Instructie voor de Leerplichtambtenaar Ede 2026
Locatie
Soort
Mededelingen
Gepubliceerd op
2026-07-23
Gepubliceerd door
Gemeente Ede
Informatie
Instructie voor de Leerplichtambtenaar Ede 2026 -Het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Ede; -gelezen het voorstel 14 juli 2026, zaaknummer 510246 -gelet op: -artikel 16, vierde lid, van de Leerplichtwet 1969, waarin is bepaald dat het college een instructie vaststelt voor de uitvoering van de taken van de leerplichtambtenaar; -artikel 17 van de Leerplichtwet 1969, betreffende het aangaan van een gemeenschappelijke regeling ten behoeve van het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet 1969; -overwegende dat: -het wenselijk is toezicht op de naleving van de leerplicht in een instructie vast te leggen; -het tevens wenselijk is de bestaande instructie te actualiseren in verband met gewijzigde wet- en regelgeving en nieuwe inzichten; Besluit: Vast te stellen de Instructie voor de Leerplichtambtenaar Ede 2026, luidende als volgt. Artikel 1. Begripsbepalingen a)de wet: de Leerplichtwet 1969 en Leerplichtregeling 1995; b)college: burgemeesters en wethouders van de gemeente Ede; c)leerplichtambtenaar: de ambtenaar die door het college is aangewezen tot leerplichtambtenaar en die de eed of belofte als bedoeld in artikel 16 van de wet heeft afgelegd; d)administratief medewerker: de ambtenaar die belast is met de administratieve ondersteuning van de leerplichtambtenaar, waaronder in ieder geval de uitvoering en controle van de leerlingenadministratie; e)directeur: het hoofd, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de wet, zijnde degene die belast is met de leiding van een school of instelling; f)ouders/verzorgers: personen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet; g)kind/jongere: een persoon in de leeftijd van vijf tot achttien jaar die leerplichtig of kwalificatieplichtig is; h)sociaal wijkteam: een lokaal team voor jeugd- en gezinsondersteuning, waaronder mede wordt verstaan een gebiedsteam, wijkteam, sociaal team, jeugdteam, lokaal team of Centrum voor Jeugd en Gezin; i)hij/zijn: waar we in de tekst ‘hij’ of zijn gebruiken, bedoelen we ook zij/die/haar/hen/hun/diens. Artikel 2. Preventie 1.De leerplichtambtenaar draagt zorg voor het bevorderen van preventie van schoolverzuim door het tijdig en proactief verstrekken van informatie aan leerlingen, ouders en betrokken instellingen. Deze informatievoorziening vindt onder meer plaats via digitale kanalen, schoolgidsen, brochures en het beantwoorden van vragen.2.De leerplichtambtenaar ziet erop toe dat ouders van kinderen die de leeftijd van vijf jaar naderen en nog niet bij een school staan ingeschreven, deze kinderen tijdig inschrijven. 3.De leerplichtambtenaar controleert de doorstroom van leerlingen naar vervolgonderwijs. In dat kader gaat de medewerker na of jongeren die het vmbo hebben verlaten zich hebben aangemeld voor een vervolgopleiding en biedt, indien nodig, ondersteuning of bemiddeling bij inschrijving. 4.De leerplichtambtenaar draagt zorg voor periodieke afstemming met scholen of instellingen binnen het werkgebied. Daarbij worden scholen of instellingen geïnformeerd over de werkzaamheden van de leerplichtfunctie, afspraken over het melden en opvolgen van verzuim en eventuele ontwikkelingen in wet- en regelgeving.5.De leerplichtambtenaar draagt zorg voor afstemming en samenwerking met relevante ketenpartners, waaronder scholen of instellingen en zorginstanties. Indien sprake is van complexe problematiek kan, met inachtneming van de geldende privacyregelgeving en met toestemming van ouders dan wel van de jongere van zestien jaar of ouder, overleg plaatsvinden in multidisciplinair verband over de noodzakelijke aanpak en taakverdeling.6.De leerplichtambtenaar handelt overeenkomstig de voor hem geldende afspraken die voortvloeien uit regionale samenwerkingsafspraken, waaronder afspraken met betrekking tot de aanpak voortijdig schoolverlaten. 7.De leerplichtambtenaar past bij de aanpak van schoolverzuim zoveel mogelijk de Methodische Aanpak Schoolverzuim (hierna: MAS) toe. Indien daarvan wordt afgeweken, wordt dit gemotiveerd vastgelegd in het dossier van de betreffende jongere. Artikel 3. Leerlingenadministratie en absoluut verzuim 1.De leerplichtambtenaar en administratief medewerker dragen zorg voor een actuele leerlingenadministratie.2.In de leerlingenadministratie worden persoonsgegevens opgenomen van jongeren die als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven en voor wie op grond van de wet een verplichting tot schoolinschrijving geldt (5 t/m 17 jaar). De bewaartermijn van de gegevens is conform de selectielijsten van de Archiefwet 1995, de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) en de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Indien er geen bewaartermijn is aangegeven stelt de gemeente zelf een redelijk bewaartermijn.3.De leerlingenadministratie wordt bijgehouden op basis van mutaties uit de basisregistratie personen die betrekking hebben op de in het tweede lid bedoelde personen.4.De administratief medewerker controleert of mutaties van scholen met betrekking tot in- en uitschrijvingen tijdig zijn ontvangen. Indien een school in gebreke blijft, onderneemt de leerplichtambtenaar passende actie richting de directeur.5.De leerplichtambtenaar kan het verwijtbaar in gebreke blijven van de directeur, een signaal afgeven aan de Inspectie van het Onderwijs, zoals opgenomen in artikel 19 van deze instructie.6.De administratief medewerker controleert periodiek of leerplichtige en kwalificatieplichtige jongeren staan ingeschreven bij een school of instelling. Indien er aanwijzingen zijn dat een jongere niet staat ingeschreven, wordt nader onderzoek verricht en zo nodig contact opgenomen met de ouders en de laatst bekende school van inschrijving. Indien geen geldige inschrijving wordt vastgesteld, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 8 van deze instructie.7.Indien een jongere jonger dan 18 jaar en zonder startkwalificatie wordt uitgeschreven van een school, dient daar een aansluitende inschrijving bij een andere school of instelling dan wel een vrijstelling van inschrijving tegenover te staan. Indien deze registratie niet sluitend is, wordt nader onderzoek verricht naar de schoolinschrijving van de jongere, waarbij zo nodig contact wordt opgenomen met de betrokken school en de ouders.8.Indien een jongere wordt ingeschreven in de basisregistratie personen van een andere gemeente, worden de schoolhistorische gegevens overgedragen aan de nieuwe woongemeente.9.Indien blijkt dat een jongere mogelijk in strijd met de wet staat ingeschreven in de basisregistratie personen van de gemeente, pleegt de leerplichtambtenaar overleg met de leerplichtambtenaar van de woongemeente. Artikel 4. Leerlingendossier 1.De leerplichtambtenaar legt een leerlingendossier aan indien hij in het kader van de uitvoering van de wet contact heeft met de jongere of met derden over ten minste één van de volgende onderwerpen: a.vervangende leerplicht; b.vrijstelling van inschrijving; c.vrijstelling van schoolbezoek; d.(een vermoeden van) absoluut verzuim; e.(een vermoeden van) relatief verzuim, langdurig relatief verzuim, luxe verzuim of overig verzuim; f.(een vermoeden van) voortijdig schoolverlaten; g.indien er sprake is van ongeoorloofd verzuim dat leidt tot bespreking in een (preventief) georganiseerd overleg, zoals een Zorg- en Adviesteam (hierna: ZAT) of multidisciplinair overleg (hierna: MDO); 2.In het leerlingendossier neemt de leerplichtambtenaar de volgende gegevens op: a.burgerservicenummer, onderwijsnummer of administratienummer; b.de voornamen en achternaam; c.het geslacht; d.de geboortedatum; e.het telefoonnummer; f.de naam, voornamen, voorletters, titulatuur, het geslacht, de geboortedatum, het adres, de postcode, de woonplaats en het telefoonnummer van de ouders, voogden of verzorgers; g.de school of scholen van inschrijving, met vermelding van de gevolgde klassen en/of onderwijssoort; h.kennisgevingen van een beroep op vrijstelling van inschrijving; i.kennisgevingen van (vermoedelijk) schoolverzuim; j.meldingen van verzuim afkomstig uit het Register Onderwijsdeelnemers (hierna: ROD) van Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO); k.verzuimoverzichten en aanvullende informatie van de school of instelling; l.aanvragen en besluiten met betrekking tot vrijstelling van schoolbezoek; m.afschriften van correspondentie met betrekking tot de jongere, voor zover sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim; n.verslagen van gesprekken met of over de jongere, voor zover sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim; o.aantekeningen en notities met betrekking tot de jongere, voor zover sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim; p.een afschrift van een melding aan de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB); q.een afschrift van een verwijzing naar Halt; r.een afschrift van een opgelegde last onder dwangsom; s.een afschrift van een proces-verbaal met betrekking tot de jongere; t.gegevens over eventueel behaalde diploma’s; u.gegevens over persoonlijke omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het behalen van een startkwalificatie, voor zover sprake is van ongeoorloofd schoolverzuim. 3.De leerplichtambtenaar verstrekt gegevens uit het leerlingendossier aan derden uitsluitend voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet en binnen de grenzen die worden gesteld door de AVG en de Wpg. Artikel 5. Verlof wegens andere gewichtige omstandigheden 1.De leerplichtambtenaar bevestigt de ontvangst van een aanvraag zo spoedig mogelijk aan de ouders en vermeldt daarbij de termijn waarbinnen een besluit wordt genomen. Indien de periode tussen de ontvangst van de aanvraag en de datum waarop het gevraagde verlof ingaat korter is dan de termijn die redelijkerwijs nodig is om een besluit te nemen, wijst de leerplichtambtenaar de ouders erop dat zij de wet kunnen overtreden indien zij, terwijl de aanvraag nog niet of niet volledig is gehonoreerd, desondanks gebruikmaken van het aangevraagde verlof. Indien de aanvraag betrekking heeft op verlof voor ten hoogste tien schooldagen: a.zendt de leerplichtambtenaar de aanvraag door naar het hoofd van de school of instelling overeenkomstig artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); b.stelt hij de ouders in kennis van de doorzending; c.zendt hij een afschrift van de kennisgeving aan de directeur van de betreffende school of instelling. 2.Indien een aanvraag onvolledig is, stelt de leerplichtambtenaar de ouders in de gelegenheid de aanvraag aan te vullen. Daartoe: a.stelt hij een termijn van ten minste één week en ten hoogste drie weken, overeenkomstig artikel 4:5 van de Awb; b.kan hij een formulier vaststellen voor het aanvullen van de aanvraag. 3.De leerplichtambtenaar bereidt de beslissing op een aanvraag zorgvuldig voor, overeenkomstig artikel 2:4 van de Awb. In dat kader: a.hoort hij de directeur van de school of instelling over de aanvraag en legt diens oordeel schriftelijk vast; b.kan hij de jongere en de ouders in de gelegenheid stellen hun zienswijze kenbaar te maken; c.legt hij de zienswijze van de ouders schriftelijk vast indien een voorgenomen beslissing geheel of gedeeltelijk van de aanvraag afwijkt, overeenkomstig artikel 4:7 van de Awb; d.stelt hij een belanghebbende die niet de aanvraag heeft ingediend maar waarvan bekend is dat deze bedenkingen heeft tegen het voorgenomen besluit in de gelegenheid zijn zienswijze kenbaar te maken, overeenkomstig artikel 4:8 van de Awb; e.bepaalt hij op welke plaats de directeur, de ouders of de jongere hun zienswijze kenbaar kunnen maken. 4.De leerplichtambtenaar legt de behandeling van de aanvraag zorgvuldig vast in het leerlingendossier.5.De leerplichtambtenaar beslist op een aanvraag om verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor meer dan tien schooldagen, overeenkomstig artikel 14, derde lid, van de wet. Bij de beoordeling: a.onderzoekt hij of er sprake is van omstandigheden die buiten de wil of invloedssfeer van de ouders of jongere zijn gelegen als bedoeld in artikel 11, onderdeel g, van de wet; b.kan onder meer sprake zijn van familieomstandigheden, een medische indicatie of een sociale indicatie; c.deelt hij de beslissing schriftelijk mee aan de ouders; d.zendt hij een afschrift van de beslissing aan de directeur van de school of instelling. 6.De leerplichtambtenaar kan de directeur, van de school of instelling, op diens verzoek adviseren over de behandeling en beoordeling van een aanvraag om verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste tien schooldagen als bedoeld in artikel 11, onderdeel g, van de wet. Indien een dergelijk advies wordt gegeven deelt de directeur de beslissing op de aanvraag mee aan de leerplichtambtenaar.7.De leerplichtambtenaar kan de directeuren van de betrokken scholen of instellingen gevraagd of ongevraagd adviseren over het te voeren beleid met betrekking tot aanvragen voor verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste tien schooldagen als bedoeld in artikel 11, onderdeel g, van de wet, met het oog op het bevorderen van rechtsgelijkheid.8.Indien tegen een besluit als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel bezwaar wordt gemaakt, laat de leerplichtambtenaar zich adviseren door de gemeentelijke commissie voor de bezwaarschriften, overeenkomstig hoofdstuk 7 van de Awb. Artikel 6. Behandeling melding relatief verzuim 1.Meldingen van schoolverzuim worden ontvangen via het ROD van DUO. De administratief medewerker: a.maakt een leerlingendossier aan of voegt de melding toe aan het reeds aanwezige dossier; b.meldt binnen een week via het Register Onderwijsdeelnemers (ROD) van DUO welke acties naar aanleiding van de kennisgeving worden ondernomen, overeenkomstig artikel 21a van de wet. 2.De leerplichtambtenaar stelt naar aanleiding van een melding of kennisgeving een onderzoek in naar het gemelde verzuim, overeenkomstig artikel 22 van de wet. In dat kader: a.zoekt hij onverwijld contact met de ouders en stelt hen in de gelegenheid mondeling of schriftelijk nadere uitleg over het gemelde verzuim te geven; b.informeert hij de ouders over de procedure en mogelijke consequenties; c.zoekt hij, indien het een jongere van twaalf jaar of ouders betreft, tevens contact met de jongere; d.voert hij, indien sprake blijkt te zijn van ongeoorloofd verzuim, een gesprek met de ouders en de jongere; e.maakt hij van het gesprek een verslag, dat wordt opgenomen in het leerlingendossier; f.verstrekt hij op verzoek van de ouders of de jongere een kopie van het gespreksverslag; g.onderhoudt hij zo nodig contact met de ouders, de jongere en betrokken organisaties om het verzuim zo spoedig mogelijk te beëindigen; h.kan hij, indien hij dat noodzakelijk acht, een huisbezoek afleggen. 