Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-10-06

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente Delft

Informatie

Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027 De raad van de gemeente Delft; Gelezen het voorstel van het college van 23 juni 2026; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet; gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van.; overwegende dat: •de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; •het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; •het op grond van de Jeugdwet noodzakelijk is om regels vast te stellen over: -de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen; -de afbakening van de Jeugdwet in relatie tot andere wetgevende kaders; -de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; -de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; -de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; -de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet; -de waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; BESLUIT: 1.de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027 (met kenmerk 6510724) vast te stellen. 2.het advies van de ASD op Verordening Jeugdhulp 2027 en de bestuurlijke reactie daarop ter kennisname aan te nemen. Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; - budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; - budgethouder: jeugdige die een persoonsgebonden budget ontvangt op grond van de Jeugdwet, dit budget wordt beheerd namens de jeugdige door de budgetbeheerder; - college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Delft; - hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; - iJw: informatiestandaard Jeugdwet, door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet; - individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, als bedoeld in artikel 1.3 tweede lid; - jeugdige: als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; - melding: het kenbaar maken van een hulpvraag aan het college; - nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waarin specifieke bepalingen uit deze verordening worden uitgewerkt; - ondersteuningsplan: plan waarin de ondersteuningsbehoefte inclusief veiligheidsvraagstukken van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is vastgelegd, samen met de beoogde resultaten en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; - ouder(s): als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, waaronder mede begrepen wettelijk vertegenwoordiger; - overige voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet die beschikbaar is zonder dat er een aanvraag voor hoeft te worden gedaan, maar waaraan wel voorwaarden kunnen worden gesteld; - persoonsgebonden budget (pgb): persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of zijn ouder(s), dat hem of haar in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele jeugdhulpvoorziening behoort van derden te betrekken; - wet: Jeugdwet; Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.2 Overige voorzieningen 1.De volgende overige voorzieningen zijn beschikbaar: a.individuele informatievoorziening en opvoedadvies; b.groepsbijeenkomsten, voorlichting, trainingen, cursussen en andere kortdurende voorzieningen gericht op laagdrempelige vormen van opvoed- en opgroeiondersteuning; c.basiszorg waaronder Jeugdgezondheidszorg, ondersteuning bij ouderschap, vrijwilligers- en andere informele ondersteuning; d.ondersteuning bij het tegengaan van jeugdcriminaliteit en jeugdoverlast; e.jeugd- en jongerentrajecten, waaronder talentontwikkeling; f.ondersteuning aan jeugdige en/of zijn ouder(s) door Delft Support. Artikel 1.3 Individuele voorzieningen 1.In aanvulling op de overige voorzieningen draagt het college zorg voor de beschikbaarheid van individuele voorzieningen.2.De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a.crisisopvang; b.basis en (hoog-)specialistische jeugd-ggz; c.diagnostisch onderzoek en behandeling van ernstige dyslexie; d.begeleiding; e.behandeling; f.pleegzorg; g.(semi-)residentiële hulp; h.ambulante opvoedhulp; i.persoonlijke verzorging; j.gesloten jeugdzorg; k.forensische hulp; l.preventieve jeugdbescherming; m.vervoer. 3.Het college maakt in het kader van de contractrelatie met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen: a.doelgroepen; b.activiteiten; c.doorlooptijd; d.intensiteit; e.kwaliteit; f.beoogd resultaat; en g.vermelding productcode iJw. 4.Het college maakt via Servicebureau Jeugdhulp Haaglanden op www.sbjh.nl bekend welke aanbieders welke individuele voorzieningen uitvoeren en de uitwerking van de contractuele afspraken met de aanbieders als bedoeld in het derde lid.5.Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het tweede lid beschikbaar zijn. Artikel 1.4 Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, waarbij het belang van de jeugdigen en ouders het uitgangspunt is.2.Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet, waarbij het belang van de jeugdigen, ouders en pleegouders het uitgangspunt is. HOOFDSTUK 2 TOEGANG JEUGDHULP VIA HUISARTS, MEDISCH SPECIALIST OF JEUGDARTS Artikel 2.1 Toegang jeugdhulp via huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.2.De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractrelatie.3.Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt.4.Wanneer de huisarts, jeugdarts of medisch specialist verwezen heeft naar jeugdhulp, kan er door het college regie worden gevoerd wanneer de cliënt hier toestemming voor geeft.5.Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) hierom verzoekt, legt het college de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 3.7. Artikel 2.2 Doorverwijzing naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder 1.Indien een verwijzer voornemens is te verwijzen naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, onder wie begrepen een aanbieder die weliswaar is gecontracteerd maar niet voor de individuele voorziening waarvoor verwijzing plaatsvindt, is deze verwijzer gehouden om contact te leggen met het college.2.Een toewijzing aan een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder zoals genoemd in het eerste lid zal door het college worden gedaan indien het college van oordeel is dat: a.het zorgaanbod van de niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder in het individuele geval passender is dan het reeds bestaande gecontracteerde aanbod; én b.aan alle kwaliteitseisen is voldaan die gelden voor de gekwalificeerde jeugdhulpaanbieders; én c.overeenstemming wordt bereikt over een te sluiten overeenkomst zorg in natura. 3.Indien geen contractering plaatsvindt, als bedoeld in het tweede lid, komt geen opdracht tot het verlenen van zorg tot stand en accepteert het college geen declaratie van de betreffende aanbieder. HOOFDSTUK 3 TOEGANG JEUGDHULP VIA DE GEMEENTE Artikel 3.1 Melding (hulpvraag) 1.Een hulpvraag kan, met toestemming, door of namens de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het college worden gemeld.2.Het college registreert de melding en bevestigt de ontvangst van een melding.3.Het college merkt een ondertekend ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 3.6 aan als een aanvraag als er, gelet op het vierde lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.4.Als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het eerste contact over de hulpvraag aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.5.Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.6.Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.7.Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te kunnen maken van cliëntondersteuning en van de diensten van een vertrouwenspersoon, zoals bedoeld in artikel 1.4.8.De jeugdige en/of zijn ouder(s) kan het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid om het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) dit willen, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan. 9.In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.6, eerste lid onder b, van de wet: a.treft het college zo spoedig mogelijk na de melding een passende tijdelijke maatregel; of b.vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de wet. Artikel 3.2 Onderzoek 1.Als bij het college een hulpvraag zoals bedoeld in artikel 3.1 derde lid wordt gemeld, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouders een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met vijfde lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.2.Ten behoeve van het gesprek verstrekt de jeugdige en/of zijn ouder(s) aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen.3.Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) en externe deskundigen voor zover nodig: a.wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan; b.de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag; c.of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s), en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens: i.welke problemen of stoornissen dat zijn; ii.welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; iii.of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in artikel 4.2 van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en iv.voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp; d.hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of zijn ouder(s); e.indien van toepassing, de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; en, f.indien een individuele voorziening voorziet in de nodige ondersteuning, hulp en zorg, de mogelijkheden en voorwaarden om in plaats van zorg in natura te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 4.Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan of een hulpplan vanuit een andere instantie aan het college hebben overhandigd, betrekt het college die plannen bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.5.Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) over de gang van zaken bij het gesprek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel 3.3 Medewerking ouder(s) of jeugdige 1.De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.2.Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel 3.4 Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.2.Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional: a.bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd; b.bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; c.bij de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen; d.op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register; of e.een vergelijkbare relevante registratie. 3.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook de beoordeling doet en het besluit neemt over het al dan niet toekennen van jeugdhulp. Artikel 3.5 Identificatie 1.Bij het onderzoek vergewist het college zich van de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger.2.Het vergewissen van de identiteit vindt in elk geval plaats aan de hand van een identiteitsbewijs als dit naar het oordeel van het college noodzakelijk en evenredig is: a.gelet op de zwaarte van de te bieden jeugdhulp; b.ter voorkoming van fraude; of c.ter controle van het wettelijk gezag van de ouder(s) of de wettelijk vertegenwoordiger over de jeugdige. 3.Onder identiteitsbewijs wordt verstaan: document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht of ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit: a.vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; b.verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); c.buitenlands paspoort; of d.vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel 3.6 Ondersteuningsplan 1.Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.2, in een ondersteuningsplan.2.Binnen tien werkdagen na het laatste gesprek verstrekt het college het ondersteuningsplan aan de jeugdige en/of zijn ouder(s), tenzij zij hebben meegedeeld dit niet te wensen.3.Het college gaat na of de jeugdige en/of zijn ouder(s) de uitkomsten van het onderzoek en de inhoud van het ondersteuningsplan heeft begrepen.4.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige en/of zijn ouders worden aan het ondersteuningsplan toegevoegd.5.Als uit het ondersteuningsplan, de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord ondertekend door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en door deze binnen uiterlijk tien werkdagen teruggestuurd.6.Als uit het ondersteuningsplan blijkt dat de gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van ondersteuning door professionals van Delft Support, een andere of overige voorziening, dan wordt het ondersteuningsplan ondertekend voor akkoord of gezien door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en binnen uiterlijk tien werkdagen teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.7.Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) tekent voor gezien, kan hij daarbij aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. De jeugdige en/of zijn ouder(s) geven daarbij in het geval van lid 6 tevens aan of de aanvraag wel of niet wordt ingetrokken. Artikel 3.7 Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.2.Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c.indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3.Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a.voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c.wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d.welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e.wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en f.de wijze van monitoring en verantwoording van de besteding van het pgb. 4.In de beschikking tot weigering van een individuele voorziening wordt aangegeven waarom de voorziening in natura of als pgb wordt geweigerd, waarbij wordt ingegaan op de motivering van de jeugdige en/of zijn ouder(s) als bedoeld in artikel 3.6 zesde en zevende lid. HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK OP INDIVIDUELE VOORZIENINGEN Artikel 4.1 Criteria voor een individuele voorziening 1.De jeugdige komt in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat: a.de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen; en b.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn; en c.gebruikmaking van een overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen; en d.de jeugdige en/of zijn ouder(s) geen aanspraak kan maken op een andere voorziening om de hulpvraag te beantwoorden. 2.Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie die binnen de Jeugdwet vallen en nooit met een bewezen niet effectieve interventie. 