Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-08-07

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente Almere

Informatie

Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere; Gelet op titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Almere 2025; besluit: vast te stellen de navolgende Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030 1.De Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027, inclusief de bijbehorende memorie van toelichting, vast te stellen. 2.Voor de uitvoering van de subsidieregeling onderwijsachterstandenbeleid (OAB) voor het jaar 2027 een budgetplafond vast te stellen van maximaal € 12.581.088. 3.Het jaar 2027 aan te merken als overgangsjaar, waarin: •subsidieaanvragen worden beoordeeld op basis van de nieuwe beoordelingssystematiek; •geen sprake is van automatische indexatie of groei; •geen sprake is van automatische indexatie of groei; 4.De regeling per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities 1.In deze regeling worden de begrippen zoals opgenomen in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang gehanteerd, tenzij hiervan in het tweede lid wordt afgeweken.2.In deze subsidieregeling wordt verstaan onder: a.Almeerse kinderen: in de gemeente Almere woonachtige kinderen. b.ASV: de Algemene subsidieverordening Almere 2025. c.Dagopvang: voorschool voor kinderen van 0 tot 4 jaar met een aanbod van tenminste 6 uur VE per dag. d.Doelgroeppeuter: een Almeerse peuter met een VE-indicatie. e.Houder: de rechtspersoon die een of meer kinderopvanglocaties exploiteert die als kinderdagverblijf in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) zijn geregistreerd. f.Kindplaats regulier: kindplaats op een voorschool van minimaal 240 en maximaal 320 uur per jaar verdeeld over twee dagen per week, voor doelgroeppeuters van 2 tot 2,5 jaar en voor niet-doelgroeppeuters in de leeftijd van 2 jaar tot 4 jaar. g.Kindplaats VE: kindplaats op een voorschool van minimaal 960 uur verdeeld over tenminste drie dagen per week, voor doelgroeppeuters van 2,5 jaar tot 4 jaar. h.Kindplaats: plaats in een peutergroep op een voorschool. i.Maatschappelijke organisatie: een organisatie zonder winstoogmerk met een maatschappelijke doelstelling die bijdraagt aan de doelstellingen van de gemeente Almere. j.Onderwijsachterstanden: een situatie waarbij leerlingen door ongunstige omgevingskenmerken slechter presteren op school dan ze bij een gunstigere situatie zouden kunnen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meet onderwijsachterstanden door een onderwijsscore per leerling te berekenen waarin de omgevingskenmerken worden weergegeven. De onderwijsscore per leerling wordt jaarlijks vertaald naar een score per gemeente. k.Ouders: ouder(s) of wettelijke verzorgers van een Almeers kind. l.Peutergroep: vaste groep kinderen op een voorschool (stamgroep) voor kinderen van 2 tot 4 jaar. m.Peuteropvang: voorschool met aanbod van maximaal 5,5 uur per dag gedurende maximaal 40 weken per jaar voor kinderen van 2 tot 4 jaar. n.Preventieve logopedie: een interventie gericht op het vroegtijdig signaleren en voorkomen van stoornissen in de spraak-, taal- en communicatieve vaardigheden van kinderen. o.Toeleidings- en overdrachtsinstrument: een landelijk gangbaar systeem dat gebruikt wordt voor het inschrijven en overdragen van kinderen. In het systeem is onder andere de VE-indicatie van doelgroeppeuters opgenomen. p.VE (Voorschoolse educatie): het aanbod van een VE-programma binnen de kinderopvang bedoeld voor doelgroeppeuters. q.VE-toeslag: een vergoeding in de vorm van een jaarbedrag per doelgroeppeuter aan de houder voor de extra kosten van het VE-aanbod, zoals extra personele inzet voor dossiervorming, extra overleg met ouders, warme overdracht naar de basisschool en VE-trainingen. r.Voorscholen: kinderopvang met voorschoolse educatie dat als zodanig is geregistreerd in het LRK. s.VVE-indicatie: een indicatie die wordt afgegeven door de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) als advies aan ouders van kinderen die in aanmerking komen voor Voor- en Vroegschoolse Educatie. Artikel 2. Doel Het doel van deze regeling is om onderwijskansen van kinderen tussen de 0 en 12 jaar met (een risico op) onderwijsachterstanden te vergroten. Hoofdstuk 2. Pijler Vroeg- en Voorschoolse Educatie (VVE) Paragraaf 2.1. Inhoudelijke bepalingen Artikel 3. Doel Het doel van deze pijler is om de uitvoering van voorschoolse educatie op voorscholen mogelijk te maken. Artikel 4. Doelgroep Subsidies in de pijler VVE zijn gericht op: -Almeerse peuters met en zonder een VVE-indicatie. -Almeerse kinderen in de leeftijd 0 tot 7 jaar met (een risico op) een onderwijsachterstand. -Ouders/verzorgers van Almeerse peuters met en zonder een VVE-indicatie. -Professionals werkzaam op en rond voorscholen. Paragraaf 2.2. Subsidie kindplaats Artikel 5.1. Activiteiten Activiteiten die voor subsidie kindplaats in aanmerking komen moeten aansluiten op: 1.Het aanbieden van kindplaatsen regulier voor Almeerse peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag in de peuteropvang. 2.Het aanbieden van kindplaatsen VE voor Almeerse peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag in de peuteropvang. 3.Het aanbieden van kindplaatsen VE voor Almeerse peuters van ouders met recht op kinderopvangtoeslag in de peuteropvang. 4.Het aanbieden van kindplaatsen VE voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag in de dagopvang. Artikel 5.2. Hoogte van de subsidie 1.Het college subsidieert per geplaatste Almeerse peuter per uur, naar rato van de geplaatste periode, de volgende kinderplaatsen op voorscholen: a.Kindplaats regulier voor Almeerse peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag in de peuteropvang: minimaal 240 en maximaal 320 uren per jaar maal het landelijk maximum uurtarief, minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage over de afgenomen uren. b.Kindplaats VE voor Almeerse peuters van ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag in de peuteropvang: minimaal 640 en maximaal 660 uren per jaar maal het landelijk maximum uurtarief minus de in rekening gebrachte ouderbijdrage. De ouderbijdrage wordt over 320 uur per jaar in rekening gebracht. c.Kindplaats VE voor Almeerse peuters van ouders met recht op kinderopvangtoeslag in de peuteropvang: minimaal 320 en maximaal 340 uren maal het landelijk maximum uurtarief. Ouders nemen aanvullend nog ten minste 320 uur per jaar af, waarover deze ouders kinderopvangtoeslag (kunnen) aanvragen. 2.De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de verwachte verdeling van de bezetting over deze kindplaatsen, op basis van de registratie in de overdrachtsdocumenten (peildatum: 1 oktober). Omdat dit in de praktijk kan afwijken, mag met de besteding van de subsidie met de subsidiebedragen tussen de kindplaatsen van lid 1 sub a t/m c worden geschoven.3.Voor alle doelgroeppeuters op voorscholen stelt het college een VE-toeslag beschikbaar, ongeacht of de ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Als een doelgroeppeuter een gedeelte van het jaar gebruik maakt van de kindplaats VE, wordt dit bedrag naar rato van de periode van plaatsing verstrekt.4.Het college stelt een vast subsidiebedrag per uur voor maximaal 320 uur per locatie beschikbaar voor de inzet van een ambulante (derde) pedagogisch professional. De locaties waar de ambulante pedagogisch professional wordt ingezet dienen elk voor ten minste 70% te bestaan uit doelgroepkinderen (peildatum: 1 oktober van het voorgaande subsidiejaar). Het percentage wordt berekend op basis van het aantal geplaatste doelgroeppeuters per dag per locatie.5.De groep waar de ambulante pedagogisch professional wordt ingezet dient minimaal te bestaan uit twee kinderen met een grote of complexe ondersteuningsbehoefte (peildatum: 1 oktober van het voorgaande subsidiejaar).6.De ambulante pedagogisch professional wordt te allen tijde boventallig ingezet, dat wil zeggen bovenop de reguliere beroepskracht-kind ratio voor de betreffende groep. 7.Houder houdt gedurende het subsidiejaar een administratie bij van de ureninzet van de ambulante pedagogisch professional(s) per locatie en het aantal kinderen met een ondersteuningsbehoefte. 