Subsidieregelingen 2027 gemeente Súdwest-Fryslân

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-10-22

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente Súdwest-Fryslân

Informatie

Subsidieregelingen 2027 gemeente Súdwest-Fryslân Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân; gelet op de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening 2026 gemeente Súdwest-Fryslân; besluit de volgende regelingen vast te stellen: Subsidieregelingen 2027 gemeente Súdwest-Fryslân. Hoofdstuk 1 Inleiding en inhoudsopgave In dit document staan de subsidieregelingen van de gemeente Súdwest-Fryslân. Waarom zijn deze regelingen gemaakt? We hebben deze gemaakt omdat: •hierin staat wanneer een persoon of organisatie subsidie kan krijgen; •we aanvragen hierdoor sneller kunnen behandelen; •we er zo voor zorgen dat we niet meer geld uitgeven dan we willen; •hiermee een goede juridische grond bestaat voor de keuzes die we maken. Welke regels zijn er? We kennen landelijke regels en eigen regels. Deze staan in: •de Algemene wet bestuursrecht; •de Algemene Subsidieverordening 2026; •de Beleidsregels controleverklaringen bij subsidies 2026; •de Beleidsregels Wet Bibob 2026. Wat staat in deze documenten? In de Algemene wet bestuursrecht en Algemene Subsidieverordening staan de stappen die we nemen als we een aanvraag krijgen. Verder is beleid gemaakt. Hierin staat wat we op dat onderdeel willen bereiken, wat we hiervoor willen doen en hoeveel we daarvoor over hebben. Wat staat in de regelingen? In een subsidieregeling kan staan: •wat we bedoelen met bepaalde woorden; •wie subsidie kan krijgen; •voor welke activiteiten de subsidie is; •welke regels er zijn om subsidie te krijgen; •wanneer de gemeente geen subsidie geeft; •wanneer de aanvraag moet zijn ingeleverd; •hoeveel budget er is voor de regeling en hoe dit wordt verdeeld. Inhoud Hoofdstuk 2 Onderwijs 2.1 Peuteropvang en voorschoolse educatie (VE) 2.2 Vroegschoolse Educatie (basisschool) 2.3 Zorg voor leerlingen 2.4 Integrale Kind Aanpak 2.5 Schoolzwemmen voor speciaal (basis) onderwijs Hoofdstuk 3 Sport 3.1 Vitale sport- en beweegaanbieders 3.2 Sporttechnisch kader gymnastiek 3.3 Sport iedereen doet mee 3.4 Topsportfonds 3.5 Bûten gewoan bewege! 3.6 Sporthulpmiddelen Hoofdstuk 4 Cultuur 4.1 Musea 2025 – 2028 4.2 Muziek, zang en toneel, jaarlijks 4.3 Muziek en zang, eenmalig 4.4 Folkloristische activiteiten 4.5 Draaiorgels 4.6 Boeken en films 4.7 Foto- en filmclubs 4.8 Friese taal, Stedsk en Hylpersk 4.9 Taalkeunst yn de iepenbiere romte 4.10 Kunstroute 4.11 Culturele commissies Hoofdstuk 5 Dichtbij meedoen 5.1 Kernenfonds 5.2 Jeugd 5.3 Ouderenorganisaties 5.4 Vrijwilligerswerk en informele zorg 5.5 Wijkaanpak 2.0 5.6 Organisatiegeld stads-, dorps- en wijkbelangen 5.7 Ontmoetingsplaatsen, groot onderhoud en verduurzaming 5.8 Ontmoetingsplaatsen, laagdrempelige activiteiten 5.9 Voedselbanken Hoofdstuk 6 Evenementen 6.1 Toeristische evenementen 6.2 Sportevenementen 6.3 Cultuurfonds 6.4 Gelijkwaardig meedoen bij evenementen 6.5 Duurzame evenementen Hoofdstuk 7 Leefomgeving 7.1 Cultureel erfgoed 7.2 Open monumentendag 7.3 Historische werkgroepen 7.4 Cultuurhistorische verkavelingsstructuren 7.5 Skûtsjes Hoofdstuk 8 Klimaat 8.1 Duurzaamheid, Energiecoöperaties 8.2 Klimaat, aanleg groen dak 8.3 Klimaat, groen maken tuin 8.4 Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie 8.5 Klimaat, regenwater bergen 8.6 Klimaat, regenton verkoop met korting 8.7 IJswegencentrales 8.8 Drinkwaterbesparing Bolsward-Oost Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Bijlage 1: musea 2025-2028, nadere uitwerking criteria bedoeld in artikel 4.1.4 Bijlage 2: klein onderhoud, behorend bij paragraaf 5.7 Ontmoetingsplaatsen, groot onderhoud en verduurzaming Hoofdstuk 2 Onderwijs Paragraaf 2.1 Peuteropvang en voorschoolse educatie (VE) Artikel 2.1.1 Begripsbepalingen a.aanbieder: organisatie opgenomen in het LRK die in 2027 peuteropvang aanbiedt in de gemeente; b.adviestabel ouderbijdrage: de VNG adviestabel ouderbijdrage peuteropvang voor het betreffende jaar, zoals gepubliceerd op www.VNG.nl; c.gemeentetoeslag: de subsidie die via de aanbieder wordt toegekend aan niet kinderopvangtoeslag gerechtigde ouders als tegemoetkoming in de kosten voor het afnemen van peuteropvang; d.kindcentrum: een locatie waar kinderopvang plaatsvindt, anders dan gastouderopvang; e.kinderopvangtoeslag: de toeslag die kinderopvangtoeslag gerechtigden ontvangen van de belastingdienst voor peuteropvang dan wel kinderopvang; f.koptarief: subsidie die aan de aanbieder wordt toegekend als tegemoetkoming voor de ouders om het verschil tussen de kostprijs per uur en het maximum uurtarief adviestabel ouderbijdrage te overbruggen; g.Lokaal Educatieve Agenda (LEA): overleg tussen basisonderwijs, voortgezet onderwijs, MBO, organisaties voor kinderopvang, peuteropvang, Jeugdgezondheidszorg (JGZ) en de gemeente; h.LRK: Landelijk Register Kinderopvang; i.maximum uurtarief: dit is het maximum uurtarief voor de kinderopvangtoeslag; j.ouder: de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de pleegouder/verzorger van een kind op wie de kinderopvang betrekking heeft; k.ouderbijdrage: de inkomensafhankelijke bijdrage die door ouders betaald wordt aan de aanbieder; l.overdrachtsformulier: het formulier dat gebruikt wordt door de aanbieder om de kennis, zoals opgebouwd in het kind-volgsysteem, over te dragen aan de basisschool waar de peuter naar toegaat; m.pedagogisch beleidsmedewerker/coach: een HBO-geschoolde medewerker die één of meer van de volgende rollen vervult: i.beleidsfunctie (boven formatief) waarin gemeentelijk- en organisatiebeleid wordt vertaald naar handelingsadviezen voor de pedagogisch professionals; ii.coach van pedagogisch professionals (boven formatief) via observatie en (team)gesprekken; iii.pedagogisch professional (formatief) die meewerkt op de groep én bijdraagt aan kwaliteitsverbetering; n.pedagogisch professional: medewerker die peuters verzorgt, begeleidt en ondersteunt in hun ontwikkeling volgens het groeps- of individueel ontwikkelplan; o.peuter: bij de gemeente in het basisregistratiepersonen ingeschreven kind van 2 tot 4 jaar; p.peuterplaats: beschikbare plek op een peuteropvang die in een jaar door één of meerdere peuters wordt bezet; q.peuteropvang: kinderopvang voor peuters; r.reguliere peuteropvang: peuteropvang die minimaal twee dagdelen opvang met een maximale dagdeel-lengte van 4 uren omvat, gedurende maximaal 40 weken per kalenderjaar bij een aanbieder, zijnde niet VE-aanbod; s.rekentool 2027: rekentool waarmee de hoogte van de subsidie wordt vastgesteld. Aanbieders dienen de ingevulde Rekentool 2027 als bijlage op te nemen in hun subsidieaanvraag; t.VE-aanbod: het aanbod voorschoolse educatie dat 2 extra dagdelen bovenop de reguliere peuteropvang betreft, gericht op het verminderen van onderwijsachterstanden van VVE-doelgroep peuters; u.VE-peuteropvang: kinderopvang voor peuters waar ook voorschoolse educatie wordt aangeboden aan VVE-doelgroep peuters volgens een erkend VVE-programma; v.VE-peuterplaats: een beschikbare plek op een VE-peuteropvang die in een jaar door één of meerdere VVE-doelgroep peuters wordt bezet. Het gaat dus niet om het aantal individuele peuters of de reguliere eerste twee dagdelen; w.voorschoolse educatie: extra educatie die wordt aangeboden aan VVE-doelgroep peuters ter voorbereiding op de basisschool; x.VVE-doelgroep peuter: een peuter die een VVE-indicatie heeft gekregen van de Jeugdgezondheidszorg (JGZ); y.VVE: Voor- en Vroegschoolse Educatie; z.VVE-programma: een erkend voor- en vroegschools programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut. Artikel 2.1.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan aanbieders voor: a.het aantal bezette peuterplaatsen voor reguliere peuteropvang (minimaal 2 dagdelen) waarop de gemeentetoeslag van toepassing is. b.het aantal bezette peuterplaatsen voor peuteropvang (minimaal 1 dagdeel) waarop het koptarief van toepassing is. c.het aantal bezette peuterplaatsen met VE-aanbod (2 extra dagdelen bovenop reguliere peuteropvang). d.de inzet van een pedagogisch beleidsmedewerker/coach voor peuteropvang met een VE-aanbod. e.de inzet van een extra pedagogisch professional op een VE-peuteropvanglocatie die voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 2.1.3, lid 4. Artikel 2.1.3 Voorwaarden peuteropvang en voorschoolse educatie 1.Om in aanmerking te komen voor subsidie gelden voor alle in artikel 2.1.2 genoemde activiteiten voor aanbieders de volgende voorwaarden: a.in de aanvraag onderscheid maken tussen de activiteiten zoals genoemd onder artikel 2.1.2; b.bij de verantwoording gebruik maken van het door het college vastgestelde aanvraag- en verantwoordingsformulier; c.bij de berekening van de hoogte van de subsidie gebruik maken van de Rekentool 2027 en deze als bijlage opnemen in hun subsidieaanvraag en -verantwoording; d.met toepassing van artikel 19, lid 4, onderdeel a en artikel 20, lid 2, onderdeel a van de Algemene Subsidieverordening 2026 gemeente Súdwest-Fryslân bij een subsidie van meer dan € 50.000 een subsidieverklaring, inclusief gewaarmerkte rekentool, aanleveren welke is opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep; e.de peuteropvang heeft minimaal 6 en maximaal 16 peuters per groep; f.de peuteropvang voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en landelijke kwaliteitseisen voor peuterwerk. Dit blijkt uit een beoordeling van de GGD; g.de peuteropvang werkt samen met andere peuteropvang locaties, kinderopvang locaties en basisscholen gericht op het uitwisselen van kennis, expertise en het realiseren van een goede overdracht; h.de peuteropvang is aangesloten op de Verwijsindex Fryslân (ViF). Pedagogisch professionals van de peuteropvang zijn geschoold in het werken met deze Verwijsindex; i.de peuteropvang heeft de taak in het (vroeg)signaleren en in de preventie van ontwikkelingsachterstanden en/of opvoedingsproblemen; j.het bestuur waar de peuteropvang onder valt neemt via de LEA deel aan gestructureerd inhoudelijk overleg tussen peuteropvang, kinderopvang en basisscholen over voor- en vroegschoolse educatie, toeleiding, kwaliteitsbewaking en doorgaande leerlijn; k.de peuteropvang gebruikt het overdrachtsformulier voor de overdracht van peuters naar de basisschool; l.de peuteropvang zorgt voor een mondelinge overdracht van relevante informatie over een peuter door de pedagogisch professional naar de basisschool van alle peuters als zij de peuteropvang verlaten (warme overdracht). 2.Om in aanmerking te komen voor subsidie voor voorschoolse educatie gelden aanvullend op lid 1 de volgende voorwaarden: a.de VE-peuteropvang voldoet aan de geldende wet- en regelgeving en landelijke kwaliteitseisen voor VE. Dit blijkt uit een beoordeling van de GGD; b.op een VE-peuteropvang locatie zijn alle pedagogisch professionals geschoold of worden (bij)geschoold in het VVE-programma; c.op kindcentra met een pedagogisch beleidsmedewerker/coach wordt gewerkt met een VVE-programma. Deze voorwaarde geldt niet voor de locatie bij het AZC; d.VVE-doelgroep peuters volgen de voorschoolse educatie 4 dagdelen per week van 4 uur per dagdeel; e.VVE-doelgroep peuters worden met voorrang geplaatst op een VE-peuteropvang; f.de VE-peuteropvang heeft ouderbeleid ontwikkeld en uitgewerkt in een ouderbeleidsplan, dat ouders op de peuteropvang kunnen inzien. 3.Om in aanmerking te komen voor subsidie voor de pedagogisch beleidsmedewerker/coach gelden aanvullend op de voorwaarden van lid 1 en 2 de volgende voorwaarden: a.het aantal uren per kindcentrum mag naar eigen inzicht worden ingezet voor kwaliteitsverhoging van het VE-aanbod. De uren komen bovenop het aantal uren dat op grond van de wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK) verplicht is; b.uit het pedagogisch beleidsplan van de aanbieder blijkt op welke wijze de beleidsmedewerker/coach ervoor zorgt dat het doel wordt bereikt. 4.Om in aanmerking te komen voor subsidie voor de extra inzet van een pedagogisch professional geldt aanvullend op de voorwaarden van lid 1 en 2 dat op de VE-peuteropvanglocatie één of meer groepen aanwezig zijn met tenminste 60% VVE-doelgroep peuters. Artikel 2.1.4 Inleverdatum aanvraag De aanvraag moet uiterlijk 1 december 2026 in het bezit zijn van de gemeente. Artikel 2.1.5 Budget 1.Voor activiteiten genoemd in onderdeel a tot en met d van artikel 2.1.2 is er geen subsidieplafond vastgesteld. 2.Voor activiteiten genoemd in onderdeel e van artikel 2.1.2 is het budget € 200.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 2.1.6 Verdeling peuteropvang en voorschoolse educatie 1.Voor activiteiten van peuteropvang (genoemd in artikel 2.1.2, onderdeel a en b en voorschoolse educatie (genoemd in artikel 2.1.2, onderdeel c en d) is de basis voor de subsidieaanvraag het aantal bezette (VE-) peuterplaatsen. Dit wordt berekend door het gemiddelde aantal bezette (VE-)peuterplaatsen op de ijkdata 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het voorafgaande jaar. 2.Voor activiteiten van peuteropvang (genoemd in artikel 2.1.2, onderdeel a en b) en voorschoolse educatie (genoemd in artikel 2.1.2, lid c en d) is de basis voor de subsidieverantwoording het gemiddelde aantal bezette (VE-) peuterplaatsen op de ijkdata 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober van het subsidiejaar. 3.Voor de extra inzet van een pedagogisch professional is de basis voor de subsidieaanvraag het aantal dagdelen waarop een groep aan de voorwaarde van minimaal 60% VVE-doelgroep peuters voldoet. Dit wordt berekend door het gemiddelde aantal dagdelen in de eerste week van januari, april, juli en oktober van het voorafgaande jaar. 4.Voor de extra inzet van een pedagogisch professional is de basis voor de subsidieverantwoording het gemiddelde aantal dagdelen waarop een groep aan de voorwaarde van minimaal 60% VVE-doelgroep peuters voldoet in de eerste week van januari, april, juli en oktober van het subsidiejaar. 5.De subsidie per bezette peuterplaats voor 2 dagdelen reguliere peuteropvang van 3 uur waarop de gemeentetoeslag van toepassing is bedraagt € 2.738,40 (peiljaar 2027). 6.De subsidie per bezette peuterplaats voor 2 dagdelen reguliere peuteropvang van 3,5 uur waarop de gemeentetoeslag van toepassing is bedraagt € 3.194,80 (peiljaar 2027). 7.De subsidie per bezette peuterplaats voor 2 dagdelen reguliere peuteropvang van 4 uur waarop de gemeentetoeslag van toepassing is bedraagt € 3.651,20 (peiljaar 2027). 8.De subsidie per bezette peuterplaats (koptarief) waarop de kinderopvangtoeslag van toepassing is, bedraagt € 0,76 per uur met een maximum van 360 uur. 9.De subsidie per bezette peuterplaats voor twee extra dagdelen van 4 uur VE bedraagt € 3.955,20 (peiljaar 2027). 10.De subsidie voor de pedagogisch beleidsmedewerker/coach bedraagt 10 uren per bezette VE-peuterplaats met een vast uurtarief van € 54,00. 11.Het vaste uurtarief van de extra pedagogisch professional bedraagt € 48,00. 12.Als het budget voor de extra inzet van de pedagogisch professional niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding verdeeld over de aanvragers. Artikel 2.1.7 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer een evenwichtige spreiding van voorzieningen naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd. Artikel 2.1.8 Voorwaarden gemeentetoeslag Voor ouders die in aanmerking willen komen voor gemeentetoeslag via de aanbieder gelden de volgende voorwaarden: a.de peuter bezoekt minimaal twee dagdelen (van 3, 3,5 of 4 uren) per week de peuteropvang van een aanbieder met een maximum van 40 weken per kalenderjaar; b.de ouders komen niet in aanmerking voor de kinderopvangtoeslag; c.de ouders hebben een inkomensverklaring overgelegd aan de aanbieder; d.(zelfstandig) ondernemers kunnen in plaats van een Inkomensverklaring een kopie sturen van de meest recente definitieve aanslag inkomstenbelasting van het betreffende belastingjaar. Artikel 2.1.9 Ouderbijdrage 1.Ouders die gebruik maken van het VVE-aanbod betalen een inkomensafhankelijke ouderbijdrage over de eerste twee dagdelen. 2.Bij de subsidieverlening gaat de gemeente uit van een gemiddelde ouderbijdrage, dit is € 0,95 per uur (peiljaar 2027). 3.Na afloop van het subsidiejaar vindt de verrekening met het voorschot plaats op basis van het werkelijke aantal bezette peuterplaatsen in 2027. 4.Bij de doorberekening van de ouderbijdrage aan de ouders wordt de adviestabel ouderbijdrage gevolgd. Artikel 2.1.10 Maximum uurtarief peuteropvang Het maximum uurtarief voor de peuteropvang in de gemeente is € 11,60 (peiljaar 2027). Artikel 2.1.11 Subsidiëring koptarief voor alle ouders aan de aanbieder De gemeente vergoedt in 2027 aan de aanbieder een koptarief van € 0,76 per uur, tot een maximum 8 uur per dag. Dit geldt zowel voor ouders die gebruik maken van peuteropvang op basis van de gemeentetoeslag als voor ouders die peuteropvang afnemen op basis van kinderopvangtoeslag. Artikel 2.1.12 Verdeling extra dagdelen VE-peuteropvang 1.Voor elke geplaatste VVE-doelgroep peuter ontvangt de aanbieder subsidie voor 2 extra dagdelen van 4 uren per week, mits de aanbieder kan aantonen (via de Overeenkomst) dat de peuter ook gebruik maakt van de reguliere peuteropvang van 2 dagdelen van 4 uren (in totaal 4 dagdelen van 4 uren). 2.De subsidie voor de 2 extra dagdelen per VVE-doelgroep peuter per jaar wordt verrekend naar rato van het aantal maanden dat een VVE-doelgroep peuter geplaatst is op de peuteropvang. 3.De subsidie van de 2 extra dagdelen bestaat uit het maximum uurtarief en het koptarief. Artikel 2.1.13 Procedurebepalingen 1.Ouders kunnen gemeentetoeslag aanvragen via de aanbieder, door middel van een aanvraagformulier. 2.De subsidie voor gemeentetoeslag van de ouders wordt uitbetaald aan de aanbieder. De aanbieder dient daarvoor een registratie bij te houden. 3.De aanbieder toetst de door de ouders ingevulde aanvraagformulieren met de gevraagde inkomensgegevens. Ouders hoeven maar eenmaal de gevraagde inkomensverklaring aan de aanbieder aan te leveren. De uitkomst van de toetsing dient schriftelijk vastgelegd te worden. 4.De aanbieder houdt maandelijks het aantal peuters, recht op kinderopvangtoeslag of gemeentetoeslag en de toepasselijke ouderbijdrage bij en stuurt dit overzicht per kwartaal op aan de gemeente. 5.De aanbieder int de ouderbijdrage bij de ouders en is verantwoordelijk voor een eventueel optredend debiteurenverlies. 6.Als de inkomenssituatie zodanig wijzigt dat ouders in aanmerking komen voor de kinderopvangtoeslag, dan vervalt het recht op de gemeentetoeslag nadat het recht op kinderopvangtoeslag is ingegaan. Ouders of verzorgers zijn verplicht per omgaande te melden aan de aanbieder dat zij in aanmerking komen voor kinderopvangtoeslag. Dit wordt door de aanbieder van tevoren mondeling en schriftelijk met ouders gecommuniceerd en na een jaar herhaald. 7.Indien (zelfstandig) ondernemers niet de meest recente aanslag inkomstenbelasting kunnen of willen overleggen, moeten zij aantonen startend ondernemer te zijn door middel van een bewijs van de Kamer van Koophandel, waarbij ze in de laagste categorie ingeschaald kunnen worden. Indien geen sprake is van een startende onderneming, kan de ondernemer ingeschaald worden in de middelste inkomenscategorie, waarbij het recht op herziening is voorbehouden. 8.Wanneer een verlaging van het inkomen zodanig is dat ouders in een lagere inkomenscategorie van de adviestabel ouderbijdrage vallen, kan een aanvraag tot herziening van de ouderbijdrage worden gedaan op basis van de meest recente loongegevens, loonstrook, uitkeringsbeschikking of de meest recente inkomensverklaring. 9.Indien sprake is van inkomenswijziging door werkeloosheid, kunnen kinderopvanggerechtigden nog gedurende een half jaar aanspraak maken op de kinderopvangtoeslag, nadat deze termijn verstreken is kunnen zij in aanmerking komen voor de gemeentetoeslag. 10.Indien bij de jaarlijkse toetsing blijkt dat de ouders of verzorgers de voorgaande periode wel recht op kinderopvangtoeslag hadden en de ouders of verzorgers dit niet (tijdig) hebben gemeld, wordt de gemeentetoeslag door de gemeente teruggevorderd bij de aanbieder vanaf de datum dat het recht op de kinderopvangtoeslag is ingegaan. De aanbieder is zelf verantwoordelijk voor het terugvorderen van deze gemeentetoeslag bij de ouders. 11.De gemeentetoeslag wordt stopgezet op de dag dat de peuter vier jaar wordt of als een tussentijdse wijziging plaats heeft gevonden waardoor niet meer aan de voorwaarden voor de gemeentetoeslag wordt voldaan. 12.Indien de aanbieder vaststelt dat ouders die gemeentetoeslag ontvangen drie keer binnen een half jaar de ouderbijdrage niet betalen aan de aanbieder en de aanbieder de ouders hiertoe schriftelijk heeft aangemaand, dan vervalt het recht op deze gemeentetoeslag en wordt de peuteropvang beëindigd. Er wordt dan via een e-mail een signaal aan de gemeente gegeven. 