3.Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in: a.de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; b.de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; c.de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 4.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. Daarbij houdt het college rekening met de prijs, kwaliteit, nabijheid en beschikbaarheid. Voor het bepalen van de omvang van de individuele voorziening kan het college gebruik maken van het Normenkader en Richtinggevend Kader zoals opgenomen in de contracten van de jeugdhulpaanbieders.5.In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige en/of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening jeugdhulp.6.Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.7.Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of zijn ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een individuele voorziening voor verstrekken: a.als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet; en b.voor zover het college de noodzaak, passendheid van de individuele voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. 8.De individuele voorziening als bedoeld in het zevende lid kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag.9.Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere uitwerking van de criteria. Artikel 4.2. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen 1.De jeugdige komt niet in aanmerking voor een individuele voorziening als uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) toereikend zijn om, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van vrijwilligers en andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s).2.Hulp uit het sociaal netwerk is hulp die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan de jeugdige.3.Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s).4.Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, geldt als uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Bij uitval of afwezigheid van één van de ouders, wordt in beginsel verwacht dat de andere ouder deze verantwoordelijkheid overneemt. Dit geldt ook bij ouders die niet (meer) samen leven. Er wordt dan ook rekening gehouden met de mogelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.5.Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval: a.oorzaken van overbelasting waar mogelijk weg te nemen; b.zorgverlof en andere soorten verlof inzetten; c.werktijden aanpassen; d.gebruik maken van de opvangmogelijkheden van de Wet kinderopvang, zowel voor de jeugdige met een hulpvraag als voor eventueel andere kinderen; e.het sociaal netwerk inzetten en werken aan het vergroten van het sociaal netwerk; f.de jeugdige, indien mogelijk, voltijd onderwijs laten volgen; g.een beroep doen op hulp en ondersteuning om de eigen problematiek van de ouder(s) te verminderen; h.een beroep doen op hulp en ondersteuning om kennis en vaardigheden van ouder(s) waar mogelijk te vergroten. 6.Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht voldoende aanwezig te zijn als: a.de hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals bijvoorbeeld omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’, en waarvan het overzicht is opgenomen in Bijlage I van deze verordening; b.de hulpvraag zich beperkt tot een periode van minder dan 12 weken; c.de hulp al geleverd wordt door ouders; d.het sociale netwerk de benodigde ondersteuning kan bieden; e.de jeugdige een aanvullende zorgverzekering heeft die de benodigde hulp (deels) vergoedt. Er wordt hooguit een aanvullende voorziening verstrekt voor het deel dat niet wordt vergoed. 7.Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht onvoldoende aanwezig te zijn als sprake is van: a.overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven; b.ouder(s) langdurig ziek of langdurig afwezig is in het gezin. Hierbij wordt het niet beschikbaar zijn door werk, niet meegenomen in de beoordeling. 8.Bij overbelasting geldt nog het volgende: a.er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de hulp aan de jeugdige; b.bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijkt het college wat wordt gedaan om de overbelasting te verminderen; c.als de overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten, dan wordt dit eerst van de ouder verwacht; d.het verlenen van hulp aan de jeugdige gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten, school/studie en werk. Hierbij wordt rekening gehouden met de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien; e.een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt beëindigd als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen; f.inzet van een individuele voorziening voor jeugdhulp bij overbelasting of dreigende overbelasting is altijd tijdelijk. Van ouders wordt verwacht dat zij een plan van aanpak opstellen om de overbelasting of dreigende overbelasting aan te pakken en dat zij in de tijd dat jeugdhulp wordt gegeven werken aan dit plan. Artikel 4.3 Criteria vervoer 1.Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Onder de verantwoordelijkheid van de jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt in elk geval verstaan dat: a.de jeugdige zelfstandig of onder begeleiding van ouder(s) of het sociale netwerk reist naar de jeugdhulplocatie; b.de jeugdige in staat is om binnen afzienbare tijd zelfstandig te leren reizen. Het college stelt hiervoor ondersteuning beschikbaar; c.de ouder(s) of het sociale netwerk in staat zijn de jeugdige te brengen en halen met gemotoriseerd vervoer; d.de jeugdhulpaanbieder de jeugdhulp verplaatst naar het verblijfadres van de jeugdige. 2.Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 4.2, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.3.Het niet kunnen betalen van vervoer kan niet worden aangemerkt als onvoldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.4.Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening én sprake is van: a.minimaal acht contactmomenten op de jeugdhulplocatie per maand; en b.jeugdhulp die langer moet plaatsvinden dan twaalf weken; en c.een enkele reis naar de jeugdhulplocatie minimaal: i.zes kilometer bedraagt, volgens de ANWB-routeplanner voor de kortste, veilige route, ongeacht het vervoersmiddel of de route die feitelijk wordt gebruikt; of ii.90 minuten met het openbaar vervoer bedraagt, tussen in- en uitstaphalte of station. 5.Vervoer is alleen van toepassing als het gaat om een vervoersvraag voor: a.een jeugdige die een indicatie heeft voor een individuele voorziening jeugdhulp; b.vervoer van en/of naar een jeugdhulplocatie; c.het geval er geen recht bestaat op vervoer van de voorliggende voorziening leerlingenvervoer naar de jeugdhulplocatie. 6.Er wordt geen individuele voorziening in de vorm van vervoer toegekend voor: a.ouders; b.ander vervoer dan naar een locatie waar jeugdhulp wordt geboden. 7.In de praktijk kan er een samenloop zijn met leerlingenvervoer. Vanuit het leerlingenvervoer kunnen jeugdigen in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening van huis naar school en van school naar huis. 8.