8.Voor alle doelgroeppeuters op voorscholen die op 1 januari van het betreffende jaar een kindplaats VE bezetten, stelt het college een vast subsidiebedrag beschikbaar voor de bekostiging van de pedagogisch beleidsmedewerker VE.9.Per locatie stelt het college een vast subsidiebedrag beschikbaar voor de bekostiging van de extra inzet die nodig is om volgens de Basisstructuur voor Ondersteuning (BvO) te werken. Het betreft taken die zijn opgenomen in de Werkwijze Basisstructuur voor Ondersteuning, aangereikte instrumenten en de daarbij behorende taakomschrijving. Voor de extra inzet wordt uitgegaan van 30 uren per locatie per jaar. 10.Voor de subsidiebedragen uit lid 3 geldt voor peutergroepen in de dagopvang een minimum van twee doelgroeppeuters. Dat wil zeggen dat deze subsidiebedragen voor ten minste twee doelgroeppeuters per peutergroep worden beschikt, ook als het werkelijke aantal lager ligt. Houder is verplicht op deze groepen een pedagogisch beleidsmedewerker VE voor tenminste 20 uren per jaar in te zetten. Artikel 5.3. Subsidieuitkering Bevoorschotting vindt maandelijks plaats per de 1e van de maand op basis van het aantal bezette VE-kindplaatsen zoals vastgelegd in het toeleidings- en overdrachtsinstrument. Peildatum van het aantal bezette kindplaatsen is de 15e dag van de voorgaande maand. Artikel 5.4. Ouderbijdrage 1.De hoogte van de ouderbijdrage voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag wordt door de houder bepaald op basis van de inkomensgroep van de ouders. De inkomensgroep wordt bepaald op basis van de door ouders te overleggen Inkomensverklaringen (IB60) en eventueel aanvullende documenten, zoals bedoeld in artikel 5.5.2.Houder hanteert voor de ouderbijdrage voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag de VNG-adviestabel ouderbijdragen peuteropvang van het betreffende jaar.3.Houder hanteert voor de ouderbijdrage voor doelgroeppeuters voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag het landelijk maximum uurtarief.4.Houder int zelf de ouderbijdragen en is verantwoordelijk voor het risico van niet-betalers. Artikel 5.5. Toetsing recht op een gesubsidieerde kindplaats 1.Voor het toetsen of een kind in aanmerking komt voor een gesubsidieerde kindplaats, dient de houder vast te stellen of ouders recht hebben op kinderopvangtoeslag. Dit doet de houder aan de hand van de ondertekende ‘Verklaring geen recht op kinderopvangtoeslag’, in combinatie met een Inkomensverklaring (IB60) van (bei)de ouder(s).2.Als ouders aangeven dat het verwachte verzamelinkomen over het subsidiejaar wijzigt ten opzichte van het verzamelinkomen dat is aangegeven op de Inkomensverklaring(en) (IB60) dan kunnen zij deze verklaring(en) aanvullen met documenten waaruit de hoogte van het verwachte verzamelinkomen over het subsidiejaar blijkt. Dit kunnen zijn: •Salarisstrook; •Uitkeringsspecificatie; •Werkgeversverklaring; •verklaring van schuldsanering, etc. Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging in ieder geval geldt voor de eerste maand van plaatsing op een kindplaats.3.Als op de inkomensverklaring (IB60) is vermeld ‘geen inkomensgegevens bekend’ kan een kind toch geplaatst worden en ontvangt houder subsidie voor deze kindplaats. In dit geval blijkt het verwachte verzamelinkomen over het subsidiejaar uit documenten als: a.Salarisstrook; b.Uitkeringsspecificatie; c.Werkgeversverklaring d.verklaring van schuldsanering, etc. Uit de documenten dient te blijken dat de inkomenswijziging structureel is, en in ieder geval geldt voor de eerste maand van plaatsing van het kind op een kindplaats. Artikel 5.6. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie kindplaats aan een houder met één of meer locaties die in de gemeente Almere zijn geregistreerd in het LRK voor één of meer van de activiteiten die zijn opgenomen in artikel 5.1. lid 1 t/m 4. Artikel 5.7. Aanvraag 1.Het aantal kindplaatsen waarvoor subsidie wordt verleend wordt bepaald op basis van het aantal bezette kindplaatsen op peildatum 1 oktober van het voorgaande subsidiejaar, op basis van de registratie in het overdrachtssysteem.2.Een onderbouwde aanvullende aanvraag in het betreffende subsidiejaar op een reeds ingediende aanvraag ten behoeve van uitbreiding van kindplaatsen, is mogelijk voor houders die het lopende jaar reeds subsidie hebben ontvangen op basis van deze subsidieregeling. Artikel 5.8. Aanvullende verplichtingen De weigeringsgronden uit artikel 9 van de ASV en de voorwaarden in deze subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027–2030 blijven gelden. Daarnaast gelden de volgende verplichtingen. 1.De locatie van peuteropvang of dagopvang is in de gemeente Almere gevestigd en is als kinderdagverblijf in het LRK geregistreerd. 2.De activiteiten zoals genoemd in artikel 5.1. lid 1 t/m 4 dienen te voldoen aan de Wet kinderopvang en de Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang. De locatie voldoet daarmee aan alle landelijk geldende wet- en regelgeving voor de kinderopvang. 3.De activiteiten zoals genoemd in artikel 5.1 lid 1 t/m 4 dienen te voldoen aan de landelijke voorschriften voor de voorschoolse educatie. 4.Op elke peutergroep met gesubsidieerde kindplaatsen (regulier en/of VE) wordt VE aangeboden. Dit aanbod is ook als zodanig in het LRK geregistreerd. 5.Houder geeft bij plaatsing van een kind op een beschikbaar gekomen kindplaats, doelgroeppeuters voorrang. 6.Houder werkt met een door de gemeente aangewezen digitaal toeleidings- en overdrachtsinstrument. 7.Houder draagt doelgroeppeuters warm en mondeling over aan de leerkracht en/of IB’er van de basisschool aan de hand van het kinddossier in het digitale toeleidings- en overdrachtsinstrument. 8.Houder neemt deel aan de jaargesprekken met de gemeente en zorgt actief voor de inhoudelijke voorbereiding en eigen bijdrage. 9.Houder werkt cyclisch aan de ontwikkeling van de eigen VE-kwaliteit aan de hand van de VVE inspectienormen, vigerende Almeerse kaders en de Almeerse kwaliteitsschaal. 10.Houder werkt actief aan een beleid op doelgroepkinderen (en hun ouders), de Basisstructuur voor Ondersteuning en aan een beleid gericht op interprofessionele samenwerking (zoals met JGZ, Passend Onderwijs, IB-ers, Sterke Start) waarbij duidelijke afspraken worden gemaakt over regievoering. 11Houder publiceert jaarlijks uiterlijk op 1 januari of op de datum van de start van de te subsidiëren activiteiten op de eigen website het overzicht van de geldende ouderbijdragen en landelijk maximale uurtarieven per soort kindplaats en per inkomensgroep. Paragraaf 2.3. Subsidie verrijking educatieve omgeving Artikel 6.1. Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie verrijking educatieve omgeving in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op programma’s voor ouders om de ontwikkeling van kinderen in de leeftijdsgroep 0 tot 4 jaar thuis te ondersteunen;2.De activiteiten hebben een looptijd van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 6.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel 6.3 Aanvullende subsidievereisten De activiteiten zoals genoemd in artikel 6.1. lid 1 dienen aan te sluiten op het aanbod VVE op voorscholen en vroegscholen. Artikel 6.4. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie verrijking educatieve omgeving aan maatschappelijke organisaties die activiteiten ontplooien in artikel 6.1. lid 1 in de gemeente Almere. Paragraaf 2.4. Subsidie versterking VVE-omgeving Artikel 7.1. Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie versterking VVE-omgeving in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op: a.Het ondersteunen van professionals op en rond de voorscholen. b.Het versterken van de samenwerking op stad- en wijkniveau. c.Het vergroten van de educatieve kwaliteit van VVE op stedelijk niveau. 2.De activiteiten hebben een looptijd van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 7.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel 7.3 Aanvullende subsidievereisten De activiteiten zoals genoemd in artikel 7.1. lid 1 dienen aan te sluiten op het aanbod VVE op voorscholen en vroegscholen. Artikel 7.4. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie versterking VVE-omgeving aan maatschappelijke organisaties die activiteiten ontplooien in artikel 7.1 lid 1 in de gemeente Almere. Paragraaf 2.5. Subsidie Kunst voor Kinderen Artikel 8.1 Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie kunst voor kinderen in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het aanbieden van kunsteducatie voor kinderen op voorscholen in de leeftijdscategorie 2 tot 4 jaar.2.De activiteiten hebben een maximale duur van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 8.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten. Artikel 8.3. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie kunst voor kinderen aan een maatschappelijke organisatie op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 8.1 lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn. Hoofdstuk 3. Pijler Taal Paragraaf 3.1. Inhoudelijke bepalingen Artikel 9. Doel Het doel van deze pijler is om een taalrijke omgeving te creëren voor kinderen met (een risico op) een taalachterstand. Artikel 10. Doelgroep Subsidies in de pijler Taal zijn gericht op: -Almeerse kinderen met (een risico op) een onderwijsachterstand. -Ouders/verzorgers van Almeerse kinderen Paragraaf 3.2. Subsidie nieuwkomersonderwijs Artikel 11.1 Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie nieuwkomersonderwijs in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het aanbieden van onderwijs in de Nederlandse taal aan nieuwkomers in de leeftijdscategorie 4 tot 12 jaar, zodat zij binnen een jaar kunnen instromen in het reguliere onderwijs.2.De activiteiten hebben een duur van maximaal één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 11.2. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie nieuwkomersonderwijs aan één publieksgefinancierde onderwijsinstelling in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 11.1. of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn. Paragraaf 3.3. Subsidie Taalbewustzijn Artikel 12.1 Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie taalbewustzijn in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op: a.Het vergroten van het taalbewustzijn (gedefinieerd als het van bewust omgaan met de structuur en betekenis van taal) van jonge kinderen in Almere in de leeftijdscategorie 0 tot 7 jaar. b.Het vergroten van het taalbewustzijn van ouders van jonge kinderen in Almere in de leeftijdscategorie 0 tot 7 jaar. c.Het aanbieden van preventieve logopedische ondersteuning op voorscholen. 2.De activiteiten hebben een looptijd tot maximaal één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 12.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten. Artikel 12.3. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie taalbewustzijn aan maatschappelijke organisaties in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 12.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn. Artikel 12.4. Aanvullende verplichtingen Aanvrager is verplicht tot het realiseren van cofinanciering van ten minste 25% van de subsidiabele kosten in de geraamde begroting. Cofinanciering kan zowel in-kind als financieel van aard zijn, en kan worden verstrekt door zowel de aanvrager als (een) andere organisatie(s). Hoofdstuk 4. Pijler Kansengelijkheid Paragraaf 4.1. Inhoudelijke bepalingen Artikel 13. Doel Het doel van deze pijler is om de leefomgeving van kinderen te verrijken. Artikel 14. Doelgroep Subsidies in de pijler Kansengelijkheid zijn gericht op Almeerse kinderen. Paragraaf 4.2. Subsidie ontwikkelkansen Artikel 15.1 Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie ontwikkelkansen in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het ondersteunen van de ontwikkelkansen op het gebied van taal bij kinderen in Almere.2.De activiteiten hebben een maximale duur van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend.3.Activiteiten kunnen zowel binnen als buiten schooltijd plaatsvinden. Activiteiten die binnen schooltijd plaatsvinden dienen aantoonbaar aan te sluiten op het schoolcurriculum. Artikel 15.2. Hoogte van de subsidie 1.De hoogte van de subsidie maximaal bedraagt 50% van de subsidiabele kosten.2.Indien de activiteit plaatsvindt binnen schooltijd, dient cofinanciering plaats te vinden door de betreffende school. Artikel 15.3. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie ontwikkelkansen aan een stichting die activiteiten uitvoert in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 15.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn: Paragraaf 4.3. Subsidie zomeronderwijs Artikel 16.1 Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie zomeronderwijs in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het aanbieden van extra onderwijs aan kinderen in de leeftijdsgroep 4 tot 12 jaar in de zomervakantie.2.De activiteiten hebben een maximale duur van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 16.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Artikel 16.3. Aanvullende vereisten De activiteiten die worden gesubsidieerd dienen plaats te vinden buiten schooltijd. Artikel 16.4. Aanvrager 1.Het college verstrekt uitsluitend subsidie zomeronderwijs aan een publieksgefinancierde onderwijsinstelling in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 16.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn.2.De aanvrager dient te handelen namens een samenwerking bestaande uit ten minste 1 publieksgefinancierde onderwijsinstelling en 1 maatschappelijke organisatie. De aanvrager dient één gezamenlijke subsidieaanvraag in. Paragraaf 4.4. Subsidie buitenschoolse activiteiten Artikel 17.1 Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie buitenschoolse activiteiten in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het aanbieden van een vrijetijdsbesteding of een programma gericht op het verbeteren van de sociaal-emotionele vaardigheden voor kinderen in de leeftijdscategorie 4 tot 12 jaar.2.De activiteiten hebben een maximale duur van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 17.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Artikel 17.3. Aanvullende vereisten De activiteiten die worden gesubsidieerd dienen plaats te vinden na of buiten schooltijd. Artikel 17.4. Aanvrager Het college verstrekt uitsluitend subsidie buitenschoolse activiteiten aan een maatschappelijke organisatie in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 17.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn. Paragraaf 4.5. Subsidie toekomstoriëntatie Artikel 18.1. Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie toekomstoriëntatie in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het oriënteren op en ondersteunen van de arbeidsmarktkansen van kinderen in het primair onderwijs.2.De activiteiten hebben een maximale duur van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 18.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Artikel 18.3. Aanvrager 1.Het college verstrekt uitsluitend subsidie toekomstoriëntatie aan een maatschappelijke organisatie in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 18.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn.2.De aanvrager dient te handelen namens een samenwerking bestaande uit ten minste 1 onderwijsinstelling en 1 maatschappelijke organisatie. De aanvrager dient één gezamenlijke subsidieaanvraag in. Paragraaf 4.6. Subsidie Kansengelijkheid Artikel 19.1. Activiteiten 1.Activiteiten die voor subsidie kansengelijkheid in aanmerking komen moeten aansluiten en gericht zijn op het ondersteunen van de onderwijskansen van kinderen in de leeftijdscategorie 0 tot 12 jaar, met een focus op taalontwikkeling.2.De activiteiten hebben een maximale duur van één jaar, al dan niet boekjaar overschrijdend. Artikel 19.2. Hoogte van de subsidie De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 60% van de subsidiabele kosten. Artikel 19.3. Aanvullende vereisten De activiteiten die worden gesubsidieerd dienen plaats te vinden buiten schooltijd. Artikel 19.4. Aanvrager 1.Het college verstrekt uitsluitend subsidie kansengelijkheid aan de volgende organisaties in de gemeente Almere op het gebied van één of meerdere van de activiteiten in artikel 19.1. lid 1 of activiteiten die hiermee vergelijkbaar zijn: a.Een publieksgefinancierde onderwijsinstelling; of b.Een maatschappelijke organisatie. 2.De aanvrager dient te handelen namens een samenwerking bestaande uit ten minste 1 onderwijsinstelling en 1 maatschappelijke organisatie. De aanvrager dient één gezamenlijke subsidieaanvraag in. Hoofdstuk 5. Slotbepalingen De volgende bepalingen zijn van toepassing op alle subsidies in deze regeling, tenzij anders aangegeven. Artikel 20. (Niet) subsidiabele kosten Voor alle subsidies niet berekend op basis van een vaststaand tarief, zijn de volgende bepalingen van toepassing: 1.Kosten die voor subsidie in aanmerking komen moeten direct aan de uitvoering van de activiteiten toe te rekenen zijn en voor de duur van de activiteit redelijk en realistisch zijn, waaronder in ieder geval: a.Personeelskosten van medewerkers die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten; b.Kosten voor materialen en locaties die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten; 2.Kosten die niet voor subsidie in aanmerking komen zijn kosten die niet direct aan de uitvoering van de activiteiten toe te rekenen zijn, waaronder in ieder geval: a.Kosten die betrekking hebben op de uitvoering van activiteiten die al met andere overheidsmiddelen worden gefinancierd; b.Kosten die gerelateerd zijn aan ziekteverzuim van medewerkers; c.Personeelskosten van administratief, management en/of ondersteunend personeel; d.Verzekeringskosten; e.Accountantskosten; f.Kantoorbenodigdheden; g.Huisvestingskosten, tenzij