13.Ouders die geen Inkomensverklaring of andere documenten willen overleggen komen niet in aanmerking voor de gemeentetoeslag en moeten tegen het volledige tarief peuteropvang afnemen. Paragraaf 2.2 Vroegschoolse Educatie (basisschool) Artikel 2.2.1 Begripsbepalingen a.achterstandsscore: score per school op basis van het risico per kind op een onderwijsachterstand, zoals gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS); b.VE-peuteropvang: kinderopvang met VE-aanbod als bedoeld in artikel 2.1.1; c.vroegschoolse educatie: educatie die wordt aangeboden in de eerste twee leerjaren van de basisschool; d.VVE-programma: programma als bedoeld in artikel 2.1.1. Artikel 2.2.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan basisscholen in de gemeente met een sterke doorgaande ontwikkellijn tussen voorschoolse en vroegschoolse educatie om onderwijsachterstanden bij jonge kinderen te voorkomen en te verminderen. Artikel 2.2.3 Voorwaarden 1.De achterstandsscore van de school is 95 of hoger. 2.De school zoekt actief en structureel de samenwerking met een VE-peuteropvang en geeft dit samen vorm. 3.De subsidie wordt ingezet voor de bekostiging van een tutor die in de klas aanwezig is. 4.De subsidie wordt ingezet voor de aanschaf van en scholing in een bewezen effectief VVE-programma, waarbij de doorgaande lijn met de VVE-peuter/dagopvang wordt bewerkstelligd. 5.De rijksmiddelen die de basisschool zelf ontvangt voor het bestrijden van onderwijsachterstanden worden volledig ingezet als cofinanciering. 6.De school werkt mee en geeft uitvoering aan de resultaatafspraken tussen gemeente en de betreffende schoolbesturen. Artikel 2.2.4 Inleverdatum aanvraag De aanvraag moet uiterlijk 1 december 2026 in het bezit zijn van de gemeente. Artikel 2.2.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 45.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 2.2.6 Verdeling 1.De subsidie per basisschool bedraagt maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 15.000. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Artikel 2.2.7 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer een juiste spreiding van voorzieningen naar het oordeel van het college onvoldoende is gewaarborgd. Paragraaf 2.3 Zorg voor leerlingen Artikel 2.3.1 Begripsbepaling Preventieve zorg: vormen van hulp, niet zijnde onderwijskundige ondersteuning, en ondersteuning ten behoeve van het duurzaam versterken en verbeteren van het functioneren van de leerling zodat de schoolloopbaan ononderbroken kan worden voortgezet. Artikel 2.3.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan scholen voor primair onderwijs, SBO en (V)SO in de gemeente voor het verlenen van preventieve zorg aan haar leerlingen. Artikel 2.3.3 Voorwaarden 1.De zorgmiddelen van de gemeente worden aanvullend ingezet op de middelen voor Passend Onderwijs en worden ingezet voor niet-onderwijskundige ondersteuning. 2.De subsidie wordt ingezet voor directe preventieve zorg aan leerlingen. Artikel 2.3.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 111.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 2.3.5 Verdeling 1.Het bedrag bedraagt € 15,30 per leerling per jaar. Hiervoor wordt de meest actuele telling van het Ministerie van OCW gebruikt (https://duo.nl/open_onderwijsdata). 2.Als er niet genoeg budget is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over de aanvragers. Artikel 2.3.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer het gaat om taken die primair de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur zijn en/of vallen onder de wet passend onderwijs, te weten kwaliteitszorg, interne begeleiding, systeembegeleiding, professionalisering van het team, schoolontwikkeling, implementatie van onderwijsconcepten en onderwijsmethoden. Paragraaf 2.4 Integrale Kind Aanpak Artikel 2.4.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een startende IKA, IKA in bedrijf, IKA+ of Top IKA, bestaande uit een samenwerkingsverband tussen minimaal een school en een kinderopvangorganisatie. De school voert namens beide partijen de activiteiten uit; b.achterstandsscore: door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ontwikkelde methode voor het in beeld brengen van onderwijsachterstanden; c.doorgaande lijn: een logisch opvolgende lijn van in iedere geval de voorschoolse periode (0-4 of 2-4 jaar) naar de vroegschoolse periode (groep 1-3) op het gebied van leer- en ontwikkelingsdoelen, pedagogisch klimaat en ouderbetrokkenheid; d.IKA: Integrale Kind Aanpak; e.IKA+: een IKA waarvan de school een achterstandsscore heeft van 20 tot en met 94; f.IKA in bedrijf: een bestaande IKA waarvan de school geen achterstandsscore heeft; g.Integrale Kind Aanpak: een op een analyse van de wijk, het dorp of het gebied gebaseerde samenwerking tussen kinderopvangorganisatie, onderwijs, welzijn, sport en cultuur en/of andere partijen. Doel hiervan is de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen te vergroten. De samenwerking geeft vorm aan een integrale aanpak in een doorgaande lijn voor kinderen van met name 2-12 jaar in de omgeving waarin zij opgroeien; h.kinderopvangorganisatie: een organisatie die professionele opvang aanbiedt voor kinderen in de leeftijd van 0-13 jaar en die is geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK); i.lumpsumregeling: scholen en andere onderwijsinstellingen krijgen van de Rijksoverheid elk jaar één budget voor de kosten van materiaal en personeel. Dit budget heet de lumpsum; j.startende IKA: een beginnende samenwerking tussen school en opvang; k.Top IKA: een IKA waarvan de school een achterstandsscore heeft van 95 of hoger; l.VVE: als bedoeld in artikel 2.1.1. Artikel 2.4.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse en eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan aanvragers voor activiteiten gericht op het ontwikkelen en versterken van een Integrale Kind Aanpak. Artikel 2.4.3 Voorwaarden 1.Samenwerking tussen minimaal de kinderopvang en de school is aantoonbaar met een samenwerkingsovereenkomst of convenant en: a.er wordt gewerkt aan/vanuit één pedagogische visie; b.er bestaat gelijkwaardigheid tussen onderwijs en kinderopvang en er is gezamenlijk een IKA-plan opgesteld; c.ouders worden zoveel mogelijk betrokken bij de ontwikkeling van hun kind; d.er bestaat een doorgaande lijn van de voor- naar de vroegschool. 2.Er is een duidelijke analyse gemaakt met betrekking tot de kinderen, hun ouders en de wijk/het dorp waarin de school zich bevindt, waaruit blijkt waar de behoeften liggen en waarin het verband tussen die analyse en het IKA-plan duidelijk wordt beschreven. 3.Er is sprake van cofinanciering; de organisaties die deelnemen aan de IKA zetten tenminste 30% van het bedrag van de gemeentelijke subsidie zelf aanvullend in. Dat kan zijn in de vorm van uren van het personeel, materialen, inhuur van derden, etc. 4.De school zet de eigen VVE-middelen in de lumpsumregeling voor het onderwijs in voor VVE-activiteiten op school dan wel de doorgaande lijn 0-6. 5.De kinderopvangorganisaties zetten hun aanvullende middelen vanuit het onderwijsachterstandenbeleid in elk geval gedeeltelijk aanvullend in voor het IKA-plan. 6.Het moet gaan om activiteiten zoals planvorming, scholing, coördinatie, randvoorwaardelijke activiteiten voor de doorgaande lijn en activiteiten gericht op samenwerking tussen onderwijs, kinderopvang en andere betrokken partners. 7.De volgende kosten zijn niet subsidiabel: a.kosten van fysieke voorzieningen of algemene materiële investeringen wanneer deze niet direct onderdeel uitmaken van een subsidiabele IKA-activiteit en niet noodzakelijk zijn voor de uitvoering daarvan; b.activiteiten die behoren tot de reguliere verantwoordelijkheid van de school of kinderopvangorganisatie. Artikel 2.4.4 Inleverdatum aanvraag 1.De volledige aanvraag voor het schooljaar 2027-2028 is uiterlijk 1 juli 2027 in het bezit van de gemeente. 2.De verantwoording voor het schooljaar 2027-2028 is uiterlijk 1 oktober 2028 in het bezit van de gemeente. Artikel 2.4.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 145.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 2.4.6 Verdeling Jaarlijkse subsidie 1.Als de inleverdatum voorbij is, worden alle aanvragen beoordeeld. IKA+ en Top-IKA-aanvragen worden als eerste behandeld. 2.De aanvragers komen alleen voor subsidie in aanmerking wanneer de activiteiten, naar het oordeel van het college, helpen om achterstanden terug te dringen dan wel kansen voor kinderen te vergroten. 3.De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot maximaal: Type IKA Achterstands-score Maximale subsidie per locatie Activiteiten IKA+ 20-94 € 9.500 Proces planvorming Coördinatie Scholing Rand voorwaardelijke activiteiten voor de doorgaande lijn (pedagogisch en educatief) Top-IKA ≥ 95 € 14.000 Proces planvorming Coördinatie Scholing Rand voorwaardelijke activiteiten voor de doorgaande lijn (pedagogisch en educatief) Doorgaande lijn in de zorg 4.Indien er in een dorp of wijk meerdere scholen en opvangvoorzieningen zijn, mag de aanvraag door deze scholen en opvangvoorzieningen gezamenlijk worden gedaan. In dat geval wordt de subsidie bepaald door het op grond van lid 3 toe te kennen bedrag bij elkaar op te tellen. 5.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over de aanvragers. Eenmalige subsidie 6.Indien na verlening van de jaarlijkse subsidies nog budget over is, kan een eenmalige subsidie worden verleend aan een startende IKA en/of een IKA in bedrijf. 7.De aanvragen die naar het oordeel van het college het meeste helpen om achterstanden terug te dringen dan wel om kansen voor kinderen te vergroten krijgen als eerste subsidie, totdat het budget op is. 8.De subsidie bedraagt maximaal 70% van de subsidiabele kosten tot maximaal: Type IKA Achterstandsscore Maximale Subsidie per locatie Activiteiten Startende IKA Geen € 6.000 Proces planvorming Coördinatie Scholing Versterking doorgaande lijn 0-6 IKA in bedrijf Geen € 3.500 Scholing (bij kleine wijzigingen) Versterking doorgaande lijn 0-6 Artikel 2.4.7 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer de activiteiten naar het oordeel van het college: a.onvoldoende bijdragen aan kwaliteitsverbetering en/of verbetering van resultaten; b.geen aanvulling zijn op de reguliere activiteiten van de aanvrager. Paragraaf 2.5 Schoolzwemmen voor speciaal (basis) onderwijs Artikel 2.5.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een school in het speciaal (basis)onderwijs, statutair gevestigd in de gemeente; b.speciaal onderwijs: onderwijs aan leerlingen met specifieke ondersteuningsbehoeften, zoals vastgelegd in de Wet op de expertisecentra (WEC); c.speciaal basisonderwijs: onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben zoals vastgelegd in de Wet op het primair onderwijs (WPO); d.schoolzwemmen: door de school georganiseerde zwemles gericht op het behalen van een zwemdiploma of onderhouden van zwemvaardigheid. Artikel 2.5.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een aanvrager voor het aanbieden van schoolzwemmen. Artikel 2.5.3 Voorwaarden 1.De aanvrager verzorgt het vervoer tussen de school en het zwembad. 2.De aanvraag bevat het aantal leerlingen dat waarschijnlijk het komende schooljaar gebruik gaat maken van het schoolzwemmen. 3.De verantwoording bevat het aantal leerlingen dat het afgelopen schooljaar gebruik heeft gemaakt van het schoolzwemmen. Artikel 2.5.4 Inleverdatum aanvraag en verantwoording Aanvragen voor het schooljaar 2027-2028 en verantwoordingen over het schooljaar 2026-2027 moeten voor 1 juli 2027 zijn ingediend. Artikel 2.5.5 Budget Er is geen subsidieplafond vastgesteld. Artikel 2.5.6 Verdeling De subsidie per leerling die gebruik maakt van schoolzwemmen bedraagt € 303,20 voor het schooljaar 2027-2028. Hoofdstuk 3 Sport Paragraaf 3.1 Vitale sport- en beweegaanbieders Artikel 3.1.1 Begripsbepalingen a.sport- en beweegaanbieder: sport- en beweegaanbieder die ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel; b.sportclub: een vereniging of stichting die sport als belangrijkste activiteit heeft. Artikel 3.1.2 Welke activiteiten 1.Het college kan een eenmalige projectsubsidie verlenen aan een sportclub of sport- en beweegaanbieder in de gemeente voor het (gedeeltelijk) betalen van een sportgerelateerde opleiding. 2.Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een sportclub of een sport- en beweegaanbieder in de gemeente voor het uitvoeren van plannen om de vitalisering te stimuleren door: a.het aanspreken van nieuwe doelgroepen; b.het aantrekken van vrijwilligers door middel van een vrijwilligersplan; c.het professionaliseren van de organisatie; d.het opzetten van activiteiten in het kader van de open club filosofie; e.het promoten van de sportclub met als doel bij te dragen aan het toekomstbestendig maken van de sportclub; f.het inzetten op een gezondere sportomgeving; g.andere activiteiten die naar oordeel van het college bijdragen aan vitalisering. Artikel 3.1.3 Voorwaarden 1.De sport- en beweegaanbieder moet structureel (wekelijks of maandelijks) bij elkaar komen en samenwerking met een sportclub zoeken. 2.Vrijwilligersuren kunnen bij de inkomsten en uitgaven worden meegeteld. Als deze worden opgevoerd, dan worden deze gewaardeerd op € 22. 3.Voor het volgen van een opleiding zijn de volgende kosten subsidiabel: cursusgeld, lesmateriaal en examengeld. 4.De volgende kosten zijn in elk geval niet subsidiabel: reis- en vergaderkosten, consumpties en prijzen voor deelnemers. Artikel 3.1.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 36.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 3.1.5 Verdeling 1.Voor het volgen van een opleiding is de subsidie voor sport- en beweegaanbieders maximaal 25% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 500 per cursist. 2.Voor het volgen van een opleiding is de subsidie voor sportclubs maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 500 per cursist. 3.Voor het uitvoeren van plannen om het aanbod van de aanvrager te vitaliseren is de subsidie maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 5.000 per aanvraag. 4.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. 5.Als na 1 september 2027 nog budget over is, mag dit worden ingezet voor subsidieverlening volgens paragraaf 3.4, 3.6 en/of 6.2. Artikel 3.1.6 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan subsidie voor een opleiding weigeren wanneer de aanvraag pas compleet is wanneer de opleiding van de cursist al is afgelopen. 2.Het college kan subsidie voor een vitalisering weigeren wanneer: a.er voorafgaand aan het insturen van de aanvraag geen contact is geweest met een buurtsportcoach of verenigingsondersteuner van de gemeente; b.het plan naar oordeel van het college onvoldoende bijdraagt aan vitalisering; c.de subsidie wordt aangevraagd voor aanpassingen van een gebouw. Paragraaf 3.2 Sporttechnisch kader gymnastiek Artikel 3.2.1 Begripsbepaling Gymvereniging: een vereniging in de gemeente die is aangesloten bij de Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie. Artikel 3.2.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan een gymvereniging voor het gedeeltelijk betalen van de werkgeverslasten sociale verzekeringen. Artikel 3.2.3 Voorwaarde De uitvoering van het werkgeverschap wordt verzorgd door Stichting Sport Werkgever Fryslân. Artikel 3.2.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 10.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 3.2.5 Verdeling 1.De subsidie is 50% van de werkgeverslasten sociale verzekeringen. 2.Als er niet genoeg budget is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over de aanvragers. Paragraaf 3.3 Sport, iedereen doet mee Artikel 3.3.1 Begripsbepalingen a.gehandicaptensport: team binnen de sportvereniging waar mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking kunnen sporten; b.sportclub: een vereniging of stichting die sport als belangrijkste activiteit heeft. Artikel 3.3.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan een sportclub in de gemeente die extra kosten maakt voor gehandicaptensport. De subsidie kan onder andere worden gebruikt voor meerkosten in vervoer en aanschaf van specifieke materialen. Artikel 3.3.3 Inleverdatum aanvraag Aanvragen moeten voor 31 december 2027 zijn ingediend. Artikel 3.3.4 Budget Voor 2027 is het budget € 20.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 3.3.5 Verdeling 1.De subsidie is € 500 per gehandicaptensport. 2.Voor accommodatiekosten geeft de gemeente geen subsidie. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Paragraaf 3.4 Topsportfonds Deze paragraaf is gereserveerd voor de subsidieregeling Topsportfonds. Hiervan volgt nog een wijzigingsbesluit dat in november zal worden gepubliceerd. Na publicatie wordt de gewijzigde regeling in dit pakket opgenomen. Het subsidieplafond voor 2027 is € 50.000. Paragraaf 3.5 Bûten gewoan bewege! Artikel 3.5.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: dorps-/stads-/wijkbelangen, stichtingen, verenigingen of initiatiefgroepen van minimaal 5 personen uit de gemeente; b.draagvlak: de zekerheid dat vanuit het dorp, de stad of de wijk brede steun bestaat voor het burgerinitiatief; c.innovatieve sport- of beweegfaciliteit: een accommodatie zoals een speelveld of buitenterrein die op een vernieuwende manier is ingericht om veelzijdig bewegen te stimuleren; d.openbare ruimte: voor iedereen vrij toegankelijke buitenruimte, waarvan de inrichting en het beheer valt onder de verantwoordelijkheid van een overheidsinstantie; e.ontwikkelplan: beschrijving van de aanpassingen in de openbare ruimte, inclusief een tekening die inzicht geeft in de ruimtelijke inpassing van de aanpassingen; f.realisatieplan: beschrijving van de aanpassingen in de openbare ruimte, inclusief de tekening die inzicht geeft in de ruimtelijke inpassing van de aanpassingen en een begroting van de kosten en dekking om het plan te realiseren. Artikel 3.5.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige projectsubsidie verlenen aan een aanvrager voor: a.het maken van een ontwikkelplan met als doel de mogelijkheden te sporten/bewegen in de openbare ruimte, structureel te bevorderen; en/of b.het uitvoeren van een realisatieplan om de mogelijkheden te sporten/bewegen in de openbare ruimte, structureel te bevorderen. Artikel 3.5.3 Voorwaarden 1.De aanvrager heeft de benodigde vergunningen of kan deze krijgen. 2.Het onderhoud en beheer is naar het oordeel van het college goed geregeld. Artikel 3.5.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 140.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 3.5.5 Verdeling Algemeen 1.Reis- en vergaderkosten komen niet in aanmerking voor subsidie. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Het maken van een ontwikkelplan 3.De subsidie voor het maken van een ontwikkelplan (inclusief een tekening) is per aanvrager maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 10.000. Realiseren van een plan 4.De subsidie is afhankelijk van het werk dat wordt uitgevoerd, de kosten die worden gemaakt en de bijdragen van andere partijen. 5.De subsidie voor de aanleg van jeu de boules banen is maximaal 90% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 5.000 per baan en maximaal € 30.000 per aanvrager. 6.De subsidie voor de aanleg van een beachvolleybalveld is maximaal 90% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 10.000 per veld en maximaal € 30.000 per aanvrager. 7.De subsidie voor de aanleg van een pannakooi/multicourt is maximaal 90% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 30.000 per pannakooi/multicourt. 8.De subsidie voor de aanleg van een padelbaan/innovatieve sport- of beweegfaciliteit/skatebaan is maximaal 90% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 50.000 per baan of innovatieve sport- of beweegfaciliteit. 9.De subsidie voor het realiseren van andere plannen is maximaal 90% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 30.000 per aanvrager. Artikel 3.5.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de aanvrager geen schriftelijke toestemming kan overleggen van de eigenaar van de grond; b.de aanvrager een winstoogmerk heeft; c.de aanvraag zich beperkt tot het organiseren van activiteiten; d.het draagvlak naar het oordeel van het college onvoldoende is; e.het plan zich naar het oordeel van het college op indirecte voorzieningen richt. Paragraaf 3.6 Sporthulpmiddelen Artikel 3.6.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: persoon die is ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente; b.lichamelijke beperking: één of meer functiestoornissen, in combinatie met één of meer van de volgende permanente beperkingen: i.beperking in horen (auditief); ii.beperking in zien (visueel); iii.beperking in bewegen (motorisch); c.sporthulpmiddel: middel dat het mogelijk maakt voor de aanvrager met een lichamelijke beperking om aan sport- en beweegactiviteiten mee te doen. Artikel 3.6.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een aanvrager voor de aanschaf van: a.een lichaamsgebonden sporthulpmiddel; b.een niet-lichaamsgebonden sporthulpmiddel; c.een ander sporthulpmiddel dat passend is bij de lichamelijke beperking. Artikel 3.6.3 Voorwaarden 1.De aanvrager zet het sporthulpmiddel voor eigen gebruik in. 2.De inzet van het sporthulpmiddel is naar het oordeel van het college noodzakelijk voor een structurele sport- en/of beweegdeelname. 3.De aanvrager toont schriftelijk aan dat eventuele vergoedingen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg niet toereikend zijn voor de aanschaf van het sporthulpmiddel. Eventuele ontvangen vergoedingen worden in mindering gebracht. 