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.9.Een individuele voorziening in de vorm van vervoer wordt toegekend over de afstand tussen de woning en/of schoollocatie van de jeugdige en de dichtstbijzijnde goedkoopst adequate, passende en tijdig beschikbare voorziening jeugdhulp. In het geval dat de jeugdige ervoor kiest de jeugdhulp te betrekken van een aanbieder die de hulp verder weg biedt, dan komen de meerkosten hiervan, de (hogere) vervoerskosten, voor eigen rekening.10.De voorziening wordt toegekend vanaf de datum dat de jeugdhulp in de toekomst zal starten. Verstrekking met terugwerkende kracht, voor de datum van de aanvraag en toekenning, is niet mogelijk.11.Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het vervoer verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 4.4 Vaktherapie 1.Het college verstrekt geen individuele voorziening voor vaktherapie, tenzij dit een onderdeel is van een multidisciplinaire behandeling in het kader van de jeugd-GGZ en dit wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar.2.Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines: a.beeldende therapie; b.danstherapie; c.dramatherapie; d.muziektherapie; e.psychomotorische therapie; f.psychomotorische kindertherapie; en g.speltherapie 3.Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsvereniging erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding heeft volbracht. Artikel 4.5 Kindercoaching Het college vergoedt geen individuele voorziening in de vorm van kindercoaching of coaching met dieren door professionals zonder registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd. Indien ouders gebruik willen maken van kindercoaching door professionals zonder registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd dienen zij zelf de kosten te dragen. Artikel 4.6 Residentiële hulp in de vorm van respijtzorg 1.Een individuele voorziening in de vorm van respijtzorg (kortdurend verblijf) wordt ingezet indien de respijtzorg een onderdeel is van een bredere jeugdhulpinzet. 2.Een individuele voorziening in de vorm van respijtzorg (kortdurend verblijf) wordt ook ingezet indien er sprake is van een noodzaak tot permanent toezicht en of een risico op uithuisplaatsing. Artikel 4.7 Echtscheidingsproblematiek 1.In het geval van echtscheidingsproblematiek tussen ouders behoort het conform artikel 4.2, vijfde lid onder h tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders om een beroep te doen op hulp en ondersteuning om de eigen problematiek van te verminderen. Hiervoor zijn vrij toegankelijke voorzieningen beschikbaar, waaronder: a.inloopspreekuur voor vragen en advies over een scheiding; b.trainingen voor ouder(s) en of kinderen van gescheiden ouders; c.ondersteunende gesprekken met een professional; d.buddy voor kinderen van gescheiden ouders. 2.De rechtbank kan, in afstemming met en met toestemming van ouder(s) of jeugdigen en betrokken zorgaanbieders, verwijzen naar een individuele voorziening middels een proces verbaal. Indien ouders geen toestemming verlenen, niet meewerken aan die hulp, vroegtijdig stoppen met de hulp, of indien de hulp te weinig effect heeft, bericht de zorgaanbieder dit aan de rechtbank voor verdere vervolg. Artikel 4.8 Passend onderwijs en leerplicht 1.Het pedagogisch klimaat en de pedagogische vaardigheden van leerkrachten zijn de verantwoordelijkheid van de school en het samenwerkingsverband Passend Onderwijs waar de school deel van uitmaakt. Het samenwerkingsverband heeft de expertise in huis om de leerkrachten en waar nodig leerlingen te ondersteunen. 2.Ondersteuning die primair gericht is op het volgen van onderwijs, het doorlopen van het onderwijsprogramma en gericht is op het leerproces (bijvoorbeeld een intelligentieonderzoek), valt onder de verantwoordelijkheid van school. Ondersteuning die nodig is om onderwijsdoelen te behalen wordt niet door het college vergoed in het kader van de wet.3.Het college vergoedt geen ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs en het verder helpen van een leerling in zijn onderwijsontwikkeling, waaronder: a.ondersteuning die gericht is op het aanpakken van leerproblemen. b.observatie, (intelligentie)onderzoek; c.het aanschaffen van aangepast lesmateriaal (bijvoorbeeld pictogrammen of braille leerboeken); d.remedial teaching, ondersteuning bij het aanleren van schoolse vaardigheden; e.begeleiding bij dyslexie, niet zijnde ernstige dyslexie; f.dyscalculie; g.sociale vaardigheidstraining; h.cogmed, training ten behoeve van het vergroten van het werkgeheugen en het concentratievermogen; i.kindcoaching. 4.Dagbesteding in het kader van de Jeugdwet vindt plaats indien het leerplichtige kind een vrijstelling van het volgen van onderwijs heeft. Indien geen vrijstelling is verleend, geldt de zorgplicht van de school. Artikel 4.9 Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. Als opvang nodig is, uitsluitend omdat de ouders niet beschikbaar zijn, dan biedt het college daarvoor geen individuele voorziening vanuit de Jeugdwet.2.Ouders zorgen zelf voor buitenschoolse opvang, een kinderdagverblijf of een gastouder en voor de bekostiging hiervan. 3.In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet. Artikel 4.10 Dyslexie 1.De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.2.Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat het college op basis van het op moment van melding meest recente versie van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. Artikel 4.11 Voorliggende voorzieningen 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: a.met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; b.naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling; of c.gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe bij het Centraal Indicatieorgaan Zorg. 2.Bij een specialistische ggz behandeling of gesloten jeugdhulp die geen integraal onderdeel uitmaakt van de Wlz-behandeling, bij pleegzorg of vervoer naar de jeugdhulplocatie (niet zijnde de Wlz locatie), kan jeugdhulp naast de Wlz worden geboden.3.De jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.4.Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg, kan het college ondersteuning beschikbaar stellen voor het indienen van de aanvraag. Artikel 4.12 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige en/of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: a.de Leerplichtwet; b.de Participatiewet; c.de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; d.de Wet Inburgering 2021; e.de Wet kinderopvang; f.de Wet langdurige zorg; g.de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; h.de Wet passend onderwijs; i.de Wet publieke gezondheid; j.de Wet tijdelijk huisverbod; k.de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en l.de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en/of zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: a.het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; b.stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; c.een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: a.de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; b.de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 4.2 en de mogelijkheden van het sociale netwerk; c.welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; d.welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige en/of een ouder weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.5.