Verordening fysieke leefomgeving

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-10-19

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente Hollands Kroon

Informatie

Verordening fysieke leefomgeving De gemeenteraad van Hollands Kroon; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 september 2026; gelet op artikel 108, 147, 149, 149a en 154 van de Gemeentewet, artikel 35 van de Wet op de lijkbezorging, artikel 3.16 van de Erfgoedwet, artikel 10.23, eerste lid, tweede lid en artikel 10.26, eerste lid, van de Wet milieubeheer, artikel 3.5, eerste lid, van de Wet dieren, artikel 3 van de Winkeltijdenwet en het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet; Besluit: Vast te stellen de Verordening fysieke leefomgeving. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Algemene regels voor instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, gelden op dezelfde manier voor deze verordening behalve als hiervoor in deze verordening andere regels worden bepaald. Artikel 1.2 Begrippen In deze verordening en de daarbij horende regels wordt verstaan onder: a.HIOR: Handboek Inrichting Openbare Ruimte van de gemeente Hollands Kroon. b.Bestaand: het aanwezige legale gebruik dat op het tijdstip dat deze regels ingaan en/of legale bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is volgens een bouw- of omgevingsvergunning of vergunningsvrij was. c.Bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, die geen gebouw zijn. d.Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten. e.Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond waarop ingevolge het omgevingsplan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. f.Bouwwerk: een constructie als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, bij de Omgevingswet en nader uitgewerkt in het Besluit bouwwerken leefomgeving. g.Bruidsschat: onder de Omgevingswet verhuist een aantal regels van het Rijk naar gemeenten. Het Rijk zorgt er met het Invoeringsbesluit voor dat deze regels automatisch in het omgevingsplan komen. Dit heet ook wel de 'bruidsschat'. h.Woning: een geheel van ruimten, alleen bedoeld voor het bewonen door één afzonderlijk huishouden van wie de huisvesting daar, als naar de toegedeelde functie aan de locatie wordt gekeken, wel of niet nodig is. Hoofdstuk 2 Algemene regels voor het instandhouden, beschermen, onderhoud en beheer van de fysieke leefomgeving Artikel 2.1 Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te bepalen voor instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Artikel 2.2 Algemene zorgplicht voor de fysieke leefomgeving Iedereen draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. Iedereen moet bij zijn activiteiten voldoende zorgen voor de fysieke leefomgeving en toestaan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Artikel 2.3 Zorgplicht bij activiteit met nadelige gevolgen Iedereen die weet of kan bedenken dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: a.alle maatregelen te nemen die van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b.als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen; die gevolgen zoveel mogelijk te verminderen of terug te draaien; c.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden verminderd; die activiteit niet te doen als dat van hem kan worden gevraagd. Artikel 2.4 Zorgplicht voor toestand object op openbare plaats Degene die een voorwerp heeft geplaatst op een openbare plaats, zorgt ervoor dat: •het stevig is geplaatst; •geen gevaar oplevert voor de (verkeers-)veiligheid; •de doorstroming van het verkeer niet belemmert; •houdt het in goede staat en ruimt het op zodra de activiteit waarvoor het geplaatst is afgelopen. Artikel 2.5 Zorgplicht voor toestand onroerend cultureel erfgoed 1.Het is verboden onroerend cultureel erfgoed, te beschadigen of te vernielen. 2.De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een monument zijn verplicht het onderhoud uit te voeren dat voor de instandhouding daarvan nodig is. 3.De persoon die een activiteit verricht aan of bij een onroerend cultureel erfgoed is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijk van hem kunnen worden gevraagd om beschadiging te voorkomen. Artikel 2.6 Zorgplicht voor toestand van sloten en wateren De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een perceel zorgt er voldoende voor dat de sloten en andere wateren op het perceel geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of hinder oplevert voor andere organisaties of personen. Artikel 2.7 Zorgplicht voor toestand van wegen Als bij het laden, lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen, dan wel bij andere werkzaamheden, de weg wordt verontreinigd en dat levert gevaar op voor de veiligheid van het verkeer of beschadigingen van het wegdek, dan is degene die die werkzaamheden verricht en zijn opdrachtgever, verplicht de weg onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te laten reinigen. Artikel 2.8 Zorgplicht voor toestand niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen De eigenaar, gebruiker en/of beheerder van een gebouw zorgt voldoende voor de riolen en putten buiten gebouwen die niet openbaar zijn. Deze mogen geen gevaar opleveren voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor andere organisaties of personen. Artikel 2.9 Toelatingsplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechtspersoon of natuurlijke persoon die recht heeft op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, veranderd of weggehaald. 2.Lid 1 geldt niet als over het onderwerp iets staat geschreven in de Waterstaatswet 1900 of de Onteigeningswet. Artikel 2.10 Uitvoeringsregels openbare ruimte Voor activiteiten die invloed hebben op de openbare ruimte, zoals het lozen van water, de inrichting van wegen en de inrichting van openbaar groen, dient het Handboek inrichting openbare ruimte (HIOR), of diens opvolger, te worden gevolgd. Artikel 2.11 Verbod oplaten van ballonnen Het is verboden ballonnen op te laten. Onder ballonnen wordt verstaan alle soorten ballonnen, wenslantaarns en soortgelijke voorwerpen die zonder sturing wegdrijven. Artikel 2.12 Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval in de openbare ruimte 1.Een ieder heeft de zorgplicht om zwerfafval te voorkomen. 2.Bij het achterlaten van afval in de openbare ruimte wordt gebruik gemaakt van de daarvoor bestemde afvalbakken of andere daarvoor bestemde inzamelvoorzieningen. 3.Reclamedrukwerk, promotiemateriaal, gratis producten en de verpakkingen daarvan, die ondanks het verbod in het eerste lid in de openbare ruimte is achtergelaten, worden onmiddellijk opgeruimd door degene die het onder het publiek verspreidde. 4.Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door afval of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden. Artikel 2.13 Zorgplicht voorkomen en verwijderen zwerfafval rondom verkooppunten 1.De verkoper van eet- of drinkwaren die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor afvalbakken of andere inzamelmiddelen voor het afval. 2.De inzamelmiddelen zijn beschikbaar voor klanten en worden tijdig geleegd. 3.De verkoper verwijdert binnen een straal van ten minste 25 meter het zwerfafval dat afkomstig is van het verkooppunt. 4.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel 2.14 Verbod plaatsen van autowrakken en onderdelen in de openbare ruimte (vervallen) Hoofdstuk 3 Proces Artikel 3.1 Indienen aanvraag vergunning, ontheffing, melding of kennisgeving 1.Een aanvraag voor een vergunning, een melding of een verzoek om ontheffing en de daarbij behorende gegevens en stukken worden ingediend bij het bevoegd gezag via het daarvoor bestemde digitale formulier dat beschikbaar is via de landelijke voorziening; Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Als deze weg niet is opengesteld dient het formulier op de website van Hollands Kroon te worden gebruikt. 2.Een aanvraag omgevingsvergunning of ontheffing op grond van deze verordening wordt gezien als een omgevingsvergunning zoals opgenomen in afdeling 5.1 van de Omgevingswet. 3.Een melding dient uiterlijk 4 weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager wil starten met de activiteit te zijn ingediend. 4.Vervallen 5.Vervallen 6.Vervallen 7.De melding voor een grafkelder, gedenkteken en/of grafbedekking moet voldoen aan het Uitvoeringsbesluit gemeentelijke begraafplaatsen. 8.Vervallen 9.Vervallen 10.Vervallen Artikel 3.2 Bevoegd gezag Voor deze verordening is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag, tenzij in een artikel of wetgeving staat dat een ander bestuursorgaan het bevoegd gezag is. Artikel 3.3 Werking en geldingsduur vergunningen 1.Een vergunning op basis van deze verordening is zaaksgebonden, behalve als het in deze verordening anders is bepaald. 2.Een vergunning op basis van deze verordening geldt voor onbepaalde tijd, behalve als dit in de vergunning of ontheffing anders bepaald is of als de gevraagde vergunning of ontheffing dit niet toelaat. 3.Als het aantal vergunningen of ontheffingen dat verleend kan worden beperkt is, maar er worden meer vergunningen of ontheffingen gevraagd dan kunnen worden verleend, dan geldt een maximale vergunningsduur van 5 jaar. Artikel 3.4 Beslissen 1.Voor een aanvraag omgevingsvergunning of ontheffing op grond van deze verordening gelden de beslistermijnen zoals opgenomen in paragraaf 16.5.2 van de Omgevingswet. 2.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing, niet zijnde een omgevingsvergunning, binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan voor ten hoogste acht weken worden verdaagd. 3.Aan een vergunning of ontheffing kunnen nadere voorschriften en beperkingen worden verbonden. Artikel 3.5 Intrekken of wijzigen 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a.de vergunning of ontheffing is gegeven vanuit onjuiste of onvolledige ingeleverde gegevens; b.veranderde omstandigheden, feiten of inzichten met betrekking tot de activiteit waarvoor de vergunning of ontheffing is verleend, zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten; c.als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn of bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn. e.als de houder dit verzoekt; f.het gebruik van de vergunning of ontheffing gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon- en leefklimaat; 2.Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing in ieder geval intrekken in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld wordt in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 3.In aanvulling op het eerste lid kan het bevoegd gezag een verleende omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen geheel of gedeeltelijk intrekken: a.als binnen 26 weken en/of de in de vergunning bepaalde periode, de bouwactiviteiten niet zijn gestart; b.als er sprake is van wijziging in wet-, regelgeving of beleid en 26 weken na het onherroepelijk zijn van de verleende vergunning er van de vergunning nog geen gebruik is gemaakt; c.als er geen sprake is van wijziging in wet-, regelgeving of beleid en twee jaar na het onherroepelijk zijn van de verleende vergunning er van de vergunning nog geen gebruik is gemaakt; d.als de bouwactiviteiten, langer dan 26 weken en/of de in de vergunning bepaalde periode, hebben stilgelegen. 4.Voor het intrekken van een omgevingsvergunning geldt de volgende procedure: a.Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de reguliere voorbereidingsprocedure: •Belanghebbenden krijgen, voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, de gelegenheid om hierover binnen een periode van twee weken hun zienswijzen hierover te geven zoals opgenomen in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht. •De gemeente neemt binnen 8 weken na de ontvangst van de zienswijzen een besluit over het intrekken van de omgevingsvergunning volgens deze regels. •Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan vergunninghouder en eventuele derde-belanghebbenden en wordt het op dezelfde manier gepubliceerd als normaal is voor de verlening van gelijkwaardige vergunningen. b.Als de omgevingsvergunning tot stand is gekomen met de uitgebreide voorbereidingsprocedure: •Voordat een omgevingsvergunning wordt ingetrokken, wordt het ontwerp van het te nemen besluit zes weken ter inzage gelegd. Hiervoor wordt een kennisgeving van het ontwerpbesluit gepubliceerd op dezelfde manier als normaal is voor ontwerpbesluiten over verlening van gelijkwaardige vergunningen. •Belanghebbenden kunnen zowel schriftelijk als mondeling hun zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen. •Als er geen zienswijzen zijn ontvangen dan neemt de gemeente binnen vier weken nadat de periode voor het insturen van zienswijzen is afgelopen, het besluit. •Als er wel zienswijzen zijn ingestuurd dan neemt de gemeente het besluit uiterlijk 12 weken na de terinzagelegging zoals opgenomen in artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht. •Het besluit om de omgevingsvergunning in te trekken wordt bekendgemaakt aan de vergunninghouder, eventueel derde-belanghebbenden, en wordt gepubliceerd op dezelfde manier als normaal is voor de verlening van gelijkwaardige vergunningen. c.De vergunninghouder krijgt niet de gelegenheid zijn zienswijzen op het voornemen tot stopzetten van de vergunning in te sturen als er zich een situatie voordoet zoals opgenomen in artikel 4:11 van de Algemene wet bestuursrecht. 