deze aantoonbaar noodzakelijk en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten; h.Kosten voor juridische en financiële diensten; i.Verrekenbare of compensabele heffingen, lasten en belastingen. Artikel 21. Eisen voor de aanvraag 1.In de aanvraag dient de aanvrager expliciet in te gaan op de wijze waarop de activiteiten bijdragen aan de maatschappelijke opgaven zoals verwoord in de Lokale Educatieve Agenda (LEA) en de Taalvisie.2.In de begroting dient aanvrager, wanneer van toepassing, expliciet de tarieven voor inzet van personeel en het aantal begroten uren inzichtelijk te maken.3.De aanvraag wordt ingediend via het SubsidieVolgSysteem conform een door de gemeente beschikbaar gesteld format. Artikel 22. Subsidievereisten 1.Alleen volledig en tijdig ingediende aanvragen komen in aanmerking voor subsidie.2.Alleen activiteiten die naar hun aard en inhoud vergelijkbaar zijn met de in dit artikel genoemde activiteiten komen voor subsidie in aanmerking.3.Alle te subsidiëren activiteiten in deze regeling dienen evidence-based te zijn en een taalcomponent te bevatten. In de subsidieaanvraag dient de aanvrager in te gaan op de (wetenschappelijke) onderbouwing van de activiteiten.4.Activiteiten in de pijlers taal en kansengelijkheid (exclusief activiteiten in de subsidie nieuwkomersonderwijs) dienen te worden uitgevoerd in samenwerking met scholen en/of voorscholen in de betreffende wijk.5.Voor activiteiten met een cofinancieringseis kan het college, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, afwijken van de gestelde eis en een hoger subsidiepercentage verlenen tot maximaal 100% van de subsidiabele kosten, indien: a.de aanvrager aannemelijk maakt dat het verwerven van cofinanciering redelijkerwijs niet mogelijk is; en b.de gesubsidieerde activiteit zonder deze afwijking niet of slechts in sterk verminderde mate kan worden uitgevoerd; en c.de activiteit aantoonbaar bijdraagt aan de doelstellingen van deze subsidieregeling. Artikel 23. Subsidieplafond 1.Het college stelt jaarlijks voor de uitvoering van deze regeling een subsidieplafond vast.2.Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voorafgaand aan het subsidiejaar.3.Het college kan het subsidieplafond voorafgaand of gedurende het subsidiejaar wijzigen, indien: a.de omvang van de door het Rijk of andere overheden beschikbaar gestelde middelen daartoe aanleiding geeft; of b.andere onvoorziene budgettaire ontwikkelingen daartoe noodzaken. 4.Een wijziging van het subsidieplafond wordt zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.5.Een verlaging van het subsidieplafond werkt niet ten nadele van reeds verleende subsidies. Artikel 24. Beoordelingscriteria Voor de beoordeling van subsidieaanvragen die voldoen aan de artikelen 21 en 22, hanteert het college de volgende, opeenvolgend toe te passen verdelingsregels. 1.Volledige subsidieaanvragen voor de subsidie kindplaatsen voor locaties waarvoor in het betreffende jaar al subsidie is beschikt hebben prioriteit boven alle overige subsidieaanvragen. Bij juridische overdracht van eigenaarschap van de houder vervalt deze voorrangsregel. 2.Activiteiten gericht op het uitvoeren van wettelijke taken en activiteiten waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt hebben voorrang boven andere subsidieaanvragen. 3.Volledige subsidieaanvragen die zijn ontplooid in voorgaande jaren en die zijn gesubsidieerd vanuit het budget voor onderwijsachterstandenbeleid hebben voorrang boven subsidieaanvragen voor nieuwe activiteiten. 4.Volledige subsidieaanvragen ingediend door meerdere samenwerkende partners in de stad hebben voorrang boven subsidieaanvragen ingediend door een enkele aanvrager. 5.Bij gelijkheid binnen een prioriteringscategorie vindt verdeling plaats op basis van een puntenscore op basis van de prioriteringscriteria zoals bedoeld in artikel 25. Artikel 25. Prioriteringscriteria Bij gelijkheid binnen een prioriteringscategorie zoals bedoeld in artikel 24, lid 5 vindt beoordeling plaats aan de hand van een puntensysteem, zoals uitgewerkt in Bijlage 1 behorend bij deze regeling. Elk criterium heeft eenzelfde zwaarte in de totaalscore. Artikel 26. Beslistermijn Het college beslist conform de bepalingen uit artikel 8 van de ASV. Artikel 27. Voorwaarden om in aanmerking te komen De weigeringsgronden uit artikel 9 van de ASV en de voorwaarden in deze subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027–2030 blijven gelden. Daarnaast gelden de volgende voorwaarden: 1.De locatie van aanvrager is in de gemeente Almere gevestigd. 2.Er is of wordt geen bestuursrechtelijke handhaving van kracht voor de aanvrager of één van de Almeerse locaties van de aanvrager. Artikel 28. Verplichtingen gedurende de subsidieperiode 1.Aanvrager participeert actief in de relevante bijeenkomsten rondom OAB, zoals de wijkbijeenkomsten 0-12 jaar, ter versterking van de samenwerking in de wijk.2.Aanvrager werkt actief mee aan de ontwikkeling van beleid in Almere omtrent onderwijsachterstanden en verbindt zich aan de toepassing daarvan binnen het eigen aanbod.3.Aanvrager levert, wanneer voor de gemeente Almere van belang en het college daarom verzoekt, gegevens met betrekking tot het inhoudelijke aanbod dat met de subsidie wordt gerealiseerd en de resultaten die worden bereikt op de doelstellingen. Artikel 29. Verantwoording subsidie 1.Bij een subsidieverlening van € 50.000 euro of meer, dient de aanvragen in de verantwoording in te gaan op de wijze waarop de activiteiten hebben bijgedragen aan de maatschappelijke opgaven uit de LEA en de Taalvisie.2.De verantwoording wordt ingediend via het SubsidieVolgSysteem conform een door de gemeente beschikbaar gesteld format. Artikel 30. Vaststelling subsidie De vaststelling van de subsidie door het college vindt plaats conform de bepalingen uit artikel 18 van de ASV. Artikel 31. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van deze regeling als strikte toepassing leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afwijking wordt gemotiveerd in de subsidiebeschikking. Artikel 32. Slotbepalingen 1.Deze subsidieregeling treedt in werking op de dag na bekendmaking en geldt tot en met 31 december 2030.[Lid 1 bevat een kennelijke verschrijving. Hier wordt bedoeld: Deze subsidieregeling treedt in werking per 1 januari 2027 en geldt tot en met 31 december 2030.]2.Deze subsidie is voor het eerst van toepassing op subsidies voor activiteiten die in het jaar 2027 worden uitgevoerd.3.De “Nadere regels subsidie Voorschoolse educatie Almere 2023-2026” zoals vastgesteld op 20 september 2022 worden ingetrokken.4.Op subsidies die zijn verleend op grond van de Nadere regels subsidie Voorschoolse educatie Almere 2023-2026, blijven de bepalingen van die Nadere regels van toepassing, zoals die luidden onmiddellijk vóór de inwerkingtreding van deze subsidieregeling, tot die subsidies zijn vastgesteld en onherroepelijk zijn afgewikkeld.5.Deze subsidieregeling wordt aangehaald als “Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030”. Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Almere op 23 juni 2026 de secretaris, A. van Mazijk de burgemeester,W H.J.M. van der Loo Bijlage 1 – Prioriteringscriteria Aanvragen worden beoordeeld aan de hand van vier criteria. De criteria worden hieronder puntsgewijs besproken. Per criterium is het maximaal aantal punten weergegeven. Er valt een maximum van 26 punten te behalen. Criterium 1: Breedte van bijdrage aan de doelen in de LEA (maximaal 8 punten) Met deze subsidieregeling wenst het college bij te dragen aan de LEA. De LEA kent vier maatschappelijke opgaven. Aanvrager draagt expliciet en inzichtelijk bij aan de opgaven. Uit de aanvraag blijkt op welke manier de activiteiten bijdragen aan de LEA. De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin deze bijdrage reëel, realistisch en navolgbaar is. Per opgave waaraan realistisch, reëel en navolgbaar wordt bijgedragen, worden 2 punten toegekend. Criterium 2: Samenwerking met partners (maximaal 8 punten) Het college wenst dat partners samen werken aan het terugdringen en voorkomen van onderwijsachterstanden. Aanvrager dient expliciet de samenwerking te zoeken met diverse partners in het domein in het uitvoeren van de activiteiten. Uit de aanvraag dient te blijken dat een duurzame samenwerking is of wordt opgebouwd, waarin – waar vereist – cofinanciering plaatsvind door samenwerkende partners. Er worden 4 punten toegekend voor aanvragen waaruit de duurzame samenwerking blijkt. De aanvraag met het hoogste aantal samenwerkende partners ontvangt 4 aanvullende punten. Criterium 3: Verrijking van het aanbod in de wijk (maximaal 5 punten) Het college wenst dat subsidiegelden evenredig