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: a.voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en b.de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6.Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college in elk geval bij een leeftijd van 17 jaar welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. In het geval er sprake is van verlengde jeugdhulp vindt de afstemming op latere leeftijd, maar altijd tijdig plaats.7.Het college draagt zorg dat de lokale toegangsorganisatie (en de gecertificeerde instellingen) in de gevallen bedoeld in het vijfde lid de jeugdige en zijn ouder(s) vroegtijdig wijst op de eventuele veranderingen, vanaf de 18e verjaardag of na afloop van verlengde jeugdhulp met verblijf, voor de woonsituatie, inkomen, zorgverzekering enzovoort.8.Het college draagt zorg dat de lokale toegangsorganisatie in de gevallen bedoeld in het vijfde lid de jeugdige en zijn ouder(s) wijst op de consequenties dat deze zorg vanaf de 18e verjaardag van de jeugdige onder een andere voorziening valt, en zich inspant voor de continuïteit van de zorg indien noodzakelijk. Artikel 4.13 Afstemming met onderwijs 1.Het college zorgt ervoor dat alle locaties voor primair en voortgezet onderwijs een contactpersoon hebben bij de lokale toegangsorganisatie.2.Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de in het eerste lid genoemde contactpersonen en de leerplichtambtenaren.3.Afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg en leerplichtzaken worden vastgelegd in het ondersteuningsplan van de jeugdige.4.Het college biedt op verschillende manieren hulp in de scholen, bijvoorbeeld door inzet van preventieve producten, de contactpersoon van de lokale toegangsorganisatie, en inzet van de jeugdgezondheidszorg op het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs. Artikel 4.14 Afbakening Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) Begeleiding en dagbesteding zijn zowel een voorziening binnen de Jeugdwet als binnen de Wmo 2015. De jeugdige komt bij een leeftijd onder de 18 jaar in aanmerking voor deze voorziening op grond van de Jeugdwet. Bij een leeftijd van 18 jaar of ouder komt de jeugdige in aanmerking voor dezelfde voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, hierbij is een eigen bijdrage verschuldigd. HOOFDSTUK 5 AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PERSOONSGEBONDEN BUDGET Artikel 5.1 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb 1.Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college voldoet aan de criteria voor een individuele voorziening zoals genoemd in artikel 4.1 van deze verordening, maar de jeugdhulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de jeugdige en/of zijn ouder(s) daartoe een ondertekend budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen: a.de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is; b.welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; c.de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; d.op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd; e.de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; f.indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige en/of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en g.de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 5.2 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2.Het college verstrekt een pgb als: a.de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; b.uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 5.2 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en c.naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 5.4 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat. 3.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: a.fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; b.betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; c.veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; d.op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 4.Het college kan een pgb weigeren als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. 5.Het college verstrekt geen pgb voor crisisopvang, pleegzorg en gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 1.3, tweede lid onder a, f en j van deze verordening.6.Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 5.2 Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: a.een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag en voldoende bekwaam te zijn om te bepalen welke ondersteuning de budgethouder nodig heeft; b.in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; c.op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; d.in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; e.voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met het college, de Sociale verzekeringsbank en jeugdhulpaanbieders; f.financieel inzicht te hebben en in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; g.in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; h.in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; i.in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en j.voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: a.het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend; b.er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: i.schuldenproblematiek; ii.ernstige verslavingsproblematiek; iii. aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; iv.een aanmerkelijke verstandelijke beperking; v.een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; vi.een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; vii.het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift. Artikel 5.3. Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door personen die werkzaam zijn bij een instelling of aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel én die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s en kwalificaties die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, waaronder een registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd wordt verstaan.2.Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.3.Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.4.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.5.Het college kent een persoonsgebonden budget voor informele hulp enkel toe: a.als genoegzaam wordt aangetoond waarom de inzet van informele hulp leidt tot gelijke of effectievere en doelmatigere hulp dan de inzet van formele hulp; b.als deze persoon veilige, doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte zorg verleent; c.als deze persoon geen voorbehouden handelingen of handelingen verricht die op grond van de norm van verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerd professional is voorbehouden; d.als deze persoon niet meer dan 36 uur per week deze jeugdhulp levert; e.als deze persoon heeft aangegeven dat de hulp aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) voor hem niet tot overbelasting leidt; en f.voor jeugdhulp zoals benoemd in artikel 1.3 tweede lid onder i. Artikel 5.