5.In de volgende situaties is sprake van een concreet geval waarvoor een ruimere periode kan worden toegewezen dan gesteld in het derde lid: a.De vergunninghouder kan met concrete documenten (geaccepteerde offerte van een bouwondernemer, facturen van bestelde bouwmaterialen en/of hiermee gelijk te stellen documenten) zijn plan tot het starten met het bouwen, aantonen. b.De vergunninghouder kan persoonlijke omstandigheden opvoeren. Bijvoorbeeld een sterfgeval of ziekte in de familie, die aantoonbaar tot uitstel van het bouwen hebben geleid. Een ruimere periode wordt alleen toegewezen als de persoonlijke omstandigheid zich niet meer dan 26 weken voor de start van de intrekkingsprocedure heeft voorgedaan, of deze op dat moment nog voortduurt. 6.Als binnen de ruimere periode, geen begin is gemaakt met het bouwen dan wordt de betreffende omgevingsvergunning, zonder dat het van tevoren is aangekondigd, ingetrokken. Artikel 3.6 Algemene weigeringsgronden 1.Burgemeester en wethouders weigeren een vergunning of ontheffing in ieder geval: a.Indien de te vergunnen activiteit in strijd zou zijn met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regeling; b.als de activiteit niet mag volgens het omgevingsplan of daarop verleende ontheffing; c.in het geval en onder de voorwaarden, zoals bedoeld is in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. 2.Het bevoegd gezag kan een vergunning of ontheffing in ieder geval weigeren als: a.dat naar zijn oordeel nodig is voor een veilige, gezonde fysieke leefomgeving en/of de openbare orde en veiligheid, de bescherming van het milieu of de doelen van de Omgevingswet; b.dat naar zijn oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving voor het waarmaken van maatschappelijke behoeften; c.niet wordt voldaan aan de bij of volgens deze verordening bepaalde eisen om voor de vergunning of ontheffing in aanmerking te komen. d.De aanvraag te kort voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk 4 Erfgoed Artikel 4.1 Begrippen a.Aardkundige waarden: die onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van een gebied. b.Archeologisch monument: een terrein dat hoort bij cultureel erfgoed omdat daar overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, liggen. c.Archeologisch onderzoek: werkzaamheden over het bodemarchief die voor de archeologische monumentenzorg door daartoe goedgekeurde instanties, worden uitgevoerd. d.Archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate, archeologische vondsten of sporen te verwachten zijn. e.Gemeentelijke adviescommissie: een commissie die adviseert over erfgoed. Deze commissie is ingesteld overeenkomstig afdeling 17.2 van de Omgevingswet. f.Gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven. g.Gemeentelijk erfgoedregister: het register waarin het gemeentelijke erfgoed staat. In ieder geval zijn de gemeentelijke monumenten hierin opgenomen. h.Molenbiotoop: de vrije ruimtes rond de molens die zijn opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. i.Gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen: 1. Onroerende of roerende zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde, 2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak bedoeld onder 1; j.Provinciaal beschermd dorps- stadsgezicht: groepen van onroerende zaken, van algemeen belang vanwege hun schoonheid, onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang, wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten bevinden. Een provinciaal beschermd dorps- en/of stadsgezicht is aangewezen in de Provinciale Omgevingsverordening. k.Provinciale cultuurhistorische waardenkaart: topografische kaart van het provinciale grondgebied of delen van het grondgebied, waarop archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn aangegeven. l.Plan van aanpak archeologisch onderzoek: plan waarin staat hoe een archeologische uitvoerder de vragen die in het programma van eisen staan, beantwoord. m.Programma van eisen archeologische onderzoek: programma dat door het bevoegd gezag wordt vastgesteld en waarmee grenzen worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek. Het programma dient te voldoen aan de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. n.Rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten; monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; o.Selectiebesluit: nadat er onderzoek is gedaan naar de aanwezige archeologie en advies is gegeven over de waarde ervan, neemt het bevoegd gezag een besluit over hoe er met een vindplaats moet worden omgegaan. Paragraaf 1 Erfgoedregister Artikel 4.2 Doel aanwijzen gemeentelijk cultureel erfgoed 1.Het doel van de regels in deze paragraaf is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat onvervangbaar is. Onroerend cultureel erfgoed is van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid. Door de aanwijzing als gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, krijgt het erfgoed waar het over gaat, een beschermde status. 2.Deze paragraaf gaat uit van artikel 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet. Artikel 4.3 Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het bevoegd gezag houdt een gemeentelijk erfgoedregister bij van aangewezen gemeentelijke monumenten. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a.gegevens over de inschrijving van aangewezen gemeentelijke monumenten, archeologische monumenten en beschermde stads- of dorpsgezichten; b.de locatie en kadastrale gegevens van het gemeentelijk monument, de datum van de aanwijzing en een beschrijving van het gemeentelijk monument. c.afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister zoals staat vermeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet; deze zijn door het bevoegd gezag ontvangen van de minister. d.de redengevende beschrijvingen voor de monumenten waaruit blijkt welke onderdelen van het monument leiden tot een monumentale status. 3.Het bevoegd gezag kan wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.4 (Voornemen tot) Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het bevoegd gezag kan een monument of archeologisch monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2.Het bevoegd gezag stuurt het voornemen tot aanwijzing, voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie. 3.Het bevoegd gezag maakt de voorgenomen aanwijzing schriftelijk bekend aan alle mensen die een zakelijk recht hebben op de onroerende zaak. Dit wordt geregeld in artikel 8 van de Kadasterwet. 4.De aanwijzing bevat: •in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument; •de datum van aanwijzing; •de kadastrale aanduiding en •een redengevende beschrijving van het gemeentelijke monument. 5.Het bevoegd gezag kan pas over de aanwijzing besluiten na instemming van de eigenaar. Indien deze niet positief bericht over de aanwijzing, dan wordt de procedure beëindigd. 6.Dit artikel is niet van toepassing op: a.rijksmonumenten en rijks archeologische monumenten b.provinciale monumenten en provinciale archeologische monumenten. Artikel 4.5 Voorbescherming 1.Vanaf de datum waarop de eigenaar van een monument de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 4.6 plaatsvindt, of vaststaat dat het monument niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 2.5, 4.7 tot en met 4.10 en hoofdstuk 3 ook van toepassing. 2.De voorbescherming vervalt als de aanwijzing is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister. De voorbescherming vervalt ook als het aanwijzingsbesluit wordt ingetrokken of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 4.6 Bekendmaking aanwijzingsbesluit en inschrijving erfgoedregister 1.Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing bekend aan alle mensen die een zakelijk recht hebben op de onroerende zaak. Deze mensen staan vermeld in de openbare registers. 2.Als de aanwijzing vaststaat, wordt deze opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.7 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het bevoegd gezag kan de aanwijzing van een gemeentelijk monument wijzigen. 2.Het bevoegd gezag vraagt advies aan een gemeentelijke adviescommissie over het plan tot het aanwijzen, het wijzigen en het intrekken van een gemeentelijk monument. 3.De aanwijzing kan worden ingetrokken als het monument waar over de aanwijzing gaat, niet meer bestaat. 4.Artikel 4.4 geldt ook voor het wijzigingsbesluit, tenzij de wijziging volgens het bevoegd gezag van ondergeschikte betekenis is. 5.Het wijzigen en intrekken van de aanwijzing wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister. 6.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument waar over de aanwijzing gaat, wordt aangewezen als rijks-of provinciaal monument. Het vervallen wordt verwerkt in het gemeentelijk erfgoedregister als de gemeente hiervan de afschriften heeft ontvangen. Paragraaf 2 Vergunningplicht Artikel 4.8 Advies omgevingsvergunning bouwen, strijdig gebruik en aanleggen gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument Het bevoegd gezag vraagt advies op bij de gemeentelijke adviescommissie over een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument, zoals bepaald in artikel 2 van de verordening op de gemeentelijke Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Hollands Kroon, 2022. Artikel 4.9 Wijzigen of slopen gemeentelijk monument 1.Als er door het bevoegd gezag geen omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is afgegeven of er is wel een omgevingsvergunning afgegeven maar daar wordt van afgeweken, dan is het verboden om dit gemeentelijk monument: a.te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen; b.te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. 2.Lid 1 is niet van toepassing op: a.de uitvoering van normaal onderhoud waarbij bijzonderheden, beschrijving, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen; b.veranderingen in het pand wat een onderdeel is van het monument dat, vanuit het oogpunt van monumentenzorg, zonder betekenis is. 3.In het belang van de monumentenzorg kunnen nadere regels worden gesteld voor de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. 4.Het bevoegd gezag kan bepalen dat de aanvrager van de omgevingsvergunning meer onderzoek moet doen, zoals een bouwhistorisch of archeologisch onderzoek. 5.De omgevingsvergunning kan alleen worden afgegeven als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Artikel 4.10 Beschermde structuren (Provinciaal beschermd Dorpsgezicht) 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een bouwwerk te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen in de beschermde structuur van provinciaal beschermd dorpsgezicht. 2.De omgevingsvergunning wordt geweigerd als, volgens het bevoegd gezag, de kans niet groot is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of gaat worden gebouwd. Artikel 4.11 Splitsen karakteristieke gebouwen 1.Dit artikel is opgenomen met het oog op het behouden van karakteristieke panden. 2.Voor het splitsen van een karakteristiek pand, monument of een stolpboerderij in meerdere woningen is een omgevingsvergunning nodig. 3.Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan een vergunning worden geweigerd als uit het erfinrichtingsplan blijkt dat de toekomstige situatie stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is, de locatie van de parkeerplaatsen niet helder is en het aanzicht van het pand en het erf onevenredig worden aangetast. Paragraaf 3 Archeologie Artikel 4.12 Archeologisch onderzoek. 1.Het bevoegd gezag neemt het selectiebesluit. 2.Het bevoegd gezag kan nadere eisen bepalen voor archeologisch onderzoek. 3.Voordat het archeologisch onderzoek begint moet de verstoorder ter goedkeuring een plan van aanpak inleveren bij het bevoegd gezag. 4.Als het archeologisch veldonderzoek wordt uitgevoerd voor het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 van de Erfgoedwet, stelt het bevoegd gezag een programma van eisen vast. Artikel 4.13 Aardkundige waarden 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag in een gebied met aardkundige waarden zoals opgenomen in werkingsgebied aardkundige waarden, activiteiten uit te voeren die de waarden beschadigen. De volgende activiteiten vallen hier in ieder geval onder: a.betreden met voertuigen met hoge wiellasten (>40kN) en hoge bandspanningen (200kPA (2 bar)) die ondergrondverdichting veroorzaken; b.installeren van bodemenergiesystemen; c.ontgronden, egaliseren en afgraven; d.ondergrondse infrastructuur; e.permanente peilverlagingen; f.storten op of in de bodem of het bedrijven van een stortplaats; g.natuurbouwprojecten ten behoeve van de instandhouding van aardkundige waarden. 