worden verdeeld over de verschillende wijken van Almere. Aanvrager dient in de aanvraag te expliciteren in welke wijk(en) de activiteiten plaatsvinden. De aanvraag wordt beoordeeld op de mate waarin er in het voorgaande subsidiejaar subsidies voor onderwijsachterstandsbeleid zijn toegekend aan organisaties die activiteiten in de betreffende wijk(en) uitvoeren. De aanvraag voor activiteiten in een wijk met het laagste absolute bedrag aan subsidies ontvangt 5 punten. Als activiteiten in meerdere wijken plaatsvinden, wordt gekeken naar het laagste gemiddelde bedrag aan subsidies. Criterium 4: Gemiddelde OAB-score op scholen (maximaal 5 punten) Het college wenst dat subsidiegelden worden ingezet in wijken waar de noodzaak voor interventies en activiteiten hoog is. Aanvrager dient in de aanvraag te expliciteren in welke wijk(en) de activiteiten plaatsvinden. De aanvraag voor activiteiten in een wijk met de hoogste gemiddelde achterstandsscore (berekend door het CBS) op scholen ontvangt 5 punten. Als meerdere aanvragen dezelfde gemiddelde achterstandsscore hebben, ontvangen al deze aanvragen 2 punten. Memorie van Toelichting – subsidieregeling onderwijsachterstanden Algemene toelichting Aanleiding Als gemeente zetten we ons samen met partners voortdurend in om de kwaliteit van ons onderwijs te versterken. Zo bieden we ruimte aan ieder kind en iedere jongere om zichzelf te leren kennen, hun talenten te benutten en een eigen pad voor zichzelf te bewandelen. In de Lokale Educatieve Agenda 2024-2028 hebben we daarom afspraken gemaakt met elkaar. Samen zetten we ons in op vier maatschappelijke opgaven: 1.Kwalitatief sterke en toekomstgerichte educatie 2.Ondersteuning waar nodig voor kind, jongere, ouder en verzorger 3.Inspirerende leeromgevingen voor educatieve groei 4.Aandacht voor professionals Naast deze maatschappelijke opgave, hebben we in Almere een duidelijke opgave omtrent onderwijsachterstanden. We zijn een stad die groeit, en in onze stad wonen kinderen met verschillende achtergronden. We zetten ons in om ervoor te zorgen dat alle kinderen in Almere dezelfde onderwijskansen kunnen benutten, ongeacht hun achtergrond en situatie. Hiervoor ontvangen we middelen vanuit het Rijk, de onderwijsachterstandsmiddelen. De huidige Nadere regels Voorschoolse Educatie 2023–2026 lopen af per 31 december 2026. Dit maakt actualisatie van het subsidiekader noodzakelijk. Tegelijkertijd is er inhoudelijk aanleiding om het bestaande kader te verbreden en te versterken, zodat het beter aansluit bij het bredere onderwijsachterstandenbeleid (OAB) en de opgaven uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA). Uit recente analyses en onderzoeken naar de inzet van onderwijsachterstandsmiddelen blijkt dat de besteding van OABmiddelen in de praktijk versnipperd is en dat de samenhang met de LEAopgaven voor partners in de uitvoering beperkt zichtbaar is. Terwijl veel initiatieven op uitvoeringsniveau ontstaan, is de gezamenlijke koers – en de bijdrage aan stedelijke doelen – onvoldoende expliciet. Daarnaast vraagt de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente op het gebied van onderwijsachterstanden, in het bijzonder het versterken van de Nederlandse taal, om een doelgerichter en transparanter subsidiekader. Ook ontwikkelingen in de financiering (zoals de Specifieke Uitkering (SPUK) OAB en de mogelijke toekomstige overgang naar het gemeentefonds) onderstrepen de noodzaak van een samenhangende, toekomstbestendige regeling. Deze ontwikkelingen samen vormen de aanleiding om te komen tot één brede subsidieregeling onderwijsachterstanden, waarin VVE, taal en kansengelijkheid in onderlinge samenhang worden bezien. Doel Het doel van het opstellen van de nieuwe subsidieregeling onderwijsachterstanden is te komen tot een helder, samenhangend en toekomstbestendig subsidiekader dat bijdraagt aan het effectief terugdringen van onderwijsachterstanden in Almere én het realiseren van de gezamenlijke ambities uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA), binnen de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente. De regeling dient per 1 januari 2027 in werking te treden, aansluitend op het aflopen van de huidige Nadere regels Voorschoolse Educatie eind 2026. Drie pijlers De nieuwe subsidieregeling is gericht op drie belangrijke pijlers, Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE), Taal en Kansengelijkheid. De drie pijlers hangen nauw met elkaar samen, maar kennen een eigen focus. Binnen de pijlers VVE, Taal en Kansengelijkheid subsidiëren we verschillende typen activiteiten. We gaan kort op elk van de drie pijlers in: 1. Voor- en Vroegschoolse Educatie (VVE) De pijler VVE richt zich op het mogelijk maken van voorschoolse educatie en het verrijken van voorschoolse educatie door activiteiten gericht op natuur, kunst en cultuur . De kinderopvang is een cruciale omgeving voor kinderen om een goede start te maken in het onderwijs. VVE zorgt ervoor dat kinderen met een risico op een (taal)achterstand spelenderwijs hun woordenschat vergroten, sociale vaardigheden versterken en hun cognitieve vaardigheden laten groeien. Zo versoepelen we voor deze kinderen de stap naar groep 1. We richten ons daarbij als gemeente op voorscholen; daar ligt onze wettelijke verantwoordelijkheid. Het primaat voor de vroegscholen ligt bij het onderwijs. We subsidiëren daarom kindplaatsen voor kinderen met een VVE-indicatie. Ook subsidiëren we een derde pedagogisch professional, zodat kinderen de aandacht krijgen die ze nodig hebben. De gemeente Almere heeft aanvullend hierop gekozen voor het werken volgens de Basisstructuur voor Ondersteuning (BvO). Deze werkwijze vraagt om een expliciete, planmatige en cyclische ondersteuningsstructuur op locatieniveau, met vaste overlegmomenten, regievoering en multidisciplinaire afstemming. De uitvoering van deze structuur overstijgt de reguliere VE-taken en vraagt om aanvullende inzet van de kinderopvangorganisatie. Hiervoor stellen we ook een subsidiebedrag beschikbaar. Verder subsidiëren we de stedelijk coördinator voor het jonge kind en de wijkbijeenkomsten 0-12 jaar en het aanbieden van een kunst- en cultuuraanbod voor jonge kinderen. We streven daarbij naar een kwalitatief sterk aanbod met de Almeerse stedelijke kwaliteitsschaal. Daarvoor laten we eens in de vier jaar onderzoek doen, evalueren we het VVE-beleid, en volgen we de ontwikkelingen meerjarig. Het doel is een bereik van 90% van de doelgroep. 2. Taal Taal is een van de belangrijkste componenten in het tegengaan en voorkomen van onderwijsachterstanden. Taalachterstanden leiden snel tot onderwijsachterstanden. Daarom richten we ons in deze pijler op interventies gericht op taal. We stimuleren activiteiten die zorgen voor een taalrijke omgeving voor kinderen, zodat ze op jonge leeftijd in aanraking komen met taal in alle vormen. Ook stimuleren we het taalonderwijs voor nieuwkomers. 3. Kansengelijkheid Onderwijsachterstanden hangen – naast taalachterstanden – ook samen met de sociaal-culturele omgeving van kinderen. In aanraking komen met natuur, kunst en cultuur draagt bij aan de sociale ontwikkeling van kinderen. In de pijler Kansengelijkheid richten we ons daarom op activiteiten die de leefomgeving van kinderen verrijkt. We richten ons daarbij op specifieke activiteiten waar we de meeste impact mee kunnen maken. Uitgangspunten Het werken aan de drie pijlers draagt bij aan het realiseren van de maatschappelijke opgaves. De regeling kent daarbij een aantal uitgangspunten: • De maatschappelijke opgaven uit de LEA en de Taalvisie zijn leidend. De subsidieregeling wordt expliciet gekoppeld aan de maatschappelijke opgaven uit de Lokale Educatieve Agenda (LEA), de Taalvisie en aan de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente op het gebied van onderwijsachterstanden. De maatschappelijke opgaven uit de LEA zijn daarom leidend voor de inzet van gemeentelijke OAB-middelen, en daarmee voor de subsidies. Elke subsidie die we verlenen, dient bij te dragen aan een of meerdere maatschappelijke opgaven, met bijzondere aandacht voor taalontwikkeling en met ruimte voor integrale oplossingen binnen de gezamenlijke LEA-koers. Daarom vragen we aan partners om te illustreren hoe zij met hun activiteiten bijdragen aan de maatschappelijke opgaven van de LEA en de Taalvisie. Daarmee zorgen we dat de LEA en de Taalvisie actief een plek krijgt binnen de activiteiten die we doen, en borgen we dat de LEA blijft leven bij de maatschappelijke partners op de werkvloer. • Subsidies worden daar ingezet, waar we de meeste impact kunnen maken. De subsidieregeling ondersteunt de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente binnen het onderwijsachterstandenbeleid, zoals