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.De kwaliteitseisen en productomschrijvingen die gelden voor de door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zijn ook van toepassing op de jeugdhulpaanbieders die hulp leveren op basis van een pgb.2.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: a.beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis; b.beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; c.houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; d.is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; e.werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; f.voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; g.stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s); h.stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige en/of zijn ouder(s) gebruik van maken; i.respecteert de privacy van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; j.neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) indien nodig voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; k.meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; l.werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en m.is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 3.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 5.3, eerste en tweede lid aan de volgende aanvullende eisen: a.handelt in overeenstemming met de professionele standaard; b.werkt op basis van een hulpverleningsplan; c.werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; d.beschikt over een onafhankelijke klachtencommissie en/of klachtenregeling; e.is aangesloten bij een beroepsvereniging en volgt beroepsmatige bijscholing; f.is aangesloten bij een intervisie- of supervisiegroep; g.hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en h.stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 4.Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel 5.5 Hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb: a.is gebaseerd op een door de jeugdige en/of zijn ouders opgesteld budgetplan inclusief begroting over hoe zij het pgb gaan besteden; b.is toereikend om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede zorg in te kopen; c.bedraagt ten hoogste het tarief van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate individuele voorziening in natura met dien verstande dat: i.voor formele hulp als bedoeld in artikel 5.3 eerste en tweede lid, verleend door personen die: 1.werkzaam zijn bij een instelling het 90% van het tarief waarvoor het college jeugdhulpaanbieders heeft gecontracteerd bedraagt; 2.aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel het 80% van het tarief waarvoor het college jeugdhulpaanbieders heeft gecontracteerd bedraagt. ii.voor informele hulp als bedoeld in artikel 5.3, derde en vierde lid, bedraagt het tarief per uur het wettelijk minimumloon per uur (inclusief vakantiegeld) bij een werkweek van 36 uur. d.indien de kosten hoger zijn dan het vastgestelde pgb tarief worden de meerkosten niet vergoed. 2.De hoogte van een pgb is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen, reiskosten en overhead.3.De actuele pgb tarieven als bedoeld in het eerste lid, zijn te raadplegen op de website van de gemeente Delft (https://www.delft.nl/persoonsgebonden-budget-jeugd-pgb). Artikel 5.6 Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb: a.kosten voor bemiddeling; b.kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; c.kosten voor het voeren van een pgb-administratie; d.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; e.kosten die worden gemaakt in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; f.kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; g.kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 4.3 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening; h.kosten die gemaakt zijn voor de melding van de hulpvraag; i.kosten die gemaakt zijn na de melding van de hulpvraag, maar voordat het college heeft beslist op de aanvraag, tenzij het college de jeugdige schriftelijk toestemming heeft verleend; j.kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. HOOFDSTUK 6 HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel 6.1 Inlichtingen 1.Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de verstrekte voorziening.2.Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doet de jeugdige en/of zijn ouder(s) op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb. Artikel 6.2 Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering 1.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, recht- en doelmatigheid daarvan en kan hierover nadere regels stellen.2.Verleners van zowel informele als formele jeugdhulp dienen volledige medewerking te verlenen aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college (of daartoe aangewezen derden) op kwaliteit en op rechtmatigheid.3.Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat: a.de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; c.de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is; d.de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb; e.de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is; f.de jeugdige en/of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 5.1, derde lid; of g.de jeugdige verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg. 4.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.5.Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet binnen 12 weken na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.6.Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het derde lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.7.Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.8.Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het derde lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel 6.3 Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1.Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.2.Het college onderzoekt periodiek met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.3.Het college treft de nodige maatrelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en pgb te waarborgen en fraude te voorkomen. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval: a.het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen; b.het college verricht zo nodig, al dan niet met tussenkomst van derden, onderzoek bij aanbieders die een subsidie- of contractrelatie met het college van de gemeente Delft onderhouden; c.het college beperkt waar nodig de looptijd van de indicaties en voert periodiek controles uit bij indicaties; d.het college bezoekt cliënten en locaties, waarbij door middel van een schouw een feitelijk onderzoek gedaan wordt naar de ervaringen met en de uitvoering van de geboden ondersteuning; e.het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen. 4.Wanneer onderzoek naar rechtmatigheid of doelmatigheid leidt tot het beëindigen of wijzigen van de overeenkomst met een aanbieder, worden de jeugdigen en ouders die hulp ontvangen van de betreffende aanbieder hierover door het college geïnformeerd en spant het college zich ervoor in dat de jeugdhulp aan deze jeugdigen en ouders wordt gecontinueerd. Artikel 6.4 Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK 7 OVERIGE BEPALINGEN Artikel 7.1 Kwaliteit 1.Jeugdhulpaanbieders en jeugdhulpverleners zorgen voor een goede kwaliteit van jeugdhulp, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. In aanvulling op hoofdstuk 4 van de wet, gelden de volgende kwaliteitseisen voor jeugdhulp: a.de jeugdhulp die geïndiceerd is, wordt in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) besproken; b.de jeugdhulp is veilig: de relatie tussen de jeugdige en/of zijn ouder(s) en beroepskracht is vertrouwd en stabiel waarbij de privacy in acht wordt genomen; c.de jeugdhulp garandeert continuïteit, samenhang en resultaten: de beroepskracht is deskundig en gericht op het behalen van resultaten en werkt waar nodig samen met andere jeugdhulpverleners dan wel andere professionals en onderhoudt contacten met de personen uit het sociaal netwerk van de jeugdige; d.de leefomgeving (wonen en verblijf) past bij de leeftijd en ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. 