nbrv) •Velduil (brv + nbrv) •Kievit •Scholekster •Gele kwikstaart •Veldleeuwerik •Graspieper •Ringmus •Kneu •Patrijs •Kwartelkoning De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in het leefgebied open akkerland dragen voor deze soorten bij aan het creëren van foerageergebied en het optimaliseren van voortplantingsmogelijkheden. Tabel instapcriteria voor oppervlakte en doelsoorten (open akkerland) De instapcriteria voor het leefgebied open akkerland ondersteunen ecologisch effectief beheer en staan in onderstaand overzicht. Beheertypen open akkerland Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor) Omvang gebied Open akkerland voor broedende en/of overwinterende akkervogels minimaal 1-3 broedparen van patrijs, kievit, of scholekster per 100 ha en minimaal 20 broedparen van veldleeuwerik, kneu, of gele kwikstaart per 100 ha komen voor in het gebied. akkerbouwgebied van tenminste 250 ha. 4.3.3. Dooradering (deelkaart d). Dit leefgebied bestaat uit netwerken van natte en droge landschapselementen. Het leefgebied dooradering bestaat uit een breed scala aan opgaande en natte landschapselementen met uiteenlopende dimensies. Het zoekgebied beslaat het agrarisch gebied van de hele provincie. De opgaande elementen bestaan uit o.a. (knot)bomenrijen, half- en hoogstamboomgaarden, hout- en tuinwallen, heggen/hagen en bosjes. Kenmerkende doelsoorten zijn zowel soorten die voedsel in deze landschapselementen zelf vinden als broedvogels die er broeden maar voedsel daarbuiten vinden (zomer en winter). De natte elementen bestaan uit watergangen, natuurvriendelijke oevers en poelen. De aanwezigheid van poelen, oevers en sloten is mede van belang voor het voorkomen van amfibieën en libellen, en werken vaak als stapstenen. De onderstaande doelsoortenlijst is gebaseerd op het landelijk vastgestelde overzicht van de doelsoorten van internationaal belang, voorkomend in Noord-Holland. Genoemde vogels betreffen broedvogels. Doelsoorten NH droge dooradering •Patrijs •Kneu •Grote lijster •Ransuil •Spotvogel •Ringmus •Steenuil •Kerkuil •Torenvalk •Spreeuw Doelsoorten NH natte dooradering •Watersnip •Slobeend •Tureluur •Zomertaling •Bittervoorn •Grote modderkruiper •Rugstreeppad •Heikikker •Gevlekte witsnuitlibel •Noordse woelmuis De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in het leefgebied dooradering dragen voor deze soorten bij aan het optimaliseren van foerageer-, broed- en opgroeimogelijkheden en het verschralen van bodems. Tabel instapcriteria voor oppervlakte en doelsoorten (dooradering) De instapcriteria voor het leefgebied dooradering ondersteunen ecologisch effectief beheer en staan in onderstaand overzicht. Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor) Omvang gebied Er komt minimaal 1 van de doelsoorten dooradering voor in het gebied of het gebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de betreffende doelsoort(en). Minimaal 1 van de doelsoorten dooradering is recent (maximaal 2 jaar geleden) vastgesteld in het gebied óf de biotoopomstandigheden zijn optimaal aanwezig voor minimaal één van de doelsoorten én er zijn bronpopulaties van die soort aanwezig op een voor de betreffende soort te overbruggen afstand. n.v.t. 4.3.4. Groeimiddelen 2027 voor open grasland, open akkerland en dooradering In 2025 heeft Wageningen University & Research (WUR) onderzocht wat de ecologische effecten zijn van het ANLb-stelsel, verder genoemd de ecologische evaluatie van het Anlb7 . Volgens het WUR heeft het ANLb sinds de stelselwijziging in 2016 weliswaar gezorgd voor een afremming van de afname van een aantal soorten boerenlandvogels, maar is er desondanks nog steeds sprake van een brede afname. Het ANLb is in principe in staat om de negatieve trends van deze doelsoorten om te buigen, mits er maar voldoende zwaar beheer geclusterd wordt uitgevoerd. De benodigde aandelen zwaar beheer voor stabiele tot positieve trends op gebiedsniveau zijn echter fors en worden nog vrijwel nergens gehaald. Voor de doelsoort grutto bijvoorbeeld is volgens het WUR een oppervlakteaandeel van 49% zwaar beheer nodig om niet verder achteruit te gaan; voor een 