vastgelegd in de Wet op het primair onderwijs en uitgewerkt in de LEA. De inzet van gemeentelijke OABmiddelen is aanvullend op – en geen vervanging van – verantwoordelijkheden en financiering van andere partijen, zoals schoolbesturen of beleidsdomeinen als jeugdhulp, armoedebestrijding en welzijn. Subsidies zijn erop gericht om beleid en doelstellingen te realiseren. We stimuleren partners met subsidies om met hun activiteiten bij te dragen aan stedelijke doelen. Dit zijn activiteiten, die zonder een bijdrage van de gemeente niet kunnen worden gerealiseerd. We willen ons daarbij richten op die activiteiten die zorgen voor de meeste impact op stedelijke doelen, die we samen met partners nastreven. Als gemeente focussen we daarom op activiteiten die bijdragen aan: •het versterken van de Nederlandse taalontwikkeling van jonge kinderen en leerlingen met een risico op een onderwijsachterstand; •het voorkomen en verminderen van onderwijsachterstanden door vroegtijdige signalering, passende ondersteuning en een samenhangend aanbod; •het bevorderen van kansengelijkheid door het verkleinen van verschillen in ontwikkelkansen; •het bevorderen van integratie en het tegengaan van (onderwijs)segregatie, onder meer door een evenwichtige spreiding van voorzieningen en doelgroepen; •het versterken van de doorgaande ontwikkel- en leerlijn van voorschoolse voorzieningen naar het onderwijs; •het verbeteren van afstemming, samenwerking en toeleiding tussen kinderopvang, onderwijs en gemeentelijke voorzieningen, zoals beoogd binnen het wettelijk verplichte LEA overleg. Bij jonge kinderen maken we het meeste verschil. We verlenen daarom met de nieuwe regeling subsidies aan die activiteiten, die hen ondersteunen. Door in te zetten op taalontwikkeling bij (jonge) kinderen, door in te zetten op het vergroten van ouderbetrokkenheid, door in te zetten op het verrijken van de educatieve omgeving van kinderen, en door in te zetten op de professional in vroeg- en voorschoolse educatie, op de basisschool en daarbuiten. We borgen hiermee dat we focussen op daar waar we als gemeente het meeste verschil kunnen maken met en voor de partners. We bakenen de inzet van deze middelen af ten opzichte van alle andere activiteiten die we al ondernemen en subsidiëren vanuit bijvoorbeeld armoedebeleid. Dit doen wij door in de regeling duidelijke inhoudelijke criteria en voorwaarden te stellen, zodat subsidies worden ingezet voor activiteiten met aantoonbare impact. We zorgen ervoor dat we geen subsidies bieden, daar waar al andere middelen voor beschikbaar zijn. We bieden enkel subsidie wanneer deze randvoorwaardelijk is voor de realisatie en er geen andere manieren van financiering beschikbaar zijn. Activiteiten die primair behoren tot de reguliere verantwoordelijkheden van het onderwijs of die hun grondslag hebben in andere beleidsdomeinen, komen niet voor subsidie in aanmerking. Binnen de thema’s taal en kansengelijkheid is ruimte om verantwoordelijkheden te verbinden, daar waar educatie en opgroeien en ontwikkelen elkaar raken. In deze situaties kunnen gemeentelijke OABmiddelen worden ingezet om bruggen te slaan tussen beleidsterreinen en organisaties, bijvoorbeeld via samenwerking en gezamenlijke financiering. • We stimuleren samenwerking. Het realiseren van de maatschappelijke opgaven kunnen we niet alleen. We werken daarom samen met partners, onder andere door het verlenen van subsidies. Maar we stimuleren ook dat de partners met elkaar samenwerken. We zetten dan ook in op subsidies voor samenwerkende partijen, die met elkaar werken aan de maatschappelijke opgaven. Waar passend stellen we dan ook als voorwaarde dat de aanvrager werkt in een consortium met andere maatschappelijke partners. Ook kan cofinanciering (financieel of inkind) onderdeel uitmaken van de subsidievoorwaarden. Dit bevordert gedeelde verantwoordelijkheid en verhoogt de effectiviteit van de inzet. We stimuleren daarnaast dat partners van elkaar leren. We verwachten dan ook van de partners dat ze de resultaten van hun subsidies inzichtelijk maken en delen met andere partners in de stad. Hiervoor gebruiken we waar mogelijk de bestaande overlegstructuren, zoals het Bestuurlijk Overleg voor de Jeugd. We hanteren het stedelijk kader voor versterking samenwerking, met bijvoorbeeld de BvO, lerende netwerken en de wijkbijeenkomsten 0-12 jaar. • We werken met een verplichte taalcomponent in de activiteiten die we subsidiëren. Een belangrijke inhoudelijke eis is dat alle gesubsidieerde activiteiten expliciet bijdragen aan taalontwikkeling. Dit sluit aan bij de wettelijke taak van de gemeente om onderwijsachterstanden, en in het bijzonder taalachterstanden, terug te dringen. De taalcomponent geldt daarmee als een generiek vereiste binnen de regeling. • We geven richting mee door kaders en eisen, maar laten ruimte voor initiatieven van de maatschappelijke partners. Waar eerder veel ruimte was voor losse initiatieven, wordt nu bewust meer richting gegeven. De gemeente stelt duidelijke kaders, doelen en inhoudelijke eisen (per pijler), terwijl binnen deze kaders ruimte blijft voor professionele invulling door partners. Dit vergroot de focus, samenhang en effectiviteit van de gesubsidieerde activiteiten. En het biedt subsidieaanvragers meer duidelijkheid, transparantie en voorspelbaarheid over de verwachtingen. Deze subsidieregeling voor VVE en taal geeft richting aan de effecten die we willen bereiken, maar schrijft niet voor hoe de activiteiten eruit moeten zien. Dat laten we over aan de partners. Zij hebben in beeld welke initiatieven werken en passen bij hun organisatie, ambitie en doelgroep. Voor subsidies rondom kansengelijkheid subsidiëren we wél gerichte activiteiten. Binnen deze pijler is de ruimte voor initiatieven beperkt tot de in de regeling benoemde typen activiteiten. Kansengelijkheid is een breed begrip. Om versnippering te voorkomen, is gekozen voor een gerichte afbakening: binnen deze pijler worden uitsluitend specifiek benoemde typen activiteiten gesubsidieerd. De regeling heeft hier een nadrukkelijk kaderstellend en begrenzend karakter. Op dit thema richten we ons op specifieke activiteiten die de gemeentelijke inzet op kansengelijkheid goed vertegenwoordigen en bijdragen aan de stedelijke ambities. • Subsidies zijn doelgericht en resultaatgericht. We willen dat gemeentelijke subsidies doelgericht en resultaatgericht worden ingezet. Zo zorgen we voor een doelmatige en doeltreffende inzet van gemeentelijke middelen. Daarom vragen we van de partners dat ze in beeld brengen hoe ze de subsidies gaan inzetten, en welke effecten daarmee worden beoogd. Aan het einde van de subsidieperiode vragen we partners om te reflecteren op wat er is bereikt. Zo brengen we in beeld wat er wordt gerealiseerd met de subsidies, en kunnen we bijsturen als dat nodig is. Hiervoor worden uniforme formats ontwikkeld voor aanvraag en verantwoording, waarmee de doelgerichtheid, transparantie en effectiviteit in de inzet van gemeentelijke OABmiddelen worden versterkt en onderlinge vergelijking en evaluatie beter mogelijk worden. Daarnaast willen we inzetten op activiteiten die echt bijdragen aan het tegengaan en voorkomen van onderwijsachterstanden. Daarom zetten we in op activiteiten die evidence-based zijn; oftewel, activiteiten die aantoonbaar of aannemelijk effect hebben op het voorkomen en/of tegengaan van achterstanden. Zo borgen we dat we gemeentelijke middelen gebruiken voor het realiseren van duurzame langdurige effecten, in plaats van korte interventies. De onderbouwing kan resulteren uit data, wetenschappelijk onderzoek, onderzoek van kennisinstellingen of eigen, methodologisch verantwoord onderzoek. • We werken met een subsidieplafond voor de gehele regeling. We stellen het subsidieplafond voor de gehele regeling vast op de beschikbare middelen vanuit het Rijk, verminderd met de kosten voor inkoop en personeel. Het subsidieplafond stelt ons in staat om waar nodig expliciete bestuurlijke keuzes te maken voor het toekennen van subsidies. Subsidies gericht op onze wettelijke taken en bestuurlijke afspraken hebben prioriteit boven andere subsidieaanvragen. Toelichting per artikel Toelichting Artikel 4 In het artikel worden een aantal doelgroepen genoemd van de subsidies uit de pijler VVE. De subsidies dienen te minste gericht te zijn op één van deze doelgroepen. Niet elke doelgroep hoeft te worden bereikt. Het versterken van professionals werkzaam in VVE kan indirect worden gerealiseerd via een subsidie gericht op kinderen. In de subsidieaanvraag dient de aanvrager inzichtelijk te maken welke doelgroep wordt bereikt. Toelichting Artikel 5.2. De vergoedingen voor de uitvoering van VVE worden jaarlijks