3.De leerplichtambtenaar bevordert in het kader van het onderzoek en de beëindiging van het verzuim de samenwerking met betrokken partijen. In dat kader: a.draagt hij zorg voor terugkoppeling over zijn handelswijze en bevindingen in het ZAT van de school of binnen een MDO, voor zover de jongere daar reeds wordt besproken; b.kan hij een bemiddelende rol vervullen bij het zoeken naar een andere school of passende leerroute, bij voorkeur in overleg met het samenwerkingsverband. 4.De leerplichtambtenaar draagt er zorg voor dat een melding van verzuim binnen een zo kort mogelijke periode wordt afgehandeld, overeenkomstig artikel 22 van de wet. Daartoe: a.stelt hij degene die de melding heeft gedaan, de ouders en, indien het een jongere van twaalf jaar of ouder betreft, ook de jongere schriftelijk in kennis van de afhandeling; b.kan hij anderen die bij de verzuimsituatie zijn betrokken mondeling of schriftelijk informeren. 5.De leerplichtambtenaar kan afzien van het opmaken van een proces-verbaal en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien sprake is van een overtreding van de verplichtingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, en: a.sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten, maar zonder kennelijke opzet tot het plegen van een overtreding; of b.sprake is van eerste overtreding waarbij tevens sprake is van zorg; of c.het verzuim van lichte aard is, namelijk korter dan zestien uur binnen vier aaneengesloten weken. 6.Indien uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een vrijstelling en sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de ouders of van een jongere van zestien jaar of ouder in strijd met artikel 2, eerste lid, van de wet, kan de leerplichtambtenaar, overeenkomstig artikel 18 van deze instructie, een melding doen aan de SVB. Indien de leerplichtambtenaar voornemens is een dergelijke melding te doen: a.roept hij de ouders en de jongere van zestien jaar of ouder op voor een gesprek; b.maakt hij daarbij kenbaar dat hij voornemens is een melding te doen bij de SVB. 7.Indien uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een vrijstelling en sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van een jongere die tevens voldoet aan de criteria voor verwijzing naar Halt in verband met overtreding van artikel 2, derde lid, van de wet, kan de leerplichtambtenaar die tevens bevoegd is als buitengewoon opsporingsambtenaar besluiten tot een verwijzing naar Halt. Daartoe doorloopt hij de stappen 1 tot en met 9 van de route Halt-interventie schoolverzuim in de MAS. 8.Indien uit het onderzoek blijkt dat geen sprake is van een vrijstelling en dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van de ouders of van een jongere van twaalf jaar of ouder, en verwijzing naar Halt niet aan de orde is , maakt de leerplichtambtenaar die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is een proces-verbaal op wegens overtreding van artikel 2, eerste en derde lid, van de wet. Daartoe: a.roept hij de ouders en de jongere van twaalf jaar of ouder op voor een verhoor; b.maakt hij bij de oproep kenbaar dat hij voornemens is een proces-verbaal op te maken; c.zendt hij het proces-verbaal aan de officier van justitie en kan hij, gelijktijdig, een melding doen bij de SVB. 9.De leerplichtambtenaar kan het college voorstellen een last onder dwangsom op te leggen indien dit naar zijn oordeel kan bijdragen aan het beëindigen van het verzuim of het voorkomen van herhaling, wegens overtreding van artikel 2, eerste lid en derde lid, van de wet.10.Indien de leerplichtambtenaar kennisneemt van schoolverzuim waarvan geen melding is gedaan door de directeur, stelt hij een onderzoek in naar de reden van het niet melden. Indien blijkt dat de directeur onwillig of nalatig is in het nakomen van deze verplichting kan de leerplichtambtenaar hiervan een signaal afgeven aan de Inspectie van het Onderwijs.11.De leerplichtambtenaar kan de directeur gevraagd of ongevraagd adviseren over het beleid met betrekking tot het registreren van verzuim en het doen van meldingen van verzuim, overeenkomstig artikel 21a van de wet. Daartoe: a.kan hij adviseren over maatregelen ter bevordering van een effectief verzuim- of aanwezigheidsbeleid en de rechtsgelijkheid in de behandeling van verzuim; b.kan hij directeuren verzoeken om eerder een melding van verzuim te doen dan wettelijk is voorgeschreven indien dit doelmatig is met het oog op verzuimbestrijding. 12.Luxe verzuim wordt aangemerkt als relatief verzuim. De leerplichtambtenaar handelt daarbij overeenkomstig de verplichtingen, bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de wet. Indien sprake is van luxe verzuim: a.maakt de leerplichtambtenaar die tevens buitengewoon opsporingsambtenaar is een proces-verbaal op indien het verzuim meer dan één dag bedraagt of sprake is van recidive; b.kan tevens een proces-verbaal worden opgemaakt indien het verzuim één dag bedraagt en plaatsvindt op de laatste schooldag voorafgaand aan een schoolvakantie waarvoor een aangekondigde leerplichtactie plaatsvindt. 13.De leerplichtambtenaar: a.verstrekt een terugkoppeling over de procedure aan de betrokken ketenpartners en aan de ouder en/of jongere vanaf zestien jaar; b.sluit de melding af in het ROD van DUO. Artikel 7. Onderzoek naar absoluut verzuim 1.Indien blijkt dat een leerplichtige of kwalificatieplichtige jongere niet als leerling is ingeschreven zonder dat daarvoor een grond of vrijstelling aanwezig is, stelt de leerplichtambtenaar onverwijld een onderzoek in, doch uiterlijk binnen vijf werkdagen, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. In dat kader: a.onderzoekt hij of het ontbreken van een inschrijving het gevolg is van een administratieve onvolkomenheid; b.neemt hij, indien de jongere voorafgaand aan het absolute verzuim wel op een school of instelling stond ingeschreven, contact op met de directeur van die school of instelling en vraagt diens zienswijze over het opgetreden absolute verzuim. 2.Indien niet blijkt dat sprake is van een administratieve onvolkomenheid, zoekt de leerplichtambtenaar onverwijld, doch uiterlijk binnen vijf werkdagen, contact met de ouders en stelt hen in de gelegenheid een toelichting te geven op het uitblijven van een inschrijving van de jongere, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. De leerplichtambtenaar kan de ouders uitnodigen voor een gesprek.3.Indien in het gesprek met de ouders wordt vastgesteld dat de jongere moet worden ingeschreven of dat een andere maatregel moet worden genomen om het absolute verzuim te beëindigen, controleert de leerplichtambtenaar binnen vijf werkdagen of aan deze verplichting gevolg is gegeven, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. Indien aan het advies: a.gevolg is gegeven, wordt dit vastgelegd in het leerlingendossier; b.geen gevolg is gegeven, kan proces-verbaal worden opgemaakt en, indien de jongere de leeftijd van zestien of zeventien jaar heeft bereikt, een melding worden gedaan aan de SVB. 4.De leerplichtambtenaar kan het college voorstellen een last onder dwangsom op te leggen indien hij van oordeel is dat deze maatregel kan bijdragen aan het beëindigen van het absolute verzuim. Artikel 7a. Melding mbo-student zonder startkwalificatie 1.Indien een melding wordt gedaan dat een mbo-student wordt uitgeschreven zonder dat deze een startkwalificatie heeft behaald en de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, onderzoekt de leerplichtambtenaar de situatie van de jongere, overeenkomstig artikel 4a van de wet. In dat kader: a.gaat de administratief medewerker na of de jongere het diploma van de entreeopleiding heeft behaald; b.wordt, indien blijkt dat de jongere geen diploma heeft behaald, de procedure toegepast als bedoeld in artikel 7 van deze instructie. 2.Indien blijkt dat de jongere het diploma van de entreeopleiding heeft behaald, stelt de leerplichtambtenaar een onderzoek in naar de verdere begeleiding van de jongere. In dat kader: a.neemt hij contact op met de entreeopleiding en het Doorstroompunt om na te gaan in hoeverre aanvullende loopbaanbegeleiding wordt ingezet, overeenkomstig artikel 9.2.12 respectievelijk artikel 9.2.5 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB); b.maakt hij, in overleg met de entreeopleiding en het Doorstroompunt, een afweging over wie de vervolgstappen zet om de jongere te begeleiden naar onderwijs en of werk. Artikel 8. Kennisgeving in- en uitschrijvingen en (dreigend) voortijdig schoolverlaten 1.Kennisgevingen van een voorgenomen beslissing tot verwijdering van een leerling en kennisgevingen van uitschrijving worden ontvangen door de administratief medewerker, overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de wet. In dat kader: a.wordt een leerlingendossier aangemaakt of wordt de kennisgeving toegevoegd aan het reeds aanwezige dossier; b.zijn artikel 6, tweede tot en met negende lid, van deze instructie van overeenkomstige toepassing. 2.Indien de leerplichtambtenaar kennisneemt van verwijdering van een jongere zonder dat daarvan overeenkomstig de wettelijke bepalingen melding is gedaan, stelt hij een onderzoek in naar de oorzaak hiervan, overeenkomstig artikel 18, eerste lid, van de wet. Indien blijkt dat de directeur onwillig of nalatig is in het nakomen van deze verplichting: a.roept de leerplichtambtenaar de directeur op voor een gesprek; b.maakt hij een dossier van zijn bevindingen op; c.beslist hij of hij een signaal geeft aan de Inspectie van het Onderwijs, zoals opgenomen in artikel 19 van deze instructie. 3.De leerplichtambtenaar kan op verzoek van een directeur advies geven over de aanpak ter voorkoming van verwijdering van een bij de school ingeschreven jongere, overeenkomstig artikel 2, eerste lid, van de wet. Indien de leerplichtambtenaar een dergelijk advies geeft, deelt de directeur aan de leerplichtambtenaar mee op welke wijze hij met het advies omgaat. Artikel 9. Vervangende leerplicht 1.De leerplichtambtenaar besluit namens het college op aanvragen tot het toestaan van vervangende leerplicht, overeenkomstig artikel 3a en artikel 3b van de wet.2.De leerplichtambtenaar controleert of bij de aanvraag een plan van aanpak is opgesteld dat voorziet in een begeleidingsprogramma met een beschrijving van de onderwijsdoelen en de praktijktijd, opgesteld door: a.de school waar de jongere is ingeschreven, indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 3a van de wet; b.de instelling waar de jongere wenst te worden ingeschreven, indien het een aanvraag betreft als bedoeld in artikel 3b van de wet. 3.Indien de leerplichtambtenaar constateert dat een jongere mogelijk verkeert in de omstandigheden bedoeld in artikel 3a of artikel 3b van de wet, draagt hij er zorg voor dat binnen tien werkdagen gesprekken worden gevoerd over: a.het aangepaste onderwijs- en begeleidingsprogramma en de praktijktijd; of b.arbeid van lichte aard. 4.De leerplichtambtenaar draagt er zorg voor dat de afspraken die tijdens de gesprekken worden gemaakt schriftelijk worden vastgelegd. In dat kader: a.worden de afspraken opgenomen in het leerlingendossier; b.worden degenen die betrokken zijn bij het opstellen van het onderwijs- en begeleidingsprogramma, de praktijktijd of de arbeid van lichte aard binnen vijf werkdagen schriftelijk geïnformeerd. 5.De leerplichtambtenaar draagt er zorg voor dat het programma op voor ouders en de jongere begrijpelijke wijze wordt toegelicht. De leerplichtambtenaar draagt er tevens zorg voor dat: a.de ouders het aanvraag tot het toestaan van vervangende leerplicht ondertekenen; b.de aanvraag wordt ingediend bij het college. 6.De leerplichtambtenaar draagt zorg voor een adequate informatieverstrekking aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SZW), overeenkomstig artikel 3b van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995. Artikel 10. Vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs 1.De leerplichtambtenaar besluit namens het college op een aanvraag tot toepassing van vrijstelling wegens het volgen van ander onderwijs, overeenkomstig artikel 15 van de wet.2.Op de vraag of de jongere op andere wijze voldoende onderwijs geniet, neemt de leerplichtambtenaar de volgende punten mee in zijn afweging: a.de vraag of het onderwijs bijdraagt aan het behalen van een startkwalificatie; b.de vraag of de hoeveelheid tijd die met het onderwijs is gemoeid in redelijke verhouding staat tot de omvang van het onderwijs; c.De leerplichtambtenaar kan aan het besluit voorwaarden verbinden. 3.Indien een jongere van zeventien jaar in dienst treedt bij Defensie, verstrekt de jongere aan de leerplichtambtenaar een kopie van de aanstellingsbrief waarin wordt verklaard dat de jongere bij Defensie in dienst is en voor welke functie hij of zij is bestemd. De leerplichtambtenaar: a.toetst de aanstellingsbrief marginaal; b.verleent op grond daarvan vrijstelling van de leerplicht aan de jongere en diens ouders overeenkomstig artikel 15 van de wet; c.vermeldt in de vrijstellingsbrief het defensiepersoneelsnummer van de jongere; d.zendt de vrijstellingsbrief aan de jongere en diens ouders en een afschrift aan het Dienstencentrum Human Resources van Defensie. 4.Indien de aanstelling bij Defensie vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar wordt beëindigd, doet Defensie hiervan melding aan de afdeling Leerplicht van de woongemeente. In dat geval: a.vermeldt Defensie in de ontslagbrief dat dit ontslag de grond voor vrijstelling van de leerplicht vervalt; b.vermeldt Defensie in de ontslagbrief dat de betrokkene zich bij een school of instelling moet melden voor het behalen van een startkwalificatie. 5.Nadat de jongere uit dienst is getreden en wordt gemeld bij de afdeling leerplicht van de woongemeente, controleert de leerplichtambtenaar of de kwalificatieplicht wordt nageleefd, overeenkomstig artikel 4a van de wet. Artikel 11. Vrijstelling van de inschrijfplicht 1.De leerplichtambtenaar neemt een kennisgeving van een beroep op vrijstelling van de inschrijvingsplicht, als bedoeld in artikel 6 van de wet, in ontvangst. De leerplichtambtenaar: a.zendt de ouders een ontvangstbevestiging; b.deelt daarbij mee binnen welke termijn zij bericht ontvangen over de ontvankelijkheid van het beroep op vrijstelling. 2.Indien de kennisgeving betrekking heeft op de vrijstellingsgrond bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de wet, draagt de leerplichtambtenaar zorg voor dat een door de gemeente aangewezen deskundige de jongere onderzoekt en een schriftelijke verklaring afgeeft over de geschiktheid van de jongere voor het onderwijs. In dat kader: a.tracht hij te bewerkstelligen dat het onderzoek binnen twintig werkdagen plaatsvindt; b.vraagt hij de ouders toestemming zodat de deskundige een overleg kan voeren met het samenwerkingsverband waarbij de jongere is aangesloten; c.De leerplichtambtenaar bericht de ouders binnen tien werkdagen na ontvangst van de verklaring van de deskundige of is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het ontstaan van de vrijstelling. 