3% jaarlijkse toename is dat zelfs 61% zwaar beheer. Momenteel bestaat echter de meerderheid van de Nederlandse graslandgebieden uit een onvoldoende groot aandeel zwaar beheer. Voor een effectief ANLb zal er volgens het WUR dan ook werk moeten worden gemaakt van robuuste clusters van zwaar beheer en van verhoging van het slootwaterpeil in graslandgebieden. Mede naar aanleiding van de ecologische evaluatie hebben het Ministerie van LVVN en de provincies de Leidraad 2.0 opgesteld, om komende extra Anlb-middelen zo effectief mogelijk te besteden. In deze Leidraad wordt een set aan inhoudelijke eisen gehanteerd, waarmee wordt toegewerkt naar een groter aandeel geconcentreerd zwaar beheer in deze gebieden. Deze prioritaire gebieden zijn: 1. Kerngebieden voor de Grutto Het betreft landbouwgrond binnen de kerngebieden voor de grutto. De kerngebieden bestaan volgens de Leidraad uit: •Concentratiegebieden voor de grutto zoals benoemd in het concentratiegebiedenrapport van SOVON8 ; •Aanvalsplan Grutto gebieden; •Gebieden in en rondom de 25 bestaande VR-gebieden waaraan instandhoudingsdoelen voor de grutto worden toegevoegd. Voor de beoordeling van de gebiedsaanvragen en de daarin aangeboden pakketten voor open grasland gelden de inhoudelijke criteria zoals beschreven in het kader van Aanvalsplan Grutto (zie 4.3.1). De nadruk hierbij ligt op het verzwaren van het beheer binnen het gebied, overeenkomstig de aanbevelingen uit de ecologische evaluatie van het Anlb. Dat betekent dat voor de groei van de staat van instandhouding een forse inzet gewenst is (minimaal ca 65 ha aaneengesloten beheer waarvan de helft (50%) moet bestaan uit zwaar beheer9 ). Daarbij realiseert de provincie zich dat dergelijke hoge aandelen zwaar beheer lastig zijn in te passen in de individuele agrarische bedrijfsvoering. Omdat reservaatsbeheer ook tot zwaar beheer wordt gerekend, wordt voor de gebiedsaanvragen geadviseerd het gesprek aan te gaan met de aangrenzende natuurbeheerder. 2. In en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden 10 , inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze leefgebieden zijn begrensd als open akkerland, dooradering of open grasland (kerngebied voor de Grutto) dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen: Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg); Minimaal 10% zware beheermaatregelen 11 binnen het cluster: •De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën; •Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen; •Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, door te kiezen voor passende beheerpakketten van het ANLb 12 . De (minimaal) 10 hectares zwaar beheer hoeven niet aaneengesloten te liggen, maar wel binnen een gebied van 100 hectare. Op de geselecteerde hectares wordt verwacht dat er doelsoorten open akkerland, dooradering of open grasland aanwezig zijn. 4.4 Beleidsdoelen en criteria water en klimaat Met het GLB-NSP is meer geld beschikbaar voor de categorie water en is de categorie klimaat toegevoegd. Het zoekgebied voor zowel agrarisch als klimaat beslaat het agrarisch gebied van de hele provincie. Instapcriteria zijn hier niet van toepassing. 4.4.1 Beleidsdoelen en criteria water Categorie water (deelkaart e). Een groot deel van de landbouwpercelen in Noord-Holland heeft een watergang als grens. De oevers van de watergangen kunnen door aanpassing van het normale talud (vloeiender overgang land-water bijvoorbeeld) veel diversiteit in flora en fauna bevatten en bijdragen aan de waterkwaliteit. Ook het natuurvriendelijk schonen van watergangen draagt bij aan de waterkwaliteit. Om in te spelen op veranderende klimaatomstandigheden is er daarnaast behoefte aan mogelijkheden het water (tijdelijk) op een andere manier te beheren. Daarnaast worden beheermaatregelen via de categorie Water ingezet om aan de fysisch chemische en biologische maatlatten uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) te voldoen. De doelen in relatie tot agrarisch waterbeheer zijn dan ook samen te vatten onder twee noemers: • het bewerkstelligen van een goede toestand van al het water conform de Kaderrichtlijn Water (KRW); • het realiseren van een robuust, duurzaam en klimaatbestendig watersysteem. De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in de categorie water dragen bij aan waterberging, verbeteren (chemische en ecologische) waterkwaliteit, vernatting van percelen en het vasthouden van water. De beheermaatregelen zijn verder beschreven op de website van BIJ12: W01 Waterbeheergebieden. 