4.Er wordt maximaal 1 keer per 3 jaar subsidie gegeven voor de aanschaf van een lichaamsgebonden sporthulpmiddel. 5.Er wordt maximaal 1 keer per 5 jaar subsidie gegeven voor de aanschaf van een niet lichaamsgebonden sporthulpmiddel. 6.Er wordt maximaal 1 keer per 5 jaar subsidie gegeven voor de aanschaf van een ander sporthulpmiddel. Artikel 3.6.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 40.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 3.6.5 Verdeling 1.De subsidie voor één of meerdere hulpmiddelen bedraagt per aanvrager maximaal 85% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000. 2.De subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van binnenkomst. 3.Als na 1 september 2027 nog budget over is, mag dit worden ingezet voor subsidieverlening volgens paragraaf 3.1, 3.4 en/of 6.2. Artikel 3.6.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de aanvrager geen schriftelijke (gedeeltelijke) afwijzing van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Zorgverzekeringswet, Wet langdurige zorg kan overhandigen; b.het een hulpmiddel betreft die ondersteuning biedt bij Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL); c.het onderhoud en/of vervanging van onderdelen van het sporthulpmiddel betreft; d.de aanvrager het sporthulpmiddel niet in eigendom heeft of verkrijgt. Hoofdstuk 4 Cultuur Paragraaf 4.1 Musea 2025-2028 Artikel 4.1.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een in de gemeente gevestigd museum; b.bezoeker: een (terugkerend) persoon die het museumgebouw betreedt met als doel een tentoonstelling te bezoeken of een andere activiteit bij te wonen die door het museum wordt georganiseerd. Deze activiteit moet passen bij de statutaire doelstelling van het museum; c.exploitatielasten: de kosten die zijn gemaakt om de bedrijfsopbrengsten van activiteiten te realiseren die passen bij de statutaire doelstelling van het museum, te weten de inkoopwaarde van de omzet, de arbeidskosten, de afschrijvingen op vaste activa en de overige bedrijfskosten; d.groot museum: een museum waarbij de exploitatielasten voor het jaar 2023 € 100.000 of meer zijn; e.klein museum: een museum waarbij de exploitatielasten voor het jaar 2023 minder dan € 100.000 zijn; f.museum: permanente instelling zonder winstoogmerk, in dienst van de samenleving, gericht op het onderzoeken, verzamelen, bewaren, interpreteren en tentoonstellen van materieel en immaterieel erfgoed. Musea zijn openbaar, toegankelijk en inclusief en bevorderen diversiteit en duurzaamheid. Ze werken en communiceren ethisch, professioneel en met participatie van gemeenschappen. Musea bieden een verscheidenheid aan ervaringen met het oog op educatie, genoegen, reflectie en kennisuitwisseling; g.museumcommissie: door het college ingestelde commissie die het college adviseert over de beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen; h.museumregistratie: inschrijving bij Stichting Museumregister Nederland. Artikel 4.1.2 Welke activiteiten 1.Het college kan een jaarlijkse budgetsubsidie verlenen aan een aanvrager voor de exploitatie en ontwikkeling van een museum. Deze subsidie bestaat uit: a.onderdeel A: basisbedrag per aanvrager; b.onderdeel B: bedrag op basis van bezoekersaantallen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; c.onderdeel C: bedrag op basis van de exploitatielasten in het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd. 2.Het college kan aan een aanvrager voor de periode 2025 tot en met 2028 een vierjaarlijkse subsidie verlenen voor het uitvoeren van plannen en ambities die passen binnen de uitgangspunten van de nota Museumbeleid 2022 en verder (onderdeel D). Artikel 4.1.3 Procedurebepalingen Jaarlijkse subsidie (Onderdelen A, B en C) 1.Aanvragen voor Onderdelen A, B en C moeten voor 1 november in het jaar voorafgaand aan het subsidiejaar zijn ingeleverd. 2.Aanvragen voor Onderdelen A, B en C worden direct vastgesteld. Vierjaarlijkse subsidie (Onderdeel D) 3.Aanvragen voor de Onderdeel D moeten voor 1 mei 2024 zijn ingeleverd. 4.Alleen aanvragen die naar het oordeel van het college volledig zijn, worden door het college beoordeeld. Een wijziging of aanvulling van een ingediende aanvraag, die na 1 mei 2024 wordt ingediend, wordt niet bij de beoordeling betrokken, tenzij artikel 4.1.7, lid 6, of artikel 4.1.7, lid 7, van toepassing is. 5.Aanvragen voor Onderdeel D moeten jaarlijks voor 1 juni tussentijds worden verantwoord. Deze tussentijdse verantwoording bestaat uit een inhoudelijk en financieel verslag over het voorgaande jaar waaruit blijkt wat de voortgang van de uitvoering van de plannen en ambities is. Indien een aanvrager per jaar € 150.000 of meer subsidie ontvangt, moet de tussenverantwoording ook bestaan uit een accountantsverklaring. Het gaat hier om een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep. 6.De eindverantwoording voor onderdeel D moet uiterlijk 1 juni 2029 zijn ingeleverd. Deze eindverantwoording bestaat uit een inhoudelijk en financieel verslag over de periode 2025-2028. Het inhoudelijk en financieel verslag gaat in op de uitgevoerde ambities en de mate waarin invulling is gegeven aan de in artikel 4.1.4, lid 4, opgenomen criteria. 7.Het college stelt een museumcommissie in die tot taak heeft het college te adviseren over de verlening en vaststelling van Onderdeel D. 8.Het college stelt voor de museumcommissie een reglement vast. Algemeen (Onderdelen A, B, C en D) 9.Indien een aanvrager per jaar € 150.000 of meer subsidie ontvangt, moet deze bij de aanvraag een accountantsverklaring meesturen over het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd. Het gaat hier om een controleverklaring die is opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep. 10.De accountantsverklaring bedoeld in lid 9 moet voor 1 november in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zijn ingeleverd. Artikel 4.1.4 Voorwaarden 1.De aanvrager komt voor de subsidie voor de Onderdelen A, B of C in aanmerking indien de aanvraag is voorzien van: a.de museumregistratie; b.een beschrijving van de museumactiviteiten inclusief een overzicht van bezoekersaantallen van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de subsidie wordt aangevraagd; c.een begroting en dekkingsplan; d.een afschrift van de meest recente jaarrekening. 2.De aanvrager komt voor subsidie voor Onderdeel D in aanmerking indien de aanvraag is voorzien van: a.de museumregistratie; b.een beleidsplan voor de periode 2025-2028 waarin de plannen en ambities van het museum staan; c.een meerjarenbegroting voor de periode 2025-2028 waarin de plannen en ambities van het museum staan. 3.De subsidie voor Onderdeel D is: a.voor een aanvrager die valt onder de categorie kleine musea maximaal 25% van de exploitatielasten van het jaar 2023 tot maximaal € 15.295; b.voor een aanvrager die valt onder de categorie grote musea maximaal 20% van de exploitatielasten van het jaar 2023 tot maximaal € 211.179. 4.Een aanvrager komt voor subsidie voor Onderdeel D in aanmerking indien het museum naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan: a.het vertellen van het verhaal van Súdwest-Fryslân en de ondersteunende rol van de collectie hierin (het criterium verhaal); b.het verbeteren van de inhoudelijke-artistieke kwaliteit van het museum (het criterium inhoudelijke-artistieke kwaliteit); c.het vergroten van gezondheid en vitaliteit van inwoners uit de gemeente (het criterium gezondheid). 5.De in lid 4 opgenomen criteria zijn nader uitgewerkt in de Bijlage bij deze regeling (zie bijlage 1). 6.Indien de aanvrager niet over een museumregistratie beschikt, overlegt de aanvrager bij de aanvraag een door hem getekende verklaring waarin de aanvrager de intentie uitspreekt binnen de periode 2025-2028 de museumregistratie te behalen. De aanvrager onderbouwt de intentie met een bewijs van aanmelding voor registratie in het Museumregister. Artikel 4.1.5 Budget 1.Het budget voor de jaren 2025 tot en met 2028 is in totaal € 1.204.095 per jaar exclusief eventuele indexatie. Dit is ook het subsidieplafond. 2.Het budget voor de jaarlijkse subsidie (Onderdelen A, B en C) is € 637.911 per jaar. Dit is ook het subsidieplafond. 3.Voor het budget voor de jaarlijkse subsidie geldt de volgende onderverdeling: a.Onderdeel A: € 38.664; b.Onderdeel B: € 80.550; c.Onderdeel C: € 518.697. 4.Het budget voor de vierjaarlijkse subsidie (Onderdeel D) is € 566.184 per jaar. Dit is ook het subsidieplafond. 5.Voor het budget voor de vierjaarlijkse subsidie geldt de volgende onderverdeling in categorieën: a.grote musea: € 527.947; b.kleine musea: € 38.237. 6.Mocht het deelbudget voor de categorie kleine musea niet volledig worden toegekend, dan wordt dit budget toegevoegd aan het deelbudget voor de categorie grote musea. Artikel 4.1.6 Verdeling Onderdeel A, B en C 1.Het college verdeelt het budget voor onderdeel A naar rato over de aanvragers. 2.Het college verdeelt het budget voor onderdeel B naar rato over de aanvragers op basis van de onderstaande puntenscore per aantal bezoekers. Het college vermeldt in de besluiten op de aanvragen voor Onderdeel B van elke aanvrager het aantal bezoekers en de toegekende puntenscore. Aantal bezoekers Punten a. 0 – 1.000 1 b. 1.001 – 2.000 2 c. 2.001 – 3.000 3 d. (….) (…) e. 20.000 – 21.000 21 f. en verder 3.Het college verdeelt het budget voor Onderdeel C naar rato over het aantal aanvragers op basis van de exploitatielasten. Het college vermeldt in de besluiten op de aanvragen voor Onderdeel C de exploitatielasten van elke aanvrager. Artikel 4.1.7 Verdeling onderdeel D 1.De museumcommissie verdeelt de aanvragen over de categorieën bedoeld in artikel 4.1.5, lid 5. 2.De museumcommissie rangschikt per categorie de aanvragen zodanig dat een aanvraag hoger wordt gerangschikt wanneer die aanvraag naar het oordeel van de museumcommissie meer voldoet aan de criteria bedoeld in artikel 4.1.4, lid 4. 3.De museumcommissie kent per aanvrager maximaal 400 punten toe met het volgende maximum per criterium: a.100 punten voor verhaal; b.200 punten voor inhoudelijke-artistieke kwaliteit; c.100 punten voor gezondheid. Per criterium kan de museumcommissie aan de aanvrager de onderstaande puntenscore toekennen: Verhaal Inhoudelijke-artistieke kwaliteit Gezondheid Oordeel museumcommissie aan het criterium wordt niet voldaan 0 punten 0 punten 0 punten aan het criterium wordt in zeer geringe mate voldaan 1 tot 20 punten 1 tot 40 punten 1 tot 20 punten aan het criterium wordt in geringe mate voldaan 21 tot 40 punten 41 tot 80 punten 21 tot 40 punten aan het criterium wordt in gemiddelde mate voldaan 41 tot 60 punten 81 tot 120 punten 41 tot 60 punten aan het criterium wordt in ruime mate voldaan 61 tot 80 punten 121 tot 160 punten 61 tot 80 punten aan het criterium wordt in zeer ruime mate voldaan 81 tot 100 punten 161 tot 200 punten 81 tot 100 punten 4.De museumcommissie kent per categorie en criterium aan iedere aanvrager een uniek aantal punten toe en motiveert de toegekende puntenscore. 5.Het college verdeelt per categorie het budget in volgorde van de rangschikking over de aanvragers waarvan de aanvragen volledig kunnen worden toegekend. Het college verdeelt eerst het budget voor de categorie kleine musea. 6.Het college stelt bij de categorie grote musea de aanvrager die op grond van de rangschikking in aanmerking komt voor het resterende budget in de gelegenheid de aanvraag binnen de door het college te bepalen termijn zodanig te wijzigen dat de plannen en ambities binnen het gestelde budget gerealiseerd kunnen worden. De museumcommissie toetst de gewijzigde aanvraag aan de in artikel 4.1.4, lid 4, opgenomen criteria. 7.Mocht de aanvrager als bedoeld in lid 6 niet of niet binnen de door het college gestelde termijn gebruik maken van de mogelijkheid om de aanvraag te wijzigen, stelt het college de eerstvolgende aanvrager in de rangschikking in de gelegenheid de aanvraag te wijzigen totdat het budget volledig is verdeeld of totdat alle daarvoor in aanmerking komende aanvragers in de gelegenheid zijn gesteld hun aanvraag te wijzigen. De museumcommissie toetst de gewijzigde aanvraag aan de in artikel 4.1.4, lid 4, opgenomen criteria. 8.Het college vermeldt in de besluiten op de aanvragen: a.de categorie waartoe de aanvraag behoort; b.de rangschikking per categorie; c.de verdeling van het budget over de aanvragen per categorie. Artikel 4.1.8 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de aanvrager geen museumregistratie heeft of geen bewijs van aanmelding tot registratie in het museumregister kan overleggen; b.er geen budget beschikbaar is voor Onderdeel D op grond van artikel 4.1.7, lid 6; c.de aanvrager, bedoeld in artikel 4.1.7, lid 6, of artikel 4.1.7, lid 7, geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de aanvraag te wijzigen binnen de door het college gestelde termijn; d.de gewijzigde plannen en ambities van de aanvrager, bedoeld in artikel 4.1.7, lid 6, of artikel 4.1.7, lid 7, volgens het oordeel van het college niet met het beschikbare budget gerealiseerd kunnen worden. Paragraaf 4.2 Muziek, zang en toneel, jaarlijks Artikel 4.2.1 Begripsbepalingen a.amateurkunst: activiteiten in de gemeente op het gebied van muziek, zang of toneel. De activiteiten worden in de vrije tijd uitgevoerd; b.leden: personen die op 1 september van het jaar voordat de subsidie wordt ontvangen staan ingeschreven. Leden helpen bij het uitvoeren van de activiteiten en betalen een bijdrage; c.optreden: een activiteit in of buiten de gemeente tegen betaling voor publiek. Het moet hierbij gaan om minimaal 50 bezoekers; d.spelers: een lid die in het afgelopen seizoen 2 keer of vaker heeft meegespeeld in één of meer voorstellingen; e.voorstelling: een activiteit in of buiten de gemeente voor publiek. Het moet hierbij gaan om minimaal 50 bezoekers. Artikel 4.2.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan een aanvrager voor amateurkunst. Artikel 4.2.3 Voorwaarden 1.Een aanvrager kan alleen subsidie krijgen als deze aan de volgende voorwaarden voldoet: Minimum aantal leden/spelers Minimum aantal repetities per jaar Minimum aantal optredens/voorstellingen per jaar in de gemeente zelf Muziek 15 20 2 Zang 10 20 2 Toneel 4 16 2 2.Het optreden of de voorstelling is openbaar toegankelijk. Hieronder wordt mede verstaan: a.spelen tijdens herdenkingen, zoals Dodenherdenking; b.spelen bij nationale feesten zoals Koningsdag en Sinterklaas. Dit moet zijn op verzoek van iemand anders en tegen betaling; c.spelen tijdens een concours, waar geen betaling voor wordt ontvangen. 3.Onder openbaar toegankelijk wordt niet verstaan: a.spelen tijdens een jubileumfeest of receptie; b.spelen tijdens een bruiloft of rouwdienst; c.spelen tijdens een kerkdienst in de eigen kerk; d.optredens waar een vergoeding in natura tegenover staat, zoals bijvoorbeeld het gratis gebruiken van oefenruimte. 4.De aanvrager is ingeschreven in het Nederlands Handelsregister (NHR). Artikel 4.2.4 Verantwoording De subsidie wordt ambtshalve vastgesteld. Dat betekent dat de aanvrager geen verzoek hoeft in te dienen voor de vaststelling van de subsidie. Met toepassing van artikel 22, lid 3 van de Algemene subsidieverordening 2026 gemeente Súdwest-Fryslân, geldt dit ook voor de verantwoording van subsidies boven de € 25.000. Artikel 4.2.5 Budget 1.Voor het jaar 2027 is het budget voor muziek € 152.226. Dit ook het subsidieplafond. 2.Voor het jaar 2027 is het budget voor zang € 61.951. Dit is ook het subsidieplafond. 3.Voor het jaar 2027 is het budget voor toneel € 14.707. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.2.6 Verdeling Muziek 1.Een subsidie van € 5.000 wordt in gelijke verhouding verdeeld. Dit gebeurt volgens het aantal internationale optredens in het jaar voordat het bedrag wordt ontvangen. Het gaat hier om maximaal € 500 per optreden tot maximaal € 2.500 per vereniging. 2.Hierna wordt 75% van wat over is in gelijke verhouding verdeeld volgens het aantal leden. 3.De overige 25% wordt in gelijke verhouding verdeeld volgens het aantal optredens in het jaar voordat de subsidie wordt ontvangen. Zang 4.75% van het budget wordt in gelijke verhouding verdeeld volgens het aantal leden. 5.25% van het budget wordt in gelijke verhouding verdeeld volgens het aantal optredens in het jaar voordat de subsidie wordt ontvangen. Toneel 6.Het budget voor toneel wordt als volgt verdeeld: 50% spelers 25% opleiding / kwaliteit 25% voorstellingen € 7.353,50 wordt in gelijke verhouding verdeeld volgens het aantal spelers: • Klein (5-14 spelers): basisbedrag x 1 • Groot (15+ spelers): basisbedrag x 2 € 3.676,75 wordt gelijk verdeeld over het aantal aanvragers. € 3.676,75 wordt in gelijke verhouding verdeeld. Dit gebeurt volgens het aantal voorstellingen in het jaar voordat het bedrag wordt ontvangen. Onder een voorstelling wordt een avondvullend programma verstaan. Dit betekent dat verschillende kleine toneelstukken op een avond (of een ander dagdeel) als 1 voorstelling telt. Artikel 4.2.7 Aanvullende weigeringsgrond Het college kan subsidie weigeren aan muziekgroepen wanneer die naar het oordeel van het college het karakter hebben van een muziekband. Paragraaf 4.3 Muziek en zang, eenmalig Artikel 4.3.1 Begripsbepalingen a.Femuza: de federatie van muziek- en zangverenigingen uit de gemeente; b.masterclass: een les workshop of instructiebijeenkomst die wordt verzorgd door een professionele muzikant die is afgestudeerd aan het conservatorium; c.vernieuwende activiteiten: een activiteit die een aanvulling is op de reguliere/eerdere activiteiten van de aanvrager en die gericht is op één of meer van de volgende punten: i.het krijgen van nieuwe leden; ii.het stimuleren van de Friese taal/cultuur; iii.het verbeteren van de kwaliteit; iv.promotie van de gemeente op provinciaal of hoger niveau. Artikel 4.3.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een muziek- en/of zangvereniging voor het: a.organiseren van een vernieuwende activiteit (Femuza adviseert bij de beoordeling van deze aanvragen); b.meedoen aan een concours op nationaal of hoger niveau; c.organiseren van een masterclass. Artikel 4.3.3 Voorwaarden 1.De muziek- en/of zangvereniging is statutair gevestigd in de gemeente. 2.De muziek- en/of zangvereniging kan voor het organiseren van een vernieuwende activiteit alleen subsidie krijgen wanneer de activiteit wordt uitgevoerd in samenwerking met tenminste 1 andere partij. Deze partij is ook statutair gevestigd in de gemeente. 3.Een aanvrager kan per jaar maximaal 2 keer subsidie krijgen. Artikel 4.3.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 4.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.3.5 Verdeling 1.De subsidie voor vernieuwende activiteiten is maximaal 70% van de subsidiabele kosten. Per activiteit wordt maximaal € 500 gegeven. 2.De subsidie voor deelname aan een concours is € 500. 3.De subsidie voor het organiseren van een masterclass is € 250. 4.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 4.3.6 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidie wanneer de aanvrager geen jaarlijkse subsidie krijgt volgens paragraaf 4.2. 2.Het college kan subsidie weigeren voor deelname aan een concours wanneer de aanvrager in de afgelopen 2 jaar hiervoor al subsidie heeft gekregen. 3.Het college kan subsidie weigeren voor vernieuwende activiteiten wanneer de activiteit naar het advies van Femuza en/of naar het oordeel van het college geen aanvulling is op de reguliere activiteiten van de aanvrager. Paragraaf 4.4 Folkloristische activiteiten Artikel 4.4.1 Begripsbepalingen a.FFGN: Federatie van Folkloristische Groepen in Nederland; b.folkloristische activiteiten: de activiteiten van een traditioneel folkloristische groep. Hieronder vallen dans, muziek en presentaties over oude gewoonten/gebruiken en kostuums; c.leden: personen die op 1 september van het jaar voordat de subsidie wordt ontvangen staan ingeschreven bij de groep. Leden helpen bij het uitvoeren van de activiteiten; d.optreden: een folkloristische activiteit voor publiek; e.traditioneel folkloristische groep: een groep mensen die de volksculturen uit de gemeente bekend maakt. Dit zijn de oude gebruiken en gewoonten. Artikel 4.4.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan een traditioneel folkloristische groep voor folkloristische activiteiten. Artikel 4.4.3 Voorwaarden 1.Het aantal leden is minimaal 10. 2.Het aantal optredens in de gemeente is minimaal 2 per jaar. Artikel 4.4.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 6.162. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.4.5 Verdeling 1.Het budget bestaat uit 3 onderdelen, namelijk: Onderdeel 1: € 3.762 Onderdeel 2: € 1.800 Onderdeel 3: € 600 Dit bedrag wordt in gelijke verhouding verdeeld volgens het aantal leden: Klein (10-20 leden): basisbedrag x 1 Groot (20+ leden): basisbedrag x 2 Dit bedrag wordt in gelijke verhouding verdeeld. Dit gebeurt volgens het aantal optredens in het jaar voordat het bedrag wordt ontvangen. Dit bedrag wordt gelijk verdeeld over de traditioneel folkloristische groepen die zijn aangesloten bij de FFGN. 2.De volgende activiteiten tellen bij onderdeel 2 niet mee als optredens: a.een optreden tijdens een jubileumfeest of receptie; b.een optreden bij een bruiloft of rouwdienst; c.een optreden waar geen vergoeding voor wordt ontvangen. Paragraaf 4.5 Draaiorgels Artikel 4.5.