3.Indien de kennisgeving betrekking heeft op de grond bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet, onderzoekt de leerplichtambtenaar de bij de kennisgeving overgelegde bescheiden. In dat kader: a.stelt hij vast of een verklaring is overgelegd waaruit blijkt dat de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs, op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen of instellingen; b.wanneer binnen redelijke afstand van de woning openbaar onderwijs beschikbaar is, ligt het niet voor de hand dat een beroep op artikel 5 onder b van de wet slaagt. Uitgangspunt is immers, dat het openbaar onderwijs in Nederland voldoet aan het criterium dat onderwijs van godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke aard plaatsvindt op een objectieve, kritische en pluralistische wijze; c.stelt hij vast of de jongere een jaar voorafgaand aan de dagtekening van de kennisgeving, ingeschreven heeft gestaan op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit; d.beoordeelt hij de aanvraag per kind en houdt rekening met individuele omstandigheden; e.beoordeelt hij herhaalverzoeken opnieuw en individueel; f.hanteert hij als uitgangspunt dat wordt toegewerkt naar deelname aan erkend onderwijs; g.hanteert hij bij de beoordeling van aanvragen voor nog niet leerplichtige kinderen binnen hetzelfde gezin dezelfde procedure als voor de oudere kinderen in het gezin die al een vrijstelling hebben, uitsluitend gedurende het overgangsjaar schooljaar 2026–2027. 4.Indien de kennisgeving betrekking heeft op de grond bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet, en nog geen verklaring van de directeur van de buiten Nederland gelegen school of instelling is overgelegd, beoordeelt de leerplichtambtenaar de kennisgeving. In dat kader: a.informeert hij de ouders op welke wijze en op welk moment moet worden a aangetoond dat de jongere in het buitenland onderwijs volgt; b.De leerplichtambtenaar bericht de ouders schriftelijk binnen twintig werkdagen na ontvangst van de kennisgeving of is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het ontstaan van de vrijstelling. 5.Indien de kennisgeving niet voldoet aan de wettelijke eisen, stelt de leerplichtambtenaar de ouders in de gelegenheid de jongere alsnog in te schrijven op een school of instelling binnen een redelijke termijn van doorgaans ten hoogste twintig werkdagen. Indien de kennisgeving voldoet aan de wettelijke eisen: a.deelt de leerplichtambtenaar de ouders mee voor welke periode de vrijstelling geldt; b.vermeldt hij vóór welke datum een nieuwe kennisgeving moet worden ingediend indien opnieuw een beroep op vrijstelling wordt gedaan; c.wordt de vrijstelling geregistreerd in het ROD. Artikel 12. Vaststelling of een onderwijsvoorziening als school in de zin van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt 1.Indien de leerplichtambtenaar van de ouders de melding ontvangt dat een jongere onderwijs volgt bij een nog niet erkende particuliere of niet-bekostigde onderwijsvoorziening, onderzoekt hij of deze onderwijsvoorziening kan worden aangemerkt als een school in de zin van de wet. In dat kader: a.neemt hij contact op met de Inspectie van het Onderwijs om te verifiëren of de onderwijsvoorziening bij de inspectie bekend is en of, en zo ja wanneer, een advies wordt uitgebracht over de vraag of de voorziening als school in de zin van de wet kan worden beschouwd; b.wijst hij ouders erop dat zij, indien zij zelf een particuliere school oprichten, binnen vier weken na feitelijke start hiervan melding moeten doen bij DUO, overeenkomstig artikel 1a en 1a1 van de wet. 2.Indien een jongere reeds staat ingeschreven bij een school of instelling, wordt pas tot uitschrijving overgegaan nadat de nieuwe onderwijsvoorziening erkend is als school in de zin van de wet.3.De leerplichtambtenaar volgt het advies van de Inspectie van het Onderwijs over de vraag of de onderwijsvoorziening een school is als bedoeld in de wet.4.Indien de Inspectie van het Onderwijs vaststelt dat een onderwijsvoorziening niet of niet langer voldoet aan de criteria om als school in de zin van de wet te worden aangemerkt, stelt de leerplichtambtenaar: a.de ouders van de betrokken leerlingen binnen zeven dagen schriftelijk op de hoogte van dit feit; of b.verzekert hij zich ervan dat de onderwijsvoorziening de ouders schriftelijk van dit besluit in kennis heeft gesteld. Artikel 13. Aanwijzing deskundige 1.De leerplichtambtenaar draagt zorg voor de aanwijzing door het college van een arts, pedagoog of psycholoog als deskundige die een verklaring afgeeft over de geschiktheid van een jongere voor toelating tot een school of instelling. Met de deskundige maakt hij afspraken over de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en een schriftelijke verklaring wordt opgesteld, overeenkomstig artikel 7 van de wet.2.Indien de ouders toestemming hebben gegeven en, voor zover de jongere zestien jaar of ouder is, tevens de jongere zelf, bevordert de leerplichtambtenaar dat de deskundige overleg kan voeren met het samenwerkingsverband over het onderwijskundig perspectief van de jongere. Artikel 14. Melding aan de Raad voor de Kinderbescherming 1.Indien de leerplichtambtenaar een proces-verbaal wegens relatief verzuim aan de officier van justitie zendt, zendt hij tevens een afschrift van dit proces-verbaal aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK).2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien sprake is van een proces-verbaal wegens recidive, waarbij ouders als verdachte zijn opgenomen. 3.Voordat een proces-verbaal wordt opgemaakt, kan de leerplichtambtenaar advies inwinnen bij het Adviesteam van de RvdK over de voor de jongere en diens gezin aangewezen route, waaronder vrijwillige hulpverlening, verwijzing naar Halt, of een civielrechtelijk of strafrechtelijk traject. Artikel 15. Melding aan Veilig Thuis 1.Indien de leerplichtambtenaar in het kader van een onderzoek aanwijzingen heeft dat sprake kan zijn van verwaarlozing of een andere vorm van kindermishandeling, kan hij zijn bevindingen melden bij Veilig Thuis. 2.De leerplichtambtenaar deelt zijn beslissing om een melding/rapport aan Veilig Thuis te doen schriftelijk mee aan de ouders. Wanneer de jongere zestien jaar of ouder is, wordt de melding ook schriftelijk aan de jongere meegedeeld. 3.De leerplichtambtenaar neemt een afschrift van het rapport op in het leerlingendossier, voor zover dit in overeenstemming is met de AVG. Artikel 16. Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling De leerplichtambtenaar past bij signalen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling toe. Daarbij wordt gewerkt volgens de vijf stappen van de meldcode zoals vastgelegd in het geldende afwegingskader voor onderwijs, leerplicht en het Doorstroompunt1. Artikel 17. Melding aan de inspectiedienst van het Ministerie van SZW De leerplichtambtenaar draagt zorg voor een adequate informatieverstrekking aan het districtshoofd van de Arbeidsinspectie van het Ministerie van SZW, met betrekking tot: a.jongeren voor wie vervangende leerplicht is toegestaan op grond van artikel 3b van de wet; b.jongeren van zestien jaar of ouder voor wie vrijstelling van de inschrijfplicht bestaat op grond van artikel 5, onderdeel a of b, van de wet; c.jongeren ten aanzien van wie de leerplichtambtenaar constateert dat zij arbeid verrichten in strijd met de geldende voorschriften. Artikel 18. Melding aan de Sociale Verzekeringsbank 1.De leerplichtambtenaar kan een melding doen bij de SVB indien sprake is van ongeoorloofd verzuim door een jongere van zestien of zeventien jaar zonder startkwalificatie. Onder ongeoorloofd verzuim wordt verstaan: verzuim van ten minste zestien uur binnen vier aaneengesloten weken of het ontbreken van een schoolinschrijving, tenzij een vrijstelling van toepassing is. 2.De leerplichtambtenaar beoordeelt of bij de ouders en/of jongere sprake is van: a.verwijtbaar handelen of nalaten; b.het niet willen meewerken aan maatregelen om het verzuim te beëindigen; c.recidive. 3.Indien de leerplichtambtenaar voornemens is een melding te doen, roept hij de ouders en jongere behoorlijk op voor een gesprek om hen te informeren over dit voornemen. Daarbij worden afspraken gemaakt over de termijn en voorwaarden waaronder de melding kan worden voorkomen. 4.De leerplichtambtenaar legt de relevante afspraken schriftelijk vast en verstrekt deze aan de ouders en de jongere. Deze vastlegging omvat in ieder geval: a.het geconstateerde ongeoorloofde verzuim; b.de eerder ondernomen acties en het uitblijven van resultaat; c.de datum waarop de melding aan de SVB wordt verzonden; d.de datum waarop de kinderbijslag zal worden stopgezet; e.de voorwaarden om de melding ongedaan te maken; f.de evaluatiedatum. Artikel 19. Melding aan de Inspectie van het onderwijs 1.Indien de leerplichtambtenaar tijdens een onderzoek in het kader van het toezicht op ouders en leerlingen waarneemt dat een school of instelling tekortschiet in de naleving van de wet, informeert en adviseert hij de directeur over de relevante wettelijke bepalingen.2.Indien tijdens een volgend bezoek blijkt dat de school of instelling nog steeds niet voldoet aan de wettelijke bepalingen, verzoekt de leerplichtambtenaar de directeur alsnog te voldoen aan de wettelijke bepalingen en geeft hij een schriftelijk signaal af aan de Inspectie van het Onderwijs.3.Het schriftelijk signaal wordt verzonden via het contactformulier van de Inspectie van het Onderwijs. De directeur wordt hiervan op de hoogte gesteld. 4.Het signaal bevat: a.een omschrijving van de waargenomen feiten; b.een weergave van de reeds door de leerplichtambtenaar ondernomen stappen. 5.Indien de leerplichtambtenaar na een eerder signaal opnieuw vaststelt dat de school of instelling in strijd met de wet handelt, doet hij een melding overeenkomstig het derde en vierde lid. Artikel 20. Jaarverslag Leerplicht 1.De leerplichtambtenaar legt jaarlijks verantwoording af aan de gemeenteraad over het gevoerde beleid inzake leerplicht en kwalificatieplicht en de behaalde resultaten. Hij draagt er zorg voor dat de gegevens over de omvang en behandeling van schoolverzuim uiterlijk vóór 1 oktober na afloop van het schooljaar beschikbaar zijn voor de minister.2.De leerplichtambtenaar voert overleg met instanties en organisaties wier handelen in het jaarlijkse verslag aan de orde komt en verwerkt de resultaten daarvan in de rapportage. Artikel 21. Samenwerking in de regio inzake leerplicht 1.De leerplichtambtenaar voert periodiek, ten minste driemaal per jaar, overleg met medewerkers leerplicht van de omliggende gemeenten en/of Doorstroomregio over de uitvoering van de taken op grond van de wet en het terugdringen van voortijdig schoolverlaten. Indien nodig neemt hij het initiatief tot het organiseren van dit overleg. 2.De leerplichtambtenaar draagt bij aan regionale afspraken die bijdragen aan doelmatige bestrijding van schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten. Deze afspraken kunnen betrekking hebben op: a.het onderhouden van contacten met scholen en instellingen in de regio; b.regionale beleidsregels; c.adviezen van leerplichtmedewerkers aan scholen; d.samenwerking met maatschappelijke jeugdhulpinstellingen; e.overleg met het Openbaar Ministerie; f.afstemming met het Doorstroompunt en de overdracht van casussen. 3.De leerplichtambtenaar kan voorstellen doen over: a.toepassing van vrijstellingsgronden; b.regionale richtlijnen inzake verlof op grond van artikel 11, onderdelen f en g, van de wet; c.contact met de officier van justitie in het kader van artikel 22 van de wet; d.beleid van het Doorstroompunt, dat hoofdzaken bevat voor de uitvoering van de ondersteuning van jongeren zonder startkwalificatie, rekening houdend met het aanvullend regionaal programma. Artikel 22. Regionaal programma ter voorkoming voortijdig schoolverlaten 1.De leerplichtambtenaar levert namens het college een actieve bijdrage aan de uitvoering van wettelijke taken en het beleid in het kader van het Doorstroompunt en aan het aanvullende regionale programma ter bestrijding en voorkoming van voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen twaalf en zevenentwintig jaar. 2.Het aanvullend regionaal programma bevat, opgesteld samen met de contactgemeente, de centrumgemeente arbeidsmarktregio en de contactschool, ten minste: a.streefcijfers en maatregelen voor het behalen van startkwalificaties; b.maatregelen ter verbetering van de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt; c.afspraken over samenwerking tussen betrokken partijen bij ondersteuning van jongeren zonder startkwalificatie; d.afspraken over loopbaanbegeleiding tijdens en na de opleiding; e.afspraken over samenwerking op grond van de Participatiewet. Artikel 23. Samenwerking met diensten en instellingen 1.De leerplichtambtenaar werkt samen met de instellingen die zijn opgenomen in bijlage 1, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de wet.2.De leerplichtambtenaar vervult een regierol door na te gaan of jongeren die naar deze instellingen zijn doorverwezen daadwerkelijk in bemiddeling zijn genomen, en legt uitsluitend gegevens vast die geen bijzondere persoonsgegevens betreffen en die verband houden met ongeoorloofd schoolverzuim. Artikel 24. Beleidsontwikkeling 1.De leerplichtambtenaar draagt er zorg voor dat kwantitatieve en kwalitatieve gegevens over de uitvoering van de leerplichttaken systematisch worden verzameld en verwerkt tot voorstellen voor aanpassing van gemeentelijk of regionaal beleid. 2.De leerplichtambtenaar doet voorstellen voor beleid dat de hoofdzaken bevat inzake begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie, waarbij zorgvuldig wordt omgegaan met persoonsgegevens en rekening wordt gehouden met het regionaal programma. 