4.4.2 Beleidsdoelen en criteria klimaat Categorie klimaat (deelkaart f). Sinds 2023 zijn maatregelen ten behoeve van het klimaat onderdeel van het NSP. De Anlb-activiteiten die worden uitgevoerd in de categorie klimaat dragen bij aan het vastleggen van CO2, het reduceren van broeikasgassen, vernatten van percelen, opvangen van waterpieken en droogte en het omgaan met verzilting. De categorie klimaat draagt zodoende bij aan het behalen van doelen uit de nationale klimaatadaptatiestrategie, het klimaatakkoord en de bossenstrategie. De uitvoering van de beheermaatregelen, onderverdeeld in klimaatmitigatie en klimaatadaptatie, zijn verder beschreven op de website van BIJ12: K01.01 Agrarisch klimaatbeheergebied. 4.4.3 Groeimiddelen voor water en klimaat 2027 in en rondom stikstofgevoelige N2000-gebieden Ook voor de categorieën water en klimaat kan, conform de Leidraad 2.0, beheer worden gerealiseerd op landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura2000-gebieden. Daarmee wordt voorgesorteerd op het mogelijk nemen van maatregelen rondom de N2000-gebieden en te verwachten opgaven uit de Natuurherstelverordening. Binnen de gebieden is het van belang dat voldoende maatregelen geclusterd worden ingezet en de clusters van voldoende omvang zijn. De inzet van de maatregelen kan worden gericht op het beperken van drukfactoren rondom de Natura 2000-gebieden. Denk bijvoorbeeld aan het beperken van de (stikstof)emissies, beperking van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen of het stimuleren van hydrologisch herstel afhankelijk van het gebied. Het betreft landbouwgrond in en rondom stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief bovenstrooms en aangrenzend gelegen beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Indien deze als categorie water of klimaat zijn begrensd, dan gelden de volgende richtinggevende landelijke uniforme criteria voor beoordeling van de gebiedsaanvragen: Clusters van minimaal 100 ha (robuust genoeg); Minimaal 10% zware beheermaatregelen 13 binnen het cluster: •De verhouding van de inzet van de beheermaatregelen wordt gericht op de specifieke doelstellingen in het gebied en synergie tussen de betreffende leefgebieden/categorieën; •Bij voorkeur toepassing van volveldse maatregelen; •Beperkte toepassing van drijf- en kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, door te kiezen voor passende beheerpakketten van het ANLb 14 . De (minimaal) 10 hectares zwaar beheer hoeven niet aaneengesloten te liggen, maar wel binnen een gebied van 100 hectare. 4.5 Beoordelingscriteria gebiedsaanvragen De in deze paragraaf geschetste criteria worden door RVO gebruikt om de gebiedsaanvraag te toetsen. De gebiedsaanvragen worden getoetst op: •De kaarten zoals opgenomen in dit Natuurbeheerplan (bijlage 1b, c, d, e en f) •De criteria zoals opgenomen in onderstaande tabel. •De registratie van de te subsidiëren percelen als landbouwgrond. Leefgebied Beheerfuncties Open Grasland Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden Creëren nat biotoop Open Akker Creëren foerageergebied Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden Dooradering Optimaliseren foerageer-, broed- en opgroeimogelijkheden Verschralen Categorie water (agrarisch waterbeheer) Waterberging Verbeteren chemische waterkwaliteit Verbeteren ecologische waterkwaliteit Vernatting Water vasthouden Categorie Klimaat Vastleggen CO2 Reduceren broeikasgassen Vernatten Opvangen waterpieken en droogte Omgaan met verzilting Tabel bij 4.5 Beoordeling gebiedsaanvragen van agrarische collectieven 4.6 Aanvullende vereisten voor de aanleg van beboste gronden onder de SKNL Bij de aanleg van nieuw bos binnen het kader van de SKNL gelden de volgende