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een eigenaar van een draaiorgel uit de gemeente; b.openbare activiteit: optreden met een draaiorgel die plaatsvindt in de openbare ruimte, toegankelijk is voor publiek en een bijdrage levert aan de culturele leefbaarheid van de gemeente. Artikel 4.5.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een aanvrager voor openbare activiteiten. Artikel 4.5.3 Voorwaarden De aanvrager verzorgt minimaal 2 keer per jaar een openbare activiteit. Artikel 4.5.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 3.969. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.5.5 Verdeling 1.De subsidie per aanvrager bedraagt maximaal € 1.323. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Paragraaf 4.6 Boeken en films Artikel 4.6.1 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige projectsubsidie verlenen aan personen, groepen van personen of rechtspersonen die een boek of film (of vergelijkbaar materiaal) maken. Artikel 4.6.2 Voorwaarden 1.Het materiaal heeft genoeg kwaliteit. Het gaat hierbij zowel om de inhoud als om hoe het eruitziet. 2.Het materiaal moet naar het oordeel van het college voldoende historische en/of maatschappelijke waarde hebben. Artikel 4.6.3 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 7.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.6.4 Verdeling 1.De subsidie is maximaal € 1.000. De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van het overzicht van inkomsten en uitgaven. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Paragraaf 4.7 Foto- en filmclubs Artikel 4.7.1 Begripsbepaling Foto- of filmclub: een vereniging of stichting die statutair gevestigd is in de gemeente, of een groep van tenminste vijf personen uit de gemeente, die zich op amateurniveau bezighoudt met fotografie, film, nieuwe media of andere vormen van audiovisuele kunst. Artikel 4.7.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een foto- of filmclub. Artikel 4.7.3 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 2.646. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.7.4 Verdeling 1.De subsidie per aanvrager bedraagt maximaal € 1.323. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Paragraaf 4.8 Friese taal, Stedsk en Hylpersk Artikel 4.8.1 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige projectsubsidie verlenen aan personen, groepen van personen of rechtspersonen uit de gemeente die activiteiten organiseren die de Friese taal, het ‘Stedsk’ of het ‘Hylpersk’ meer zichtbaar maken in de gemeente. Artikel 4.8.2 Voorwaarden 1.De activiteit heeft iets extra’s te bieden vergeleken met andere activiteiten die al in de gemeente worden georganiseerd. 2.Een aanvrager kan per jaar maximaal 1 keer subsidie krijgen volgens deze paragraaf. 3.De activiteit wordt samen met minimaal twee andere partijen georganiseerd. Hierbij moet minimaal één partij uit de gemeente komen. Artikel 4.8.3 Budget 1.Voor het jaar 2027 is het budget € 11.000. Dit is ook het subsidieplafond. Waarvan: a.€ 9.000 voor projecten in het Fries; b.€ 1.000 voor projecten in het ‘Stedsk’; c.€ 1.000 voor projecten in het ‘Hylpersk’. 2.Als na 1 oktober nog budget over is, worden deze bedragen samengevoegd tot één budget voor alle projecten. Artikel 4.8.4 Verdeling 1.De subsidie voor een activiteit die het Fries meer zichtbaar maakt, is maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 2.000 per activiteit. 2.De subsidie voor een activiteit die het ‘Stedsk’ of het ‘Hylpersk’ meer zichtbaar maakt, is maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 1.000 per activiteit. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 4.8.5 Aanvullende weigeringsgrond Het college kan subsidie weigeren wanneer de aanvrager in de afgelopen 3 jaar voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie volgens deze paragraaf heeft gekregen. Paragraaf 4.9 Taalkeunst yn de iepenbiere romte Artikel 4.9.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een persoon of een groep van personen uit de gemeente, of een rechtspersoon die statutair gevestigd is in de gemeente; b.openbare ruimte: alle grond, water, infrastructuur en gebouwen in de gemeente die voor iedereen toegankelijk en/of zichtbaar zijn; c.taalkunstproject: woorden, spreuken of gedichten in het Fries, Stedsk en/of Hylpersk, die op kunstzinnige wijze verwerkt worden in de leefomgeving in de gemeente. Artikel 4.9.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een aanvrager voor de realisatie van een taalkunstproject in de openbare ruimte. Artikel 4.9.3 Voorwaarden 1.De aanvrager is in het bezit van eventuele benodigde vergunningen of schriftelijke toestemming van de eigenaar om het taalkunstproject tot uitvoering te mogen brengen. 2.De aanvrager zorgt dat tijdens de uitvoering van het taalkunstproject geen schade wordt toegebracht aan de natuur, het water of de esthetische en constructieve en monumentale waarden van het gebouw waarop de woorden, spreuken of gedichten worden aangebracht. 3.De aanvrager heeft belanghebbenden ingelicht over het te plaatsen taalkunstproject. 4.Het taalkunstproject moet in 2027 gerealiseerd zijn. Artikel 4.9.4 Inleverdatum aanvraag Aanvragen moeten voor 31 december 2027 zijn ingediend. Artikel 4.9.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 5.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.9.6 Verdeling 1.De subsidie per aanvrager is maximaal 70% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.250 per aanvraag. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Paragraaf 4.10 Kunstroute Artikel 4.10.1 Begripsbepalingen a.beeldende kunst: vormen van kunst waarbij de afbeelding voorop staat, zoals schilderkunst, textiele werkvormen, grafiek, beeldhouwkunst, fotografie en film; b.kunstroute: activiteiten langs een route die geheel of grotendeels door de gemeente loopt en waarbij beeldende kunst van actieve kunstenaars wordt gepresenteerd op locaties die voor het publiek toegankelijk zijn. Artikel 4.10.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan rechtspersonen die een kunstroute organiseren. Artikel 4.10.3 Voorwaarden 1.De aanvrager is statutair gevestigd in de gemeente. 2.De aanvrager kan alleen subsidie krijgen als de activiteit samen met 2 of meer organisaties uit de gemeente wordt uitgevoerd. 3.Een aanvrager kan per jaar maximaal 1 keer subsidie krijgen volgens deze paragraaf. Artikel 4.10.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 6.250. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.10.5 Verdeling 1.De subsidie is maximaal 70% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.250 per activiteit. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Paragraaf 4.11 Culturele commissies Artikel 4.11.1 Begripsbepalingen a.culturele activiteiten: activiteiten in de vorm van een voorstelling, een uitvoering, een expositie of een presentatie in de disciplines muziek, theater, dans, beeldende kunst, fotografie, letteren en cultureel erfgoed; b.culturele commissie: stichting, vereniging of groep van minimaal 3 personen die jaarlijks culturele activiteiten organiseert; c.kosten van het voorgaande jaar: in 2025 door de aanvrager gemaakte kosten die naar het oordeel van het college direct aan de organisatie van de culturele activiteiten kunnen worden toegerekend; d.programma: samenhangend aanbod van culturele activiteiten die verspreid over het jaar uitgevoerd worden; Artikel 4.11.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan een culturele commissie die een programma organiseert. Deze subsidie bestaat uit: a.een basisbedrag per aanvrager; b.een bedrag op basis van de gemaakte kosten van 2025 of op basis van het boekjaar 2025-2026 (exploitatie). Artikel 4.11.3 Voorwaarden 1.Een culturele commissie kan alleen subsidie krijgen als: a.het programma openbaar toegankelijk is, al dan niet tegen betaling; en b.het programma uit minimaal 3 verschillende activiteiten bestaat. 2.Een culturele commissie bestaat uitsluitend uit vrijwilligers. Artikel 4.11.4 Aanvraag 1.De aanvraag wordt met de volgende gegevens onderbouwd: a.een overzicht van de activiteiten in 2025 of het boekjaar 2025-2026; b.een overzicht van de gemaakte kosten in 2025 of het boekjaar 2025-2026. 2.De aanvrager overlegt bij de aanvraag: a.een overzicht van de voorliggende voorzieningen waarop een beroep is gedaan; b.afschriften van de besluiten waarbij voorliggende voorzieningen zijn toegekend; c.informatie waarom een voorliggende voorziening niet is toegekend. Artikel 4.11.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 48.135. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 4.11.6 Verdeling 1.Het basisbedrag bedraagt € 250 per aanvrager. 2.De subsidie voor de exploitatie bedraagt maximaal € 9.000 per aanvrager (dit is exclusief het basisbedrag). 3.De subsidie voor de exploitatie wordt, na aftrek van het totaal aan toegekende basisbedragen, naar evenredigheid verdeeld over de aanvragers die voor subsidie in aanmerking komen op basis van de kosten van het boekjaar 2025-2026. 4.Bij toekenning van één of meerdere voorliggende voorzieningen, kan het college de subsidie van een aanvrager in redelijkheid verlagen in het belang van een evenredige verdeling van het beschikbare budget. Artikel 4.11.7 Compensatieregeling 1.Indien aan een culturele commissie vanaf 2026 een lagere subsidie wordt toegekend dan de subsidie dat de commissie in 2025 heeft ontvangen op basis de gemeentebegroting 2025, wordt het nadelige verschil gedurende 3 jaar gecompenseerd. 2.De compensatie bedraagt: a.voor het jaar 2026 een percentage van 75 van het nadelige verschil; b.voor het jaar 2027 een percentage van 50 van het nadelige verschil; c.voor het jaar 2028 een percentage van 25 van het nadelige verschil. Artikel 4.11.8 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidie wanneer de aanvrager een museum is in de zin van paragraaf 4.1. 2.Het college weigert subsidie geheel of gedeeltelijk wanneer de culturele activiteit onderdeel uitmaakt van een, dorps- of buurtfeest, borrel, optocht, braderie, barbecue of iets wat daar op lijkt. 3.Het college kan subsidie (gedeeltelijk) weigeren wanneer de aanvrager de mogelijkheden om in aanmerking te komen voor een voorliggende voorziening, onvoldoende heeft benut. Hoofdstuk 5 Dichtbij Meedoen Paragraaf 5.1 Kernenfonds Deze paragraaf is gereserveerd voor de subsidieregeling Kernenfonds. Hiervan volgt nog een wijzigingsbesluit dat in november zal worden gepubliceerd. Na publicatie wordt de gewijzigde regeling in dit pakket opgenomen. Het subsidieplafond voor 2027 is € 316.800. Paragraaf 5.2 Jeugd Artikel 5.2.1 Begripsbepalingen a.jeugd: jongeren van 4 tot en met 23 jaar; b.jeugdvereniging: een vereniging of groep van personen die vrijwillig activiteiten organiseert voor jeugd in de gemeente. Artikel 5.2.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijks activiteitensubsidie verlenen aan jeugdverenigingen die activiteiten organiseren. Daaronder vallen in ieder geval activiteiten om: a.jeugd in de vrije tijd te laten ontspannen; b.jeugd te vormen of bewust te maken van waarden en normen; c.de kansen van jeugd zich te ontwikkelen groter te maken. Artikel 5.2.3 Voorwaarden 1.Het moet gaan om minimaal 4 activiteiten per jaar. 2.Gemiddeld doen minimaal 10 jongeren mee aan de activiteiten. Artikel 5.2.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 28.320. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.2.5 Verdeling 1.50% van het budget wordt naar verhouding gelijk verdeeld over de aanvragers volgens het aantal activiteiten dat de jeugdvereniging in 2027 organiseert. 2.50% van het budget wordt naar verhouding gelijk verdeeld over de aanvragers volgens het aantal deelnemers dat in 2026 heeft deelgenomen aan de activiteiten. Artikel 5.2.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie voor: a.financiële acties om winst te maken; b.activiteiten die niet voor jeugd zijn; c.activiteiten die naar het oordeel van het college niet voor alle jeugd genoeg toegankelijk zijn. Paragraaf 5.3 Ouderenorganisaties Artikel 5.3.1 Begripsbepalingen a.afwisselend activiteitenprogramma: een samengesteld jaarprogramma met tenminste 6 verschillende activiteiten die hoofdzakelijk voor alle ouderen toegankelijk zijn; b.MbvO: meer bewegen voor ouderen; c.MbvO-activiteiten: speciaal aangepaste sport- en beweeglessen voor ouderen om zo lang mogelijk fit, lenig en gezond te blijven, zoals gymnastiek of volksdansen; d.seizoen: de laatste periode van 1 september tot en met 1 september; e.vrijwillige ouderenorganisatie: organisatie van vrijwilligers die activiteiten organiseert voor zelfstandig wonende ouderen, gericht op ontspanning, bewegen of belangenbehartiging. Artikel 5.3.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan een vrijwillige ouderenorganisatie die: a.een afwisselend activiteitenprogramma uitvoert in de gemeente; b.MbvO-activiteiten organiseert; c.de belangen van ouderen behartigt. Artikel 5.3.3 Voorwaarden Afwisselend activiteitenprogramma 1.Er doen in totaal minimaal 100 ouderen per jaar mee aan de activiteiten. Dit mogen dezelfde ouderen zijn. Meer bewegen voor Ouderen 2.De docent heeft een MbvO-diploma, een vergelijkbaar diploma of aantoonbare ervaring. 3.In het afgelopen seizoen zijn minimaal 16 lessen zijn gegeven. Belangenbehartiging 4.De aanvrager is aangesloten bij een landelijke belangenorganisatie. 5.De aanvrager neemt deel aan de overleggen van het Seniorenplatform Súdwest-Fryslân. De aanvrager neemt ook deel aan overleggen en werkgroepen voor belangenbehartiging. Artikel 5.3.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 45.552. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.3.5 Verdeling 1.De subsidie is per ouderenorganisatie: a.€ 309,00 voor het uitvoeren van een afwisselend activiteitenprogramma; b.€ 618,00 voor de organisatie van MbvO-activiteiten; c.€ 360,50 voor belangenbehartiging. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Paragraaf 5.4 Vrijwilligerswerk informele zorg Artikel 5.4.1 Begripsbepalingen a.buurthulp (ook burenhulp): buurtbewoners die gratis helpen bij klusjes in het dorp of de wijk. Het kan ook gaan om het geven van zorg voor een langere periode aan iemand in de buurt die langdurig ziek is, gehandicapt of op een andere manier hulp nodig heeft; b.EHBO-groep: een groep van vrijwilligers die eerste hulp biedt bij ongelukken; c.seizoen: de laatste periode van 1 september tot en met 1 september; d.vrijwilligersgroep: een groep vrijwilligers die activiteiten uitvoert op het gebied van zelfhulp, buurthulp en/of vrijwilligerszorg; e.vrijwilligerszorg: zorg die wordt gegeven door vrijwilligers. De vrijwilliger en de persoon die zorg krijgt, kennen elkaar vooraf meestal niet; f.zelfhulp: een manier van hulp waarbij mensen zichzelf en anderen kunnen helpen door besef, het delen van ervaringen en het doen van dingen. Artikel 5.4.2 Welke activiteiten Het college kan aan een vrijwilligersgroep een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen voor: a.het uitvoeren van zelfhulp, buurthulp of vrijwilligerszorg; b.het trainen van EHBO’ers en de inzet bij evenementen. Artikel 5.4.3 Voorwaarden Vrijwilligersgroep 1.De groep is minimaal 1 jaar actief in de gemeente als plaatselijke vrijwilligersgroep. 2.De groep heeft in het seizoen minimaal 10 mensen geholpen die hulp nodig hadden. EHBO 3.De groep is minimaal 1 jaar actief als EHBO-groep. 4.De groep heeft in het seizoen bij minimaal 2 evenementen in de gemeente geholpen. 5.De groep is aangesloten bij een landelijke (koepel)organisatie zoals de KNV EHBO, de Nationale Bond of het Nederlandse Rode Kruis. Artikel 5.4.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 19.016. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.4.5 Verdeling 1.De subsidie voor vrijwilligersgroepen die activiteiten uitvoeren op het terrein van zelfhulp, buurthulp of vrijwilligerszorg is € 465 per aanvrager. 2.De subsidie voor vrijwilligersgroepen die activiteiten uitvoeren op het terrein van EHBO is € 415 per aanvrager. 3.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Paragraaf 5.5 Wijkaanpak 2.0 Artikel 5.5.1 Begripsbepalingen 1.In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.aandachtswijk: een wijk waar mensen naar verhouding minder tevreden zijn over de leefbaarheid. Het gaat hier om wijken waar naar verhouding: i.meer mensen wonen die minder geld verdienen. Dit volgens de meest recente cijfers van de gemeente (sociale index); ii.meer mensen een uitkering of steun nodig hebben. Dit volgens de meest recente cijfers van de gemeente (leefbaarheidsonderzoek); iii.minder mensen zich veilig voelen en tevreden zijn over hoe hun omgeving er uit ziet. Dit volgens de meest recente cijfers van de gemeente (veiligheidsmonitor). b.gemeentelijke aandachtswijken: De Noorderhoek Sneek, Sperkhem-Tuindorp Sneek, Lemmerweg-west Sneek, Lemmerweg-Oost Sneek, Het Eiland Sneek, Tinga Sneek en Bolsward-Noord II. c.leefbaarheid: beleving van mensen over hun omgeving, of het prettig wonen is en of het veilig is; d.wijkpanel: een groep bewoners die regelmatig geraadpleegd wordt door de gemeente voor peilingen en daarnaast ook activiteiten organiseert voor bewoners van de wijk; e.wijkplatform: een overlegstructuur waarin verschillende partijen uit de wijk samenkomen, gericht op afstemming, samenwerking en wijkontwikkeling en het organiseren van activiteiten; f.wijkvereniging: een formeel georganiseerde vereniging van en voor bewoners van de wijk gericht op belangenbehartiging van bewoners en het organiseren van activiteiten en bijeenkomsten. 2.Als er nieuwe uitkomsten zijn uit de sociale index, het leefbaarheidsonderzoek en de veiligheidsmonitor, kan de gemeente de lijst van gemeentelijke aandachtswijken in lid 1, onder b aanpassen. Artikel 5.5.2 Welke activiteiten 1.Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een wijkplatform in een gemeentelijke aandachtswijk voor de jaren 2027, 2028 en/of 2029. 2.Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan wijkverenigingen of wijkpanels in gemeentelijke aandachtswijken voor activiteiten die helpen de leefbaarheid te verbeteren. Artikel 5.5.3 Voorwaarden Voor activiteiten genoemd in artikel 5.5.2, lid 2, gelden de volgende voorwaarden: a.de activiteit moet naar het oordeel van het college voorzien in een behoefte van de wijk; b.de activiteit is toegankelijk voor alle bewoners van de wijk of voor een specifieke groep bewoners; c.de activiteit moet in 2027 georganiseerd zijn. Artikel 5.5.4 Budget 1.Voor het jaar 2027 bedraagt de jaarlijkse waarderingssubsidie, bedoeld in artikel 5.5.2, lid 1, € 10.203. Dit is ook het subsidieplafond. 2.Voor het jaar 2027 bedraagt het budget voor de activiteiten, bedoeld in artikel 5.5.2, lid 2, € 11.400. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.5.5 Verdeling Wijkplatforms 1.De jaarlijkse waarderingssubsidie, bedoeld in artikel 5.5.2, lid 1, is per aanvrager maximaal € 3.401 per jaar. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Wijkverenigingen of wijkpanels 3.De subsidie voor activiteiten, bedoeld in artikel 5.5.2, lid 2, is per gemeentelijke aandachtswijk maximaal € 1.900. 4.De subsidie is maximaal 100% van de subsidiabele kosten. 5.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Paragraaf 5.6 Organisatiegeld stads-, dorps- en wijkbelangen Artikel 5.6.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een vereniging of stichting die als stads-, dorps- of wijkbelang statutair gevestigd is in de gemeente en optreedt als gesprekspartner van de gemeente; of een groep betrokken inwoners uit de stad, het dorp of de wijk die tot doel heeft de collectieve belangen van alle bewoners van de stad, het dorp of de wijk te behartigen. De groep treedt op als gesprekspartner van de gemeente; b.reguliere bestuurskosten: noodzakelijke kosten die een bestuurs- of groepslid maakt om de functie te kunnen uitoefenen; c.reguliere organisatiekosten: doorlopende, structurele kosten die direct gebonden zijn aan het in stand houden van de vereniging, stichting of groep. Artikel 5.6.2 Welke activiteiten Het college kan aan de aanvrager een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen voor de reguliere bestuurs- en organisatiekosten voor de jaren 2027 en/of 2028. Artikel 5.6.3 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 100.161. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.6.4 Verdeling 1.De subsidie is per aanvrager maximaal € 1.077 per jaar. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Paragraaf 5.7 Ontmoetingsplaatsen, groot onderhoud en verduurzaming Artikel 5.7.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: stichting of vereniging die een ontmoetingsplaats beheert en exploiteert; b.groot onderhoud: renovatie- en onderhoudswerkzaamheden aan een ontmoetingsplaats die niet zijn opgenomen in de Bijlage 2 bij deze regeling; c.meerjarenonderhoudsplan (MOP): het gemeentelijk onderhoudsplan voor het groot onderhoud aan ontmoetingsplaatsen; d.ontmoetingsplaats: in de gemeente gevestigd dorpshuis, wijkgebouw of multifunctioneel centrum waar hoofdzakelijk activiteiten voor dorps- of wijkbewoners plaatsvinden; e.verduurzamingsmaatregelen: maatregelen gericht op energiebesparing en/of het opwekken van energie uit hernieuwbare energiebronnen. Artikel 5.7.