3.De leerplichtambtenaar volgt regionale, provinciale en landelijke ontwikkelingen die relevant zijn voor de uitvoering van leerplichttaken en verwerkt deze in voorstellen voor beleidsaanpassingen. Artikel 25. Slotbepalingen 1.Het besluit tot vaststelling van deze instructie wordt toegezonden aan de scholen en instelling waar leerlingen uit gemeente Ede staan ingeschreven en aan de instellingen genoemd in bijlage 1.2.Deze instructie treedt in werking op 1 augustus 2026. Lopende zaken worden zoveel mogelijk overeenkomstig deze instructie behandeld, tenzij dit de belangen van de jongere schaadt 3.Deze instructie wordt aangehaald als: Instructie voor de leerplichtambtenaar Ede 20264.Met de vaststelling van deze instructie vervalt de eerdere Instructie voor de leerplichtambtenaar Ede, 2019 van 2 augustus 2019. Vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders d.d. 14 juli 2026, zaaknummer 510246. Het college voornoemd drs. M. Schlebusch de secretaris mr. L.J. Verhulstde burgemeester Bijlage 1. Diensten en instellingen waarmee wordt samengewerkt2 De leerplichtambtenaar voert, zo vaak als dit nodig is voor de uitoefening van zijn taak noodzakelijk is, overleg met de volgende diensten en instellingen: Onderwijsinstellingen •Scholen voor primair onderwijs •Scholen voor voortgezet onderwijs •Scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs •Instellingen voor beroepsonderwijs (ROC, AOC, vakinstellingen) •Samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs Justitie en veiligheidsketen •Arrondissementen •Rechtbanken •Politie •Stichting Halt •Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) •Reclassering •Veilig Thuis Rijksoverheid en landelijke uitvoeringsorganisaties •Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) •Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) •Ministerie van Justitie en Veiligheid •Ministerie van Binnenlandse Zaken •Sociale Verzekeringsbank (SVB) •Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV Werkbedrijf) •Centrum voor Werk en Inkomen •Inburgeringsdiensten Gemeenten en regionale partners •Regiogemeenten •Provincie •Toegangsteam Jeugd •Doorstroompunt •Wijkteams / Sociale Teams •Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) Zorg- en hulpverleningsinstellingen •Instellingen voor jeugdhulpverlening (zoals JZ, schoolmaatschappelijk werk) •Instellingen voor jeugdgezondheidszorg (GGD) •Instellingen voor geestelijke gezondheidszorg (GGZ) •Lokale zorginstanties Overige partners •Ingrado (branchevereniging voor leerplicht en Doorstroompunt) •Inspectie van het Onderwijs De leerplichtambtenaar raadpleegt zo nodig de sociale kaart van de gemeente. Toelichting op de Instructie leerplichtambtenaar 1. Toelichting op de instructie Op grond van artikel 16, vierde lid, van de Leerplichtwet is het college gehouden een instructie vast te stellen voor de leerplichtambtenaar. In deze instructie wordt vastgelegd op welke wijze de aan de gemeente opgedragen wettelijke taken worden uitgevoerd. Tevens wordt aangegeven op welke manier overleg plaatsvindt met leerplichtambtenaren uit omliggende gemeenten en met welke instanties samenwerking noodzakelijk is voor een effectieve uitvoering van de leerplichttaken. Deze instructie draagt eraan bij dat de uitvoering van de leerplicht het karakter behoudt van een vorm van maatschappelijke zorg. Bij de herziening van deze instructie is ervoor gekozen de functie van het Doorstroompunt niet in de ambtsinstructie op te nemen. In het begin van 2026 is onderzocht in hoeverre de nieuwe taken en samenwerkingsafspraken rond Doorstroompunten geïntegreerd konden worden in de ambtsinstructie van de leerplichtambtenaar. De praktijk leerde echter dat een gecombineerde instructie voor beide domeinen onvoldoende recht deed aan de inhoud en doelstelling van het Doorstroompunt, terwijl het tevens afbreuk deed aan de focus, helderheid en wettelijke grondslag van de leerplichtfunctie. Daarom is besloten de ambtsinstructie nadrukkelijk als een zelfstandige leerplichtinstructie te positioneren. Een belangrijk uitgangspunt daarbij is het karakter van een ambtsinstructie. Deze regelt hoe een ambtenaar zijn wettelijke taken en bevoegdheden uitoefent. Voor de leerplichtambtenaar is dit logisch en verplicht, gezien de formele bevoegdheden die direct uit de Leerplichtwet voortvloeien. Voor het Doorstroompunt geldt geen wettelijke instructieplicht en beschikt de functie evenmin over vergelijkbare formele bevoegdheden. De taken van het Doorstroompunt beginnen bovendien pas wanneer een jongere niet langer leerplichtig is, wat opname in dezelfde ambtsinstructie minder passend en potentieel verwarrend maakt. Daarnaast schrijft de Wet van school naar duurzaam werk expliciet voor dat Doorstroompunten zélf beleid vaststellen over de uitvoering van hun taken. Voor de beschrijving van de rol, werkwijze en samenwerking van Doorstroompunten is een beleidsdocument daarom zuiverder en meer in lijn met de wettelijke systematiek dan een ambtsinstructie. Om die reden wordt in deze instructie uitsluitend de leerplichtfunctie behandeld. Regio’s blijven vrij om zelfstandig een aanvullend document op te stellen waarin de verbinding met het Doorstroompunt verder wordt uitgewerkt. Gezien de doorlopende leerlijn en de gezamenlijke verantwoordelijkheid om voortijdig schoolverlaten terug te dringen, blijft nauwe afstemming tussen leerplicht en Doorstroompunt noodzakelijk. De instructie is opgesteld om de gewenste werkwijze bij het toezicht op de naleving van de leerplicht en de uitvoering van het verplichte beleid rondom voortijdig schoolverlaten zo helder en regionaal passend mogelijk vast te leggen. De instructie dient daarom steeds in samenhang te worden gelezen met de relevante wetgeving. Naast de Leerplichtwet en de onderwijswetten betreft dit onder meer de Awb, het Wetboek van Strafrecht, de AVG de Wpg. Ook de MAS is een leidend document dat gelijktijdig met deze instructie moet worden toegepast. In deze instructie wordt uitgegaan van de situatie waarin de leerplichtambtenaar beschikt over de benodigde bevoegdheden als buitengewoon opsporingsambtenaar (BOA). Leeswijzer: de nummering van de artikelen in deze instructie komen niet overeen met de artikelen in de Leerplichtwet. Bij ieder artikel is daarom aangegeven met welke wettelijke bepalingen het artikel samenhangt, zodat de instructie in de juiste juridische context kan worden geplaatst. 1.1 Taakverdeling Binnen het totale takenpakket van leerplicht zijn werkzaamheden te onderscheiden van uiteenlopend niveau en complexiteit. Deze werkzaamheden worden doorgaans verdeeld over twee functies: de leerplichtambtenaar en de administratief medewerker. 1.2 Mandaatverlening Mandaat houdt in dat een bevoegd bestuursorgaan een ander opdraagt om in zijn naam besluiten te nemen. In dit geval kunnen burgemeester en wethouders rechtstreeks mandaat verlenen aan de leerplichtambtenaar. Dit betekent dat de leerplichtambtenaar namens het college beslist binnen de hem verleende bevoegdheden. In deze instructie is ervan uitgegaan dat aan de leerplichtambtenaar mandaat is verleend tot het nemen van de volgende besluiten van de Leerplichtwet: - Artikel 3a Leerplichtwet: vervangende leerplicht; - Artikel 3b Leerplichtwet: vervangende leerplicht laatste schooljaar; - Artikel 15 Leerplichtwet: vrijstelling voor het volgen van ander onderwijs. 1.3 Toezichthouder Artikel 16, eerste lid, van de Leerplichtwet bepaalt: ‘Het toezicht op de naleving van deze wet anders dan door de hoofden is opgedragen aan burgemeester en wethouders. Zij wijzen daartoe een of meerdere ambtenaren aan.’ Het tweede lid bepaalt dat deze ambtenaren voorafgaand aan de functievervulling de wettelijk vastgestelde eed of belofte afleggen. De formulering daarvan is opgenomen in artikel 9 van de Leerplichtregeling 1995. Door deze aanwijzing is de leerplichtambtenaar een toezichthouder in de zin van artikel 5:11 van de Awb: ‘een persoon, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.’ De Awb kent specifieke bepalingen toe aan toezichthouders. Voor de leerplichtambtenaar gaat het om onder andere de volgende bevoegdheden: - Artikel 5:12 Awb: legitimatie tonen, conform een door de minister vastgesteld model. - Artikel 5:13 Awb: redelijk gebruikmaken van bevoegdheden. - Artikel 5:14 Awb: mogelijkheid tot beperking van bevoegdheden bij wet of bij besluit van het bestuursorgaan. - Artikel 5:15 Awb: bevoegdheid tot betreden van elke plaats met uitzondering van een woning zonder toestemming van de bewoner, indien noodzakelijk met hulp van de sterke arm en vergezeld van aangewezen personen. - Artikel 5:16 Awb: bevoegdheid tot het vorderen van inlichtingen. - Artikel 5:16a Awb: bevoegdheid tot vorderen inzage identiteitsbewijs. - Artikel 5:17 Awb: bevoegdheid tot het inzien van zakelijke gegevens en tot het maken van kopie daarvan (ter plekke of na medeneming voor korte tijd). - Artikel 5:20 Awb: verplichting voor een ieder om medewerking te verlenen aan de toezichthouder, voor zover redelijkerwijs te verlangen. 1.4 Termijnen In meerdere artikelen van de instructie zijn termijnen opgenomen met het oog op een voortvarende en zorgvuldige uitvoering van de werkzaamheden. Waar termijnen rechtstreeks voortvloeien uit wetgeving, wordt dit toegelicht in de artikelsgewijze toelichting. De overige termijnen hebben het karakter van termijnen van orde. 1.5 Last onder dwangsom In artikel 6, negende lid, van de instructie is de mogelijkheid opgenomen dat de leerplichtambtenaar het college kan voorstellen een last onder dwangsom op te leggen. Dit bestuursrechtelijke handhavingsinstrument wordt binnen het leerplichtdomein nog relatief weinig toegepast, maar uit jurisprudentie is wel gebleken dat de bevoegdheid daartoe bestaat. Op grond van artikel 125 Gemeentewet is het college bevoegd tot toepassing van bestuursdwang, aangezien het belast is met de handhaving van de Leerplichtwet. Op basis van artikel 5:32a Awb beschikt het college daarmee ook over de bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Deze maatregel kan in bepaalde situaties effectiever zijn dan strafrechtelijk optreden (zoals het opmaken van proces-verbaal), vooral wanneer voor voortzetting van de overtreding, dan wel herhaling daarvan, gevreesd moet worden. Strafrecht richt zich namelijk op bestraffing van de overtreding, terwijl bestuursrechtelijke maatregelen zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van voortduring of herhaling van de overtreding. Bij leerplicht gaat het vaak om zogenaamde duurovertredingen: situaties waarin iedere dag dat het verzuim voortduurt, de overtreding voortzet. Daarom kan een last onder dwangsom bij absoluut of ernstig relatief verzuim (zoals luxe verzuim) Een passend middel zijn. In beginsel kunnen het strafrechtelijke en het bestuursrechtelijke optreden naast elkaar bestaan. De hoogte van de dwangsom moet, conform artikel 5:32b, derde lid, Awb, in redelijke verhouding Staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking. Wanneer de overtreder onvoldoende draagkracht heeft, kan het instrument beperkt effectief zijn. Omdat de toepassing van bestuursrechtelijke handhaving binnen de leerplichtpraktijk nog beperkt is en ingrijpend kan zijn, is ervoor gekozen om geen mandaat te verlenen voor het opleggen van een last onder dwangsom. Het college blijft hiervoor zelf bevoegd. Besluiten over last onder dwangsom vallen onder de algemene rechtsbescherming van de Awb. 2. Artikelsgewijze toelichting 2.1 Toelichting artikel 1 (begripsbepaling) In dit artikel zijn enkele begrippen opgenomen die niet letterlijk in de Leerplichtwet zijn gedefinieerd, maar binnen de uitvoering van de leerplichttaak noodzakelijk zijn voor een eenduidige interpretatie. 2.2. Toelichting artikel 2 (preventie) Voorkomen is beter dan genezen. Daarom zijn in dit artikel een aantal proactieve informatie-instrumenten genoemd. In lid 4 en lid 5 wordt ingegaan op de afstemming tussen de diverse disciplines. Vooral de ketenpartners spelen bij de preventie een belangrijke rol. Met de invoering van de MAS in 2017 (en geactualiseerd in maart 2025) geldt het principe pas toe of leg uit. De MAS vormt het uitgangspunt voor de aanpak van schoolverzuim. 2.3 Toelichting artikel 3 (leerlingenadministratie en absoluut verzuim) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 19 van de wet en artikel 3 van de Leerplichtregeling 1995] Artikel 3, lid 2: Er is gekozen voor een systeem waarbij alle jongeren waarmee de leerplichtambtenaar in een schooljaar te maken kan krijgen, vanaf het begin van het schooljaar in de leerlingenadministratie worden opgenomen. Dat geldt ook voor 4-jarigen, omdat deze kinderen gedurende het schooljaar vijf worden en voor het eerst bij een school worden ingeschreven. Hiermee worden kinderen die (nog) niet worden ingeschreven tijdig in beeld gebracht. Het is uiteraard ook mogelijk om de gegevens vanaf de geboorte op te nemen, in samenhang met monitoren van onderwijsachterstanden. De administratie omvat alle jongeren tot en met 17 jaar. Indien bekend is dat een jongere reeds een startkwalificatie heeft behaald, wordt een passende aantekening gemaakt. Artikel 3, lid 3: Om te voorkomen dat jongeren door verhuizingen tussen wal en schip raken, is een sluitend en actueel systeem van tussentijdse mutaties noodzakelijk. Mutaties uit de BRP worden dagelijks verwerkt, zodat nieuwe inschrijvingen, uitschrijvingen en verhuizingen steeds actueel zijn. Indien een school een mutatiebericht inzake in- of uitschrijving verzendt, kan door de administratief medewerker tevens worden gecontroleerd of een verhuizing correct is doorgegeven. Op grond van artikel 4 en 5 van de Regeling Register Onderwijsdeelnemers melden scholen in- en uitschrijvingen binnen zeven dagen. Artikel 3, lid 6: Onder scholen en instellingen worden alle onderwijsinstellingen verstaan waar jongeren uit de gemeente staan ingeschreven, zowel binnen als buiten de gemeente. De genoemde termijn van tien werkdagen betreft een termijn van orde (geen wettelijke basis). Bij verwijtbaar in gebreke blijven van een school of instelling, spreekt de leerplichtambtenaar de directeur aan en wordt hiervan een dossier opgebouwd. Indien de situatie niet verbetert, kan de leerplichtambtenaar hiervan melding doen bij de Inspectie van het Onderwijs (zie artikel 18 van de instructie). De strafbaarheid van de directeur van de school of instelling op dit punt is opgenomen in artikel 27 van de Leerplichtwet. Voor een zorgvuldige uitvoering van de controle op inschrijving wordt er geadviseerd dat ouders bij een vermoeden van absoluut verzuim schriftelijk worden geïnformeerd en dat een duidelijke reactietermijn wordt gesteld. Een termijn van tien werkdagen wordt als redelijk en werkbaar beschouwd: deze biedt ouders voldoende tijd om te reageren en geeft de leerplichtambtenaar snel duidelijkheid over de inschrijfsituatie. Wanneer ouders of de laatst bekende school melden dat wél sprake is van een geldige inschrijving, ligt het voor de hand deze informatie actief te controleren. Indien binnen de gestelde reactietermijn geen antwoord wordt ontvangen, kan een tweede bericht worden verstuurd om ouders nogmaals gelegenheid te bieden te reageren. Indien daarna nog steeds geen geldige inschrijving kan worden vastgesteld, wordt de procedure voortgezet conform de stappen van absoluut verzuim. Gemeenten hebben beleidsvrijheid om zelf een passende reactietermijn vast te stellen. Artikel 3, lid 7: De procedures bij in- en uitschrijving voor scholen moeten op elkaar worden afgestemd. In het primair onderwijs wordt een leerling ingeschreven op de eerste dag waarop hij of zij de school daadwerkelijk bezoekt en uitgeschreven op de laatste dag van feitelijke aanwezigheid, waarbij scholen de mogelijkheid hebben om binnen vier weken na uitschrijving de gegevens onderling af te stemmen (artikel 10 Besluit bekostiging WPO 2022. Voor het voortgezet onderwijs geldt dat een leerling meetelt wanneer hij of zij niet alleen staat ingeschreven, maar ook daadwerkelijk onderwijs volgt en niet meer dan 50% zonder geldige reden afwezig is geweest in de periode van de start van het schooljaar tot 1 oktober (dit wijzigt met de invoering van de Wet terugdringen verzuim). Vanuit leerplichtperspectief (artikel 10 Leerplichtwet) mag de oude school pas tot uitschrijving overgaan zodra een jongere op een nieuwe school is ingeschreven. In dit artikellid is aangegeven dat de administratief medewerker hier controle uitoefent en waar nodig in administratieve zin bemiddelend optreedt. Artikel 3, lid 8: De Leerplichtregeling 1995 bepaalt dat de administratieve gegevens van een jongere aan de nieuwe woongemeente worden verstrekt (artikel 3, tweede lid). Dit betekent nadrukkelijk niet dat automatisch het gehele leerlingendossier wordt verzonden. Een warme overdracht tussen medewerkers leerplicht van beide gemeenten is wenselijk om relevante informatie zorgvuldig te delen. Gegevens die normaliter wél worden overgedragen, zijn strafrechtelijke veroordelingen (vanwege mogelijke recidive), recente meldingen van verzuim en verleende vrijstellingen die relevant kunnen zijn bij nieuwe meldingen. 