2.Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van het verbod, als naar hun oordeel, de aardkundige waarden door de bedoelde handeling minimaal wordt aangetast, of als er sprake is van belangrijke maatschappelijke belangen. 3.Onder een belangrijk maatschappelijk belang, wordt in ieder geval verstaan een aangelegenheid van nationale veiligheid of nationale en regionale infrastructuur. Uit onderzoek moet gebleken zijn dat er geen andere mogelijke locaties of tracés buiten het gebeid met aardkundige waarden aanwezig zijn. Voor het gebied geldt ook dat, als aantasting niet te vermijden is, deze zo klein mogelijk is. Artikel 4.14 Vrijstelling aardkundige waarden De volgende activiteiten vallen niet onder het verbod zoals opgenomen in artikel 4.12, eerste lid: a.bebouwing en activiteiten binnen een bouwvlak wat is toegestaan volgens het onherroepelijk (tijdelijk) omgevingsplan; b.particuliere tuinaanleg op een bebouwd perceel; c.onderhoud en revisie aan bestaande boven- en ondergrondse nutsvoorzieningen; d.agrarische activiteiten op agrarische stukken grond, met uitzondering van het draineren of vlak maken van het terrein; e.installeren, repareren, controleren en onderhoud van winmiddelen binnen het gebied met aardkundige waarden voor de openbare drinkwatervoorziening en noodvoorzieningen; f.wettelijk verplicht bodemonderzoek en -sanering. Paragraaf 4 Bijzonder erfgoed Artikel 4.15 Molenbiotoop 1.Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen de molenbiotoop buiten de bebouwde kom geldt: a.Binnen 100 meter rond de molen mag geen bebouwing hoger dan het onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht. Beplanting mag niet hoger worden dan 1/100 van de afstand tussen beplanting en molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek. b.Binnen 100 tot 400 meter rond de molen mag geen bebouwing hoger dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek worden opgericht. Beplanting mag niet hoger worden dan 1/100 van de afstand tussen beplanting en molen, gerekend van de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2.In afwijking van het bepaalde in het omgevingsplan kan met omgevingsvergunning in of op deze gronden slechts gebouwd worden als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de molen als werktuig en beeldbepalend element. Artikel 4.16 Bijzonder erfgoed in erfgoedregister Bijzonder erfgoed is opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. De artikelen 4.3 tot en met 4.7 zijn van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk 5 Begraven Artikel 5.1 Begrippen a.Asbus: een bus waarin de as van een overledene bewaard wordt. b.Begraven: het begraven van stoffelijke overschotten in grafruimten. c.Gedenkteken: een voorwerp op het graf voor het aanbrengen van teksten of voorwerpen. Hieronder vallen ook kettingen en hekwerken. d.Graf: een plaats in de grond of in een kelder waar een lichaam of de restanten daarvan, na het overlijden wordt neergelegd. e.Grafbedekking: gedenkteken, monument, grafbeplanting of andere bedekking op een graf, een urnen-nis of in de urnentuin. f.Grafkelder: een betonnen of gemetselde vorm waarin één of meerdere stoffelijke overschotten worden begraven of as-bussen worden bijgezet. Grafkelders kunnen onderdeel zijn van een muur of wand die boven de grond staat. g.Stoffelijk overschot: een lijk zoals wordt beschreven in artikel 2, eerste lid sub a, van de Wet op de lijkbezorging. Artikel 5.2 Doel De gemeentelijke begraafplaatsen zijn bedoeld voor: a.het begraven en begraven houden van stoffelijke overschotten; b.het begraven en begraven houden, bijzetten en bijgezet houden van as-bussen; c.het verstrooien van as van personen. Artikel 5.3 Openstelling begraafplaatsen 1.De begraafplaatsen zijn dagelijks te bezoeken vanaf het moment dat de zon opkomt tot het moment dat de zon weer ondergaat. Als op een begraafplaats andere bezoektijden gelden dan staat dat bij de begraafplaats vermeld. 2.Om de orde en rust op de begraafplaats(en) te bewaren kan het bevoegd gezag de toegangen tijdelijk sluiten. 3.Als de begraafplaats(en) niet voor het publiek geopend is (zijn), mogen mensen daar niet zijn. Dit mag wel als mensen daar zijn voor het bijwonen van een begrafenis of de bezorging van as. Artikel 5.4 Onderhoud Het bevoegd gezag kan in een uitvoeringsbesluit meer regels stellen voor zaken die nodig zijn voor het verzorgen en het onderhoud van de begraafplaatsen. Artikel 5.5 Uitvoering grafkelders, gedenktekens en grafbedekking 1.Een grafkelder, gedenkteken en/of grafbedekking op de begraafplaats mag alleen worden uitgevoerd volgens de voorwaarden in het Uitvoeringsbesluit gemeentelijke begraafplaatsen. Hiervoor dient een melding te worden ingediend. 2.De melding moet voldoen aan de regels zoals opgenomen in artikel 3.1.1 en 3.1.7. 3.Anders dan in lid 1 staat omschreven, zijn ondergrondse grafkelders niet mogelijk op de begraafplaats in Middenmeer en de begraafplaatsen op het eiland Wieringen. Hoofdstuk 6 Welstand – GERESERVEERD Hoofdstuk 7 Openbare ruimte Artikel 7.1 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b.Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994: -20 november 2025 (deelgebied Wieringermeer); -20 november 2025 (deelgebied Niedorp); -20 november 2025 (deelgebied Wieringen); -20 november 2025 (deelgebied Anna Paulowna). c.Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; d.Vervallen e.Vervallen f.Houder van een inrichting: de persoon die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of op een andere manier een inrichting drijft. g.Inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4.3 tot en met 4.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; h.Vervallen i.Vervallen j.Vervallen k.Openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties; l.Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; m.Parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. n.Vervallen o.Vervallen p.Vervallen q.Vervallen r.Vervallen s.Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Paragraaf 1 Buitenruimte Artikel 7.1a Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp, modder op de weg De eigenaar van een perceel of voorwerp is ervoor verantwoordelijk dat beplanting en voorwerpen het vrije uitzicht voor het wegverkeer of algemeen gebruik van de openbare ruimte niet belemmert of op een andere manier hinder of gevaar opleveren. Artikel 7.2 Het plaatsen van voorwerpen op openbare plaatsen of gebruik in strijd met de publieke functie daarvan (vervallen) Artikel 7.3 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Voor het aanleggen van een weg, het opbreken daarvan, het graven of spitten daarin, aard of breed van de wegverharding te veranderen, te verharden of veranderingen aan te brengen in de wijze van aanleg van de weg is een omgevingsvergunning nodig. 2.De omgevingsvergunning is niet nodig indien de werkzaamheden zijn opgedragen door een bestuursorgaan of openbaar lichaam. 3.De omgevingsvergunning is niet nodig als er voor in het daarin genoemde onderwerp al iets is geregeld in het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening Noord-Holland, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde verordeningen. Artikel 7.4 Maken, veranderen van een uitweg 1.Voor het maken van een uitweg naar de weg of een verandering in een bestaande uitweg is een omgevingsvergunning nodig. 2.De omgevingsvergunning wordt verleend als: a.daardoor het verkeer op de weg niet in gevaar wordt gebracht; b.het doelmatig gebruik en bruikbaarheid van de weg niet worden aangetast; c.hierdoor niet onnodig een openbare parkeerplaats in gebruik wordt genomen; d.het openbaar groen daardoor niet op een manier wordt aangetast die niet goed is; e.een perceel niet al door een andere uitweg wordt ontsloten en door de aanleg van een tweede uitweg, een openbare parkeerplaats of openbaar groen wordt verwijderd. 3.Een omgevingsvergunning is niet nodig als over het daarin genoemde onderwerp al iets is geregeld in de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapsverordening of de Wegenverordening Noord-Holland. Artikel 7.5 Parkeren (Vervallen) Artikel 7.6 Voertuigwrakken (Vervallen) Artikel 7.7 Kampeermiddelen e.a. (Vervallen) Artikel 7.8 Parkeren van grote voertuigen (Vervallen) Artikel 7.9 Laden en lossen (Vervallen) Paragraaf 2 Bruikbaarheid en aanzien van de weg of openbare plaats Artikel 7.10 Overnachten in een kampeermiddel (Vervallen) Artikel 7.11 Handelsreclame (Vervallen) Artikel 7.12 Standplaatsvergunning (Vervallen) Artikel 7.13 Crossterreinen 1.Het is verboden op een terrein dat geen weg, is met een motorvoertuig of een bromfiets: a.een wedstrijd te houden of een wedstrijd voor te bereiden; b.een trainings- of proefrit te houden, te organiseren of daaraan deel te nemen. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet als hiervoor al iets is geregeld in het Omgevingsplan, het Besluit activiteiten leefomgeving of het Besluit geluidproductie sportmotoren. Artikel 7.14 Evenementen (Vervallen) Artikel 7.15 Melding betogingen op openbare plaatsen (Vervallen) Artikel 7.16 Maatregel collectieve festiviteiten 1.Het bevoegd gezag kan collectieve festiviteiten aanwijzen zoals opgenomen in artikel 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat. 2.Het bevoegd gezag maakt de aanwijzing van de collectieve festiviteiten ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 3.Het bevoegd gezag kan, als een collectieve festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als collectieve festiviteit zoals staat in het eerste lid. 4.Op de dagen zoals aangewezen in het eerste lid zijn de geluidwaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing. 5.De verlichtingsnormen ten behoeve van sportbeoefening op sportterreinen, als bedoeld in artikel 22.239 van de Bruidsschat, gelden niet bij collectieve festiviteiten. Artikel 7.17 Organiseren incidentele festiviteiten 1.Een openbare inrichting mag maximaal 6 incidentele festiviteiten per kalenderjaar organiseren. De normen zoals die staan in de artikelen 22.73 en 22.239 van de Bruidsschat zijn van toepassing. 2.De organisator van een incidentele festiviteit dient een ontheffing aan te vragen. 3.De aanvraag voor de ontheffing moet voldoen aan de regels in artikel 3.1.4. 4.Het bevoegd gezag kan, als een incidentele festiviteit onverwacht wordt georganiseerd, een festiviteit meteen aanwijzen als gezamenlijke festiviteit zoals opgenomen in het eerste lid. 5.Op de dagen zoals opgenomen in het eerste lid zijn de geluidwaarden als bedoeld in paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving niet van toepassing. 6.Bij het laten horen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 7.Naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6 kan de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verbieden wanneer het maximum aantal toegestane incidentele festiviteiten wordt overschreden. Artikel 7.18 Natuurlijke behoefte doen (Vervallen) Paragraaf 3 Afvalwater Artikel 7.19 Doel van de regels in deze paragraaf Het doel van de regels in deze afdeling is het behouden en beschermen van de gemeentelijke voorzieningen voor de inzameling en het transport van stedelijk afvalwater en daarmee het beschermen van bodem en water. Dit draagt bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving voor mens, dier en plant. Artikel 7.20 Algemene verplichting De aansluiting op het gemeentelijk riool moet voldoen aan de door het college vastgestelde Technische Aansluitvoorwaarden Riolering – Gemeente Hollands Kroon. Artikel 7.21 Aanleggen rioolaansluiting 1.de perceeleigenaar of gebruiker van het perceel is verantwoordelijk voor het tijdig en correct inschakelen van een door het college erkende aannemer voor de aansluiting op het gemeentelijk riool volgens de technische voorwaarden van de gemeente. De gemeente bemiddelt niet in de keuze van de aannemer. De aannemer legt de rioolaansluiting aan tot maximaal een halve meter voorbij de perceelgrens in het particuliere terrein. 2.als in de rioolaansluiting een gemeentelijke rioolwaterpomp op het particuliere eigendom is vereist dan wordt de plaats van het eindpunt van die rioolaansluiting in afwijking van het eerste lid bepaald door de locatie van deze rioolwaterpomp op het perceel. Die locatie wordt in overleg met de eigenaar of een andere rechthebbende bepaald. 3.de rioolaansluiting wordt beëindigd met een ontstoppingsstuk. Doorgaans wordt als ontstoppingsstuk een kunststof controleput toegepast. 4.in afwijking van het eerste lid kan de gemeente in specifieke situaties besluiten de rioolaansluiting verder dan een halve meter voorbij de erfgrens te beëindigen Artikel 7.22 Eigendom rioolaansluiting 1.de grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom van een rioolaansluiting ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluiting. Het ontstoppingsstuk zelf valt onder het particuliere eigendom. 