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een aanvrager voor het uitvoeren van groot onderhoud en/of verduurzamingsmaatregelen. Artikel 5.7.3 Voorwaarden 1.Voor het ontvangen van een subsidie gelden de volgende voorwaarden: a.het onderhoud wordt uitgevoerd op basis van het actueel meerjarenonderhoudsplan (MOP); b.de verduurzamingsmaatregelen zullen naar het oordeel van het college de energieprestaties van een ontmoetingsplaats aantoonbaar verbeteren; c.de activiteit moet binnen 1 jaar na subsidieverlening zijn uitgevoerd, tenzij het college anders besluit. Het college kan op verzoek de aanvrager eenmalig uitstel verlenen tot maximaal 12 maanden. 2.De aanvrager overlegt bij de aanvraag: a.een overzicht van de voorliggende voorzieningen waarop een beroep is gedaan; b.afschriften van de besluiten waarbij voorliggende voorzieningen zijn toegekend; c.informatie waarom een voorliggende voorziening niet is toegekend. Artikel 5.7.4 Budget 1.Het subsidieplafond voor groot onderhoud bedraagt voor het jaar 2027 € 528.000. 2.Het subsidieplafond voor verduurzaming bedraagt voor het jaar 2027 € 595.000. Artikel 5.7.5 Verdeling 1.De subsidie voor groot onderhoud is maximaal 60% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 45.000. 2.De subsidie voor verduurzaming is maximaal 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 50.000. 3.Bij toekenning van één of meerdere voorliggende voorzieningen, kan het college afwijken van de leden 1 en 2 door de subsidie in redelijkheid te verlagen in het belang van een evenredige verdeling van de beschikbare budgetten. 4.Vrijwilligersuren kunnen bij de inkomsten en uitgaven worden meegeteld. Als deze worden opgevoerd, dan worden deze gewaardeerd op € 22. 5.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. 6.Indien het subsidieplafond wordt overschreden, betrekt het college de aanvragen die niet (volledig) kunnen worden toegekend bij de verdeling van de subsidie voor het volgende kalenderjaar. Artikel 5.7.6 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college weigert subsidie wanneer een ontmoetingsplaats in de afgelopen 10 jaar nieuw is gebouwd. 2.Het college weigert subsidie wanneer de activiteiten zijn gestart voordat de aanvraag is ontvangen. 3.Het college verleent per dorp of wijk aan maximaal 1 ontmoetingsplaats subsidie. 4.Het college kan het subsidiebedrag verlagen wanneer de aanvrager de mogelijkheden een beroep te doen op voorliggende voorzieningen niet ten volle heeft benut. Paragraaf 5.8 Ontmoetingsplaatsen, laagdrempelige activiteiten Artikel 5.8.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: stichting of vereniging die een ontmoetingsplaats beheert en exploiteert; b.laagdrempelige activiteiten: niet commerciële, vrij toegankelijke activiteiten die zonder of met minimale kosten en zonder specifieke vaardigheden kunnen worden bijgewoond; c.ontmoetingsplaats: in de gemeente gevestigd dorpshuis, wijkgebouw of multifunctioneel centrum waar hoofdzakelijk activiteiten voor dorps- of wijkbewoners plaatsvinden. Artikel 5.8.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan de aanvrager voor het organiseren van laagdrempelige activiteiten. Artikel 5.8.3 Voorwaarden 1.De laagdrempelige activiteiten zijn gericht op het bevorderen van sociale contacten, het versterken van gemeenschapszin en het toegankelijk maken van deelname voor alle inwoners, ongeacht leeftijd, achtergrond, inkomen of ondersteuningsbehoefte. 2.De laagdrempelige activiteiten worden uitgevoerd in 2027. Artikel 5.8.4 Inleverdatum aanvraag Aanvragen moeten voor 31 december 2027 zijn ingediend. Artikel 5.8.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 50.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.8.6 Verdeling 1.De subsidie is per aanvrager € 750. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 5.8.7 Weigeringsgrond Het college verleent per dorp of wijk aan maximaal 1 aanvrager subsidie. Paragraaf 5.9 Voedselbanken Artikel 5.9.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een voedselbank die statutair is gevestigd in de gemeente; b.voedselbank: stichting die voedselhulp verstrekt; c.voedselhulp: het kosteloos verstrekken van levensmiddelen aan inwoners van de gemeente die niet of nauwelijks in staat zijn om in hun levensonderhoud te voorzien. Artikel 5.9.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een aanvrager voor voedselhulp. Artikel 5.9.3 Voorwaarden 1.De aanvrager biedt voedselhulp aan alle inwoners in hun werkgebied die tot de doelgroep van de aanvrager behoren. 2.De aanvrager vermeldt bij het indienen van de aanvraag hoeveel huishoudens op 1 juli 2026 voedselhulp ontvingen. Artikel 5.9.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 12.700. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 5.9.5 Verdeling Het budget wordt naar rato verdeeld over de aanvragers op basis van het aantal huishoudens dat voedselhulp ontving op 1 juli 2026. Hoofdstuk 6 Evenementen Paragraaf 6.1 Toeristische evenementen Artikel 6.1.1 Begripsbepalingen a.bovenlokaal evenement: een evenement dat zich mede richt op het aantrekken van bezoekers van buiten de eigen stad of het eigen dorp; b.evenement: een georganiseerde en verplaatsbare activiteit waar mensen naar toe gaan. Deze mensen bevinden of bewegen zich in een (tijdelijk) bouwwerk of op een terrein in de gemeente. De activiteit is openbaar toegankelijk; c.toeristisch evenement: een evenement dat zich richt op het toeristisch sterk maken en promoten van de stad, het dorp of de gemeente. Artikel 6.1.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteiten- of projectsubsidie verlenen aan een rechtspersoon die een bovenlokaal toeristisch evenement in de gemeente organiseert. Artikel 6.1.3 Inleverdatum aanvraag Het college neemt een aanvraag niet in behandeling wanneer die meer dan 6 maanden voordat de activiteit plaatsvindt is ingediend. Artikel 6.1.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 25.718. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 6.1.5 Verdeling 1.De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.000 per evenement. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 6.1.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer: a.de activiteit geen aanvulling is op het aanbod aan activiteiten dat er al is in de gemeente; b.voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit al 3 keer of vaker subsidie is gegeven volgens deze regeling. Paragraaf 6.2 Sportevenementen Artikel 6.2.1 Begripsbepalingen a.breedtesportevenement: een sportactiviteit waar iedereen mag komen. De activiteit moet gaan om het meer laten bewegen van mensen en het ontwikkelen van talent; b.NOC*NSF: Nationaal Olympisch Comité * Nederlandse Sport Federatie; c.sportevenement: een breedtesportevenement of een topsportevenement; d.topsportevenement: een sportactiviteit waar iedereen mag komen. De landelijke sportbond of het NOC*NSF moet van mening zijn dat het een activiteit van topniveau is. Artikel 6.2.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteiten- of projectsubsidie verlenen aan een organisatie uit de gemeente voor het organiseren een sportevenement. Artikel 6.2.3 Voorwaarden 1.Het evenement moet helemaal of voor een groot deel plaatsvinden in de gemeente. 2.Als de aanvrager geen sportvereniging is, moet er tijdens het evenement worden samengewerkt met een lokale sportvereniging. Artikel 6.2.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 58.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 6.2.5 Verdeling 1.De subsidie voor een breedtesportevenement bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 2.000. 2.De subsidie voor een topsportevenement bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 3.000. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. 4.Als na 1 september 2027 nog budget over is, mag dit worden ingezet voor subsidieverlening volgens paragraaf 3.1, 3.4 en/of 3.6. Artikel 6.2.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer de aanvrager in de afgelopen 2 jaar voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie heeft gekregen volgens deze paragraaf. Paragraaf 6.3 Cultuurfonds Artikel 6.3.1 Begripsbepalingen a.amateurkunstenaars: kunstenaars die niet van hun culturele activiteiten hoeven te leven; b.culturele leven: activiteiten op het terrein van kunst, ontspanning en vermaak. Artikel 6.3.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteiten- of projectsubsidie verlenen aan een aanvrager voor het uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan het culturele leven in de gemeente. Artikel 6.3.3 Voorwaarden Een aanvrager kan alleen subsidie krijgen als is voldaan aan 4 of meer van de volgende voorwaarden: a.de activiteit bereikt nieuw publiek en/of bijzondere publieksgroepen, zowel in dorpen/steden als daarbuiten; b.de activiteit vindt plaats op nieuwe of bijzondere plekken; c.de activiteit wordt georganiseerd worden door, voor en met jongeren; d.de activiteit laat verschillende vormen van kunst zien; e.de activiteit draagt bij aan een positief beeld van de gemeente; f.de activiteit wordt uitgevoerd samen met 2 of meer partijen, waarvan minimaal 1 partij uit de gemeente komt; g.de activiteit wordt georganiseerd met amateurkunstenaars uit de gemeente. Zij spelen een belangrijke rol bij de uitvoering. Artikel 6.3.4 Inleverdatum aanvraag 1.Aanvragen moeten voor de volgende datums zijn ingediend: a.1 januari; b.1 maart; c.1 mei; d.1 juli; e.1 september; f.1 november. 2.Het college neemt een aanvraag niet in behandeling wanneer die meer dan 6 maanden voordat de activiteit plaatsvindt is ingediend. Artikel 6.3.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 47.500. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 6.3.6 Verdeling 1.De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.000 per activiteit. 2.Als de inleverdatum voorbij is, worden alle aanvragen beoordeeld. De aanvragen die naar oordeel van het college het meeste helpen het doel te bereiken van het budget, krijgen als eerste subsidie, totdat het budget op is. 3.Er kan voor 6 periodes subsidie worden aangevraagd. Per periode wordt maximaal 1/6 van het budget gegeven. 4.Als na een periode budget over is, kan dit worden gebruikt voor de volgende periode. Artikel 6.3.7 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer: a.de aanvrager in de afgelopen 3 jaar voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit subsidie heeft gekregen volgens deze paragraaf; b.de activiteit bestaat uit het organiseren van een (dorps- of buurt)feest, borrel, optocht, braderie, barbecue of iets wat daar op lijkt; c.de activiteit geen aanvulling is op het bestaande aanbod aan activiteiten. Paragraaf 6.4 Gelijkwaardig meedoen bij evenementen Artikel 6.4.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: de organisator van een evenement; b.evenement: een georganiseerde en verplaatsbare activiteit waar mensen naar toe gaan. Deze mensen bevinden of bewegen zich in een (tijdelijk) bouwwerk of op een terrein in de gemeente. De activiteit is openbaar toegankelijk; c.inclusief: iedereen is gelijkwaardig en krijgt dezelfde kansen om mee te doen in de samenleving; d.toegankelijkheid: de mogelijkheid om op een eenvoudige manier volledig, onafhankelijk en gelijkwaardig overal aan mee te doen; e. WCAG-richtlijnen: Web Content Accessibility Guidelines 2.1 richtlijnen. Artikel 6.4.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een aanvrager voor het zo toegankelijk en/of inclusief mogelijk organiseren van een evenement. Artikel 6.4.3 Voorwaarden 1.De aanvrager ontvangt al subsidie van de gemeente Súdwest-Fryslân voor het organiseren van het evenement. 2.Een aanvrager kan per jaar maximaal 1 keer subsidie krijgen volgens deze paragraaf. 3.Uit de aanvraag moet blijken welke extra inspanningen de aanvrager levert om het evenement zo toegankelijk en/of inclusief mogelijk te organiseren. 4.De volgende (meer)kosten zijn in ieder geval subsidiabel: a.het bieden van een volledige vergoeding of korting op de toegangsprijs voor deelnemers met een laag inkomen, zoals minima, studenten en/of begeleiders van mensen met een beperking; b.het digitaal toegankelijk maken van alle relevante informatie over het evenement volgens WCAG-richtlijnen. Het gaat hier om niveau A of hoger; c.het realiseren van voldoende parkeerplaatsen bij de ingang voor mensen met een beperking; d.een aparte rij voor ticketcontrole of vergelijkbare oplossing om gedrang in publiek te voorkomen; e.oplossingen voor het wegwerken van drempels en kabelgoten; f.de aanschaf of huur van een kijkplatform op acceptabele afstand van het podium; g.het realiseren van voldoende zitplaatsen voor rolstoelen; h.de aanschaf of huur van een toilet voor mensen met een beperking (of meerkosten toilet met contrastkleuren); i.de inhuur van een gebaren- en/of schrijftolk en kosten voorleesfunctie voor mensen die doof of blind zijn; j.de inrichting van een prikkelarme zone voor mensen met autisme; k.de aanschaf van bebording met pictogrammen voor mensen met een verstandelijke beperking. 5.Kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen zijn niet subsidiabel. Artikel 6.4.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 20.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 6.4.5 Verdeling 1.De subsidie is 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 1.000 per evenement. 2.De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de extra kosten die worden gemaakt. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 6.4.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college kan subsidie weigeren wanneer de extra inspanningen geen aanvulling zijn op de reguliere activiteiten waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt. Paragraaf 6.5 Duurzame evenementen Artikel 6.5.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: de organisator van een evenement; b.circulair: het blijven hergebruiken van bepaalde grondstoffen, op de manier waarop ze het meest waardevol zijn voor de economie; c.duurzaam: het creëren van economische en sociale waarde zonder toekomstige generaties te benadelen. Hierbij het milieu zo min mogelijk belasten door rekening te houden met aspecten zoals afval, energie en mobiliteit; d.evenement: een georganiseerde en verplaatsbare activiteit waar mensen naar toe gaan. Deze mensen bevinden of bewegen zich in een (tijdelijk) bouwwerk of op een terrein in de gemeente. De activiteit is openbaar toegankelijk. Artikel 6.5.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een aanvrager voor het nemen van duurzame en circulaire maatregelen, zoals: Nr Maatregel Indicatie meerkosten Toelichting meerkosten 1 Het gebruik van herbruikbare- of statiegeldbekers 10 tot 20% t.o.v. wegwerpbekers Kosten door logistiek en schoonmaak, vooral bij kleine events 2 Het scheiden van afval en gebruik van monostromen (afvalstroom van 1 materiaalsoort) 5 tot 10% Kosten voor meer containers, signing, personeel 3 Het lokaal inkopen en beperken van transport 5 tot 15% Kosten inkoop bij lokale leveranciers, maar besparing op transport 4 Het gebruik van een groene stroomvoorziening (bijv. zonne-aggregaat) 10 tot 30% (huur)Kosten gebruik duurzame aggregaten of netaansluiting (zuiniger) 5 Het verminderen van stroomverbruik en piekbelasting - 5 tot + 5% Vaak kostenneutraal of besparend door efficiëntere inzet 6 Het stimuleren van duurzaam vervoer bij bezoekers 0 tot 10% Kosten voor bijvoorbeeld extra OV-inzet of stallingen (afhankelijk van communicatie) 7 Het plaatsen van watertappunten 200 tot 500 euro eenmalig Kosten voor aanschaf, huur en installatie van het tappunt zouden evt. gedeeld kunnen worden 8 Het gebruik van duurzame decoratie 5 tot 15% Kosten bij aanschaf, maar herbruikbaar (meerjareninvestering) 9 Inzet van duurzame catering (bio/lokaal) 10 tot 30% Kosten voor inzet duurzame catering (afhankelijk van schaal en aanbod) 10 Duurzaamheid zichtbaar maken (communicatie) 2 tot 5% v/h budget Kosten voor signing, informatieborden, social campagnes Artikel 6.5.3 Voorwaarden 1.De aanvrager ontvangt al subsidie van de gemeente Súdwest-Fryslân voor het organiseren van het evenement. 2.Een aanvrager kan per evenement per jaar maximaal 1 keer subsidie krijgen volgens deze paragraaf. 3.De genomen maatregel zorgt naar het oordeel van het college voor CO2-reductie, klimaat adaptatie of het voorkomen van zwerfafval. 4.Uit de aanvraag moet blijken welke extra inspanningen de aanvrager levert om het evenement zo duurzaam en circulair mogelijk te organiseren. 5.De volgende kosten zijn niet subsidiabel: a.kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; b.kosten voor onderzoek, advies en certificering; c.personeelskosten, geldelijke vergoedingen aan vrijwilligers, cadeaus en prijzengeld. 6.De uitvoering van de activiteiten moet plaatsvinden voor 31 december 2027. Artikel 6.5.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 25.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 6.5.5 Verdeling 1.De subsidie is 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 1.500 per evenement. 2.De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van de meerkosten die worden gemaakt. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 6.5.6 Aanvullende weigeringsgrond Het college kan subsidie weigeren wanneer de extra inspanningen geen aanvulling zijn op de reguliere activiteiten waarvoor de aanvrager al subsidie ontvangt. Hoofdstuk 7 Leefomgeving Paragraaf 7.1 Cultureel erfgoed Artikel 7.1.1 Begripsbepalingen a.beschermd stads- en dorpsgezicht (hierna BSD): verschillende bouwwerken bij elkaar die belangrijk zijn vanwege hun schoonheid, ligging of hun wetenschappelijke/cultuurhistorische waarde. Het kan een rijks- of gemeentelijk BSD zijn; b.bouwhistorisch onderzoek: een rapport waarin de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische waarden van een monument staan, uitgevoerd door een bouwhistoricus, volgens de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek met waardestelling (volgens de laatste versie van de URL 2007); c.bouwkosten: i.de aannemingssom, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme administratieve voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012; Stcrt. 2012, 1567), voor het uit te voeren werk; ii.voor zover de aanneemsom ontbreekt een raming van de kosten die voortvloeien uit aangegane verplichtingen voor de fysieke realisatie (het bouwen) van de bouwwerken, de omzetbelasting daarin niet begrepen; d.bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; e.cascoherstel: herstelwerkzaamheden en/of het repareren van de dragende onderdelen en het omhulsel, bestaande uit dak, kappen met spantconstructies, balklagen en vloeren, dragende muren met wandopeningen, funderingen, kelders en gewelven. Tot het casco wordt ook gerekend het binnenpleisterwerk van de muren die er deel van uitmaken, alsmede de buitenafwerking, de kozijnen, ramen en deuren; f.dijklichaam: een door mensen aangelegde waterkering, die het achterliggende land beschermde tegen overstromingen; g.eerste inspecties: een bouwkundige inspectie door de Monumentenwacht Fryslân of een vergelijkbare onafhankelijke organisatie waarbij een rapport wordt gemaakt over de kwaliteit van het onderhoud van het bouwwerk. Een inspectie geldt ook als ‘eerste inspectie’ wanneer er sprake is van een nieuwe eigenaar; h.eigenaar: natuurlijk persoon of een rechtspersoon zonder winstoogmerk; i.erfgoedverbeelding: een voorziening, zoals een paneel of informatiebord en/of verbeeldingsobject, met informatie over de erfgoedwaarde en de historie van de erfgoedlocatie in de buitenruimte waar deze wordt geplaatst. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan het verhaal van Súdwest-Fryslân; j.gemeentelijke monumenten: monumenten die in de gemeentelijke monumentenlijst van de Erfgoedverordening staan; k.gravend archeologisch onderzoek: onderzoek bestaande uit: i.proefsleuven inclusief proefsleuven-variant met archeologische begeleiding; ii.een opgraving inclusief opgraven-variant met archeologische begeleiding; l.groot onderhoud: werkzaamheden die groter zijn dan normaal onderhoud, zoals reparatie/herstel/deels vervangen (>20%) van onderdelen, zoals: i.goten, zinkwerk; ii.kozijnen, ramen; iii.waardevolle en bijzondere schouwen, plafonds en vloeren etc. (interieuronderdelen); iv.windveren, boeidelen, etc.; v.dakbedekking, panlatten, tengels, dakhout; vi.voegwerk; m.historisch pad: een oud pad of weg dat op basis van de cultuurhistorische inventarisatie en waardering ‘Historische paden en wegen in de gemeente Súdwest-Fryslân door Cultuurland’ (CA2115 d.d. 16-02-2022) een hoge of zeer hoge waardering heeft gekregen en hierdoor is opgenomen in het omgevingsplan met de aanduiding ‘Cultuurhistorisch waardevolle lijnen’; n.karakteristieke panden 1: bouwwerken die volgens het omgevingsplan van de gemeente het meest waardevol zijn; o.karakteristieke panden 2: bouwwerken die volgens het omgevingsplan van de gemeente waardevol zijn. Dit zijn tevens bouwwerken die in oudere bestemmingsplannen de aanduiding ‘karakteristiek’ hebben; p.kerken: historische gebouwen ouder dan 50 jaar die voornamelijk als gebedshuis zijn opgericht: i.zonder status als gemeentelijk monument of rijksmonument; ii.met de status 'vanwege rijksmonument'; q.kleine initiatieven: terugbrengen of herstellen van onderdelen in een BSD die de beleving van de geschiedenis groter maken. Denk aan oude stoepen, uithangborden, muurschilderingen, hijsbalken, gevelindelingen, etc. Het dient gebaseerd te zijn op historische gegevens; r.kleurhistorisch onderzoek: een rapport waarin de toegepaste verfafwerkingen op een historisch bouwwerk zijn uitgewerkt conform de uitvoeringsrichtlijnen kleurhistorisch onderzoek van de ERM (volgens de laatste versie van URL 2004). Doel hiervan is een bepaalde fase in de bouwgeschiedenis zichtbaar te maken; s.molens: molens die rijksmonument zijn. In het geval van een aanvraag dooreen Professionele Organisatie voor Monumentenbehoud (POM) wordt ook de bijbehorende molenaarswoning aangemerkt als onderdeel van de molen, mits deze ook in het rijksmonumentenregister is opgenomen als onderdeel van het molencomplex; t.normaal onderhoud: het gebruikelijke onderhoud van een bouwwerk zoals: i.schoonmaken houtwerk gevels en schilderwerk; ii.deels vervangen (≤ 20%) van goten, zinkwerk, kozijnen, ramen; windveren, boeidelen, dakbedekking, panlatten, tengels, dakhout en voegwerk; u.rijksmonumenten: monumenten die zijn opgenomen in het rijksmonumentenregister volgens de Erfgoedwet; v.unieke objecten: zeldzame objecten/bouwwerken die volgens het college van grote culturele erfgoedwaarde zijn. Artikel 7.1.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investerings- of projectsubsidie verlenen aan een aanvrager voor: a.werkzaamheden (materiaal en arbeid) ten behoeve van: i.een gemeentelijk monument, te weten groot onderhoud en/of cascoherstel; of ii.een dijklichaam dat is aangewezen als gemeentelijk monument of een historisch pad. Hierbij gaat het om: 1.herstel voor het instandhouden van het dijklichaam of het historisch pad; 2.voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van het dijklichaam, zoals walbeschoeiingen e.d.; 3.maatregelen die leiden tot een verbetering van de biodiversiteit van het dijklichaam of het historisch pad; 4.herstel van het profiel van de dijk ter plaatse van de bestaande toegangen tot een perceel; 5.aanleg van dammen en/of omleidingswegen voor een betere toegankelijkheid van agrarische percelen, waardoor het aantal toegangen tot het perceel via het dijklichaam of het historisch pad voor zwaar verkeer verminderd kan worden. b.een bouwhistorisch en/of kleurhistorisch onderzoek. Het onderzoek: i.maakt deel uit van een aanvraag om een omgevingsvergunning; ii.is nodig om het monument of ander waardevol gebouw goed en zorgvuldig te kunnen herstellen, onderhouden of aanpassen. Het onderzoek heeft een direct nut voor de werkzaamheden en is niet bedoeld voor algemene of vrijblijvende kennis; iii.is nodig voor de aanvraag van een klein initiatief; iv.betreft een kleuronderzoek dat nodig is voor terugbrengen van authentieke kleuren op monumentaal pand of een pand gelegen binnen beschermd gezicht. c.de eerste inspectie voor een rijks- of gemeentelijk monument of een kerk of een pand met de aanduiding karakteristiek 1; d.werkzaamheden (materiaal/arbeid) voor een klein initiatief; e.werkzaamheden (materiaal en arbeid) ten behoeve van groot onderhoud en/of cascoherstel van een kerk; f.groot onderhoud en/of cascoherstel van het exterieur van karakteristieke panden; g.het instandhouden en/of versterken van de erfgoedwaarden van (onderdelen van) unieke objecten; h.het realiseren van een erfgoedverbeelding die informatie geeft over de aanwezige erfgoedwaarde, waarbij is aangetoond dat voor het plaatsen van de erfgoedverbeelding breed draagvlak bestaat in de samenleving; i.het verrichten van het gravend archeologisch onderzoek; j.werkzaamheden die bijdragen aan het instandhouden van een molen of een onderdeel daarvan. Artikel 7.1.3 Algemene voorwaarden erfgoed 1.De panden/objecten/locaties liggen binnen de gemeentegrenzen. 2.De aanvraag is ingediend voordat het werk start. Dit geldt niet voor de inspecties, bouwhistorisch en/of kleurhistorisch onderzoek en molens. 3.De werkzaamheden zijn binnen zes maanden na de verlening van de subsidie zijn gestart. Dit geldt niet voor de molens. 4.De werkzaamheden worden uitgevoerd binnen twee jaar na de verlening van de subsidie. Dit geldt niet voor de molens. 5.Voor de aanvang van de werkzaamheden is een omgevingsvergunning verleend, indien de werkzaamheden vergunningsplichtig zijn. 6.De aanvang van de werkzaamheden wordt gemeld bij de gemeente. Dit geldt niet voor de molens. 7.Wijzigingen in de uitvoering die afwijken van de subsidieaanvraag, worden vooraf om toestemming voorgelegd aan de gemeente. 8.Na voltooiing van de werkzaamheden, wordt de subsidie verantwoord met een financiële eindverantwoording. Dit geldt niet voor molens, inspecties, bouw- en kleurhistorische onderzoeken en het realiseren erfgoedverbeeldingen. 9.Het college kan de subsidieontvanger verplichten na afloop van de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, het desbetreffende onderdeel minimaal 3 jaar te bewaren en te onderhouden in de staat waarin het door de werkzaamheden waarvoor subsidie is verleend, is gebracht. 10.Bij de vaststelling van de subsidie: a.komen alleen de kosten voor het eerste inspectierapport in aanmerking voor subsidie; b.zijn de kosten voor kerken met de status ‘vanwege rijksmonument’ voor werkzaamheden aan zogenaamde ‘vanwege onderdelen’ uitgesloten van subsidie; c.komen de kosten van vrijwilligerswerk (arbeid) niet voor subsidie in aanmerking; d.wordt bij teruggave van de btw voor dat deel geen subsidie gegeven; e.wordt bij vergoeding van kosten door een verzekering voor dat deel geen subsidie verleend; f.zijn bij karakteristieke panden 1 en 2 werkzaamheden aan het interieur uitgesloten van subsidie; g.moeten de kosten van een erfgoedverbeelding direct verbonden zijn aan het ontwerp en uitvoering, waaronder begrepen de loonkosten, materiaalkosten en omzetbelasting. Artikel 7.1.4 Aanvullende voorwaarden gravend archeologisch onderzoek 1.De aanvrager is eigenaar van de te onderzoeken locatie binnen de gemeente. 2.Kosten voor een archeologisch booronderzoek en het opstellen van een Programma van Eisen voor het gravend archeologisch onderzoek komen niet in aanmerking voor subsidie. 3.De aanvrager heeft aannemelijk gemaakt dat het ter plaatse behouden van de archeologische waarden niet mogelijk is; 4.In een definitieve vaststelling moet het gravend archeologisch onderzoekstraject zijn uitgevoerd en vastgelegd in een door het college goedgekeurd definitief rapport. Dit rapport mag op het moment van de aanvraag tot vaststelling niet ouder zijn dan 6 maanden. 5.Het gravend archeologisch onderzoekstraject voldoet aan SIKB BRL 4003 voor wat betreft het proefsleuvenonderzoek en aan SIKB BRL 4004 voor wat betreft de opgraving. 6.De activiteiten zijn overeenkomstig de geldende wetgeving uitgevoerd. 7.De subsidiabele kosten van de activiteiten zijn hoger dan 1% van de bouwkosten. Artikel 7.1.5 Aanvullende voorwaarden Molens 1.De molen moet in de gemeente staan. 2.Voor het instandhouden van de molen is een rijkssubsidie toegekend op basis van de Sim regeling, over dezelfde 6-jaarlijkse periode als waarvoor het rijk subsidie heeft verstrekt. 3.Het jaarbudget kan worden aangevraagd in het jaar volgend op het jaar van uitvoering. 4.Bij de aanvraag om het jaarbudget wordt een kostenoverzicht wordt ingediend van de werkzaamheden die dat jaar zijn uitgevoerd. 5.Na afloop van de 6-jaarlijkse periode een definitieve eindafrekening plaats vindt, waarbij de aanvrager een eindoverzicht van de totale kosten over de zes jaar overlegt. 6.Moleneigenaren van molens aan welke het rijk de status "Professionele Organisatie" of de (oude) status "Aangewezen Organisatie" heeft toegewezen, kunnen de subsidie naar eigen inzicht verdelen over alle molens waarvoor subsidie is verleend. Artikel 7.1.6 Budget 1.Voor het jaar 2027 is het totale subsidiebudget € 139.000. Dit is ook het subsidieplafond. 2.Voor de onderdelen a tot en met i bedraagt het gezamenlijke budget € 63.400. 3.Voor molens bedraagt het budget € 75.600. 4.Als na 1 juni van onderdelen budget over is, worden deze bedragen samengevoegd tot één budget voor alle onderdelen. Artikel 7.1.7 Verdeling 1.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. 2.De uitbetaling van de subsidie vindt plaats na afloop van de werkzaamheden en na controle van het werk en de eindafrekeningen. 3.De hoogte van de subsidie is: Onderdeel Percentage van de kosten Maximum bedrag Gemeentelijke monumenten Groot onderhoud en/of cascoherstel 50 € 10.000 per gemeentelijk monument Instandhouding dijklichaam of historische pad 50 € 5.000 per eigenaar Bouwhistorisch onderzoek of kleurhistorische onderzoek 100 € 1.000 per pand of object Inspecties 100 € 500 per pand Kleine initiatieven in Beschermde stads- en dorpsgezichten 50 € 2.000 per aanvraag Kerken zonder monumentale status 50 € 10.000 per kerk Karakteristieke panden Karakteristiek 1 50 € 7.500 per pand of object Karakteristiek 2 50 € 5.000 per pand of object Unieke objecten 50 € 7.500 per aanvraag Erfgoedverbeeldingen 50 € 750 per aanvraag Gravend archeologisch onderzoek 50 € 10.000 per aanvraag Molens 25 € 3.021 per molen per jaar Artikel 7.1.8 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan subsidie weigeren wanneer voor de onderdelen a en b, d tot en met f, h of i in de voorgaande 3 jaar al eerder 1 keer gemeentelijke subsidie is toegekend. 2.Het college kan subsidie geheel of gedeeltelijk weigeren: a.wanneer de aanvrager geen eigenaar is van het bouwwerk waarvoor subsidie wordt gevraagd. Dit geldt niet als de aanvraag zich richt op een klein initiatief in een BSD; b.voor een bouwwerk van een overheidsinstantie; c.voor een bouwwerk dat de gemeente al op een andere manier financieel ondersteunt; d.voor een kerk die vanwege haar rijksmonumentenstatus van de rijksdienst al subsidie krijgt voor één of meerdere onderdelen; e.voor een eerste inspectie als in de 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag het bouwwerk door dezelfde organisatie is geïnspecteerd. Paragraaf 7.2 Open Monumentendag Artikel 7.2.1 Begripsbepalingen a.eigenaar: de eigenaar van een monument; b.monument: een gebouw in de gemeente die volgens de Erfgoedverordening of Erfgoedwet een monument is; c.open Monumentendag: een (landelijke) dag of weekend waarop monumenten voor het publiek gratis open zijn; d.overkoepelende organisatie: een stichting, vereniging dan wel dorpsbelangen, die de organisatie van de Open Monumentendag in een dorp of stad uitvoert. Artikel 7.2.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een eigenaar of overkoepelende organisatie voor activiteiten in de gemeente rondom de lokale Open Monumentendag. De activiteiten kunnen bestaan uit: a.promotie; b.een vernieuwend programma of weergave van monument(en); c.aantrekken van bepaalde doelgroepen, zoals jongeren of gezinnen; d.samenwerken met andere organisaties of evenementen. Artikel 7.2.3 Voorwaarden 1.Bezoekers mogen het monument/de monumenten gratis bekijken. 2.De activiteit helpt bij het vergroten van de belangstelling, waardering en betrokkenheid bij monumenten. 3.De activiteit is naar het oordeel van het college een aanvulling op de reguliere activiteiten van de aanvrager. 4.De kosten voor de aanschaf en/of vervanging van apparatuur zoals machines, computers, beamers, touchscreens, gereedschap zijn niet subsidiabel. Artikel 7.2.4 Inleverdatum aanvraag De aanvraag moet uiterlijk 15 juli zijn ingeleverd in het jaar waarin de activiteit wordt uitgevoerd. Artikel 7.2.5 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 12.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 7.2.6 Verdeling 1.De subsidie voor eigenaren is 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 300 per aanvraag. 2.De subsidie voor overkoepelende organisaties is maximaal 70% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.500 per aanvraag. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 7.2.7 Aanvullende weigeringsgronden 1.Het college kan besluiten dat in een stad of dorp aan maximaal 1 overkoepelende organisatie subsidie wordt verleend. 2.Het college verleent per stad of dorp totaal maximaal € 1.500 subsidie. Paragraaf 7.3 Historische werkgroepen Artikel 7.3.1 Begripsbepalingen a.historische werkgroep: stichting of vereniging (of een werkgroep als onderdeel daarvan) statutair gevestigd in de gemeente en opgericht met als doel het bevorderen van het bewustzijn van de lokale geschiedenis over een dorp, stad of gebied binnen de gemeente; b.open Monumentendag: dag als bedoeld in artikel 7.2.1 onder b; c.permanente tentoonstelling: een tentoonstelling in een gebouw dat hoofdzakelijk is ingericht en bedoeld voor de presentatie van tentoonstellingen. Artikel 7.3.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse activiteitensubsidie verlenen aan historische werkgroepen voor: a.het uitvoeren van activiteiten die de geschiedenis van een stad, dorp of gebied, zichtbaar en levendig maken; of b.het beheer en openstellen van een permanente tentoonstelling in het jaar 2027 die zich richt op het bekend, zichtbaar en levendig maken van de geschiedenis van een stad, dorp of gebied in de gemeente. Artikel 7.3.3 Voorwaarden 1.Als een historische werkgroep subsidie aanvraagt namens een stichting of vereniging, overlegt de werkgroep bij de aanvraag een volmacht van het bestuur van de stichting of de vereniging. 2.De activiteiten richten zich op het verzamelen, archiveren en uitdragen van kennis over de geschiedenis van een dorp, stad of gebied in de gemeente. 3.De historische werkgroep organiseert, naast eventuele activiteiten rondom de lokale Open Monumentendag, in het jaar 2027 minimaal 1 openbare activiteit. 4.De permanente tentoonstelling is meer dan 70 dagen per kalenderjaar gedurende minimaal 4 uren per dag open voor bezoekers. 5.De subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 7.3.2, onderdeel a zijn de direct te relateren kosten aan het zichtbaar en levendig maken van historische kennis over de geschiedenis van een dorp, stad of gebied in de gemeente. 6.De subsidiabele kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 7.3.2, onderdeel b zijn de direct te relateren kosten voor het beheer en openstellen van een permanente tentoonstelling en ook voor het bekend, zichtbaar en levendig maken van de geschiedenis van een stad, dorp of gebied in de gemeente. 7.De aanvrager kan per jaar voor maximaal 1 activiteit subsidie aanvragen. Artikel 7.3.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 20.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 7.3.5 Verdeling 1.De subsidie als bedoeld in artikel 7.3.2, onderdeel a bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.055 per historische werkgroep. 2.De subsidie als bedoeld in artikel 7.3.2, onderdeel b bedraagt maximaal 90% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.115 per historische werkgroep. 3.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over de aanvragers. Paragraaf 7.4 Cultuurhistorische verkavelingsstructuren Artikel 7.4.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: natuurlijk persoon, rechtspersoon zonder winstoogmerk of onderneming die grondeigenaar is in de gemeente; b.behoud en herstel: beschermen en terugbrengen van historische verkavelingsstructuren; c.beleefbaarheid: het zichtbaar en toegankelijk maken van het cultuurlandschap van de gemeente, inclusief de bijbehorende geschiedenis, zodat inwoners en bezoekers deze kunnen ervaren; d.Cultuurhistorische Kaart (CHK): de meest actuele, door de provincie Fryslân gepubliceerde, Cultuurhistorische Kaart waarop cultuurhistorische elementen, structuren en waarden zijn weergegeven; e.doelgericht onderhoud: onderhoud aan de oever- en erfbeplanting dat, anders dan regulier onderhoud, gericht is op het herstellen van de zichtbaarheid of herkenbaarheid van erfsloten; f.erfsloot: sloot die langs de grens van een erf ligt; g.historische verkavelingsstructuren: herkenbare indeling van percelen in het landschap, waaronder begrepen kavelsloten en andere cultuurhistorisch waardevolle structuren; h.landschapsbiografie; digitaal naslagwerk waarin de landschappelijke en cultuurhistorische ontwikkeling van de Súdwesthoeke, inclusief historische structuren en elementen, in kaart en beeld is vastgelegd; i.regulier onderhoud: terugkerend onderhoud gericht op behoud van de bestaande situatie, zonder herstel of verbetering van landschappelijke of cultuurhistorische waarden; j.versterking en ontwikkeling: het verbeteren of verduidelijken van bestaande verkavelingsstructuren. Artikel 7.4.2 Doel van de regeling Deze subsidieregeling draagt bij aan: a.de omgevingskwaliteit, gericht op de kwaliteit en identiteit van de historische verkavelingsstructuren; b.de beleefbaarheid van historische verkavelingen. Artikel 7.4.3 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een aanvrager voor: a.het behoud en herstel en/of de versterking en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden van historische verkavelingsstructuren binnen de gemeente. Hieronder valt in elk geval: i.herstellen van de aansluiting van de erfsloot, zodanig dat deze weer als een aaneengesloten en rondom het erf lopende structuur functioneert; ii.aanleggen of reconstrueren van sloten, uitsluitend indien deze aantoonbaar zijn gebaseerd op historische verkavelingsstructuren. b.de beleefbaarheid van landschappelijke en cultuurhistorische waarden van historische verkavelingsstructuren binnen de gemeente. Hieronder valt in elk geval: i.doelgericht onderhoud aan de oever- en erfbeplanting van de erfsloot, voor zover noodzakelijk voor de beleefbaarheid; ii.het vergroten van de beleefbaarheid met routes, informatievoorziening en publieksactiviteiten; iii.het vergroten van de beleefbaarheid met educatie over de historische verkavelingsstructuren. Artikel 7.4.4 Voorwaarden 1.De activiteit heeft direct en aantoonbaar betrekking op historische verkavelingsstructuren. 2.De landschappelijke en cultuurhistorische waarden hiervan kunnen worden onderbouwd aan de hand van: a.de Landschapsbiografie; b.de Cultuurhistorische Kaart (CHK); en/of c.relevante onderzoeken en rapportages over historische verkaveling. 3.De activiteit wordt uitgevoerd binnen het grondgebied van de gemeente. 4.Indien de werkzaamheden vergunningsplichtig zijn, dient vóór aanvang van de werkzaamheden een omgevingsvergunning te zijn verleend. 5.De volgende kosten zijn niet subsidiabel: a.kosten die naar het oordeel van het college niet aantoonbaar bijdragen aan de doelstellingen van de regeling; b.kosten voor regulier onderhoud; c.vrijwilligersuren. 6.Subsidie aan een onderneming wordt verleend met toepassing van de de-minimisverordening. De aanvrager overlegt bij de aanvraag een ondertekende de-minimisverklaring. Artikel 7.4.5 Budget Voor het jaar 2027 bedraagt het budget € 10.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 7.4.6 Verdeling 1.De subsidie voor activiteiten die vallen onder artikel 7.4.3, onderdeel a, is maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 2.500 per aanvraag. 2.De subsidie voor activiteiten die vallen onder artikel 7.4.3, onderdeel b, is maximaal 50% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 1.000 per aanvraag. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 7.4.7 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de activiteit naar het oordeel van het college onvoldoende doelmatig of uitvoerbaar is; b.de activiteit betrekking heeft op regulier onderhoud; c.voor de activiteit in de voorgaande 3 jaar al subsidie is verleend. Paragraaf 7.5 Skûtsjes Artikel 7.5.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: een stichting die een skûtsje in beheer heeft en gevestigd is in de gemeente; b.SKS-kampioenschap: de jaarlijkse zeilwedstrijden die georganiseerd worden door de Sintrale Kommisje Skûtsjesilen; c.skûtsje: een traditioneel Friese houten tjalk met een lengte van 12 tot 20 meter lang, die tussen de 18e eeuw en circa 1930 is gebouwd voor vrachtvervoer. Artikel 7.5.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een aanvrager voor deelname aan het SKS-kampioenschap. Artikel 7.5.3 Voorwaarde Het skûtsje is deelnemer aan het SKS-kampioenschap. Artikel 7.5.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 15.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 7.5.5 Verdeling 1.De subsidie per aanvrager bedraagt maximaal € 5.000. 2.Als het budget niet toereikend is, wordt het budget naar verhouding gelijk verdeeld over alle aanvragers. Hoofdstuk 8 Klimaat Paragraaf 8.1 Duurzaamheid, Energiecoöperaties Artikel 8.1.1 Begripsbepalingen a.activiteiten: activiteiten die energiecoöperaties organiseren om een bijdrage te leveren aan het verminderen van CO2 en/of die het bewustzijn van de energietransitie vergroten; b.energiewerkgroep: groep van inwoners die tot doel heeft om voor een wijk, dorp of stad uit de gemeente de uitstoot van CO2 te verminderen; c.energiecoöperatie: coöperaties die werken aan de omslag naar het gebruik van duurzame energie in wijk(en), dorpen en/of steden in de gemeente. Artikel 8.1.