voorschriften, gebaseerd op punt 504 van de Staatssteunrichtsnoeren voor de Land- en Bosbouwsector: a) Selectie van soorten, arealen en methoden • Bij de aanleg van nieuw bos moet worden voorkomen: ○ een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veengebieden en wetlands; ○ negatieve effecten op gebieden met een hoge ecologische waarde, waaronder landbouwgebieden gericht op hoge natuurwaarden. • In Natura 2000-gebieden is bebossing alleen toegestaan indien deze volledig in overeenstemming is met de beheersdoelstellingen van het gebied en hierover overeenstemming is bereikt met de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van Natura 2000. • Bebossing in gebieden met ecologische waarden wordt zorgvuldig afgewogen om negatieve milieueffecten te voorkomen. b) Weerbaarheid, soortenkeuze en bosbeheer • Bij de keuze van boomsoorten, rassen, ecotypen en herkomst wordt rekening gehouden met: ○ De weerbaarheid tegen klimaatverandering en natuurrampen. ○ De bodem- en hydrologische gesteldheid van het betrokken gebied. ○ Het voorkomen van het gebruik van potentieel invasieve soorten. • Begunstigden zijn verplicht het nieuw aangelegde bos gedurende de periode waarin premies voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud worden verstrekt, te beschermen en beheren. Deze zorg omvat: ○ Verzorging, uitdunning of beweiding voor de toekomstige ontwikkeling van het bos. ○ Regulering van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig materiaal. • Voor snelgroeiende soorten geldt een minimumperiode van 8 jaar en een maximumperiode van 20 jaar voordat deze soorten mogen worden gekapt. c) Alternatieven bij moeilijke omstandigheden • Wanneer vanwege ongunstige bodem-, klimatologische of milieuomstandigheden (inclusief aantasting van het milieu) geen bosbedekking volgens de nationale wetgeving kan worden gerealiseerd, mag alternatieve houtige vegetatie worden aangeplant, zoals struiken of heesters die geschikt zijn voor de lokale omstandigheden. • Deze alternatieve vegetatie wordt beheerd en beschermd op een vergelijkbaar niveau als voor bossen geldt. 5. Subsidiemogelijkheden Natuurbeheerders - onder wie natuurorganisaties, particuliere natuurbeheerders en agrarische collectieven – werken aan de realisatie van de opgaven uit het Natuurbeheerplan. Voor de kosten die zij daarbij maken kunnen zij subsidie aanvragen bij de provincie. De subsidieaanvraag is gericht op een beheertype. Dat kan zijn een beheertype voor natuur, landschap of voor agrarische natuur. De aanvraag voor een beheersubsidie is mogelijk nadat het Natuurbeheerplan is vastgesteld en een openstellingsbesluit is genomen. De beheertypen op de beheertypenkaart en de ambitiekaart zijn leidend voor de toekenning van subsidies. Daarom wordt aan beheerders gevraagd om tijdig te controleren of deze correct zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan en zo nodig wijzigingsvoorstellen te doen. In de regel wordt de input van beheerders jaarlijks in december opgehaald, dus ca. 9 maanden voor de definitieve vaststelling van het Natuurbeheerplan (september in GS). 5.1 Subsidie Natuur- en landschapsbeheer (SVNL) Natuurbeheerders (natuurorganisaties, natuurcollectieven, particuliere natuurbeheerders, agrarische collectieven) kunnen via de subsidieregeling voor natuur- en landschapsbeheer, beheersubsidie aanvragen. Alleen voor de op kaart 1 en onderliggende deelkaarten van het Natuurbeheerplan begrensde gebieden is beheersubsidie mogelijk. Bij de subsidie voor natuurbeheer moet de beheerder zijn terrein (kosteloos) openstellen. Hierop zijn enkele uitzonderingen mogelijk, deze staan in de subsidieverordening. Bijdragen In aanvulling op de natuurbeheersubsidie zijn bijdragen mogelijk voor: •Het onderhoud van basisvoorzieningen voor recreatie (paden, bankjes, bruggen); •Het houden van toezicht (voortvloeiend uit de verplichting tot openstelling van een natuurgebied); •Het uitvoeren van de natuurmonitoring; •Het transport van mensen en materieel voor natuurbeheer via boot naar terreinen die alleen varend bereikt kunnen worden; •Het beheren van een terrein met een gescheperde schaapskudde. De