2.bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting ligt de grens in die rioolaansluiting bij de erfgrens. 3.is zich voor de afvoer van stedelijk afvalwater een gemeentelijke rioolwaterpomp op het particuliere eigendom bevindt en zich geen ontstoppingsstuk in de rioolaansluiting bevindt ligt de grens, in afwijking van het eerste en tweede lid, ter plaatse van de verbinding tussen die rioolaansluiting en de rioolwaterpomp. Artikel 7.23 Kosten rioolaansluitingen 1.alle kosten die samenhangen met het realiseren van een aansluiting op het gemeentelijk riool zijn volledig voor rekening van de perceeleigenaar of aanvrager. 2.de gemeente brengt geen extra leges in rekening voor de technische beoordeling of toezicht op de aansluiting, tenzij dit afzonderlijk in de gemeentelijke legesverordening is vastgelegd. 3.de perceeleigenaar dient de werkzaamheden tijdig te coördineren en is verantwoordelijk voor de volledige financiering van de aansluiting inclusief herstelkosten van de buitenruimte. Artikel 7.24 Verwijderen septic tanks De eigenaar of andere rechthebbende op het perceel dat wordt aangesloten op de gemeentelijke riolering verwijdert op eigen kosten de aanwezige septic tank of zorgt dat deze septic tank wordt kortgesloten. Paragraaf 4 Hemel- en grondwater Artikel 7.25 Plicht tot afkoppelen 1.Bij het oprichten van een nieuw hoofdgebouw op een perceel geldt dat: a.hemelwater in beginsel op eigen terrein wordt opgevangen en vertraagd wordt afgevoerd; b.grondwater in beginsel op eigen terrein wordt verwerkt; c.indien afhandeling volgens lid 1a en/of lid 1b in redelijkheid niet mogelijk is en het betreffende perceel aan het oppervlaktewater grenst, het hemel- en/of grondwater hierop moet worden geloosd; d.in afwijking van lid 1c het hemel- en/of grondwater gescheiden van het overige afvalwater moet worden aangeleverd aan de perceelgrens, als het in redelijkheid niet op eigen terrein kan worden verwerkt en niet op het oppervlaktewater mag worden geloosd. 2.Bij het veranderen van een bestaand hoofdgebouw op een perceel geldt dat het college een gebied kan aanwijzen waarbinnen het verboden is een hemelwaterafvoerleiding aan te sluiten of aangesloten te houden op het openbaar vuilwaterriool. Eenzelfde gebiedsaanwijzing kan door het college worden gedaan ten aanzien van het vrijkomende grondwater bij drainage, oppompen of andere vormen van onttrekkingen. 3.Indien het college een gebied als bedoeld in het tweede lid aanwijst geldt dat: a.het college de wijze waarop het afkoppelen plaatsvindt kan bepalen; b.het college bij het vaststellen van de gebiedsaanwijzing rekening houdt met het programma stedelijk water en riolering; c.de gebiedsaanwijzing treedt met ingang van de 12e week na de dag waarop zij bekend is gemaakt; d.het college ontheffing kan verlenen van de verplichting tot afkoppelen die voortvloeit uit de gebiedswijziging, indien van de eigenaar van het bouwwerk, open erf of terrein redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd; e.op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is. 4.Op riolering onder druk mag geen hemelwater en/of grondwater worden aangesloten. Riolering onder druk kan daarmee worden beschouwd als een aangewezen gebied als bedoeld in het tweede lid. Hoofdstuk 8 Openbare orde en veiligheid Paragraaf 1 Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 8.1 Samenscholing en ongeregeldheden (Vervallen) Artikel 8.2 Verbod tot verblijf in een gebied (Vervallen) Paragraaf 2 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 8.3 Exploitatie openbare inrichting (Vervallen) Artikel 8.4 Sluitingstijden (Vervallen) Artikel 8.5 Het college als bevoegd bestuursorgaan (Vervallen) Paragraaf 3 Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Alcoholwet Artikel 8.6 Para-commerciële rechtspersonen (Vervallen) Paragraaf 4 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 8.7 Speelgelegenheden (Vervallen) Artikel 8.8 Kansspelautomaten (Vervallen) Paragraaf 5 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 8.9 Betreden gesloten woning of lokaal (Vervallen) Artikel 8.10 Vervoer inbrekerswerktuigen (Vervallen) Artikel 8.11 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen en voor het publiek toegankelijke ruimtes (Vervallen) Artikel 8.12 Verplichte route (Vervallen) Artikel 8.13 Verboden drankgebruik (Vervallen) Artikel 8.14 Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties (Vervallen) Paragraaf 6 Honden Artikel 8.15 Loslopende honden (Vervallen) Artikel 8.16 Verontreiniging door honden (Vervallen) Artikel 8.17 Gevaarlijke honden (Vervallen) Paragraaf 7 Vuurwerk en carbid Artikel 8.18 Verkoop consumentenvuurwerk (Vervallen) Artikel 8.19 Carbid, acetyleengas afkomstig van carbid en gasmengsels of stoffen met vergelijkbare eigenschappen (Vervallen) Paragraaf 8 Drugsoverlast Artikel 8.20 Drugshandel op straat (Vervallen) Artikel 8.21 Drugsgebruik in het openbaar (Vervallen) Artikel 8.22 Bestuurlijke ophouding (Vervallen) Artikel 8.23 Veiligheidsrisicogebieden (Vervallen) Artikel 8.24 Cameratoezicht op openbare plaatsen (Vervallen) Artikel 8.25 Woonoverlast zoals wordt bedoeld in artikel 151d Gemeentewet (Vervallen) Paragraaf 9 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Artikel 8.26 Geluidhinder (Vervallen) Artikel 8.26a Klokgelui 1.In dit artikel wordt verstaan onder: a.kerkklok: een klok die door middel van een mechanisch of elektrisch slag- of luidmechanisme geluid voortbrengt en is geplaatst in of bij een kerk; b.tijdsaanduidend klokgelui: het luiden of slaan van een kerkklok uitsluitend ten behoeve van tijdsaanduiding, waaronder begrepen uur-, halfuur- en kwartierslag; c.religieus klokgelui: klokgelui ter gelegenheid van godsdienstige en levensbeschouwelijke plechtigheden en lijkplechtigheden, alsmede oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging; d.carillonspel: het bespelen van een carillon of het melodisch luiden van klokken; e.dagperiode: 07.00 uur tot 19.00 uur; f.avondperiode: 19.00 uur tot 23.00 uur; g.nachtperiode: 23.00 uur tot 07.00 uur; h.late-avondperiode: 21.00 uur tot 23.00 uur. 2.Tijdsaanduidend klokgelui is toegestaan, mits wordt voldaan aan de in lid 7 opgenomen grenswaarden. In de late-avondperiode is tijdsaanduidend klokgelui uitsluitend toegestaan als uurslag; kwartier- en halfuurslag zijn in de late-avondperiode verboden. 3.Religieus klokgelui is toegestaan buiten de nachtperiode. In afwijking hiervan is religieus klokgelui in de nachtperiode uitsluitend toegestaan bij aanvang en beëindiging van een religieuze plechtigheid die in de kerk plaatsvindt, mits wordt voldaan aan de in lid 7 opgenomen grenswaarden en met dien verstande dat het totale klokgelui per plechtigheid niet langer duurt dan 15 minuten aan het begin en 15 minuten aan het eind en uiterlijk eindigt om 00.30 uur. 4.Carillonspel is verboden in de late-avondperiode en de nachtperiode. 5.Voor zover dit artikel betrekking heeft op religieus klokgelui, bevat het regels als bedoeld in artikel 10 Wet openbare manifestaties. 6.Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede, derde of vierde lid voor een bijzondere gelegenheid. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Bij de beslissing op een aanvraag om ontheffing betrekt het college in ieder geval het belang van de nachtrust van omwonenden, de aard en duur van het klokgelui en de mogelijkheid om hinder door technische of organisatorische maatregelen te beperken. 7.Grenswaarden (aansluitend bij artikel 22.63 Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon): Tijdvak LAr, LT op een geluidgevoelig gebouw LAmax op een geluidgevoelig gebouw 07.00–19.00 uur 50 dB(A) 70 dB(A) 19.00–23.00 uur 45 dB(A) 65 dB(A) 23.00–07.00 uur 40 dB(A) 60 dB(A) 8.Bij het bepalen van de geluidsniveaus, bedoeld in lid 7, wordt geen bedrijfsduurcorrectie toegepast. Artikel 8.27 Bescherming van Flora en Fauna 1.De eigenaar of gebruiker van gronden is verplicht de volgende plantensoorten te verwijderen. a.Reuzenbereklauw (Heracleum mantegazzianum), voordat de plant tot bloei komt; b.Japanse duizendknoop (Fallopia japonica); c.Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea), voordat de plant tot bloei komt; d.Akkerdistel (Cirsium-soorten), akkermelkdistel (Sonchus-soorten), mariadistel (Silybum-soorten), wegdistel (Onopordum-soorten) en ridderzuring (Rumex obtusifolius), voordat deze tot knopvorming komen. Paragraaf 9a Het bewaren van houtopstanden Artikel 8.27a Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: a.houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; b.hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. c.Iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); d.iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) 2.In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. 3.Onder bomenlijst wordt verstaan de lijst met beschermwaardige houtopstanden in de gemeente Hollands Kroon, vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Artikel 8.27b Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen volgens de criteria zoals vermeld op de bomenlijst. 2.De vergunning kan worden geweigerd op grond van: a.de natuurwaarde van de houtopstand; b.de landschappelijke waarde van de houtopstand; c.de waarde van de houtopstand voor dorpsschoon; d.de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e.de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; f.de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 3.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Artikel 8.27c bestrijding Iepziekte 1.Wanneer op een perceel één of meer iepen staan die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren voor de verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers is de eigenaar en een ander rechthebbende van het perceel verplicht binnen een termijn van tien werkdagen na aanschrijving van burgemeester en wethouders de iepen: a.te vellen; b.te ontschorsen; en c.de schors te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op: a.geheel ontschorst iepenhout; b.iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm; of c.vervoer van iepenhout door een erkend iepenaannemer. 3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het onder lid 2 gestelde verbod. Artikel 8.27d afstand tot erfgrens (Vervallen) Paragraaf 10 Andere onderwerpen die te maken hebben met de huishouding van de gemeente Artikel 8.28 Inzameling van geld of goederen (Vervallen) Artikel 8.29 Overlast aan vaartuigen (Vervallen) Paragraaf 11 Verbod vuur te stoken Artikel 8.30 Verbod om afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of op een andere manier vuur te stoken 1.Het is buiten een inrichting verboden in de open lucht afvalstoffen te verbranden of op een andere manier vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Het verbod geldt niet als het betreft: a.verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b.sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, als geen afvalstoffen of geïmpregneerd hout worden verbrand; c.vuur voor koken, bakken en braden, als dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3.Het bevoegd gezag kan in bepaalde gevallen ontheffing te verlenen. 4.Het verbod geldt niet als hiervoor iets is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Omgevingsverordening. Paragraaf 12 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke Artikel 8.31 Seksinrichtingen (Vervallen) Artikel 8.32 Gedragseisen exploitant en beheerder (Vervallen) Artikel 8.33 Sluitingstijden (Vervallen) Artikel 8.34 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder (Vervallen) Artikel 8.35 Straatprostitutie (Vervallen) Artikel 8.36 Sekswinkels (Vervallen) Artikel 8.37 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke (Vervallen) Artikel 8.38 Aanvullende weigeringsgronden (Vervallen) Artikel 8.39 Beëindiging exploitatie (Vervallen) Artikel 8.40 Wijziging beheer (Vervallen) Hoofdstuk 9 Winkeltijden Artikel 9.1a Begrippen a.Feestdagen: Nieuwjaarsdag, tweede Paasdag, Hemelvaartsdag, tweede Pinksterdag, eerste en tweede Kerstdag. b.Werkdagen: maandag tot en met zaterdag. Artikel 9.1 (Algemene) vrijstelling voor zon- en feestdagen gedurende bepaalde uren Voor de in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b van de Winkeltijdenwet opgenomen verboden geldt van 10.00 uur tot 19.00 uur een algemene vrijstelling. Artikel 9.2 Ramadan De, in artikel 2, tweede lid, van de Winkeltijdenwet, opgenomen verboden over de zondag en de feestdagen, gelden tijdens de Ramadan vanaf twee uur voor zonsondergang tot zonsondergang, niet voor het te koop aanbieden en verkopen van brood en gebak dat speciaal bestemd is voor hen die zich aan de Ramadan houden. Artikel 9.3 Individuele ontheffingen (besluit over uitzondering) 1.Het bevoegd gezag kan een ontheffing verlenen op het in artikel 2, eerste lid, van de Winkeltijdenwet opgenomen verbod als het gaat over: a.werkdagen voor 06.00 uur en na 22.00 uur; b.op tijden die vallen buiten de algemene vrijstelling voor de zon- en feestdagen zoals opgenomen in artikel 9.1. 