2.4 Toelichting artikel 4 (leerlingendossier) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16 van de wet, in samenhang met de artikelen 2, 4a, 5 en 11 van die wet, en wordt toegepast met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming en de Wet politiegegevens] Uitgangspunt is dat voor iedere leerling een afzonderlijk dossier wordt aangelegd zodra er sprake is van een vrijstelling of ongeoorloofd schoolverzuim. Voor het merendeel van de leerlingen wordt nooit een dergelijk dossier geopend en staan zij uitsluitend in de leerlingenadministratie geregistreerd ten behoeve van de controle op schoolinschrijvingen. Het leerlingendossier bevat gegevens die onder een verzwaard beschermingsregime vallen. Het gebruik van deze gegevens wordt begrensd door de AVG en de Wpg. De kern van deze regelgeving bestaat uit de volgende beginselen: - doelbinding: gegevens mogen uitsluitend worden verwerkt voor de uitvoering van de wettelijke taken, gericht op de zorg voor een schoolloopbaan die leidt tot het behalen van een startkwalificatie; - recht op inzage: ouders en, vanaf zestien jaar, de jongere, hebben het recht om kennis te nemen van de gegevens die over hen zijn vastgelegd; - Recht op correctie: betrokkenen kunnen verzoeken om verbetering van onjuiste of onvolledige gegevens. Het servicedocument Delen van persoonsgegevens van onderwijs en zorg met arbeid biedt, via het Stappenplan informatie delen, een handvat voor de afweging of persoonsgegevens over een jongere mogen worden gedeeld en laat de toepasselijke kaders van de AVG en Wpg onverlet. Met ingang van 1 januari 2019 is de Wet Politiegegevens (Wpg) volledig van toepassing op alle BOA’s. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop politiegegevens worden verwerkt en verantwoord. De Wpg is specifieker en strenger dan de AVG: politiegegevens hebben eigen bewaartermijnen, mogen voor andere doelen worden verwerkt en mogen worden verzameld zonder toestemming van de betrokkene. Organisaties moeten bovendien technische en organisatorische maatregelen treffen, zoals het labelen van politiegegevens en het beperken van toegang tot medewerkers met een opsporingsbevoegdheid. Grofweg geldt het volgende onderscheid: -Wanneer sprake is van een melding van verzuim, en dus een vermoeden van een overtreding van de Leerplichtwet, zijn de bepalingen van de Wpg van toepassing. -Wanneer het gaat om verlof of vrijstelling, dan geldt de AVG als wettelijk kader. 2.5 Toelichting artikel 5 (verlof wegens andere gewichtige omstandigheden) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 11, onderdeel g, en artikel 14, derde lid, van de wet en wordt toegepast met inachtneming van de Algemene wet bestuursrecht] Artikel 5 regelt de bevoegdheid van de leerplichtambtenaar om een besluit te nemen op aanvragen voor extra verlof wegens andere gewichtige omstandigheden wanneer deze betrekking hebben op een periode van meer dan tien schooldagen per schooljaar. Deze bevoegdheid is geattribueerd, wat betekent dat de wet deze rechtstreeks aan de leerplichtambtenaar toekent. De leerplichtambtenaar is in deze gevallen zelf bestuursorgaan in de zin van de Awb. Bij bezwaar beslist de leerplichtambtenaar daarom zelf op het bezwaar, na advies van de gemeentelijke bezwarencommissie. Het aantal van tien schooldagen kan worden bereikt door één aanvraag, maar ook door meerdere opeenvolgende aanvragen die gezamenlijk tot dit totaal leiden. Artikel 5, lid 1: Voor het nemen van een besluit op een aanvraag kan geen vaste beslistermijn worden vastgesteld. De aard van de andere gewichtige omstandigheden kan met zich meebrengen dat een besluit zeer snel moet worden genomen. In andere gevallen is meer tijd nodig voor een zorgvuldige beoordeling. Op grond van artikel 4:13 lid 2 Awb geldt een redelijke termijn van maximaal acht weken. Indien binnen deze termijn geen besluit wordt genomen, kan de aanvrager een ingebrekestelling indienen, waarna een dwangsom kan ontstaan indien alsnog geen tijdig besluit volgt.3 Indien de betrokkenen zouden vertrekken voordat het besluit is genomen, dan moet de aanvraag wel verder behandeld worden, maar dient aan de ouders duidelijk gemaakt te worden dat de consequenties voor hun rekening zijn. Artikel 5, lid 2: Op grond van artikel 4:5 Awb kan de leerplichtambtenaar een aanvraag die niet volledig is, buiten behandeling laten. Daaraan moet wel een hersteltermijn voorafgaan van ten minste één en ten hoogste drie weken. Dit betreft een termijn van orde (de wet stelt hiervoor geen vaste hersteltermijn). Het gebruik van een formulier waarop de ontbrekende onderdelen zijn aangekruist of omschreven, kan de procedure verduidelijken en versnellen. Artikel 5, lid 3 onder a: Het is mogelijk gebruik te maken van een aanvraagformulier waarop zowel de ouders als de directeur hun toelichting kunnen geven. Artikel 5, lid 3 onder c: Wanneer oudere leerlingen (12 jaar en ouder) zijn betrokken, kan het wenselijk zijn om de jongere zelf te horen, mede in het kader van hun toenemende zelfstandige rol. Artikel 5, lid 3 onder d: Indien een andere belanghebbende, bijvoorbeeld een andere ouder, naar verwachting bezwaren zal uiten, kan deze worden gehoord. Dit volgt uit artikel 4:8 Awb. Artikel 5, lid 3 onder e: In dit onderdeel is verduidelijkt dat vooraf helder moet zijn waar zienswijzen kunnen worden gegeven. Dit voorkomt misverstanden. Hoewel gesprekken meestal op het gemeentehuis plaatsvinden, kan het soms efficiënter zijn een gesprek op school te plannen. De leerplichtambtenaar waarborgt daarbij steeds zijn eigen veiligheid, mede gezien de gevoeligheid van dit type besluiten. Artikel 5, lid 5: Artikel 11, onderdeel g, van de Leerplichtwet biedt de mogelijkheid om extra verlof te verlenen wegens andere gewichtige omstandigheden. Artikel 14 van de Leerplichtwet werkt deze bevoegdheid verder uit. Het gaat om uitzonderlijke persoonlijke omstandigheden die buiten de wil of invloedssfeer van ouders of leerling liggen, zoals medische of sociale indicaties.4 In die gevallen is een verklaring van een (jeugd)arts van de GGD of een sociale instantie vereist. Artikel 5, lid 6: Voor aanvragen tot ten hoogste tien schooldagen ligt de bevoegdheid bij de directeur van de school of instelling. De leerplichtambtenaar kan adviseren, mede met het oog op rechtsgelijkheid tussen scholen. Hierbij worden doorgaans de volgende richtlijnen gehanteerd:5 Termijnen bij bijzondere omstandigheden Verhuizing: maximaal 1 schooldag Wettelijke verplichtingen die niet buiten schooltijd kunnen plaatsvinden: geen maximale termijn Huwelijk bloed- of aanverwanten t/m 3e graad: -Nederland: maximaal 1-2 schooldagen -Buitenland: maximaal 5 schooldagen bewijs: trouwkaart of, bij twijfel, trouwakte Ernstige levensbedreigende ziekte van bloed- of aanverwanten t/m 3e graad: geen maximale termijn bewijs: doktersverklaring Overlijden bloed- of aanverwanten: -1e graad: maximaal 5 schooldagen -2e graad: maximaal 2 schooldagen -3e en 4e graad: maximaal 1 schooldag -buitenland 1e t/m 4e graad: maximaal 5 schooldagen bewijs: rouwkaart of overlijdensakte Jubilea (ambachtsjubileum, huwelijksjubileum): maximaal 1 schooldag Overige gewichtige omstandigheden: geen maximale termijn • Algemene voorwaarden bij besluitvorming: -aanvragen worden schriftelijk en bij voorkeur minimaal acht weken vooraf ingediend. Indien de aanvraag niet binnen deze termijn is ingediend, moet door de aanvrager worden beargumenteerd waarom dit niet is gebeurd; -het verlof wordt zo kort mogelijk toegekend; -bewijsmiddelen worden, voor zover redelijk, meegezonden; -het besluit (toestemming of afwijzing) wordt schriftelijk vastgelegd en zorgvuldig gemotiveerd; -indien de leerplichtambtenaar proces-verbaal opmaakt, moeten bewijsstukken in een andere taal dan Nederlands, Duits, Engels of Frans vertaald worden; -verlof wegens gewichtige omstandigheden kan ook in de eerste twee weken na de zomervakantie worden toegekend, maar terughoudendheid is dan geboden. • Situaties waarin geen verlof wordt verleend: -familiebezoek in het buitenland; -goedkope vliegtickets buiten het hoogseizoen; -reeds geboekte tickets; -vakantiespreiding; -verlof voor één kind omdat een ander kind nog vrij is; -vroeger vertrekken/later terugkeren vanwege verkeersdrukte; -reizen in konvooi (bijv. Balkan); -kroonjaren; -sabbatical; -wereldreis, verre reis. Artikel 5, lid 7: Dit lid ziet op de bevoegdheid van directeuren. Met het oog op rechtsgelijkheid van ouders is het van belang om tot afstemming van het gebruik van deze bevoegdheid te komen. Op basis van een advies kunnen de directeuren elk hun eigen beleidsregels vaststellen voor toepassing van artikel 11 onder g van de Leerplichtwet (verlof wegens andere gewichtige omstandigheden voor ten hoogste 10 schooldagen). Artikel 5, lid 8: Bij een ingediend bezwaar wint de leerplichtambtenaar advies in van de bezwaarschriftencommissie om te komen tot een zorgvuldig en evenwichtig besluit. 2.6 Toelichting artikel 6 (behandeling melding relatief verzuim) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 2, eerste en derde lid, 4a, 21a, en 22, van de wet] Artikel 6 beschrijft de werkwijze van de leerplichtambtenaar bij de behandeling van meldingen van relatief verzuim. Relatief verzuim betekent dat een leerling, na inschrijving, de school niet geregeld bezoekt. Voor leerplichtige jongeren volgt dit uit artikel 2, eerste en derde lid, van de Leerplichtwet. Voor kwalificatieplichtige jongeren volgt dit uit artikel 4a en 4c, eerste lid, van de Leerplichtwet, waarin is bepaald dat een jongere het volledige onderwijsprogramma of een combinatie van leren en werken moet volgen die een volledige school- of werkweek vult. De wettelijke meldplicht voor scholen is uitgewerkt in artikel 21a van de Leerplichtwet: wanneer zonder geldige reden gedurende vier opeenvolgende lesweken minimaal zestien uur les- of praktijktijd wordt verzuimd, moet het hoofd van de school hiervan melding doen via het ROD van DUO. Voor het mbo en de BBL-opleiding geldt daarbij dat alleen lestijd meetelt. Voor de BOL-opleiding geldt dat stage ook als lestijd meetelt. Artikel 22 van de Leerplichtwet verplicht vervolgens dat de leerplichtambtenaar ‘vanwege burgemeester en wethouders’ een onderzoek instelt naar aanleiding van deze melding. De instructie beschrijft de stappen die de leerplichtambtenaar doorgaans volgt bij dit onderzoek. De praktijk kent echter veel variatie. Daarom blijft afwijking van deze werkwijze mogelijk, mits de leerplichtambtenaar deze afwijking zorgvuldig motiveert en vastlegt in het leerlingendossier. Artikel 6, lid 2: De leerplichtambtenaar moet alle betrokkenen informeren over de procedure van het onderzoek en over de mogelijke consequenties van hun gedrag. Artikel 6, lid 2, onder h: De leerplichtambtenaar kan ook via andere wegen dan het ROD op de hoogte raken van relatief verzuim, bijvoorbeeld via signalen van ketenpartners, zorginstanties of observaties in het veld. Dit artikellid beschrijft welke stappen de leerplichtambtenaar dan moet zetten. Lid 9 bevat de mogelijke maatregelen wanneer blijkt dat een school herhaaldelijk en verwijtbaar geen melding doet van verzuim dat wel meldingsplichtig is. Artikel 6, lid 5: De formulering van dit lid sluit aan bij de redelijke praktijk zoals bedoeld in artikel 22 van de Leerplichtwet. Hoewel de wet stelt dat bij verwijtbaar verzuim ‘proces-verbaal wordt gezonden’, geeft de instructie ruimte voor een schriftelijke waarschuwing in gevallen waarin: -geen sprake is van kennelijke opzet; -het om een eerste overtreding gaat; -het verzuim beperkt blijft. In dergelijke situaties kan met een serieuze waarschuwing vaak al het beoogde effect bereikt worden. Artikel 6, lid 6: Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven van ouders of van een jongere van zestien jaar of ouder, kan de leerplichtambtenaar een melding doen aan de SVB. Deze melding kan ertoe leiden dat de kinderbijslag wordt stopgezet. De nadere uitwerking van deze procedure staat in artikel 18 van de instructie. Artikel 6, lid 7: Wanneer sprake is van verwijtbaar in gebreke blijven (zonder verdere problematiek) van de kant van een jongere van 12 tot 18 jaar, dan dient daartegen te worden opgetreden. Dat kan door het opmaken van een Halt-verwijzing door een leerplichtambtenaar met BOA-bevoegdheid. De jongere en de ouders (bij een jongere tot 16 jaar) dienen voor deze verwijzing toestemming te verlenen. Het betreft hier minder zware problematiek. De jongere voorkomt op deze wijze aan een strafblad na zijn 18de verjaardag, wanneer de Haltstraf positief wordt afgerond. Artikel 6, lid 8: Indien een opgelegde Halt-interventie niet naar behoren wordt uitgevoerd, of wanneer sprake is van verwijtbaar gedrag van ouders of jongeren vanaf twaalf jaar, kan de leerplichtambtenaar alsnog een proces-verbaal opmaken. Bij een mislukte Halt-interventie vindt overleg met het Openbaar Ministerie plaats voordat tot proces-verbaal wordt overgegaan. In artikel 6, lid 9: In gevallen waarin ouders hardnekkig de schoolbezoekplicht overtreden, kan de leerplichtambtenaar het collegevoorstel doen om een last onder dwangsom op te leggen. Artikel 6, lid 11: De leerplichtambtenaar kan zowel in individuele gevallen als in algemene zin advies geven aan directeuren over het verzuimbeleid. Dit sluit aan bij artikel 21a, van de Leerplichtwet, waarin de grondslagen voor meldplicht zijn vastgelegd. Eerdere melding dan wettelijk verplicht is kan wenselijk zijn. Denk aan onduidelijke redenen voor afwezigheid zoals: (vage) ziekmelding, bepaalde verzuimpatronen bij jongeren of een situatie waarbij twijfel bestaat aan de effectiviteit van het beleid van de school. Artikel 6, lid 12: Relatief verzuim is ongeoorloofd verzuim waarbij een leerling wel staat ingeschreven op een school, maar zonder geldige reden afwezig is tijdens les- of praktijktijd. Luxe verzuim is een vorm van relatief verzuim waarbij een leerling zonder toegekend verlof buiten de schoolvakanties op vakantie is gegaan. Luxe verzuim wordt zwaar gewogen. Conform de MAS kan een proces-verbaal worden opgemaakt bij verzuim van één dag of langer, of recidive, ongeacht de duur van het verzuim. 