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan: a.energiewerkgroepen, voor het opstarten van een energiecoöperatie; b.energiecoöperaties, voor het organiseren van activiteiten. Artikel 8.1.3 Voorwaarden 1.De activiteiten dragen naar het oordeel van het college direct of indirect bijdragen aan CO2-reductie. 2.De activiteiten zijn naar het oordeel van het college voldoende toegankelijk voor de wijken, dorpen en/of steden waar de energiecoöperatie zich op richt. 3.De activiteiten dragen bij aan de doelstelling van de energiecoöperatie. 4.De aanvrager kan per jaar maximaal 1 keer subsidie krijgen. 5.Kosten voor investeringen en/of exploitatiekosten zijn niet subsidiabel. Artikel 8.1.4 Budget Voor het jaar 2027 is het budget € 35.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 8.1.5 Verdeling 1.De subsidie voor het opstarten van een energiecoöperatie is maximaal € 2.600. 2.De subsidie voor het organiseren van activiteiten is 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 2.000 per energiecoöperatie per jaar. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Paragraaf 8.2 Klimaat, aanleg groen dak Artikel 8.2.1 Begripsbepalingen a.beperkt-toegankelijk groen dak: dak dat alleen toegankelijk is voor onderhoud. Het bevat: i.een wortelwerende laag; ii.een drainagelaag; iii.een vegetatielaag met droogteresistente soorten; iv.een waterbergend vermogen van minimaal 25 liter per m2 en een belasting tussen de 60 kg en 200 kg per m2; b.dak: samenstelling van balken (beton, hout of staal), regels en bebording die sterk genoeg is om de dakbedekking van een gebouw te dragen en de wind-, regen en sneeuwbelasting op te vangen; c.eigenaar: een eigenaar van een pand of perceel in de gemeente; d.toegankelijk groen dak: toegankelijk dak met: i.een wortelwerende laag; ii.een drainagelaag; iii.een substraatlaag met een begroeiing van struiken, kruiden, grassen of bomen; iv.een waterbergend vermogen van minimaal 50 liter per m2 en een belasting van maximaal 200 kg per m2. Artikel 8.2.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een eigenaar voor het realiseren van een toegankelijk dak of een beperkt-toegankelijk groen dak. Het doel hiervan is dat eigenaren hun hemelwater goed kunnen afvoeren en verwerken. Artikel 8.2.3 Voorwaarden 1.Het ontwerp, de plaatsing en het onderhoud moeten deugdelijk en zorgvuldig worden uitgevoerd. 2.De volgende kosten zijn subsidiabel: a.kosten voor het maken van een ontwerp; b.kosten van een bouwkundig expert; c.aanlegkosten, inclusief de huurkosten van een lift; d.kosten voor het verstevigen van het dak of de daken, voor zover noodzakelijk voor de aanleg van het groene dak. De noodzaak moet worden aangetoond door een bouwkundig expert; e.kosten voor de beplanting en opbouw van een groen dak, inclusief beschermfolie en substraat; f.de materiaal- en uitvoeringskosten. 3.De volgende kosten zijn in ieder geval niet subsidiabel: a.omzetbelasting die kan worden verrekend; b.kosten voor een bouw- en/of monumentenvergunning; c.kosten voor het onderhoud van het groene dak; d.kosten voor het vervangen van een dak. 4.De minimale oppervlakte van het te vergroenen dak is bij een particulier minimaal 10 m2. 5.De minimale oppervlakte van het te vergroenen dak is bij een onderneming minimaal 50 m2. 6.Bij de aanvraag wordt een foto van het te vergroenen dak aangeleverd. 7.Subsidie aan een onderneming wordt verleend met toepassing van de de-minimisverordening. De aanvrager overlegt bij de aanvraag een ondertekende de-minimisverklaring. 8.De werkzaamheden moeten binnen 6 maanden na datum van subsidieverlening zijn afgerond. 9.De aanvrager dient binnen 13 weken na realisatie een verantwoordingsformulier in. 10.Een eigenaar kan per jaar maximaal 1 keer subsidie ontvangen voor het realiseren van een groen dak. Artikel 8.2.4 Budget Voor de volgende regelingen geldt voor 2027 een gezamenlijk subsidieplafond van € 100.000: a.paragraaf 8.2: Klimaat, aanleg groen dak; b.paragraaf 8.3: Klimaat, groen maken tuin; c.paragraaf 8.4: Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie; d.paragraaf 8.5: Klimaat, regenwater bergen; e.paragraaf 8.6: Klimaat, regenton verkoop met korting. Artikel 8.2.5 Verdeling 1.De subsidie aan particulieren is maximaal € 5.000 per eigenaar per jaar. De hoogte wordt bepaald op basis van de ontvangen offerte en is maximaal 50% van de subsidiabele kosten. 2.De subsidie aan ondernemingen is maximaal € 10.000 per eigenaar per jaar. De hoogte wordt bepaald op basis van de ontvangen offerte en is maximaal 50% van de subsidiabele kosten. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 8.2.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de eigenaar niet de benodigde vergunningen heeft of kan krijgen. b.de aanvrager in 2027 in totaal al 2 keer subsidie heeft ontvangen volgens de regelingen genoemd in artikel 8.2.4. Paragraaf 8.3 Klimaat, groen maken tuin Artikel 8.3.1 Begripsbepalingen a.eigenaar: een eigenaar van een pand of perceel in de gemeente; b.huurder: een huurder van een pand of perceel in de gemeente; c.vergroenen: het vervangen van gesloten verharding zoals tegels, beton en/of asfalt door groen. Onder groen wordt gras, planten, bloemen, heggen, struiken en bomen verstaan. Artikel 8.3.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een eigenaar of huurder voor het vergroenen van (een deel van) de tuin, waaronder het planten van een boom. Artikel 8.3.3 Voorwaarden 1.De vergroening mag niet in strijd zijn met een wettelijk voorschrift. 2.Een huurder komt alleen voor subsidie in aanmerking wanneer de schriftelijke toestemming van de eigenaar is bijgevoegd bij de aanvraag. 3.De eigenaar of huurder voegt foto’s bij de aanvraag toe van vóór en na de vergroening. 4.Uit de aanvraag moet aantoonbaar blijken wanneer de vergroening heeft plaatsgevonden c.q. wanneer de kosten zijn gemaakt. Hiertoe wordt bij aanvraag een bon of factuur overlegd. 5.De verwijderde tegels worden niet elders op het perceel hergebruikt. 6.Subsidie aan een onderneming wordt verleend met toepassing van de de-minimisverordening. De aanvrager overlegt bij de aanvraag een ondertekende de-minimisverklaring. 7.De eigenaar of huurder dient, met toepassing van artikel 7, lid 5 van de Algemene subsidieverordening 2026 gemeente Súdwest-Fryslân, de subsidieaanvraag binnen 12 weken na vergroening of na het maken van de subsidiabele kosten in bij de gemeente. Artikel 8.3.4 Budget Voor de volgende regelingen geldt voor 2027 een gezamenlijk subsidieplafond van € 100.000: a.paragraaf 8.2: Klimaat, aanleg groen dak; b.paragraaf 8.3: Klimaat, groen maken tuin; c.paragraaf 8.4: Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie; d.paragraaf 8.5: Klimaat, regenwater bergen; e.paragraaf 8.6: Klimaat, regenton verkoop met korting. Artikel 8.3.5 Verdeling 1.De subsidie wordt bepaald op basis van de gemaakte kosten en het aantal vergroende m2 en is per perceel: a.maximaal € 50 : bij 5m2 tot 10m2; b.maximaal € 150 : bij 10m2 tot 20m2; c.maximaal € 250 : bij 20m2 tot 30m2; d.maximaal € 500 : bij ≥ 30m2. 2.Aanvullend op lid 1 is de subsidie voor het planten van een boom: a.maximaal € 50 per geplante boom, met een maximum van 3 bomen per aanvraag (maximaal € 150). 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 8.3.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de oppervlakte van de vergroening minder dan 5m2 bedraagt; b.de boom binnen 2 meter van de erfgrens is geplant; c.de subsidieaanvraag niet binnen 12 weken na vergroening of na het maken van de subsidiabele kosten bij de gemeente is ingediend; d.de aanvrager in 2027 in totaal al 2 keer subsidie heeft ontvangen volgens de regelingen genoemd in artikel 8.3.4. Paragraaf 8.4 Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie Artikel 8.4.1 Begripsbepalingen a.appartementencomplex: een gebouw waarin meerdere woningen aanwezig zijn; b.eigenaar: een eigenaar van een pand of perceel in de gemeente; c.regenwater gebruiksinstallatie: een systeem dat opgeslagen regenwater toepast bij het doorspoelen van toiletten en/of bij gebruik van een wasmachine en/of waterirrigatie van de tuin. Het systeem kan inpandig of in de tuin worden aangebracht en bevat de volgende componenten: reservoir, pomp, aansluiting op gebruikspunten, een overstort, een suppletievoorziening; d.woning: pand in de gemeente dat voor woningdoeleinden is bestemd. Artikel 8.4.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een eigenaar voor het realiseren van een regenwatergebruiksinstallatie. Het doel hiervan is dat eigenaren hun hemelwater kunnen hergebruiken voor onder andere toiletspoeling, auto wassen en bewatering van de tuin. Daarmee wordt drinkwatergebruik verminderd. Artikel 8.4.3 Voorwaarden 1.Het volledig ingevulde aanvraagformulier wordt voor aanvang van de werkzaamheden ingediend. 2.Voor het realiseren van een regenwater gebruiksinstallatie aan een woning geldt dat de eigenaar ook bewoner moet zijn. 3.Als er meerdere (mede)eigenaren zijn van het gebouw, is een lijst nodig met hun namen, adressen en handtekeningen en waaruit een goedkeuring van de aanvraag blijkt (zowel rechtspersonen als natuurlijke personen). 4.De aanvraag moet zijn voorzien van: a.als deze vereist is: een omgevingsvergunning en/of monumentenvergunning; b.foto’s van de bestaande situatie (situatie voordat de werkzaamheden worden uitgevoerd); c.een gespecificeerde begroting en/of offerte van de kosten van de voorziening; d.een situatietekening op schaal waarop de locatie van de regenwatergebruiksinstallatie duidelijk is aangegeven; e.een opgave van de aan te sluiten voorzieningen; f.een schriftelijke verklaring van de fabrikant of leverancier dat de regenwater gebruiksinstallatie voldoet aan de NEN EN 16941-1:2024, zie www.nen.nl; g.mits van toepassing: een afschrift van (te) ontvangen subsidies voor het realiseren van de regenwater gebruiksinstallatie; 5.Subsidie aan een eigenaar die een onderneming is, wordt verleend met toepassing van de de-minimisverordening. De aanvrager overlegt bij de aanvraag een ondertekende de-minimisverklaring. 6.De aanvrager dient binnen 13 weken na realisatie een verantwoordingsformulier in. Artikel 8.4.4 Budget Voor de volgende regelingen geldt voor 2027 een gezamenlijk subsidieplafond van € 100.000: a.paragraaf 8.2: Klimaat, aanleg groen dak; b.paragraaf 8.3: Klimaat, groen maken tuin; c.paragraaf 8.4: Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie; d.paragraaf 8.5: Klimaat, regenwater bergen; e.paragraaf 8.6: Klimaat, regenton verkoop met korting. Artikel 8.4.5 Verdeling 1.De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 2.500 voor particuliere eigenaren van een pand. 2.De subsidie is maximaal 25% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 10.000 voor eigenaren van een appartementencomplex, bedrijf of instelling. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 8.4.6 Aanvullende weigeringsgrond Het college weigert subsidie wanneer de aanvrager in 2027 in totaal al 2 keer subsidie heeft ontvangen volgens de regelingen genoemd in artikel 8.4.4. Paragraaf 8.5 Klimaat, regenwater bergen Artikel 8.5.1 Begripsbepalingen a.eigenaar: een eigenaar van een pand of perceel in de gemeente; b.gemengd rioolstelsel: het openbaar riool met een buizenstelsel voor de gemengde afvoer van hemelwater en afvalwater; c.hemelwater: alle vormen van water dat uit de hemel komt, zoals regen, sneeuw, hagel; d.hemelwaterverordening: Hemelwaterverordening Súdwest-Fryslân 2023; e.hergebruik: elke vorm van het opnieuw gebruiken en nuttig toepassen van hemelwater; f.regenwaterberging: het realiseren van voorziening(en) om hemelwater te bergen, te infiltreren, te hergebruiken en/of vertraagd af te voeren. Hieronder vallen in ieder geval een regenwatervijver, infiltratiekratten, een greppel en/of een wadi; g.verhard oppervlak: het netto verhard oppervlak waardoor hemelwater versneld tot afvoer komt, zoals bebouwing, daken, (tuin)bestrating, parkeerplaatsen en overige verhardingen. Een groen dak als bedoeld in paragraaf 8.2 valt hier niet onder. Artikel 8.5.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een eigenaar voor het realiseren van een nieuw aan te leggen regenwaterberging. Het doel hiervan is dat eigenaren hun hemelwater goed kunnen afvoeren, tijdelijk bergen en verwerken. Hierdoor neemt de kans op wateroverlast op straat af, wordt verdroging tegengegaan en verbetert de leefomgeving voor planten en dieren. Artikel 8.5.3 Voorwaarden 1.De bebouwing is vóór 1 januari 2024 opgeleverd. In deze gevallen is er volgens de Hemelwaterverordening geen plicht om zelf zorg te dragen voor hemelwaterberging. 2.Het afgekoppeld dakoppervlak dat leidt naar de regenwaterberging is minimaal 9 m2. 3.De regenwaterberging kan minimaal 20 liter per m2 afgekoppeld dakoppervlak hemelwater bergen. 4.De regenwaterberging heeft een overloop en zorgt niet voor overlast aan nabijgelegen panden en percelen. 5.Het ontwerp, de plaatsing en het onderhoud worden deugdelijk en zorgvuldig uitgevoerd. 6.De aanvraag richt zich op het realiseren van een regenwaterberging op overige verharde oppervlakken op het perceel, zoals de achterzijde van de woning. 7.Het volledige ingevulde aanvraagformulier wordt voor aanvang van de werkzaamheden ingediend. 8.De aanvraag moet zijn voorzien van: a.een gespecificeerde begroting en/of offerte van de kosten van de aan te leggen regenwaterberging; b.foto’s van vóór de realisatie van de regenwaterberging. 9.De aanvrager dient binnen 13 weken na realisatie een verantwoordingsformulier in. 10.Subsidie aan een eigenaar die een onderneming is, wordt verleend met toepassing van de de-minimisverordening. De aanvrager overlegt bij de aanvraag een ondertekende de-minimisverklaring. Artikel 8.5.4 Budget Voor de volgende regelingen geldt voor 2027 een gezamenlijk subsidieplafond van € 100.000: a.paragraaf 8.2: Klimaat, aanleg groen dak; b.paragraaf 8.3: Klimaat, groen maken tuin; c.paragraaf 8.4: Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie; d.paragraaf 8.5: Klimaat, regenwater bergen; e.paragraaf 8.6: Klimaat, regenton verkoop met korting. Artikel 8.5.5 Verdeling 1.De subsidie is maximaal € 10 per m2 afgekoppeld dakoppervlak en € 300 voor iedere toegevoegde m3 regenwaterberging. 2.De subsidie is maximaal € 2.000 per perceel. 3.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 8.5.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de aanvrager in 2027 in totaal al 2 keer subsidie heeft ontvangen volgens de regelingen genoemd in de paragrafen in artikel 8.5.4; b.de aanvraag zich richt op de aanschaf van een regenton of IBC-container; c.de regenwaterberging een openbaar riool betreft dat in beheer is bij een gemeente of een rechtspersoon die door een gemeente met het beheer is belast. d.het om percelen gaat die vallen onder artikel 2 van de hemelwaterverordening (nieuwbouw) én met uitzondering van de oppervlakken die vallen onder artikel 3 van de hemelwaterverordening (en bij die percelen alleen de voorzijde van de woning). Paragraaf 8.6 Klimaat, regenton verkoop met korting Artikel 8.6.1 Begripsbepalingen a.eigenaar: een eigenaar van een pand of perceel in de gemeente; b.huurder: een huurder van een pand of perceel in de gemeente; c.kortingsbon: fysiek voucher met een waarde van € 50, die geldt als korting op de aanschaf van een regenton naar keuze van minimaal 100 liter; d.verkoopbon: bewijs van de verkoper dat een product is verkocht. e.verkoper: een deelnemende bouwmarkt of tuincentrum in de gemeente. Artikel 8.6.2 Welke activiteiten Het college kan een eenmalige investeringssubsidie verlenen aan een verkoper voor het tegen een gereduceerd tarief verkopen van een regenton aan een eigenaar of huurder. Doel hiervan is dat eigenaren en huurders hun hemelwater goed kunnen afvoeren en verwerken. Artikel 8.6.3 Procedurebepalingen 1.Om in aanmerking te komen voor subsidie geldt dat de verkopers gebruik maken van de door het college te verstrekken kortingsbon. 2.De eigenaar of huurder vult de kortingsbon volledig in bij de verkoper. 3.De verkoper brengt de subsidie bij de kassa direct in mindering op het aankoopbedrag. 4.De verkoper ontvangt het subsidiebedrag door maandelijks een overzicht bij de gemeente in te dienen waaruit blijkt hoeveel regentonnen in de maand ervoor zijn verkocht. 5.De verkoper moet de verantwoording van de kosten uiterlijk binnen 1 maand na de verkoop bij de gemeente indienen. 6.Het overzicht als bedoeld in lid 4 is voorzien van de volledig ingevulde kortingsbonnen inclusief verkoopbonnen waaruit blijkt dat de regenton is verkocht. Artikel 8.6.4 Budget Voor de volgende regelingen geldt voor 2027 een gezamenlijk subsidieplafond van € 100.000: a.paragraaf 8.2: Klimaat, aanleg groen dak; b.paragraaf 8.3: Klimaat, groen maken tuin; c.paragraaf 8.4: Klimaat, regenwater gebruiksinstallatie; d.paragraaf 8.5: Klimaat, regenwater bergen; e.paragraaf 8.6: Klimaat, regenton verkoop met korting. Artikel 8.6.5 Verdeling 1.De subsidie bedraagt € 50 per regenton. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Artikel 8.6.6 Aanvullende weigeringsgronden Het college weigert subsidie wanneer: a.de regenton een inhoud heeft van minder dan 100 liter; b.de eigenaar of huurder al eerder tegen een gereduceerd tarief een regenton heeft aangeschaft volgens deze paragraaf. Paragraaf 8.7 IJswegencentrales Artikel 8.7.1 Begripsbepaling IJswegencentrale: stichting die als doel heeft het controleren en onderhouden van het ijs, het uitzetten van schaatsroutes en het garanderen van de veiligheid op natuurijs. Artikel 8.7.2 Welke activiteiten Het college kan een jaarlijkse waarderingssubsidie verlenen aan een ijswegencentrale die statutair gevestigd is in de gemeente. Artikel 8.7.3 Budget Er is geen subsidieplafond vastgesteld. Artikel 8.7.4 Verdeling 1.De subsidie per kilometer te onderhouden schaatsroute bedraagt € 25,13. 2.De aanvrager krijgt een minimaal subsidiebedrag van € 1.100. Mocht het subsidiebedrag op grond van het eerste lid lager zijn, dan wordt de subsidie aangevuld tot € 1.100. Paragraaf 8.8 Drinkwaterbesparing Bolsward-Oost Artikel 8.8.1 Begripsbepalingen a.aanvrager: eigenaar tevens bewoner van een woning met een adres in Bolsward-Oost; b.Bolsward-Oost: het gebied bestaande uit de straten It Stimpel, De Route, De Tocht, De Traper en Twa Tsjillen in Bolsward; c.grijs water: al het huishoudelijk afvalwater dat niet afkomstig is uit toiletten en/of hemelwater; d.waterrecyclingsysteem: voorziening om grijs water, te zuiveren en te hergebruiken voor douche/bad, toilet, wasmachine en voor de tuin eventueel in combinatie met een regenwatergebruiksinstallatie; e.woning: pand of perceel dat voor woningdoeleinden is bestemd. Artikel 8.8.2 Welke activiteiten Het college kan per woning een eenmalige activiteitensubsidie verlenen aan een aanvrager voor het aanschaffen en plaatsen van een waterrecyclingsysteem. Artikel 8.8.3 Voorwaarden 1.De subsidie wordt aangevraagd na het aanschaffen en plaatsen van het waterrecyclingsysteem. 2.Het waterrecyclingsysteem levert een besparing op het totale huishoudelijk drinkwaterverbruik van minimaal 35%. 3.Het waterrecyclingsysteem voldoet aan de NEN EN 16941-2:2020. 4.De aanvraag bevat: a.een factuur en betaalbewijs; b.een specificatie van het waterrecyclingsysteem waarin in ieder geval is opgenomen hoeveel water wordt bespaard; c.een foto van de installatie in de woning. 5.De kosten voor zelfwerkzaamheid en vrijwilligerswerk (arbeid) komen niet voor subsidie in aanmerking. 6.Bij teruggave van de btw wordt over de btw geen subsidie gegeven. Artikel 8.8.4 Inleverdatum aanvraag 1.Aanvragen moeten voor 31 oktober 2030 zijn ingediend. 2.Alleen volledig ingediende aanvragen worden in behandeling genomen. Artikel 8.8.5 Budget Voor de jaren 2025 tot en met 2030 is het budget € 630.000. Dit is ook het subsidieplafond. Artikel 8.8.6 Verdeling 1.De subsidie is maximaal 50% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 3.150. 2.Subsidie wordt verdeeld op volgorde van ontvangst. De datum waarop de aanvraag volledig is, geldt als datum van ontvangst. Hoofdstuk 9 Slotbepalingen Artikel 9.1 Naamgeving en inwerkingtreding 1.De naam van deze nadere regels is: ‘Subsidieregelingen 2027 gemeente Súdwest-Fryslân’. 2.Deze regelingen treden op 1 november 2026 in werking. 3.De Subsidieregelingen 2026 gemeente Súdwest-Fryslân van 14 oktober 2025 worden ingetrokken per 1 januari 2027. 4.De Subsidieregeling Taalkeunst yn de iepenbiere romte 2026 wordt ingetrokken per 1 januari 2027. 5.De Subsidieregeling Drinkwaterbesparing Bolsward-Oost wordt ingetrokken. 6.Besluiten die zijn genomen op grond van de in het derde tot en met vijfde lid genoemde subsidieregelingen en die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze nadere regels, blijven van kracht voor zover daarvoor in deze nadere regels een overeenkomstige regeling is opgenomen. Deze besluiten worden vanaf dat moment aangemerkt als besluiten die op grond van deze nadere regels zijn genomen. Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 20 oktober 2026,mr. drs. J.A. de Vries, burgemeesterdrs. C. Smits, gemeentesecretaris Bijlagen Bijlage 1: musea 2025-2028, nadere uitwerking criteria bedoeld in artikel 4.1.4 Bijlage 2: klein onderhoud, behorend bij paragraaf 5.6 Ontmoetingsplaatsen, groot onderhoud en verduurzaming