bijdragen zijn vaste bedragen en worden alleen toegekend aan die percelen waar ook een beheervergoeding voor het beheertype wordt gegeven. Zie voor meer informatie: Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 (SVNL 2016-2021) | Lokale wet- en regelgeving 5.2 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) Alleen agrarische collectieven kunnen subsidie krijgen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Een agrarisch collectief is een gecertificeerde (coöperatieve) vereniging/samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) begrensd gebied dat bestaat uit agrariërs en andere beheerders met gebruiksrecht van landbouwgrond in dat gebied. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie. Alleen binnen de begrenzing van de leefgebieden/categorieën is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk. Voor het verkrijgen van subsidie is een samenhangende gebiedsaanvraag vereist. Dit is een in nauwe afstemming met gebiedspartners tot stand gekomen, samenhangend ecologisch effectief en economisch efficiënt plan van een agrarisch collectief voor het uitvoeren van agrarisch natuur- en landschapsbeheer in een bepaald gebied. SVNL-A: Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016 - 2021, subsidie - Provincie Noord-Holland 5.3 Subsidies functieverandering De provincie Noord-Holland heeft twee regelingen om grond geschikt te maken voor de natuurfunctie. Dit is de subsidie Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL, onderdeel functieverandering) en de Subsidie Pachtafkoop en aankoop NNN (SPA). De SKNL functieverandering vergoedt de waardedaling voor het veranderen van landbouwgrond naar natuurgrond. De SPA is enigszins vergelijkbaar met de SKNL. Het verschil is dat de SPA-subsidie kan worden aangevraagd voor de aankoop van gronden of voor de beëindiging van een pachtovereenkomst of erfpacht op gronden. SKNL: Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Holland, subsidie - Provincie Noord-Holland Pachtafkoop en aankoop NNN-terreinen Noord-Holland, subsidie - Provincie Noord-Holland 5.4 Subsidie inrichting De al eerdergenoemde SKNL bevat ook een subsidiemogelijkheid voor de inrichting van gronden. Dit kan gaan om inrichting op grond die functieverandering (van landbouw naar natuur) heeft ondergaan, dus op basis van de SKNL functieverandering en de SPA. Indien inrichting gewenst is, is het aan te bevelen om bij een subsidie functieverandering (SKNL of SPA) 15 gelijktijdig een SKNL-aanvraag ‘inrichting na functieverandering’ in te dienen, of anders uiterlijk een maand na de verleningsbeschikking subsidie functieverandering (SKNL of SPA)15. Daarnaast biedt SKNL de mogelijkheid om via inrichting de kwaliteit van bestaande natuur, dus met een beheertype op de beheertypenkaart, te verbeteren ('Kwaliteitsimpuls'). SKNL: Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Holland, subsidie - Provincie Noord-Holland Haarlem, 22 september 2026 Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, A.T.H. van Dijk, voorzitter M.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris Namens Gedeputeerde Staten van Noord-HollandM.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio

Meer meldingen zoals "Natuurbeheerplan 2027"

APV
Openstellingsbesluit Natuur Noord-Holland 2027

Mededelingen
Natuurbeheerplan 2027

APV
Regeling Grote Projecten Almere 2026

Mededelingen
Aanwijzingsbesluit alcohol- en softdrugsverbod gemeente Almere 2025-2027

Mededelingen
Aanwijzingsbesluit Woningmarktregio's

Omgeving
Gemeente Almere - verleend - aanvraag omgevingsvergunning - het bouwen van een distributiecentrum - Agnieten 5 en 7, 1R-1R4029

Mededelingen
Privacy Governance Code gemeente Almere

APV
Beheerregeling informatiebeheer gemeente Zeewolde 2026

APV
Beheerregeling informatiebeheer Meerinzicht 2025

Omgeving
Kennisgevingen Besluit activiteiten leefomgeving (bodem) op verschillende locaties in Almere

Bestemmingsplan
Kennisgeving ontwerp wijziging werkingsgebieden en bijlagen Omgevingsverordening NH2022 2026-II

Bestemmingsplan
Omgevingsverordening NH2022 wijziging werkingsgebieden en bijlagen ronde 2026-II