2.7 Toelichting artikel 7 (onderzoek naar absoluut verzuim) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 2, eerste lid, artikel 3 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van de artikelen 4a en 4b van die wet] Artikel 7 beschrijft de werkwijze van de leerplichtambtenaar wanneer sprake is van absoluut verzuim. Absoluut verzuim houdt in dat een jongere niet staat ingeschreven bij een school of instelling, in strijd met de bepalingen van de Leerplichtwet. Dit volgt uit artikel 2, eerste lid, voor leerplichtige jongeren. Ten aanzien van de kwalificatieplicht geldt hetzelfde uitgangspunt, namelijk dat een jongere zonder startkwalificatie moet zijn ingeschreven als leerling bij een school of instelling, overeenkomstig artikel 4a in verbinding met artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet. Voor de behandeling van absoluut verzuim wordt in hoofdzaak aangesloten bij de werkwijze die in artikel 6 al is beschreven. Artikel 3 vormt daarbij de kapstok voor het ontdekken van mogelijke gevallen van absoluut verzuim: regelmatige en systematische controle van de leerlingenadministratie, in het bijzonder bij tussentijdse mutaties. Het tweede lid van dit artikel sluit daarop aan door te bepalen dat eerst een administratieve controle moet plaatsvinden voordat ouders en/of jongere worden benaderd. Dit voorkomt dat ten onrechte wordt geconcludeerd dat sprake is van absoluut verzuim. 2.7a Toelichting artikel 7a ( melding mbo-student zonder startkwalificatie ) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 4a van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.2.5 en 9.2.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs] 2.8 Toelichting artikel 8 (kennisgeving in- en uitschrijvingen en (dreigend) voortijdig schoolverlaten) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 18, eerste lid van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 2, eerste lid, en artikel 4a van die wet] In artikel 8 worden zowel kennisgevingen van in- en uitschrijvingen als meldingen van (dreigend) voortijdig schoolverlaten samengenomen. In beide situaties gaat het in essentie om omstandigheden waarbij de jongere (dreigt) buiten het onderwijs te komen te staan. Wanneer sprake is van verwijdering van een leerling, dan behoort de Inspectie van het Onderwijs te worden geraadpleegd indien het een leerplichtige leerling betreft. Het is wenselijk dat de leerplichtambtenaar in zulke gevallen eveneens contact opneemt met de Inspectie om achtergrondinformatie te verkrijgen of om de Inspectie op de hoogte te stellen wanneer de school deze melding, ten onrechte, nog niet heeft gedaan. Het bevoegd gezag van scholen voor voortgezet onderwijs, primair onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs kan een leerling schorsen (maximaal één week) of definitief verwijderen. Definitieve verwijdering kan alleen: -na overleg met de Inspectie van het Onderwijs, -na het horen van de leerling en/of ouders, voogden of verzorgers, -en alleen wanneer een andere school bereid is de leerling op te nemen. Voor het mbo geldt hiervoor een inspanningsverplichting van acht weken, evenals voor het speciaal onderwijs cluster 1 en 2. Voor het mbo geldt dat een besluit tot schorsing maximaal twee weken mag duren en schriftelijk bekendgemaakt wordt aan de leerling en, indien de leerling nog geen achttien jaar is, aan de ouders/verzorgers. Bij schorsing of definitieve verwijdering in het mbo hoeft het bevoegd gezag de Inspectie niet op de hoogte te stellen. 2.9 Toelichting artikel 9 (vervangende leerplicht) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 3a en 3b van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995] Besluiten krachtens dit artikel kunnen worden gemandateerd aan de leerplichtambtenaar. In de instructie is uitgegaan van een dergelijke mandaatverlening. De regeling betreft jongeren van 14 en 15 jaar voor wie vervangende leerplicht kan worden toegepast, omdat zij in het algemeen nog niet kunnen instromen in een Beroeps Begeleidende Leerweg (BBL) traject vanwege hun leeftijd. De wet gaat uit van een door de ouders ingediende en ondertekende aanvraag en van een plan van aanpak dat is opgesteld door: -de school waar de jongere is ingeschreven (artikel 3a Leerplichtwet), of -de instelling waar de jongere wenst te worden ingeschreven (artikel 3b Leerplichtwet). In de praktijk zal de aanvraag meestal door de school worden voorbereid, in goed overleg met de leerplichtambtenaar en bijvoorbeeld het ZAT. In het derde en vierde lid van het artikel is de werkwijze beschreven die aansluit bij deze praktijk en tegelijkertijd voldoet aan de wettelijke bepalingen. De oudere leerplichtige die gebruikmaakt van artikel 3b van de Leerplichtwet, mag arbeid verrichten. 2.10 Toelichting artikel 10 (vrijstelling van leerplicht wegens het volgen van ander onderwijs) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 15 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 4a van die wet] Ook bij dit artikel betreft het een bevoegdheid die door burgemeester en wethouders gemandateerd kan worden aan de leerplichtambtenaar. In de instructie is ervan uitgegaan dat deze mandaatverlening heeft plaatsgevonden. In de tekst is een aanwijzing opgenomen voor de criteria die de leerplichtambtenaar toepast bij de beoordeling van het ‘andere onderwijs’ waarvoor vrijstelling wordt gevraagd. Bij deze toetsing let de leerplichtambtenaar er in het bijzonder op of de jongere wordt toe geleid, dan wel kan worden toe geleid, tot het behalen van een startkwalificatie. Een startkwalificatie houdt in: -het bezit van een diploma voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo) of hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) als bedoeld in artikel 2.4 en 2.5 van de Wet voortgezet onderwijs 2020; -dan wel een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de WEB (mbo niveau 2 of hoger). De procedure voor leerplichtigen die in dienst zijn bij Defensie staat beschreven in artikel 11 vanaf het derde lid. Een deel van het bij Defensie werkzame personeel bestaat uit 17-jarige jongeren, die de school heeft verlaten zonder startkwalificatie. Om deze jongeren toch in beeld te houden, en om te kunnen volgen of zij alsnog een startkwalificatie behalen of voortijdig uitvallen voordat zij de leeftijd van achttien jaar bereiken, is in samenspraak tussen het Ministerie van OCW, het Ministerie van Defensie en Ingrado een procedure ontwikkeld om deze jongeren te blijven monitoren. Artikel 10, lid 2, onder b: met dit criterium wordt bedoeld dat wordt beoordeeld of de feitelijke tijd die aan het onderwijs wordt besteed in een logische en evenwichtige verhouding staat tot wat als de omvang en intensiteit van dat onderwijs wordt gepresenteerd. 2.11 Toelichting artikel 11 (vrijstelling van de inschrijfplicht) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 5, 6, 7, 8 en 9 van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995] Artikel 11, lid 2: voor de aanwijzing van een deskundige wordt verwezen naar artikel 13. Artikel 11, lid 3: van overwegende bedenkingen is sprake wanneer er vanuit een voldoende, welbepaalde godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging ernstige gemoedsbezwaren zijn tegen de richting van het onderwijs van de beschikbare scholen, welke bezwaren voldoende concreet en zwaarwegend zijn. Hoewel bezwaren ook kunnen zijn gericht tegen het ontbreken van een richting, zoals in het algemeen openbaar onderwijs, dienen deze ook te voldoen aan de eis van voldoende concreetheid en zwaarwegendheid. Op 21 april 2026 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan over de toepassing van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet. De Hoge Raad heeft daarbij het toetsingskader voor beroepen wegens richtingsbezwaren verduidelijkt en aangescherpt. Naar aanleiding van deze uitspraak hebben Ingrado en de VNG een handreiking geschreven met een handelswijze voor vrijstellingsaanvragen artikel 5 onder b. Deze is verwerkt in art. 11 van deze instructie. Gelet op de actuele ontwikkelingen wordt geadviseerd de website van Ingrado te raadplegen en te handelen overeenkomstig het geldende handelingskader. Artikel 11, lid 4: De wet voorziet niet altijd in een regeling die in de praktijk goed hanteerbaar is. Dit onderdeel van de instructie geeft de leerplichtambtenaar de opdracht om een werkbare informatieplicht te treffen, zodat kan worden nagegaan of de leerplichtige na terugkeer in Nederland daadwerkelijk onderwijs in het buitenland heeft gevolgd. Bij toepassing van dit artikel geldt als voorwaarde dat de leerplichtige vier maanden per kalenderjaar in Nederland verblijft. Wanneer voor de tweede keer een beroep op deze vrijstelling wordt gedaan en de leerling niet dagelijks heen en weer reist tussen de school in het buitenland en de woonplaats, mag een signaal bij Burgerzaken worden afgegeven om te laten onderzoeken of de leerling nog voldoende in Nederland verblijft om hier ingeschreven te blijven staan. 2.12 Toelichting artikel 12 (vaststelling of een onderwijsvoorziening als school in de zin van de Leerplichtwet kan worden aangemerkt) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 1, onderdeel b, 1a, 1a1 en 22, vierde lid, van de wet] Artikel 12 geeft in enkele stappen aan wat de gemeente, respectievelijk de leerplichtambtenaar, te doen staat wanneer ouders hun kind gebruik laten maken van een onderwijsvoorziening die (nog) niet als school in de zin van de Leerplichtwet is aangemerkt. 2.13 Toelichting artikel 13 (aanwijzing deskundige) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 7 van de wet en artikel 11, lid 2 van deze instructie] In dit artikel wordt uitgegaan van het maken van ad hoc of structurele afspraken met bijvoorbeeld een schoolarts of een aan de schoolbegeleidingsdienst verbonden psycholoog of pedagoog over het verstrekken van een verklaring of een jongere in staat is om op een school of onderwijsvoorziening te worden ingeschreven. Met toestemming kan er in samenspraak met het samenwerkingsverband worden bekeken of er alsnog mogelijkheden zijn om passend onderwijs te bieden. 2.14 Toelichting artikel 14 (melding aan de Raad voor de Kinderbescherming) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 22, vijfde lid, van de wet en artikel 494 van het Wetboek van Strafvordering] Deze instructie sluit aan bij de meldplicht uit de Leerplichtwet en ziet in het bijzonder op de zogenoemde strafrechtelijke melding. Daarnaast is het mogelijk om de RvdK te consulteren over de meest aangewezen route: vrijwillige hulpverlening, een civielrechtelijk traject of een strafrechtelijke aanpak van het schoolverzuim. 2.15 Toelichting artikel 15 (melding aan Veilig Thuis) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 5.2.6 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015] Deze bepaling biedt de leerplichtambtenaar expliciet de mogelijkheid om, indien hij dit wenselijk acht, contact op te nemen met Veilig Thuis. Het betreft hierbij de zogenoemde civiele melding. 2.16 Toelichting artikel 16 (meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel e, van de wet] Op 1 augustus 2013 is de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling vastgesteld. Vanaf 1 januari 2019 is er een verplicht afwegingskader in stap 5 van de meldcode opgenomen. Deze meldcode geldt ook voor de leerplichtambtenaar. Werken volgens de meldcode is geen wettelijke verplichting. De meldcode op zich is een meldrecht en geen meldplicht. In dit artikel is vastgelegd op welke wijze de leerplichtambtenaar met de meldcode om dient te gaan en welke stappen er gezet moeten worden. Deze beschrijving is samengesteld aan de hand van het basismodel “Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling” opgesteld door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. 2.16.1 Afwegingskader: onderdeel van de meldcode Onderstaand figuur toont de vijf stappen uit de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Ter ondersteuning van de beslissingen in stap 5 is in stappen 4 en 5 een afwegingskader toegevoegd. Er is een basisdocument Afwegingskader beschikbaar voor alle beroepsgroepen. Het onderliggende Afwegingskader is de uitwerking voor het Onderwijs, inclusief leerplicht. In stap 5 worden twee beslissingen genomen: Het beslissen of een melding bij Veilig Thuis noodzakelijk is en, vervolgens het beslissen of het zelf bieden of organiseren van hulp mogelijk is. Het is van belang dat in stap 5 beide beslissingen en in de genoemde volgorde worden genomen. De leerplichtambtenaar (dit kan de aandachtsfunctionaris zijn) vraagt zich op basis van signalen en het gesprek met ouders af of melden noodzakelijk is aan de hand van vijf afwegingsvragen. Vervolgens besluit deze of het bieden of organiseren van hulp tot de mogelijkheden van zowel de leerplichtambtenaar als de betrokkenen (ouders/verzorgers) behoort. Als melden volgens het afwegingskader noodzakelijk is, moet de tweede beslissingsvraag over eventuele hulp in overleg met betrokkenen en Veilig Thuis beantwoord worden. Melden is niet verplicht en kan ook anoniem. Privacy en de meldcode: Op 25 mei 2018 is de nieuwe AVG van kracht geworden. De AVG is Europese wetgeving. De Nederlandse wetgeving, zoals de Leerplichtwet of het Besluit verplichte meldcode, mag daarmee niet in strijd zijn, aangezien de AVG hogere wetgeving is. Het recht om dossier aan te maken en te melden bij Veilig Thuis is niet in strijd met de AVG, dus mag uitgevoerd worden. 