berekend door een extern bureau dat opdracht krijgt van de gemeente. De vergoedingen worden tijdig bekend gemaakt aan aanvragers van VVE. Binnen deze regeling wordt geen onderscheid gemaakt tussen een ‘grote ondersteuningsbehoefte’ en een ‘complexe ondersteuningsvraag’. De kern is dat het gaat om kinderen die intensievere, andere of aanvullende ondersteuning nodig hebben. Beide typen vragen vallen binnen wat in het kader van Basisstructuur voor ondersteuning (BVO) wordt aangeduid als ‘puzzelvraagstukken’: situaties waarin maatwerk, afstemming en extra inzet nodig zijn. Toelichting Artikel 5.8. Indien gedurende het subsidiejaar blijkt dat het aantal kindplaatsen is gestegen ten opzichte van de peildatum 1 oktober, kan houder een aanvullende subsidievraag indienen. De aanvullende subsidieaanvraag is niet geboden aan een uiterlijke indieningsdatum. De aanvullende subsidieaanvraag is alleen van toepassing op organisaties die reeds in het betreffende subsidiejaar een subsidie kindplaats hebben ontvangen. Toelichting Artikel 6.1 De activiteiten die worden gesubsidieerd dienen aanvullend te zijn op activiteiten die al worden uitgevoerd in het kader van het VVE-programma. Toelichting Artikel 8.1. De subsidie kunst voor kinderen is bedoeld voor het aanbieden van kunstactiviteiten aan jonge kinderen van 2 tot 4 jaar op de voorschool. Kinderen maken op een speelse manier kennis met kunst, zoals theater, muziek, dans of beeldende kunst. De activiteiten sluiten aan bij de leeftijd en belevingswereld van jonge kinderen. De activiteiten: •worden verzorgd door professionele kunstenaars of kunsteducatoren; •stimuleren creativiteit, expressie en taalontwikkeling; •vinden plaats in samenwerking met opvang, onderwijs en maatschappelijke organisaties; •zijn bedoeld voor kinderen die thuis minder met kunst en cultuur in aanraking komen. Het doel is om meer kinderen gelijke kansen te bieden om zich breed te ontwikkelen. Toelichting Artikel 11.3 De subsidie wordt slechts aan één aanvrager verleend, zodat het taalonderwijs voor nieuwkomers centraal kan worden georganiseerd in de gemeente. De gemeente Almere kiest ervoor om dit te beleggen bij het Taalcentrum. Toelichting Artikel 15.1 De subsidie ontwikkelkansen is bedoeld om financiële problemen geen belemmering te laten zijn voor schooldeelname van kinderen. Met de subsidie worden noodzakelijke schoolkosten betaald voor kinderen uit gezinnen met weinig financiële middelen. Het gaat om kosten die direct te maken hebben met school en leren, zoals materialen of activiteiten die nodig zijn om goed mee te kunnen doen op school. De ondersteuning is: •snel en laagdrempelig; •gericht op individuele kinderen of groepen kinderen; •aangevraagd via scholen of onderwijsprofessionals; •in de vorm van activiteiten binnen of buiten schooltijd. Het doel is om te voorkomen dat kinderen door armoede een achterstand oplopen in hun schoolontwikkeling, met name op het gebied van taal. Toelichting Artikel 16.1 De subsidie zomeronderwijs is bedoeld voor het organiseren van een onderwijsgericht programma in de zomervakantie voor alle kinderen van 4 tot 12 jaar. Het zomeronderwijs richt zich op het versterken van taal en andere basisschoolvaardigheden. Zo wordt voorkomen dat kinderen tijdens de zomervakantie leerachterstand oplopen of verder achter raken. De activiteiten: •vinden plaats in de zomervakantie; •hebben een duidelijke onderwijsinhoud; •combineren leren met leuke, actieve werkvormen; •worden uitgevoerd door onderwijsinstellingen samen met maatschappelijke organisaties. Het zomeronderwijs is een tijdelijke, gerichte aanvulling op het reguliere onderwijs. Toelichting Artikel 17.1 De subsidie buitenschoolse activiteiten is bedoeld voor het aanbieden van na- en buitenschoolse activiteiten voor kinderen van 4 tot 12 jaar. Het gaat om een herkenbaar aanbod na of buiten schooltijd, waarin kinderen deelnemen aan activiteiten op het gebied van sport, spel, cultuur en natuur. Ook kunnen de activiteiten gericht zijn op het versterken van het zelfvertrouwen van kinderen. Deze activiteiten dragen bij aan het spelenderwijs ontwikkelen van kinderen, zowel op het gebied van sociaal-cognitieve vaardigheden als taal. Kenmerken van de activiteiten: •ze vinden na of buiten schooltijd plaats; •ze zijn toegankelijk voor kinderen die extra steun nodig hebben; •ze combineren ontspanning met ontwikkeling; •ze worden begeleid door professionals. De activiteiten bieden kinderen extra ontwikkeltijd en dragen bij aan gelijke kansen. Toelichting Artikel 18.1 De subsidie toekomstoriëntatie is bedoeld voor activiteiten die leerlingen in het primair onderwijs helpen bij het ontdekken van werk en beroepen. Leerlingen maken kennis met de arbeidsmarkt en leren wat er nodig is om later een baan te vinden. Dit vergroot hun zelfvertrouwen en helpt hen bij het maken van keuzes voor opleidingen en werk. Alle activiteiten hebben daarin een taalcomponent. De activiteiten: •worden uitgevoerd samen met scholen en werkgevers; •bestaan uit praktische onderdelen, zoals gastlessen, bedrijfsbezoeken of mentoren; •zijn gericht op leerlingen die minder toegang hebben tot netwerken; •besteden aandacht aan communicatie en taalvaardigheid. De activiteiten dragen bij aan gelijke kansen op de arbeidsmarkt. Toelichting Artikel 19.1 De subsidie kansengelijkheid is bedoeld voor kleinschalige activiteiten die de onderwijskansen van kinderen van 0 tot 12 jaar vergroten, met extra aandacht voor taalontwikkeling. Het gaat om laagdrempelige initiatieven die kinderen extra steun bieden naast het reguliere aanbod van onderwijs en opvang. De activiteiten sluiten aan bij wat kinderen nodig hebben om zich goed te kunnen ontwikkelen en mee te doen op school. De activiteiten: •richten zich op kinderen met (een risico op) een onderwijsachterstand; •ondersteunen taalontwikkeling of vaardigheden die daarvoor belangrijk zijn; •vinden plaats buiten schooltijd; •worden uitgevoerd door onderwijsinstellingen en/of maatschappelijke organisaties, waar mogelijk in samenwerking. De subsidie is bedoeld om lokale ideeën en kleine initiatieven mogelijk te maken die bijdragen aan gelijke kansen voor kinderen. Toelichting Artikel 20 Onder ‘kosten voor locaties’ worden ook verstaan kosten voor (het huren van) locaties die direct noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteiten. De kosten voor locatie dienen redelijk en realistisch te zijn en opgenomen te zijn in de begroting. Overige kosten voor huisvesting niet direct te relateren aan een activiteit (zoals de kosten voor de vestiging van de organisatie of nieuwe meubels) zijn niet subsidiabel. Onder ‘kosten voor materialen’ worden ook verstaan kosten voor catering die direct te relateren zijn aan het uitvoeren van activiteiten. De kosten voor catering dienen redelijk en realistisch te zijn en opgenomen te zijn in de begroting. Overige catering voor medewerkers niet direct te relateren aan een activiteit zijn niet subsidiabel. Onder ‘kantoorbenodigdheden’ worden ook verstaan telefoonkosten voor medewerkers. Toelichting Artikel 24 De subsidieaanvragen worden bij het overschrijden van het subsidieplafond gerangschikt op volgorde zoals benoemd in het artikel. De subsidieaanvragen bedoeld voor het subsidiëren van kindplaatsen hebben prioriteit boven andere aanvragen gelet op de wettelijke verplichtingen van de gemeente rondom het faciliteren van kindplaatsen voor VVE. Toelichting Artikel 25 De beoordeling wordt uitgevoerd door ten minste 2 ambtelijk medewerkers betrokken bij het beleid rondom onderwijsachterstanden. Het puntensysteem wordt alleen toegepast bij gelijkheid binnen een prioriteringscategorie zoals bedoeld in artikel 24. Toelichting Artikel 28 Met het deelnemen aan wijkbijeenkomsten 0-12 jaar wordt beoogd dat gesubsidieerde organisaties betrokken blijven bij de gezamenlijke opgave om onderwijsachterstanden tegen te gaan, kennis en ervaringen delen en signalen vanuit de praktijk terugkoppelen aan de gemeente. De vorm en intensiteit van deze betrokkenheid kunnen per organisatie verschillen en zijn afhankelijk van de aard en schaal van de gesubsidieerde activiteiten. Er wordt nadrukkelijk geen minimum aantal bijeenkomsten, momenten of uren aangewezen waaraan deelname verplicht is. Tegelijkertijd wordt van subsidieontvangers verwacht dat zij zich aantoonbaar verbinden aan deze gezamenlijke inzet. Indien gedurende de subsidieperiode blijkt dat een aanvrager structureel geen betrokkenheid toont, bijvoorbeeld door niet deel te nemen aan overleggen, geen informatie te delen en geen enkele bijdrage te leveren aan het lerend netwerk of beleidsontwikkeling, kan dit aanleiding zijn om het gesprek aan te gaan en zo nodig te interveniëren.