2.De ontheffing kan naast de algemene weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.6, worden geweigerd als de woon- en leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel op basis van de ontheffing. Artikel 9.4 Intrekken of wijzigen ontheffing (Vervallen) Hoofdstuk 10 Regels over duurzaamheid – GERESERVEERD Hoofdstuk 11 Afvalstoffen Artikel 11.1 Definities In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.inzamelmiddel: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, ten behoeve van een huishouden; b.inzamelplaats: daartoe op grond van artikel 5 aangewezen plaats; c.inzamelvoorziening: voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(e) bewaarmiddel of -plaats ten behoeve van meerdere huishoudens; d.perceel: perceel waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. e.huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan tenminste [aandeel (bijvoorbeeld 10%)] van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; f.ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk of proefmonsters van producten die gratis huis aan huis worden verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: -een huis-aan-huisblad of andere informatie over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten; -drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties. Artikel 11.2 Doelstelling De toepassing van deze verordening is gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Paragraaf 2 Huishoudelijke afvalstoffen Artikel 11.3 Aanwijzing van de inzameldienst 1.Burgemeester en wethouders wijzen de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Artikel 11.4 Regulering van andere inzamelaars 1.Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, tenzij de inzamelaar: a.daartoe is aangewezen door burgemeester en wethouders; b.bij nadere regels van burgemeester en wethouders van het verbod is vrijgesteld; of c.verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Burgemeester en wethouders kunnen aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, voorschriften verbinden en beperkingen stellen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel 11.5 Aanwijzing van inzamelplaats Burgemeester en wethouders dragen zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel 11.6 Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: a.ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 4, eerste lid; b.over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 4, eerste lid; of c.achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 5. Artikel 11.7 Gescheiden afvalinzameling 1.Burgemeester en wethouders stellen regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: •fijn huishoudelijk afval; •bioafval; •PBD •papier en karton; •metaal; •glas; •textiel; •kunststof verpakkingsmateriaal; •klein chemisch afval; •elektrische en elektronische apparatuur; •bouw- en sloopafval; •verduurzaamd) hout; •grof tuinafval; •asbest en asbesthoudend afval; •grof huishoudelijk afval; •medicijnafval; •overige herbruikbare afvalstoffen. Artikel 11.8 Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 7, anders dan afzonderlijk: a.ter inzameling aan te bieden; b.achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 5. 2.In afwijking van het eerste lid is het verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen waarvoor geen gescheiden inzameling geldt als bedoeld in artikel 11.7 anders aan te bieden dan afzonderlijk of gezamenlijk met de bestanddelen fijn huishoudelijk afval, genoemd in artikel 11.7. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel 11.9 Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door burgemeester en wethouders daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel 11.10 Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouder te stellen regels over het gebruik van: a.inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; b.inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 9, buiten een perceel te laten staan. 3.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Paragraaf 3. Bedrijfsafvalstoffen Artikel 11.11 Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Burgemeester en wethouders kunnen bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 11.3. Artikel 11.12 Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 11.11 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 11.5, achter te laten. Artikel 11.13 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door burgemeester en wethouders te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 11.11 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Paragraaf 4. Overige bepalingen Artikel 11.14 Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van burgemeester en wethouders, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: a.het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; b.het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; c.het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; d.handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Omgevingswet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel 11.15 Ongeadresseerd drukwerk 1.Een huis-aan-huisblad mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. 2.Ongeadresseerd reclamedrukwerk mag uitsluitend worden bezorgd bij een perceel als de bewoner of gebruiker kenbaar heeft gemaakt prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel 11.16 Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel 11.17 Geen opslag van afval in de open lucht Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met paragraaf 2 van deze verordening aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet als voor de opslag van afvalstoffen een omgevingsvergunning is afgegeven. Paragraaf 4a. Kadavers van gezelschapsdieren Artikel 11.18 Kadavers van gezelschapsdieren 1.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezelschapsdier verstaan: een dier dat de mens in of rond het huis houdt en verzorgt, niet zijnde een hobby- of landbouwhuisdier. 2.Burgemeester en wethouders kunnen een ondernemer aanwijzen die belast is met de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. 3.Van ingezamelde kadavers wordt aangifte gedaan bij de ondernemer bedoelt in het tweede lid. De kadavers worden bewaard en overgedragen aan de ondernemer bedoelt in het tweede lid in overeenstemming met het bepaalde bij of krachtens artikel 3.1 van de Wet dieren. 4.Uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag waarop het gezelschapsdier dood is aangetroffen, geeft de houder van het kadaver dit af aan de ondernemer, bedoeld in het tweede lid. 5.Tot het tijdstip van afgifte bewaart de houder het kadaver zodanig dat er geen vermenging is met ander materiaal. 6.Het vierde lid is niet van toepassing op het kadaver dat wordt begraven op een terrein dat ter beschikking staat van de houder van het kadaver of dat uiterlijk de eerste werkdag na overlijden wordt afgegeven aan een ondernemer die is erkend op grond van artikel 24, eerste lid, onder b, c of d, van de Verordening 1069/2009/EG.] Paragraaf 5. Handhaving en toezicht Artikel 11.19 Strafbare feiten Overtreding van het bij of krachtens de artikelen 11.4, 11.6, 11.8 tot en met 11.10 en 11.12 tot en met 11.18 bepaalde en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onderdeel 3, van de Wet op de economische delicten. Artikel 11.20 Toezichthouders Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de krachtens artikel 18.6 van de Omgevingswet door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren. Hoofdstuk 12 Havens – GERESERVEERD Hoofdstuk 13 Toezicht en handhaving Artikel 13.1 Toezichthouders Toezichthouders zijn personen die door een besluit van het bevoegde bestuursorgaan zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van de regels die bepaald zijn bij of krachtens deze verordening. Artikel 13.2 Binnentreden woningen Toezichthouders zoals opgenomen in artikel 13.1 mogen een woning binnen treden zonder toestemming van de bewoner als dit nodig is om de openbare orde, veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen te beschermen. Hoofdstuk 14 Strafbepalingen Artikel 14.1 Strafbepaling 1.Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van de op grond van artikel 3.4 lid 2 gegeven voorschriften en beperkingen, wordt bestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de economische delicten voorziet in strafbaarstelling. 3.Bij oplegging van een straf zoals opgenomen in het eerste lid kan openbaarmaking van het vonnis worden gelast. Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 15.1 Intrekking oude regelingen Ingetrokken worden: •De Verordening fysieke leefomgeving Hollands Kroon, vastgesteld op 14 december 2023, gewijzigd bij raadsbesluit op 29 januari 2026. •De Afvalstoffenverordening Hollands Kroon 2022, vastgesteld op 4 november 2021. Artikel 15.2 Overgangsbepalingen 1.Besluiten, genomen bij of krachtens de in artikel 15.1 genoemde verordeningen, die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, worden aangemerkt als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.Aanvragen en ontheffingen op het gebied van de fysieke leefomgeving waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, worden afgehandeld volgens de regels van de verordeningen die golden op het moment van de aanvraag. Aanwijsbesluiten genomen op basis van de Erfgoedverordening worden ook aangemerkt als aanwijsbesluiten volgens deze verordening. 3.Handhavings- en gedoogbesluiten op basis van de in artikel 15.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als handhavings- en gedoogbesluiten genomen volgens deze verordening. 4.Aanwijzingsbesluiten van toezichthouders bij of krachtens de in artikel 15.1 genoemde verordeningen worden aangemerkt als aanwijsbesluiten van toezichthouders genomen krachtens deze verordening. 5.Op bezwaar- en beroepschriften tegen besluiten genomen bij of krachtens de in artikel 15.1 genoemde verordeningen wordt beslist met inachtneming van deze verordening. 6.Voor leidingen die op de datum van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig en in gebruik zijn genomen geldt de schriftelijke toestemming of vergunning op grond waarvan zij gelegd zijn als een vergunning volgens deze verordening. 7.Als het bevoegd gezag van mening is dat een schriftelijke toestemming of een al verleende vergunning zoals bedoeld wordt in het zesde lid, niet voldoet aan de voorschriften bij of krachtens deze verordening kan zij de leidingexploitant een termijn stellen waarbinnen hij het bevoegd gezag meer informatie over de leiding moet verschaffen of een aanvraag voor een vergunning moet indienen. Doet hij dit niet dan vervalt de schriftelijke toestemming op een tijdstip die door het bevoegd gezag wordt bepaald. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat zij bekend is gemaakt. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving gemeente Hollands Kroon. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 oktober 2026. Griffier, J.M.M. Vriend Burgemeester, A. van Dam Bijlage: Werkingsgebied Aardkundige waarden Toelichting Ter voorbereiding op de Omgevingswet is een Verordening fysieke leefomgeving (Vfl) opgesteld. In deze verordening staan de regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving samen. Omdat niet alle regels opgenomen kunnen worden in een verordening zijn er ook beleidsregels horende bij de verordening fysieke leefomgeving opgesteld. De Vfl, inclusief beleidsregels vormt, samen met onze Omgevingsvisie, de instructieregels vanuit het Rijk en de provincie en de bruidsschat (de regels die vanuit het Rijk naar gemeenten komen), de basis voor het Omgevingsplan. Hollands Kroon is in 2012 ontstaan door een fusie tussen de voormalige gemeenten Anna Paulowna, Niedorp, Wieringen en Wieringermeer. Een deel van het beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving is in de loop van de jaren samengevoegd. Maar voor een groot deel van de bestemmingsplannen geldt dit niet. Door het opstellen van de Vfl en bijhorende beleidsregels maken wij voor bepaalde onderwerpen al een eerste slag in het samenvoegen en actualiseren van deze regels. De regels in de Vfl en bijhorende beleidsregels gaat straks in één keer over naar het Omgevingsplan. De regelingen voor de bruidsschat zijn nog niet in deze verordening opgenomen. De gemeente kiest ervoor om deze regels die nu vanuit het Rijk zijn voorgeschreven nog niet aan te passen. De regels zijn bij ondernemers bekend en werken. Omdat er nu al zo veel veranderingen zijn lijkt het te veel om nu ook die ongeveer 600 regels ook nog eens aan te passen. Daarnaast willen wij kijken welke regels uit de bruidsschat regionaal afgestemd moeten worden om zo shoppen van bedrijven te voorkomen. Dit wordt met de Omgevingsdienst en de regiogemeenten opgepakt. Algemene wijzigingen Met deze herziening van de Vfl zijn de regels die gaan over het gedrag van mensen met effect voor de openbare orden, veiligheid en publieke gezondheid in openbare en voor publiek toegankelijke ruimte komen te vervallen. Deze regels hebben een plek gekregen in de nieuwe Algemeen Plaatselijke Verordening (hierna: APV). Dit houdt in dat de Vfl enkel regels kent die de fysieke leefomgeving raken. Met name in hoofdstuk 3, 7 en 8 zijn er regels komen te vervallen, omdat deze met de komst van de APV daar een plek hebben gekregen. In deze herziening, hoofdstuk 11, zijn de regels uit de Afvalstoffen Verordening opgenomen. De huidige Afvalstoffen Verordening wordt in deze herziening ingetrokken. Ook zijn aan deze herziening regels toegevoegd die betrekking hebben op stedelijk afvalwater. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Dit hoofdstuk bevat de omschrijving van de begrippen die in de volgende hoofdstukken zijn opgenomen. Hoofdstuk 2 Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Dit hoofdstuk is gebaseerd op artikel 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. In de fysieke leefomgeving vindt een breed scala aan activiteiten plaats, die door veel verschillende mensen/bedrijven worden uitgevoerd en die verschillend van aard, omvang en duur zijn. Ook de gevolgen van die activiteiten voor de fysieke leefomgeving verschillen. De algemene zorgplicht houdt in dat iedereen bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht neemt. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de verontreinigingen bij werkzaamheden. In het kader van de algemene zorgplicht is de veroorzaker verplicht dit op een juiste en veilige manier op te ruimen. De functies van de zorgplicht zijn: •bewust maken van de eigen verantwoordelijkheid van burgers voor de behartiging of het ontzien van bepaalde belangen, •bieden van een leidraad voor gedrag, wanneer geen concrete gedragsbepalingen voorhanden zijn of deze niet toereikend blijken, •bieden van een maatstaf voor de beoordeling van gedrag, en – bieden van een rechtvaardigingsgrond voor bestuursrechtelijke handhaving in gevallen van onmiskenbare strijd met de zorgplicht (vangnetfunctie). In de verordening is het oplaten van ballonnen niet toegestaan. Ballonnen komen na het oplaten ongecontroleerd neer en veroorzaken op de bodem en in het waterschade aan het milieu. Dieren kunnen verstrikt raken in (de resten van) neergekomen ballonnen en zien deze aan voor voedsel. Ballonnen veroorzaken zo sterfte onder dieren. Daarnaast leveren ballonnen die opgelaten worden met hete lucht door middel van een brandertje door de constructie en het open vuur, ook een risico op schade en brand op. Het gaat hier dus zowel om met gas gevulde ballonnen als om ballonnen met een brandertje die onder allerlei namen in de handel zijn (herdenkingsballon, geluksballon, vuurballon, gelukslampions, Thaise wensballon enzovoorts). Om te voorkomen dat ook weerballonnen en heteluchtballonnen onder het verbod vallen is opgenomen dat het alleen ballonnen betreft die zonder sturing wegdrijven. Hoofdstuk 3 Proces In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen die gaan over het proces voor het indienen van een aanvraag, ontheffing, melding of kennisgeving. Onder de Omgevingswet dient een aanvraag omgevingsvergunning via het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ingediend te worden. Dit geldt niet als het DSO op dat moment hier nog niet in voorziet. Wanneer het DSO (nog) niet de mogelijkheid biedt om de aanvraag, ontheffing, melding of kennisgeving in te dienen, dient dit via de gemeentelijke website te gebeuren. In de verordening is één procedure opgenomen die voor alle aanvragen hetzelfde is. Het bevoegd orgaan beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag behalve als in de verordening of in wetgeving een andere termijn is bepaald. In deze verordening zijn burgemeester en wethouders in beginsel het bevoegd gezag. Als er sprake is van een ander bevoegd gezag dan is dat in het artikel specifiek benoemd. Bij een vergunning of melding kunnen voorschriften worden opgenomen. Deze voorschriften zijn bijzondere verplichtingen die alleen voor deze vergunninghouder gelden. In de verordening zijn algemene weigeringsgronden opgenomen. Deze weigeringsgronden gelden voor alle benodigde vergunningen en ontheffingen. In sommige situaties zijn er specifieke weigeringsgronden. Deze zijn dan opgenomen in het betreffende artikel en niet in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 Erfgoed Het doel van de regels in dit hoofdstuk is het behouden en beschermen van onroerend cultureel erfgoed dat onvervangbaar is. Onroerend cultureel erfgoed is van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of van uitzonderlijke schoonheid. Door de aanwijzing als rijk, provinciaal of gemeentelijk monument, archeologisch monument of beschermd stads- of dorpsgezicht, krijgt het erfgoed waar het over gaat, een beschermde status. In dit hoofdstuk zijn de regels uit de ‘Erfgoedverordening Hollands Kroon’ overgenomen. De mogelijkheid tot het aanwijzen van bijzonder erfgoed is in deze verordening toegevoegd. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan het aanwijzen van tuunwallen, zoals we die kennen op Wieringen. Daarnaast is een regeling toegevoegd met betrekking tot de molenbiotoop rondom onze historische molens. De regeling ziet toe op de bescherming van de molenbiotoop buiten de bebouwde kom. In de verordening is opgenomen dat de gemeente een erfgoedregister bijhoudt. In het erfgoedregister zijn de monumenten opgenomen. Het erfgoedregister kan iedereen inzien op de gemeentelijke website. Voor de aanwijzing of aanpassing van een gemeentelijk monument vraagt de gemeente advies aan de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. Voor het verbouwen, strijdig gebruiken of aanleggen bij een beschermd gemeentelijk, provinciaal of rijksmonument is een omgevingsvergunning nodig. Ook hierover adviseert de gemeentelijke adviescommissie ruimtelijke kwaliteit. De aanwijzing van de genoemde commissie is niet in deze verordening geregeld. Hollands Kroon wil haar bijzondere gebouwen behouden. Maar oude(re) panden vragen ook onderhoud en soms zijn de kosten zo hoog dat een andere functie nodig is. Om deze panden te behouden werkt de gemeente mee aan het splitsen van karakteristieke gebouwen in een of meerdere wooneenheden. Het gaat in dit artikel om panden die al een woonbestemming hebben. Panden die een andere bestemming hebben doorlopen een andere procedure omdat daar de onderliggende bestemming aangepast moet worden. Bijvoorbeeld bij een agrarisch perceel dat naar wonen wordt veranderd. Ook gelden daar andere regels op grond van de provinciale verordening. Om inzichtelijk te maken wat er op het erf en met het gebouw gebeurt moet een erfinrichtingsplan worden toegevoegd aan de aanvraag. Dit is onderdeel van de vergunning zodat ook duidelijk is dat de situatie zo moet worden uitgevoerd en zo blijft. Hierin moeten onder andere de plek van de parkeerplaatsen worden aangegeven, de landschappelijke inpassing van eventuele bijgebouwen en de nieuwe erfindeling. De uitvoering van normaal onderhoud is toegestaan zolang de bijzonderheden, beschrijving, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument of de aanleg van een tuin, park of andere aanleg niet wijzigen. Hierbij geldt dat wanneer bepaalde materialen of technieken niet meer beschikbaar zijn of toegepast worden volstaan kan worden met een waardig alternatief. Om de aardkundige waarden te kunnen beschermen is er een regeling opgenomen in deze verordening. Hoofdstuk 5 Begraven Hoofdstuk 6 Welstand – gereserveerd Hoofdstuk 7 Openbare ruimte De regels in hoofdstuk 7 zijn opgenomen voor een goede inrichting en gebruik van de openbare ruimte. In dit hoofdstuk zijn regels komen te vervallen die gaan over gedrag van mensen met effect voor de openbare orde, veiligheid en publieke gezondheid in openbare en voor publiek toegankelijke ruimten. De regels die betrekking hebben op gedragingen en activiteiten die effect hebben op de fysieke leefomgeving zijn behouden. Hoofdstuk 8 Openbare orde en veiligheid In hoofdstuk 8 waren regels opgenomen die betrekking hebben De regels in hoofdstuk 8 waren bedoeld voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Deze regels zijn komen te vervallen. Regels die gaan over gedrag van mensen met een effect voor de openbare orde, veiligheid, en publieke gezondheid in openbare en voor publiek toegankelijke ruimten zijn in de APV opgenomen. In hoofdstuk 8 blijven paragraaf 9 ‘Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente’, 9a ‘het bewaren van houtopstanden’ en paragraaf 11 ‘verbod vuur te stoken’ over. In paragraaf 9 is artikel 8.26a klokgelui opgenomen. Met dit artikel wordt onderscheid gemaakt tussen tijdsaanduidend klokgelui en religieus klokgelui. Tijdsaanduidend klokgelui kan door de gemeente nader worden gereguleerd. Religieus klokgelui valt onder de bescherming van de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging. Op grond van de Wet openbare manifestaties kan de gemeenteraad regels stellen ten aanzien van de duur en het geluidsniveau van dergelijke oproepen. Het artikel beoogt een evenwicht te bieden tussen het behoud van deze functies van klokgelui en de bescherming van de woon- en leefomgeving, waaronder de nachtrust van omwonenden. Voor de bescherming van flora en fauna zijn eigenaren of gebruikers van gronden verplicht de Reuzenberenklauw en de Japanse Duizendknoop te verwijderen. Ook de diverse distelsoorten blijven onder de werking van de verordening vallen. Distel (Cardius-soorten), mariadistel (Silybium-soorten), wegdistel (Onopordon-soorten), ridderzuring (Rumex obtusifolius) en Jacobskruid (Senecio jacobaea) blijven opgenomen. Eerder is door de gemeenteraad besloten de vergunningsplicht voor bomen van inwoners te laten vervallen. Voor de gemeentelijke bomen geldt dat deze deel uitmaken van de openbare ruimte en in die zin publiek bezit zijn. Om die bomen te kappen is een zorgvuldige afweging gewenst, die getoetst kan worden door onze inwoners en eventueel zelfs door de rechter. De kapvergunning voor gemeentelijke bomen zoals benoemd in de bomenlijst blijft dan ook in stand. De criteria die in artikel 8.27b, lid 2 worden genoemd zijn bedoeld om deze afweging zo goed mogelijk te kunnen maken. De weigeringsgronden zijn niet dwingend bepaald; als de houtopstand aan één of meer van de criteria voldoet betekent dat dus niet automatisch dat de vergunning moet worden geweigerd. In de onderstaande toelichting op de weigeringsgronden worden deze zoveel mogelijk meetbaar gemaakt. a. Natuurwaarde Elke boom heeft een bepaalde natuurwaarde. Alleen indien er sprake is van een verhoogde natuurwaarde kan de aanvraag op basis van deze weigeringsgrond geweigerd worden. Bomen staande in een natuurgebied of die deel uitmaken van een ecologische verbindingszone hebben altijd een verhoogde natuurwaarde, zij bieden vanwege hun standplaats meer en betere schuil- en foerageergelegenheid voor dieren. Daarnaast kan een boom een bijzondere natuurwaarde hebben als er bijvoorbeeld een vaste verblijfplaats van vogels of zoogdieren aanwezig zijn in de houtopstand. b. Landschappelijke waarde Het gaat hier vooral om houtopstanden in het landelijk gebied. Bomen kunnen een landschappelijk element vormen die zorgen dat het (historisch) landschap gelezen kan worden. Hieronder vallen bijvoorbeeld bepaalde weg- en laanbeplantingen en beplanting die de begrenzing aan van kavels of bijzondere plekken in het landschap accentueren, zoals een houtsingel of een rij knotwilgen. Een landschappelijk element bestaat veelal uit meerdere bomen. Bij de beoordeling van de aanvraag wordt meegenomen of ondanks het kappen van één of een deel van de houtopstand het landschappelijk element duurzaam in stand gehouden wordt. Indien dit niet het geval is, kan dit leiden tot een weigering van de aanvraag. c. Waarde voor dorpsschoon Deze waarde wordt bepaald door het feit dat de boom een onderdeel is van een boomgroep of laanbeplanting die de karakteristieke structuur van het dorp zichtbaar maakt. Deze weigeringsgrond is ook van toepassing op de bomen die onderdeel uitmaken van het beschermd dorpsgezicht, zoals is vastgesteld in het bestemmingsplan. d. Beeldbepalende waarde Deze weigeringsgrond is aan de orde indien de boom of bomen vanaf de openbare weg duidelijk zichtbaar zijn en een voor de soort karakteristieke kroonvorm heeft. Zijn er in de directe omgeving geen bomen aanwezig die de (beeldbepalende) functie van de boom (of bomen) over kan nemen en/of zou het als een gemis in het straatbeeld worden ervaren als deze boom of bomen zouden verdwijnen. Dan is deze weigeringsgrond aan de orde. Behoud van de houtopstand prevaleert indien deze een karakteristieke vorm heeft, van een zeldzame omvang of soort is, wanneer