2.16.2 Afwegingskader: uitwerking van de vijf afwegingsvragen en beslissingen in stappen 4 en 5 van de meldcode voor het onderwijs en leerplicht 1. Vermoeden wegen Ik heb de stappen 1 t/m 3 van de Meldcode doorlopen A: Op basis van deze doorlopen stappen is er geen actie nodig à dossier vastleggen en sluiten B: Ik heb een sterk vermoeden van huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Het bevoegd gezag van mijn school is op de hoogte (in geval het vermoeden door schoolmedewerker wordt geconstateerd) à ga verder naar afweging 2 2. Veiligheid Op basis van de stappen 1 t/m 4 van de Meldcode schatten wij als school (functionarissen en bevoegd gezag)/leerplicht in dat er sprake is van acute en/of structurele onveiligheid A: Nee à ga verder naar afweging 3 B: Ja, of twijfel à direct (telefonisch) (anoniem) melding doen bij Veilig Thuis. De afwegingen hierna worden met Veilig Thuis doorlopen 3. Hulp Ben ik, of iemand anders in mijn school6 of een ketenpartner7 https://www.nu.nl/ / ben ik als leerplichtambtenaar in staat om effectieve hulp te bieden of te organiseren en kan de dreiging voor mogelijk huiselijk geweld of kindermishandeling afgewend worden? A: Nee à melden bij Veilig Thuis, die binnen vijf werkdagen een besluit neemt en terugkoppelt naar de melder B: Ja à ga verder met afweging 4 4. Acceptatie Aanvaarden de betrokkenen de hulp zoals in afweging 3 is georganiseerd en zijn zij bereid zich actief in te zetten? A: Nee à melden bij Veilig Thuis B: Ja à hulp in gang zetten, termijnen afspreken waarop effect meetbaar of merkbaar moet zijn. Zo concreet mogelijk maken en documenteren. Spreek af wie welke rol heeft en benoem casemanager. Spreek af welke taken alle betrokkenen en specifiek de casemanager heeft, zodat de verwachtingen voor iedereen helder zijn. Leg vast, voer uit en ga verder met afweging 5. 5. Resultaat Leidt de hulp binnen de afgesproken termijn tot de afgesproken resultaten ten aanzien van de veiligheid, het welzijn en/of het herstel van de direct betrokkenen? A: Nee à melden bij Veilig Thuis B: Ja à hulp afsluiten met vastgelegde afspraken over het monitoren8 van de veiligheid van alle betrokkenen. 2.16.3 Bijlage bij het afwegingskader: begrippen en definities Algemene meldnormen (leidende principes t.b.v. afwegingskaders) Het doen van een melding bij Veilig Thuis van mogelijk huiselijk geweld of mogelijke kindermishandeling is een professionele norm en als zodanig noodzakelijk: Meldnorm A In ALLE gevallen van acute onveiligheid en/of structurele onveiligheid. Meldnorm B In alle ANDERE gevallen waarin de aandachtsfunctionaris/leerplichtambtenaar meent dat hij, gelet op zijn competenties, zijn verantwoordelijkheden en zijn professionele grenzen, in onvoldoende mate effectieve hulp kan bieden of kan organiseren bij (risico’s op) huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Meldnorm C Als een aandachtsfunctionaris/leerplichtambtenaar die hulp biedt of organiseert om betrokkenen te beschermen tegen het risico op huiselijk geweld en/of kindermishandeling constateert dat de onveiligheid niet stopt of zich herhaalt. Acute onveiligheid ACUTE ONVEILIGHEID Definitie Een persoon is in direct fysiek gevaar, diens veiligheid is de komende dagen niet gegarandeerd en hij of zij heeft direct bescherming nodig. Toelichting Bij het afwegen van signalen van huiselijk geweld en/of kindermishandeling schat een beroepskracht allereerst en voortdurend in of een betrokkene acuut (levens)gevaar loopt. Dit betreft de aanwezigheid van fysiek of seksueel geweld (met of zonder letsel) of, in geval van zorgafhankelijke kinderen of (oudere) volwassenen, de áfwezigheid van de meest basale verzorging (waaronder eten, drinken, kleding en onderdak) maar bijvoorbeeld ook om het onnodig toedienen van medicijnen of het verrichten van onnodige zorg. Voorbeelden • Door geweld toegebrachte verwonding die medische behandeling behoeft. • (Ernstig) letsel met een vermoeden dat dit is toegebracht, of een poging daartoe • Poging tot verwurging. • Wapengebruik. • Geweld tijdens de zwangerschap. • (Vermoeden van) seksueel misbruik of seksueel geweld of seksuele exploitatie van kinderen jonger dan 18 jaar. • Acute bedreiging om zichzelf of een naaste (waaronder (ex)-partner, kinderen of familielid) te doden, ernstig letsel toe te brengen of hun vrijheid te benemen (familiedrama, eerwraak, vrouwelijke genitale verminking). • Onthouden van zorg die acuut de gezondheid bedreigt van -9 maanden tot + 100 jaar, waaronder het onthouden van voedsel. • Als een ouder/verzorger (medische) klachten/aandoeningen bij een kind verzint/aandikt, (medische) onderzoeksgegevens betreffende bij het kind bestaande klachten en afwijkingen vervalst of in het kader van een onderzoek selectief verstrek of (medische) klachten en afwijkingen bij het kind daadwerkelijk veroorzaakt. • Vrijheidsbeperkende maatregel voor pleger loopt af zonder dat er afdoende veiligheidsmaatregelen genomen zijn. • Acuut onveilige situatie bestaat of zorg dreigt weg te vallen vanwege suïcidepoging, automutilatie, acuut psychiatrisch beeld, intoxicatie door alcohol of drugs. • Noodgedwongen vlucht van huis door (dreiging van) huiselijk geweld en/of kindermishandeling. • Minderjarigen die opgesloten worden in huis en onthouden worden van eten en drinken • Minderjarigen die met een alleenstaande ouder leven, waarbij deze ouder een acute psychose krijgt • etc. Structurele onveiligheid STRUCTURELE ONVEILIGHEID Definitie Er is sprake van herhaling of voortduren van onveilige situaties of van geweld. Toelichting Een voorgeschiedenis van huiselijk geweld of kindermishandeling is de belangrijkste voorspeller voor voortduren van onveiligheid (plegerschap en slachtofferschap) in de toekomst. Voorbeelden • Minderjarigen die opgroeien bij ouders met zodanig ernstige (psychosociale, relationele) problematiek ten gevolge van verstandelijke beperking, middelenverslaving, psychische problematiek dat de fysieke en emotionele veiligheid van het kind bij herhaling en/of voortdurend wordt bedreigd en de ontwikkelmogelijkheden van deze minderjarigen structureel ingeperkt worden. • Vergelijkbare situaties met kwetsbare ouderen en een mantelzorger. • Ernstige verwaarlozing die voor jonge opgroeiende kinderen blijvende schade kan veroorzaken. • Escalerende vormen van stalking in partnerrelaties. • Minderjarige die geregeld getuige is van huiselijk geweld tussen ouders. • Minderjarigen die een hoog schoolverzuim hebben. • Minderjarigen die geregeld fysiek mishandeld worden. • etc. DISCLOSURE Definitie Slachtoffers die uit zichzelf een beroepskracht om hulp vragen of zich uiten bij (mogelijk) huiselijk geweld en/of kindermishandeling. Toelichting Als een slachtoffer, kind of volwassene, uit zichzelf een beroepskracht om hulp vraagt bij huiselijk geweld en/of kindermishandeling of zich hierover uit zonder hulp te vragen, betekent dit veelal dat het (minderjarige) slachtoffer een acute crisis ervaart en vreest voor de veiligheid en/of het welzijn van zichzelf of gezinsleden. Het met onvoldoende voorbereiding met de ouders/verzorgers bespreken van de (door het slachtoffer) geuite zorgen kan leiden tot (verergering van) situaties van acute of structurele onveiligheid. Dit geldt uitdrukkelijk ook voor specifieke vormen van huiselijk geweld zoals (ex)partnerstalking, huwelijksdwang, mensenhandel, eergerelateerd geweld en oudermishandeling. Een professionele norm tot melden betekent in dit geval zorgvuldige afstemming over de vervolgacties tussen de beroepskracht, Veilig Thuis en het slachtoffer. Bij de keuze voor wel/niet melden staat de veiligheid van het slachtoffer altijd voorop. 2.17 Toelichting artikel 17 (melding aan de inspectiedienst van het Ministerie van SZW) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 23 van de wet en artikel 5 van de Leerplichtregeling 1995] Het verdient aanbeveling om af en toe contact te hebben met de regionale directie van de Arbeidsinspectie over de informatie-uitwisseling en het toezicht op arbeid door jongeren. Daarbij geldt dat de mogelijkheden voor jongeren om te werken op grond van de Arbeidstijdenwet zijn afgestemd op de Leerplichtwet, zij het dat in de Arbeidstijdenwet andere begripsbepalingen worden gehanteerd: onder een kind wordt verstaan een persoon jonger dan 16 jaar en onder een jeugdige werknemer een persoon van 16 of 17 jaar. 2.18 Toelichting artikel 18 (melding aan de Sociale Verzekeringsbank) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 7 van de Algemene Kinderbijslagwet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 2, eerste lid, van de wet] Met de wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (hierna: AKW) heeft de leerplichtambtenaar per 1 januari 2010 een nieuw handhavingsinstrument voor 16- en 17-jarigen. Indien er sprake is van ernstig schoolverzuim (16 uur ongeoorloofd verzuim in een periode van 4 weken) heeft de leerplichtambtenaar naast zijn huidige instrumentarium de mogelijkheid om een melding te doen bij de SVB met de mededeling dat de Leerplichtwet niet wordt nageleefd. Deze melding kan voor de SVB, uitvoerder van de AKW, aanleiding zijn de kinderbijslag voor het betreffende kind stop te zetten. Immers de AKW stelt eisen aan de dagbesteding van kinderen van 16 en 17 jaar. Dezelfde regels gelden voor wezen van 16 en 17 jaar. Voor wezen is wel een overgangsregeling opgenomen. Het doen van een melding aan de SVB moet gezien worden als een extra instrument dat ingezet kan worden door de leerplichtambtenaar om het verzuim van een 16- of 17-jarige leerplichtige te laten eindigen. In bepaalde situaties kan er een melding bij de SVB plaatsvinden alvorens er een proces-verbaal wordt opgemaakt. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij de melding aan het SVB en het opmaken van een proces-verbaal gelijktijdig plaatsvindt. Dit instrument kan een bijdrage leveren aan een vermindering van het aantal processen-verbaal. Het feit dat een gezin (tijdelijk) geen kinderbijslag ontvangt voor het kind dat de Leerplichtwet overtreedt, zal er aan bijdragen dat de druk op de jongere verhoogd wordt om zijn schoolverzuim te beëindigen. Hierdoor zal een proces-verbaal in een aantal zaken niet meer nodig zijn. Het uiteindelijke doel is dat de jongere naar school gaat. Ouders en jongere kunnen het stopzetten van de kinderbijslag voorkomen door alsnog aan de verplichtingen van de Leerplichtwet te voldoen. Doordat de SVB altijd achteraf de kinderbijslag uitbetaalt (drie maanden na vaststelling van het recht op die kinderbijslag) is er ook in administratieve zin ruimte om het stopzetten van de kinderbijslag te voorkomen. Er is dus een herstelmogelijkheid. De strafrechtelijke route kent deze herstelmogelijkheid niet. Een proces-verbaal kan niet meer teruggetrokken worden door de leerplichtambtenaar, ook al gaat de jongere inmiddels weer naar school. De rechter bepaalt dan welke sanctie hij nodig acht. 2.18.1 Schoolverzuim door een 16-/17-jarige De school constateert in eerste instantie het verzuim. Verzuim tot 16 uur in een periode van 4 weken mag een school melden, is er sprake van 16 uur verzuim of meer in een periode van 4 weken dan moet de school het verzuim melden. De school meldt het schoolverzuim bij het ROD van DUO. De school geeft daarbij aan welke actie zij zelf onderneemt, of dat de inzet van de leerplichtambtenaar onmiddellijk vereist is. Inzet van de leerplichtambtenaar kan al plaatsvinden vanuit de preventieve gedachte als er nog geen sprake is van verzuim meer dan 16 uur per 4 weken. Denk bijvoorbeeld aan een leerplichtige die regelmatig te laat komt. 2.18.2 Kennisgeving vermoedelijk ongeoorloofd verzuim Leerplicht ontvangt van het ROD van de DUO een verzuimmelding. Leerplicht neemt contact op met de school en stemt af welke stappen er genomen worden. Is het verzuim gestopt dan onderneemt leerplicht niets. Duurt het verzuim voort, ondanks de acties van de school, dan onderneemt leerplicht actie. 2.18.3 Onderzoek naar de reden van verzuim in het kader van de kwalificatieplicht De leerplichtambtenaar roept de ouder(s) en de leerplichtige ouder dan 16 jaar op voor een gesprek. De leerplichtambtenaar onderzoekt de oorzaak van het verzuim. De consequenties van het verzuim worden toegelicht en er worden schriftelijke afspraken gemaakt voor het vervolg. Daarbij zijn 3 mogelijkheden: 1.De ouder(s) en/of jongere werken volledig mee. De leerplichtambtenaar geeft ouder(s) en jongere de kans om alsnog het verzuim op te heffen. 2.De ouder(s) en/of jongere werken weliswaar mee aan de afspraken, maar de leerplichtambtenaar acht het raadzaam de vinger aan de pols te houden bij het nakomen van de afspraken. 3.De ouder(s) en/of jongere werken niet mee aan afspraken om het verzuim te beëindigen. Een leerplichtige moet naar school, ouder(s) zijn hier volgens de Leerplichtwet verantwoordelijk voor totdat een jongere 18 jaar is, of een startkwalificatie heeft behaald, tenzij er sprake is van een vrijstelling. De leerplichtambtenaar benadrukt in zijn gesprek met ouder(s) en jongere. De leerplichtambtenaar onderzoekt in hoeverre de ouder(s) (mede)verwijtbaar zijn aan het verzuimgedrag van hun kind. Er moet bij melding aan de SVB onderscheid gemaakt worden tussen verwijtbaarheid van en medewerking door ouders. Verwijtbaarheid: zodra een jongere niet op school is neemt de school contact op met de ouders om na te gaan wat de reden van afwezigheid is. Het is dan de verantwoordelijkheid van de ouders (en de jongere) om ervoor te zorgen dat, indien er sprake is van ongeoorloofd verzuim, dit eindigt. Indien ouders niets ondernemen, na de melding van school, dan zijn de ouders verwijtbaar. Ondernemen ouders na de melding van school, diverse acties om hun kind op school te krijgen, dan zijn de ouders niet verwijtbaar. De jongere kan in deze situatie wel verwijtbaar zijn, omdat hij of zij ondanks de inspanningen van de ouders, toch blijft verzuimen. Medewerking: zodra de school de ouders heeft ingelicht over het verzuim van hun kind op school, is het de verantwoordelijkheid van de ouders om er voor te zorgen dat hun kind weer naar school gaat. Indien het verzuim blijft voortduren zal de school en/of leerplichtambtenaar met de ouders en de jongere afspraken gaan maken om het verzuim te laten eindigen. Als ouders en jongere zich aan de gemaakte afspraken houden dan werken zij mee om het verzuim te doen eindigen. 