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030"

APV

APV

Subsidieregeling Onderwijsachterstanden Almere 2027-2030

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van de adjunct-directeur Accountmanagement & Bedrijfsvoering van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 22 april 2026, tot het vaststellen van de Vervangingsregeling directie Accountmanagement & Bedrijfsvoering Omgevingsdienst...

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van de algemeen directeur van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 22 april 2026, tot het vaststellen van de Vervangingsregeling algemeen directeur Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Mededelingen

Mededelingen

Besluit tot het vaststellen van de Vervangingsregeling directie Toezicht en Handhaving Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van de adjunct-directeur Regulering & Expertise van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 22 april 2026, tot het vaststellen van de Vervangingsregeling directie Regulering & Expertise Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

Mededelingen

Mededelingen

Afwijkingenbeleid doorontwikkeling deel 1 Oosterwold

Weerwaarschuwingen

Weerwaarschuwingen

Weerwaarschuwing KNMI - code geel: Temperatuur

APV

APV

Landelijke Regeling aanspraken na Dienstongevallen Veiligheidsregio’s

Mededelingen

Mededelingen

Waterschap Zuiderzeeland is voornemens om twee percelen in erfpachtrecht uit te geven voor de duur van veertig jaren aan de gemeente Almere:

Mededelingen

Mededelingen

Waterschap Zuiderzeeland is voornemens om een perceel te verkopen aan Liander N.V. ten behoeve van realisatie van een trafo en het vestigen van een recht van opstal voor een elektrakabel:

Mededelingen

Mededelingen

Waterschap Zuiderzeeland is voornemens over te gaan tot uitgifte van een (gedeeltelijke) perceel:

APV

APV

Subsidieregeling Netwerkversterking Diversiteit & Inclusie 2026, Almere