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Subsidieregelingen 2027 gemeente Súdwest-Fryslân"

Mededelingen

Mededelingen

Besluit tot intrekking van subsidieregelingen

APV

APV

Subsidieregelingen 2027 gemeente Súdwest-Fryslân

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van Provinciale Staten van Fryslân van 30 september 2026, kenmerk 02461122, tot aanwijzing van provinciale wegen voor vervoer gevaarlijke stoffen

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van Provinciale Staten van Fryslân van 30 september 2026, kenmerk 02461122, tot aanwijzing van provinciale wegen voor vervoer gevaarlijke stoffen

Mededelingen

Mededelingen

Welstandsagenda Hûs en Hiem

Mededelingen

Mededelingen

Kennisgeving ter inzagelegging begroting 2027 Wetterskip Fryslân

Evenementen

Evenementen

Toestemming voor de Nieuwjaarsduik op 1 januari 2027 op het Harlingerstrand te Harlingen

Evenementen

Evenementen

Melding voor het organiseren van een wandeltocht op woensdag 30 december 2026 langs de oude Wijnaldumer terpen te Harlingen

Mededelingen

Mededelingen

Kommisje Mienskip, Bestjoer en Finânsjes | Commissie Mienskip, Bestjoer en Finânsjes d.d. 29-10-2026

Mededelingen

Mededelingen

Kommisje Doarp, Stêd en Omkriten | Commissie Doarp, Stêd en Omkriten d.d. 27-10-2026

Omgeving

Omgeving

Aanvraag omgevingsvergunning voor het vervangen / vernieuwen van de vloerplanken van schuur, Westerzeedijk 27, 8862 PK te Harlingen

APV

APV

Verordening Regionale Raadsadviescommissie Werkvoorzieningschap Fryslân-West 2024