2.18.4 Melding aan de Sociale Verzekeringsbank Een melding bij de SVB kan een geëigend middel zijn om te stimuleren dat het schoolverzuim eindigt. Dit is afhankelijk van de verwijtbaarheid van ouders en/of jongere bij het verzuim maar ook van de medewerking die gegeven wordt aan het stoppen van het verzuim. Hieronder staan situaties beschreven waarin een melding bij de SVB kan worden gedaan: • Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders en jongere zijn verwijtbaar aan het ontstaan of het voortbestaan van het schoolverzuim. Ouders en/of jongere geven aan te willen meewerken aan afspraken, maar komen deze uiteindelijk niet na. •Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders en jongere zijn verwijtbaar aan het ontstaan en het voortbestaan van het schoolverzuim. Ouders en/of jongere willen niet meewerken aan afspraken om het verzuim te eindigen. •Nadat de school het verzuim heeft opgemerkt en dit heeft gemeld aan de ouders, stopt het verzuim niet. Ouders zijn niet verwijtbaar aan het ontstaan of voortbestaan van het schoolverzuim, maar de jongere wel. Ouders willen meewerken aan afspraken, maar de jongere niet. In eerste instantie zal er zorg worden ingezet om het verzuim alsnog te doen eindigen. Heeft deze inzet geen effect dan kan alsnog een melding bij de SVB worden gedaan (reden om de melding te doen is om de via de ouders druk op de jongere uit te oefenen). Er wordt dus geen melding bij de SVB gedaan als ouders en jongere niet verwijtbaar zijn aan het ontstaan of voortbestaan van het verzuim en meewerken aan de afspraken om het verzuim te doen eindigen. Denk hierbij aan een jongere die niet naar school gaat omdat hij op de wachtlijst voor een REC4 instelling is geplaatst, of een gediagnosticeerd depressieve jongere die daardoor niet in staat is om naar school te gaan. Uiteraard is het aanbieden van zorg in deze situatie wel aan de orde. Als sprake is van ernstig schoolverzuim dat gevolgen moet hebben voor het kinderbijslagrecht, geeft de leerplichtambtenaar een signaal af aan de SVB. De SVB sluit aan bij het oordeel van de leerplichtambtenaar. Deze volgt het gemeentelijke beleid met betrekking tot schoolverzuim en schooluitval. Indien er een melding wordt gedaan aan de SVB dan zet de leerplichtambtenaar de volgende afspraken op papier, welke naar ouders en jongere verstuurd worden: •het geconstateerde verzuim (minimaal 16 uur per 4 weken); •de ondernomen acties om dit verzuim te stoppen, welke niet hebben geleid tot het resultaat (acties van de leerplichtambtenaar, gesprek, waarschuwing, melding ZAT enz.); •datum waarop de melding naar de SVB is verstuurd; •Datum waarop de kinderbijslag stop gezet zal worden (SVB werkt met kwartaaltermijnen); •Voorwaarden waar ouders en/of jongere aan moeten voldoen om de melding ongedaan te maken; •Evaluatiedatum (als de melding aan de SVB is gedaan, kunnen ouders en/of jongere alsnog voldoen aan de voorwaarden de melding aan de SVB ongedaan maken. Hiervoor wordt een uiterste datum genoemd. Op deze wijze hebben ouders en jongere alsnog de kans de melding ongedaan te maken). Een melding doen aan de SVB is geen besluit in de zin van de Awb. De brief hoeft dus niet voorzien te worden van een bezwaar en beroepsprocedure. 2.18.5 Handelswijze Sociale Verzekeringsbank De SVB stuurt na de melding van de leerplichtambtenaar een beschikking aan de ouder die bekend is als aanvrager van de kinderbijslag. De SVB stopt met betalen van de kinderbijslag per het kwartaal volgend op de datum van de melding door de leerplichtambtenaar. Uiteraard kan een klant van de SVB het niet eens zijn met de maatregel, dan kan de klant bezwaar indienen bij de SVB. De leerplichtambtenaar die de melding heeft gedaan dat niet aan de vereisten in de Leerplichtwet wordt voldaan, kan in de bezwaarprocedure worden gevraagd schriftelijke informatie te leveren. Eventueel kan de ambtenaar worden gevraagd zelf aanwezig te zijn bij de hoorzitting. 2.18.6 Melding ongedaan maken De leerplichtambtenaar neemt contact op met de SVB om de melding ongedaan te maken als ouders en of jongere voldaan hebben aan de gestelde voorwaarden en het verzuim is geëindigd. Deze ongedaan making wordt schriftelijk bevestigd aan de ouders en jongere. 2.19 Toelichting artikel 19 (melding aan de Inspectie van het Onderwijs) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16a van de wet] Door de wetswijziging van de Leerplichtwet heeft de minister van Onderwijs per 1 januari 2012 de bevoegdheid gekregen om een bestuurlijke boete op te leggen aan de directeur van een school of instelling. De bestuurlijke boete is een sanctiemaatregel en kan worden opgelegd in gevallen waar een school volhardend bepalingen overtreedt. De minister heeft de uitvoering bij de Inspectie van het Onderwijs neergelegd. Deze overtredingen kunnen gaan over: a.Het in strijd handelen van de Leerplichtwet met betrekking tot: -Het verlenen van verlof voor vakantie dat slechts eenmaal voor ten hoogste tien dagen per schooljaar kan worden verleend en geen betrekking mag hebben op de eerste twee lesweken van het schooljaar. -Het verlenen van verlof voor andere gewichtige omstandigheden dat voor ten hoogste tien dagen per schooljaar verleend kan worden door de directeur. Indien verlof wordt gevraagd voor meer dan tien dagen per schooljaar, besluit de leerplichtambtenaar van de woongemeente van de jongere, de directeur gehoord. b. Niet voldoen aan: -Het melden van een in- of uitschrijving van een leerling op een school binnen 7 dagen bij de leerplichtambtenaar. -Het ter stond melden van een verwijdering van een leerling bij de leerplichtambtenaar. -Het berichten van het programma van de combinatie leren en werken dat door de jongere wordt gevolgd indien de jongere geen volledig onderwijsprogramma volgt aan de leerplichtambtenaar. -Het melden van het verzuim van 16 uur in de 4 weken van een leerling op school bij de leerplichtambtenaar en waar mogelijk bij het ROD van DUO. c.Het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen:Alle inlichtingen die deze in verband met de uitvoering van deze wet verlangen moeten aan de leerplichtambtenaar verstrekt worden. Doet een school dit niet of onvoldoende, dan meldt de leerplichtambtenaar dit bij de inspectie. Vervolgens neemt de inspectie dit signaal mee in haar regulier toezicht op de school. Bij urgente signalen neemt de inspectie direct contact op met de school. De inspectie kan de directeur van de school of instelling een bestuurlijke boete opleggen. 2.19.1 Wat betekent dit voor een gemeente? Voor een eventuele signalering aan de Inspectie dienen eerst gesprekken ter verbetering van de situatie aangegaan te worden. Deze stappen worden in een dossier vastgelegd. Dossiervorming is noodzakelijk voor een goede procesbegeleiding en de inhoud wordt bij signalering aan de Inspectie overgedragen. De leerplichtambtenaar is veel in school aanwezig. Hij of zij mag enkel de administratie op aan/afwezigheid van leerlingen in te zien indien hij een vermoeden heeft van een strafbaar feit. Indien de leerplichtambtenaar waarneemt dat de school of instelling de Leerplichtwet niet naleeft, dan kan dit een reden zijn tot het geven van informatie en advies aan de school of instelling betreffende een goede uitvoering dan wel een verbetering van het verzuimbeleid van de school. Indien de school of instelling ondanks het advies van de leerplichtambtenaar de Leerplichtwet blijft overtreden dan is dat aanleiding voor een signaal naar de Inspectie van het Onderwijs. De wijze waarop de signalen aan de Inspectie van het Onderwijs worden gegeven zijn opgenomen in dit artikel van de instructie. Elk van de twee toezichthouders (leerplichtambtenaar en Inspectie van het Onderwijs) heeft de bevoegdheden, die titel 5.2 van de Awb verleent aan degenen die als toezichthouder zijn aangewezen, voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichttaak nodig is (5:13 Awb). Daartoe behoren het betreden van plaatsen en de inzage van gegevens en bescheiden. Uit dit systeem volgt dat de leerplichtambtenaar toegang heeft tot de school en inzage heeft in de administratie voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn eigen toezichttaak (dus jegens ouders en leerlingen) nodig is. De toezichttaak gericht tot scholen met bijbehorende bevoegdheden is bij de Inspectie van het Onderwijs belegd. De leerplichtambtenaar heeft wel een natuurlijke oog- en oorfunctie waar het gaat om het handelen van scholen in het kader van de Leerplichtwet de signaleringsrol. Verstrekking van informatie aan andere overheidsorganen zoals de Inspectie van het Onderwijs, is toegestaan als gevolg van de Wet Justitiële en Strafvorderlijke Gegevens (WJSG). 2.20 Toelichting artikel 20 (jaarverslag leerplicht) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 25 van de wet] De verplichting om jaarlijks verslag uit te brengen over het gevoerde beleid inzake de handhaving van de leerplicht en de kwalificatieplicht en de resultaten daarvan berust bij het college. Uit de aard van deze bevoegdheid vloeit voort dat zij niet voor mandaatverlening in aanmerking komt (artikel 10:3, eerste lid, van de Awb). Het is de taak van de leerplichtambtenaar om de nodige informatie voor het verslag te verzamelen, te ordenen en in de vorm van een voorstel te presenteren. Het verslag zal de kwantitatieve gegevens bevatten die aan het ministerie van OCW moeten worden gemeld, maar tevens ingaan op het gevoerde beleid. 2.21 Toelichting artikel 21 (samenwerking in de regio inzake leerplicht) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel c, van de wet] In dit artikel is voor de leerplichtambtenaar een gematigd actieve rol opgenomen. Dit betekent dat hij zo nodig het initiatief neemt tot het voeren van regionaal overleg. Het in de instructie genoemde aantal van drie overleggen per jaar geldt als minimum, mede om te waarborgen dat betrokkenen elkaar kennen en duidelijk is wie in de regio het aanspreekpunt is. In veel regio’s zal intensievere samenwerking wenselijk zijn, aangezien leerlingstromen gemeentegrensoverschrijdend zijn. De noodzaak tot (verdere) afstemming is in ieder geval aanwezig indien over deze onderwerpen nog geen regionale afspraken zijn gemaakt, of indien uit de praktijk blijkt dat bestaande afspraken onvoldoende functioneren. Ook afstemming met het Openbaar Ministerie is van belang. Afhankelijk van de regionale situatie kan de officier van justitie als vaste deelnemer of op incidentele basis bij het overleg aansluiten. In de instructie zijn de onderwerpen benoemd die in ieder geval in het regionaal overleg aan de orde behoren te komen. De agenda kan uiteraard uitgebreider worden ingevuld. In het derde lid zijn de onderwerpen opgenomen waarover niet alleen afstemming plaatsvindt (net zoals bij de punten in het tweede lid), maar waarover ook concrete afspraken moeten worden gemaakt. 2.22 Toelichting artikel 22 (regionaal programma ter voorkoming van voortijdig schoolverlaten) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 8.27 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, 162c1 van de Wet op de Expertisecentra en 9.2.8 van de Wet educatie en beroepsonderwijs] De contactgemeente is wettelijk verantwoordelijk voor de coördinatie van het regionaal bestuurlijk overleg. Intern wordt afgestemd wie aan dit overleg deelneemt. De leerplichtambtenaar levert een actieve bijdrage aan de invulling van de wettelijke taken, aan het beleid voor het Doorstroompunt en aan het daarbij behorende aanvullend regionaal programma met maatregelen ter voorkoming en bestrijding van voortijdig schoolverlaten van jongeren tussen twaalf en zevenentwintig jaar. Daarbij is met name de afstemming over jongeren van zestien en zeventien jaar van belang, evenals de afspraken over de overdracht van casuïstiek. 2.23 Toelichting artikel 23 (samenwerking met diensten en instellingen) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 16, vierde lid, onderdeel d, van de wet] Het is de bedoeling om te beschikken over een actuele lijst van samenwerkingspartners. Hiervoor is gekozen voor opname in een bijlage, maar een opsomming in de instructie zelf is eveneens mogelijk. In deze lijst worden in ieder geval opgenomen: scholen en instellingen, instanties die betrokken zijn bij jeugdhulp en jeugdbescherming, strafrechtelijke ketenpartners en instanties die verband houden met arbeid. Deze diensten en instellingen dienen te worden geïnformeerd over deze instructie. Tevens behoren zij tot de kring van organisaties die het jaarverslag ontvangt. 2.24 Toelichting artikel 24 (beleidsontwikkeling) [Dit artikel geeft nadere uitvoering aan artikel 25 van de wet en wordt toegepast met inachtneming van artikel 9.2.12 van de Wet educatie en beroepsonderwijs] In het eerste lid is geregeld dat de eigen gegevens op systematische wijze worden verzameld en verwerkt, zodat zowel het regionale als het lokale beleid mede hierop kan worden gebaseerd. Daarmee wordt de beleidscyclus in belangrijke mate ondersteund. In het tweede lid is geregeld dat de leerplichtambtenaar voorstellen doet voor beleid dat de hoofdzaken bevat van de uitvoering van de begeleiding van jongeren zonder startkwalificatie, met aandacht voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens, en houdt daarbij rekening met het regionaal programma. Deze taak vloeit voort uit de Wet van school naar duurzaam werk. Het derde lid ziet op het betrekken van ontwikkelingen die zich buiten de eigen regio voordoen bij het regionale en landelijke beleid. Daarbij gaat het niet alleen om ontwikkelingen in het leerplichtbeleid in strikte zin, maar ook om ontwikkelingen rondom het Doorstroompunt, het onderwijs, de jeugdzorg en aanverwante domeinen. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen daarnaast ook ontwikkelingen in bijvoorbeeld het vreemdelingenbeleid, de justitiële organisatie of de arbeidsmarkt relevant zijn. 2.25 Toelichting artikel 25 (slotbepaling) Het eerste lid regelt dat alle betrokken partijen van deze instructie in kennis worden gesteld. Het tweede lid ziet op de inwerkingtreding. Gekozen is voor inwerkingtreding 1 augustus 2026 (na besluit tot vaststelling van de instructie). Met ingang van dat moment vervalt tevens de eerdere instructie (2019) voor de leerplichtambtenaar.
Categorie: Mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer over deze regio
Meer meldingen zoals "Instructie voor de Leerplichtambtenaar Ede 2026"

Mededelingen
Beleidsregel bijzondere bijstand Gemeente Ede 2024

Mededelingen
Instructie voor de Leerplichtambtenaar Ede 2026

Mededelingen
Beleidsregel Opleggen van een last onder dwangsom bij schoolverzuim Ede 2026

Omgeving
Bekendmaking van het voornemen tot het verlenen van een begrotingssubsidie aan Veluwse Onderwijsgroep

Wegwerkzaamheden
Wegonderhoud sinds 22 juli 2026 gepland tot 23 juli 2026

APV
Verordening Groene Balans: compensatie en verevening van groene waarden

Omgeving
Bekendmaking van het voornemen tot het verlenen van een begrotingssubsidie aan IrisZorg

Omgeving
Bekendmaking van het voornemen tot het verlenen van een begrotingssubsidie aan GGD Noord Oost Gelderland

Omgeving
Bekendmaking van het voornemen tot het verlenen van een begrotingssubsidie aan Stichting Moviera

Mededelingen
Beleidsregels beoordeling aangiften adreswijziging minderjarigen gemeente Barneveld

Wegwerkzaamheden
Wegonderhoud sinds 21 juli 2026 gepland tot 22 juli 2026

Bestemmingsplan
H23 - postzegelplan "Landelijk gebied Ede, partiële herziening 2026, 1e ronde"