deze een bijzondere standplaats heeft of wanneer deze een karakteristieke structuur zichtbaar maakt. e. Cultuurhistorische waarde Onder bomen met een cultuurhistorische waarde worden bomen verstaan zoals; -Gedenkbomen (ter ere van het koningshuis, oorlogsslachtoffers , etc.) -Lokale betekenis (gerechtsbomen, sagebomen, geschenkbomen etc.) -Sociale functie (ontmoetingsplaats, boomfeestdag etc.) -Wanneer deze deel uitmaken van een cultuurhistorisch object (bepaald gebouw, eendenkooi etc.) Het betreft bomen met een verhaal, welke op enigerlei wijze terug te vinden is in de historie. f. Waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand De boom of bomen vormen een eenheid met de omringende bomen. De resterende boom of bomen zullen schade ondervinden bij verwijdering van de boom of bomen. Hoofdstuk 9 Winkeltijden De winkeltijdenverordening is behoorlijk op de schop gegaan. Het voorstel was om de openingstijden op de zondag te verruimen. Daar heeft de raad op 16 december 2021 in meerderheid tegen gestemd. De openingstijden van winkels op zondag blijft daarmee zoals die waren; van 10.00 tot 19.00 uur. In de eerdere verordening waren allerlei uitzonderingsregels opgenomen voor bijvoorbeeld videotheken, bloemisten of carnavalswinkels. Naast dat sommige van deze categorieën winkels eigenlijk niet meer voorkomen, werd er ook nooit een beroep op gedaan om af te wijken. Daarom is gekozen voor een algemene vrijstelling voor alle winkels. Dat is eenduidig en helder. Omdat de Ramadan niet binnen een vaste periode wordt gehouden, is hiervoor nog wel een aparte bepaling voor opgenomen. Winkels die speciale Ramadan-gerelateerde goederen verkopen mogen gedurende die periode open twee uur voor zonsopgang tot zonsondergang als dat valt buiten de openingstijden van 8 uur 's ochtends tot 8 uur 's avonds. Hoofdstuk 10 Regels over duurzaamheid - Gereserveerd Hoofdstuk 11 Afvalstoffen - Gereserveerd De regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk komen overeen met de regels zoals opgenomen in de oude Afvalstoffenverordening Hollands Kroon 2022. Dit hoofdstuk dient het belang van de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig afvalstoffenbeheer. Het belang daarvan neemt toe omdat tegenwoordig anders naar afval wordt gekeken dan in het verleden. Afval wordt steeds meer benaderd als grondstof. In een meer circulaire economie is afval van waarde. Dat betekent duurzaam omgaan met natuurlijke hulpbronnen, zuiniger zijn op grondstoffen, voorwerpen langer en opnieuw gebruiken en optimalere reststromen. Afvalscheiding en inzameling is daarbij van wezenlijk belang. Welke bestanddelen van het afval gescheiden dienen te worden veranderd. Nieuwe technieken maken bijvoorbeeld de scheiding van kunststof mogelijk. Gemeenten werken mee in het Uitvoeringsprogramma VANG – Huishoudelijk Afval om te komen tot minder huishoudelijk afval en tot het beschikbaar krijgen van meer waardevolle grondstoffen van de juiste kwaliteit. Hoofdlijnen afvalstoffen Scheiden van afvalstromen begint bij huishoudens (huishoudelijke afvalstoffen) en bedrijven (kantoor-, winkel- en dienstensector (hierna: KWD-sector)) waar die afvalstoffen ontstaan – of waar die in de openbare ruimte terechtkomen. Hoofdstuk 11 bevat regels over huishoudelijk afval, bedrijfsafval en afval in de openbare ruimte en kadavers van gezelschapsdieren. Huishoudelijke afvalstoffen Wat betreft huishoudelijke afvalstoffen heeft het gemeentebestuur de wettelijke taak om te zorgen voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen door middel van de inzameldienst die daartoe krachtens deze verordening is aangewezen. Bij de uitvoering van deze taak wordt de gemeente in de praktijk in toenemende mate ondersteund door het initiatief van andere inzamelaars zoals scholen, ideële instellingen of anderen die bijvoorbeeld papier, glas of andere bestanddelen van het huishoudelijk afval verzamelen voor inzameling. Deze verordening regelt de aanwijzing van de inzameldienst en van andere inzamelaars en bepaalt welke bestanddelen gescheiden moeten worden aangeboden en dus ook gescheiden moeten worden ingezameld. Gescheiden inzameling van huishoudelijk afval Scheiden van de volgende bestanddelen van huishoudelijk afval is op grond van artikel 1 van het Besluit GIHA de norm: a.bioafval; b.papier; c.metaal; d.kunststof; e.glas; f.textiel (treedt in werking met ingang van 1 januari 2025); g.gevaarlijke afvalstoffen (treedt in werking met ingang van 1 januari 2025); h.afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Bedrijfsafvalstoffen Wat betreft bedrijfsafvalstoffen is de afvalscheiding door KWD-sector binnen de gemeente van belang. De inzameling van bedrijfsafval kan plaatsvinden door de inzameldienst maar ook door anderen. Het beheer van bedrijfsafvalstoffen is in belangrijke mate op Rijksniveau geregeld door de Wm en daarop gebaseerde centrale regelgeving. Deze verordening bevat enkele aanvullende regels voor de inzameling door de inzameldienst of de wijze van aanbieding van bedrijfsafvalstoffen in de openbare ruimte. Afval in de openbare ruimte Wat betreft het afval in de openbare ruimte is het voorkomen van zwerfafval van belang. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping en bewuste ontdoening (weggooien of achterlaten) maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt, verwaaid of aangevreten door dieren. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. De verordening bevat regels voor het bestrijden van zwerfafval. Kadavers van gezelschapsdieren De verordening geeft eveneens uitvoering aan de verplichting van artikel 3.5 van de Wet dieren om regels op te nemen over het aangeven, ophalen, overdragen van kadavers van gezelschapsdieren (zie paragraaf 4a).] Wettelijke begrippen In het belang van de eenvoud maakt deze verordening slechts in beperkte mate gebruik van begripsbepalingen. Ten eerste zijn geen definities van begrippen gegeven als deze begrippen al op grond van artikel 1.1 van de Wm zijn gedefinieerd. Deze begrippen gelden al onverkort voor de toepassing van deze verordening. Er zijn daarom niet opnieuw definities in de verordening opgenomen. Voorbeelden van in de wet gedefinieerde begrippen die ook in deze verordening worden gebruikt zijn afvalstoffen, huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen. Het begrip inzameling is door de Wm gedefinieerd en daarom zonder begripsbepaling opgenomen in deze verordening. Artikel 1.1 van de Wm verstaat onder inzameling: verzameling van afvalstoffen, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie. Dit begrip is letterlijk overgenomen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Inzameling is het begin van het afvalstoffenbeheer. Onder afvalstoffenbeheer verstaat de richtlijn immers: inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars. Wat betreft de huishoudelijke afvalstoffen regelt deze verordening, enerzijds, dat de inzameling slechts kan geschieden door aangewezen inzameldiensten. Anderzijds regelt de verordening dat deze afvalstoffen slechts mogen worden overgedragen of aangeboden ter inzameling aan deze inzameldienst of overdragen aan inzamelaars, of achterlaten op een daartoe ter beschikking gestelde plek. Inzameling door of het aanbieden ter inzameling aan anderen dan deze personen is verboden. De verordening regelt eveneens op welke wijze de aanbieding plaats dient te vinden. Er zijn regels over gescheiden inzameling van afzonderlijke bestanddelen van afval zoals groente-, fruit- en tuinafval (hierna: GFT-afval) of papier en karton, over de middelen waarmee dat dient te gebeuren. In onderstaand schema is de terminologie van artikel 10.24 van de Wm en artikel 1.1 van de Wm dus als volgt gebruikt ten aanzien van de huishoudelijke afvalstoffen: De gebruiker van een perceel De inzameldienst of inzamelaar Overdragen (aan een inzamelaar) Innemen (door een inzamelaar) Ter inzameling aanbieden (al dan niet via inzamelmiddelen of inzamelvoorzieningen) Inzameling (via de betreffende middelen of voorzieningen) door de inzameldienst Achterlaten op een ter beschikking gestelde plaats Inzamelplaats De begrippen inzameldienst en inzamelaar behoeven geen zelfstandige definitie nu uit artikelen 11.3 en 11.4 genoegzaam volgt om wie het gaat. Andere begrippen kwamen in de verordening zo weinig voor dat, een definitie overbodig was en in de artikeltekst zelf uitsluitsel kon worden gegeven. Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven zijn hieronder nader toegelicht. Artikel 11.1. Definities De begrippen inzamelmiddel, inzamelplaats en inzamelvoorziening zijn opgenomen om deze van elkaar te onderscheiden. Een inzamelmiddel is bestemd voor een enkel huishouden en is bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag. Een inzamelplaats is aangewezen op grond van artikel 11.5. Meestal wordt de inzamelplaats Afvalbrensstation of ABS genoemd. Een inzamelvoorziening is bestemd voor meerdere huishoudens. Een inzamelvoorziening is bijvoorbeeld een (ondergrondse) verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot. Uit artikel 11.10 wordt duidelijk dat inzamelmiddelen gebruikt worden voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel en inzamelvoorzieningen voor het aanbieden nabij een perceel. Het begrip perceel is omwille van de leesbaarheid opgenomen met een vaste toevoeging die bij het gebruik van dit begrip in de verordening telkens moet worden meegelezen. Het gaat immers telkens om percelen waar huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Deze toevoeging is opgenomen in verband met de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm, waarin sprake is van de zorg van de gemeente voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen “bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan”. Wat onder perceel moet worden verstaan kan niet goed op het niveau van deze verordening worden vastgesteld. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 18 september 1991, nr. 27597, BNB 1991/333, is een perceel een plaats waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld binnen een particuliere huishouding kunnen ontstaan. Slechts dan is geen sprake van een perceel, indien het gaat om een gedeelte van een onroerende (of roerende) zaak dat blijkens indeling en inrichting niet is bestemd voor het voeren van een particuliere huishouding waarin geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan. Dit zal telkens naar de feiten en het spraakgebruik bepaald moeten worden. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1773) kon ook een woonruimte in een zorgcentrum een particuliere huishouding zijn waar geregeld huishoudelijke afvalstoffen kunnen ontstaan (zie voor de feiten Gerechtshof Den Haag 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2862). Artikel 11.2. Doelstelling In dit artikel is het met de verordening te dienen doel vermeld. Deze volgt uit de wettelijke grondslag van de verordening. De toepassing van bevoegdheden op basis van deze verordening zullen derhalve telkens in dat kader moeten plaatsvinden. Doelmatig afvalstoffenbeheer is onderdeel van de bescherming van het milieu. Het begrip afvalstoffenbeheer is gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen als: “inzameling, vervoer, nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting en met inbegrip van activiteiten van handelaars of makelaars”. Artikel 11.3. Aanwijzing van de inzameldienst In het eerste lid geeft de raad aan het college de opdracht om een onderneming aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wm op de raad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid, dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een daartoe strekkende aanvraag zou worden beslist. De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden. Artikel 11.4. Regulering van andere inzamelaars Dit artikel regelt de mate waarin het voor anderen dan de inzameldienst mogelijk is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. In beginsel is dit verboden. Er zijn echter drie categorieën van andere inzamelaars dan de inzameldienst, die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Ten eerste als een inzamelaar is aangewezen. Het gaat dan om een beschikking, waaraan op grond van het tweede lid voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Ten tweede kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels. In het eerste lid, onder b, is mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld scholen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Ten derde zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wm in algemene maatregelen van bestuur verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht. Artikel 11.5. Aanwijzing van inzamelplaats Op deze plaats wordt afzonderlijk geregeld dat op ten minste een plaats ook buiten kantooruren of in het weekend (in voldoende mate dus) gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur verplicht in verband met de in artikel 