2.Behoudens andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen door periodieke overleggen met de jeugdhulpaanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig na overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) ter plaatse controleren van de geleverde jeugdhulp. Artikel 7.2 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering 1.Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen: a.cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten; b.cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten; c.overheadkosten; en d.kosten voor indexering. 2.Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.3.Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten. Artikel 7.3 Klachtregeling Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen en/of hun ouder(s) die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. Artikel 7.4 Inspraak en medezeggenschap 1.Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. HOOFDSTUK 8 SLOTBEPALINGEN Artikel 8.1 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 8.2 Intrekking oude verordening 1.De Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024 wordt ingetrokken per de dag van inwerkingtreding van de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027.2.Een jeugdige en/of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een eerdere verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen op basis van de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027.3.Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027, tenzij deze verordening nadeliger uitpakt voor de jeugdige en/of zijn ouders.4.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2024, wordt beslist met inachtneming van de Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027. Artikel 8.3. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 20272.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 24-09-2026 A. Pechtold - voorzitter. J. Mimpen -griffier. Bijlage I – Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedopgaven en ‘normale’ uitdagingen Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt. Leeftijd Belangrijkste milieus Ontwikkelingstaken Opvoedingsopgaven Normale uitdagingen 0-2 jaar •Gezin •Opvang •Veilige hechting; •Lichaamsbeheersing; •Exploratie & spelen; •Autonomie en individuatie. •Soepele verzorging; •sensitief en responsief reageren op gedrag van het kind; •Letterlijk beschikbaar zijn; •Structuur bieden; •Ruimte geven voor exploratie; •Spelen en praten; •Ontwikkeling stimuleren. •Voedingsproblemen; •Slaapproblemen; •Scheidingsangst; •Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; •Incidenteel huilen. 2-4 jaar •Gezin •Buurt •Opvang •Media •Representationele vaardigheid; •Taalvaardigheid en denkontwikkeling; •Zelfsturing (enige mate kunnen beheersen van emoties en gedrag); •Constructieve omgang met leeftijdgenootjes; •Socialisatie; •Zelfredzaamheid; •Sekserol-identificatie •Sensitiviteit voor cognitief niveau (praten, informatie en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren); •Respect voor autonomie én grenzen stellen; •Bevorderen zelfsturing (impulscontrole) •Angst voor vreemden, donker, geluiden en onbekende situaties; •Koppigheid; •Driftbuien; •Agressie; •Ongehoorzaamheid; •Druk gedrag; •Niet zindelijk zijn; •Zeuren/driftbuien om beeldschermgebruik. 4-6 jaar •Gezin •Basisschool •Opvang •Verenigingen •Mediaomgeving •Schoolse vaardigheden •Taal- en denkontwikkeling •Executieve vaardigheden (zelfsturing) •Gezinsnormen eigen maken, houden aan regels; •Vriendschappen sluiten; •Ontwikkeling gewetensontwikkeling / schaamte- gevoelens; •Digitale vaardigheden (apparaten gebruik beheersen/besturen) •Aanmoedigen sociaal gedrag •Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdsgenootjes; •Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; •Mediaopvoeding; •Regels en grenzen uitleggen en stellen (bv. Gedrag, mediagebruik, televisie); •Loslaten en vertrouwen geven. •Niet gegronde angsten; •Ruzies met leeftijdgenoten; •Zindelijkheid; •Schoolweigering; •Gebrek zelfsturing. 6-12 jaar •Gezin •Opvang •School •Verenigingen •Peergroep •Mediaomgeving •Vergroten zelfstandigheid •Gebruik infrastructuren (geld, vervoer, vrijetijdsvoorzieningen sociale media) •Schoolsevaardigheden; •Internet en sociale media vaardigheden; •Acceptatie door leeftijdgenoten; •Sociaal gedrag: Samenwerken, conflicten oplossen. •Bevorderen zelfsturing (taakgerichtheid); •Bewust leren omgaan met media (tijd, inhouden, contacten); •Gelegenheid geven voor omgang met leeftijdgenootjes; •Respectvol omgaan met verschillen in etniciteit en gender; •Ondersteunen bij onderwijs; •Waardering voor schoolprestaties; •Ruzies, pesten; •Concentratieproblemen; •Laag prestatieniveau; •Niet naar school willen; •Incidenteel stelen of vandalisme; •Overmatig gamen/ televisie/netflix, cyberpesten. 12-16 jaar •Gezin •School •Verenigingen •Peergroep •Mediaomgeving •Werkkring •Emotionele en praktische zelfstandigheid; •Ontwikkeling waardensysteem •Afstand nemen van ouders - peergroep wordt referentiekader; •Sociale contacten en vriendschappen leggen en onderhouden; •Seksualiteit; •Omgang met sociale media en gevaren onderkennen; •Onderwijs en beroepsvoorbereiding. •Ruimte bieden om te experimenteren en zich seksueel te kunnen ontwikkelen; •Toezicht houden; •Emotionele beschikbaarheid; •Tolerantie voor experimenten; •Leeftijdsadequaat structuur bieden en grenzen stellen; •Voorbeeldfunctie vervullen m.b.t. leefstijl en gedrag •Onzekerheid over bijvoorbeeld uiterlijk; •Onderschatting of soms overschatting van zichzelf; •Wisselend humeur; •Incidenteel spijbelen; •Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; •Twijfels over identiteit of toekomst; •Problemen met autoriteiten; •Overmatig gamen/mediagebruik, cyberpesten, sexting (dader en slachtoffer). 16-23 jaar •Gezin •School •Verenigingen •Peergroep •Internetgroep •Werkkring •Overgang van jeugd naar volwassenheid; •Loskomen van ouderlijk gezag; •Ontwikkeling eigen waarden en normen; •Onafhankelijkheid; •Duurzame relaties aangaan. •Meer symmetrische relatie aan gaan met de jongere; •Emotionele, financiële en praktische steun; •Eigen keuzes en beslissingen laten maken; •Accepteren seksuele keuzes. •Stemmingswisselingen; •Incidenteel gebruik van alcohol en drugs; •Twijfels over identiteit of toekomst; •Problemen met autoriteiten.