11.7 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Ingevolge artikel 10.26, tweede lid, van de Wm is dit verplicht. Het gaat hier om een daartoe ter beschikking gestelde plaats, waar alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden achtergelaten. Artikel 11.6. Algemene verboden Dit artikel regelt dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen alleen mag geschieden via de kanalen die daarvoor in de artikelen 11.4 en 11.5 zijn aangewezen. Dit verbod is de keerzijde van de bij of krachtens die artikelen tot de inzameldienst en andere inzamelaars gerichte gebod om het afval in te zamelen en het in artikel 11.4, eerste lid, opgenomen verbod voor anderen om afval in te zamelen. Artikel 11.7. Gescheiden afvalinzameling Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente. Het Besluit GIHA bevat ook voorschriften over de gescheiden inzameling van afvalstoffen. Deze verordening vult de verplichting tot gescheiden inzameling aan door nader te bepalen welke bestanddelen gescheiden worden ingezameld. Deze verordening maakt een fijnmaziger onderscheid dan artikel 1 van het Besluit GIHA, dat voorschrijft dat ‘ten minste’ bepaalde bestanddelen gescheiden worden ingezameld. De raad kan volgens artikel 10.21, vierde lid, van de Wm besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. De raad kan tevens een onderscheid maken binnen de genoemde bestanddelen. Artikel 10.21 van de Wm schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. De raad kan volgens artikel 10.21, vierde lid, van de Wm besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van artikel 10.26 van de Wm kan de raad in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bij de Afvalstoffenverordening afwijken: ▪van de inzameling bij elk perceel (bepaald mag worden nabij elk perceel); ▪van de frequentie van eenmaal per week (bepaald mag worden met welke regelmaat bij de verordening); ▪van de inzameling in het gehele grondgebied (bepaald mag worden dat in een gedeelte van het grondgebied geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld); ▪Artikel 2, eerste lid, van het Besluit GIHA bepaalt verder dat onder voorwaarden voor de volgende bestanddelen afgezien kan worden van de gescheiden inzameling voor: ▪bioafval (wanneer gescheiden inzameling technisch niet mogelijk is of buitensporig duur); ▪metaal, kunststof of glas (als de kwaliteit voor hergebruik of recycling gelijk blijft). Het regelen van de frequentie en locatie van de inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Dit is onder meer van belang omdat artikel 11.8 aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden. Artikel 11.8. Gescheiden aanbieding Dit artikel regelt de keerzijde van artikel 11.7. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden. Artikel 11.9. Tijdstip van aanbieding De tijdstippen voor de inzameling van huishoudelijk afval worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Het besluit is daarom vatbaar voor bezwaar en beroep. Artikel 11.10. Wijze en plaats van aanbieding Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer en plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen, dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen daarvan. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. De regels over het gebruik van de inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen zijn in beginsel algemeen verbindende voorschriften. Het college kan in deze regels ook concreet locaties aanwijzen voor de inzamelvoorzieningen. Een dergelijk onderdeel van de regels is geen algemeen verbindend voorschrift dus daartegen staat bezwaar en beroep open. Het tweede lid bevat een verbod om de inzamelmiddelen buiten het perceel te laten staan na afloop de bepaalde dag en tijden. Gebruikers van een perceel zijn gehouden de inzamelmiddelen binnen het perceel te bewaren. Het verbod geldt ook voor afval dat op de ophaaldag is buitengezet, maar om wat voor reden dan ook, niet is opgehaald. Het derde lid bevat een grondslag voor nadere regels over de wijze van gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen voor categorieën van percelen. Te denken valt aan een onderscheid dat gemaakt kan worden tussen hoogbouw en laagbouw. De regels kunnen een vrijstelling van het verbod in het eerste lid inhouden. Deze vrijstelling blijkt dan uit de nadere regels van het college. Artikel 11.11. Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst De inzameldienst kan ook bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen echter geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit waarbij de inzameldienst tegen vergoeding afval inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het daarbij veelal om afval uit de KWD-sector of bouw- en sloopafval (voor zover dit niet wordt gerekend tot het huishoudelijk afval). Artikel 11.12. Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Alleen die bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Artikel 11.13. Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de bedrijfsafvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wm. De memorie van toelichting zegt hierover: “Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieuregels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is krachtens artikel 10.48 van de Wm voorbehouden aan de minister. Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt (Kamerstukken 26 638, nr. 3, blz. 48). Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan met name van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen deze regels gelden voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen. Artikel 11.14. Dumpingsverbod Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval tegen te gaan. Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn. Artikel 10.25, onder a, van de Wm is de grondslag voor het opnemen van een dergelijk artikel in de Afvalstoffenverordening. Artikel 11.15 Ongeadresseerd drukwerk Artikel 11.15 heeft als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk, en daarmee uiteindelijk afval, te voorkomen. De grondslag voor dit artikel is artikel 10.23 van de Wm. In het eerste lid zijn de definities opgenomen met het onderscheid tussen ongeadresseerd reclamedrukwerk voor commerciële doeleinden en huis-aan-huisbladen of drukwerk van niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals bijvoorbeeld “aan de bewoners van dit pand of gebouw”. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat huis-aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie vervullen voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie. [In de definitie van huis-aan-huisblad is aangesloten bij de landelijke norm van de Stichting Reclamecode van 10% aan buurtgerichte redactionele inhoud.] In het tweede lid is bepaald dat huis-aan-huisbladen bezorgd mogen worden bij een perceel (een woning, bedrijf of woonschip), tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Met de komst van nee-nee-, ja-ja- en nee-ja-brievenbusstickers kunnen bewoners hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huisbladen kenbaar maken (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 februari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:1528). Tabel 1: Overzicht wanneer bezorging gewenst is en dus mag geschieden Overzicht stickers Ongeadresseerd reclamedrukwerk gewenst Ongeadresseerde huis-aan-huisbladen gewenst Ja-ja sticker ja ja Geen sticker nee ja Of nee-ja sticker Nee-nee sticker nee nee In het derde lid is bepaald dat de gemeente bezorging van ongeadresseerd reclamedrukwerk uitsluitend toestaat als de ontvangende bewoner of gebruiker van een perceel (een woning, bedrijf of woonschip) onmiskenbaar – met een ja-ja sticker – duidelijk heeft gemaakt dat hij het ongeadresseerde reclamedrukwerk wil ontvangen. Daarbij gaat het niet alleen om de bezorging maar ook om het laten bezorgen. De adverteerders dienen zich ook aan dit zogenoemde opt-in systeem te houden (zie Gerechtshof Amsterdam 24 september 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:3423). Artikel 11.16 Afval en verontreiniging op de weg Het gaat in dit artikel met name over laden, lossen en vervoeren. Het artikel bevat een gebod om de veroorzaakte verontreiniging op te ruimen. Mocht aan dit gebod geen gehoor gegeven worden, dan is sprake van een overtreding die strafbaar is gesteld op grond van artikel 20. Daarnaast is er de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen. Dit kan inhouden dat de gemeente de verontreiniging zelf opruimt en de kosten daarvoor op de overtreder verhaalt. Artikel 11.17 Geen opslag van afval in de open lucht Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, het gaat niet op het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Waarneembaar gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van reukoverlast. Artikel 11.19 Kadavers van gezelschapsdieren Dit artikel betreft de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Het eerste lid regelt wat onder gezelschapsdier moet worden verstaan. Tot de gezelschapsdieren worden gerekend onder meer honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, eenden, ganzen en fazanten behoren eveneens tot deze categorie indien er geen commerciële opbrengst aan verbonden is, zoals de (commerciële) productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of huiden. Het artikel heeft geen betrekking op hobby- en landbouwhuisdieren zoals runderen, paarden, schapen, (dwerg)geiten, hangbuikzwijnen, varkens en herten. De gemeente draagt zorg voor de verwerking en verwijdering van kadavers van gezelschapsdieren. De kadavers zijn een bijzondere vorm van afvalstoffen, die op grond van de Wet dieren een nadere regeling behoeven. De grondslag voor deze nadere regeling is deels gelegen in artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, en voor het overige in artikel 3.5 van de Wet dieren. De Wet dieren verplicht de gemeente diegene aan te wijzen die met de inzameling van kadavers is belast (tweede lid). Deze draagt dan zorg voor de overdracht van de kadavers van gezelschapsdieren de inzamelaar. Deze verwerker is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wet dieren. In het vierde tot en met zesde lid zijn de verantwoordelijkheden en plichten van de houder van een kadaver van een gezelschapsdier opgenomen. De houder (meestal de eigenaar) is ervoor verantwoordelijk dat het kadaver wordt verwijderd. Op grond van de Wet dieren kan de houder het dier op eigen terrein begraven, of afgeven aan een van de erkende dierencrematoria of dierenbegraafplaatsen. In dat geval gelden de bepalingen in het vierde lid niet voor de houder op grond van het zesde lid. Als de houder van die mogelijkheid geen gebruik maakt, dan moet de houder het kadaver afgeven aan degene die de inzameling daarvan doet. Deze afgifte vindt plaats uiterlijk op de eerste werkdag nadat de houder het overlijden heeft geconstateerd. Tot het moment van afgifte wordt het kadaver zodanig bewaard dat er geen vermenging met ander materiaal kan plaatsvinden (vijfde lid). Artikel 11.20 Toezichthouders Deze systematiek volgt uit artikel 18.1a van de Wm en artikel 18.6 Omgevingswet. Hoofdstuk 12 Havens – Gereserveerd Hoofdstuk 13 Toezicht en handhaving In deze artikelen wordt de aanwijzing van toezichthouders geregeld. Hoofdstuk 14 Strafbepalingen Veel van de bepalingen in de Verordening fysieke leefomgeving zijn zorgplichten of zaken die bij recht zijn toegestaan. Wij gaan namelijk uit van vertrouwen in onze inwoners, bedrijven en instellingen. Voor een aantal bepalingen blijft het wenselijk om hier strafbepalingen aan te blijven koppelen. Hoofdstuk 15 Overgangs- en slotbepalingen In dit hoofdstuk wordt geregeld hoe aanvragen worden afgehandeld die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn ingediend.

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Verordening fysieke leefomgeving"

APV

APV

Verordening fysieke leefomgeving

Mededelingen

Mededelingen

Gedragscode integriteit raadsleden en fractieondersteuners Hollands Kroon raadsperiode 2026-2030

APV

APV

Algemene plaatselijke verordening Hollands Kroon

Mededelingen

Mededelingen

Legger Wateren Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Omgeving

Omgeving

Bekendmaking voorgenomen subsidieverlening Stichting Helderse Botters

Mededelingen

Mededelingen

Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland van 6 september 2016 houdende regels omtrent natuur (Beleidsregel natuurbescherming Noord-Holland)

Mededelingen

Mededelingen

Leidraad invordering waterschapsbelastingen HHNK 2026

APV

APV

Openstellingsbesluit Natuur Noord-Holland 2027

Mededelingen

Mededelingen

Natuurbeheerplan 2027

Omgeving

Omgeving

Bekendmaking voorgenomen subsidieverlening

Mededelingen

Mededelingen

Aanwijzingsbesluit Klachtencoördinator

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Kennisgeving ontwerp wijziging werkingsgebieden en bijlagen Omgevingsverordening NH2022 2026-II