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027"

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Besluit van Provinciale Staten van Zuid-Holland van {dag} {maand} {jaar}, nr. XXXX tot wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in verband met de Wet en het Besluit versterking regie volkshuisvesting

APV

APV

Verordening jeugdhulp gemeente Delft 2027

Mededelingen

Mededelingen

Hoogheemraadschap van Delfland – Kennisgeving schouw waterkeringen

Mededelingen

Mededelingen

Besluitenlijst Bestuurscommissie Vervoersautoriteit Woensdag 23 september 2026 MRDH, Westersingel 12, Rotterdam

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Omgevingsvisie Zuid-Holland technische update 1 oktober 2026

APV

APV

Besluit hoofdplafond en deelplafonds 2027 Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Omgeving

Omgeving

Benoeming lid van de provinciale staten van Zuid-Holland

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 18 november 2025, PZH-2025-882003266, tot vaststelling van het hoofdplafond en deelplafonds voor 2026 voor de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 (Besluit hoofdplafond en deelplafonds 2026...

Mededelingen

Mededelingen

Aanwijzingsbesluit Dienst van Algemeen Economisch Belang (DAEB) energiearmoede woningcorporaties

Omgeving

Omgeving

Benoeming lid van de provinciale staten van Zuid-Holland

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Omgevingsprogramma Zuid-Holland technische update 1 oktober 2026

Omgeving

Omgeving

Benoeming lid van de provinciale staten van Zuid-Holland