Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Tribuut 2023

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

Mededelingen

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-09-11

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

RegionaalSamenwerkingsorgaan Tribuut belastingsamenwerking

Informatie

3e wijzigingsbesluit Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Tribuut 2023 Het bestuur van Tribuut belastingsamenwerking; gelezen het voorstel van de juridisch beleidsmedewerker van 29 juli 2026; BESLUIT: Artikel I Wijzigingen De Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Tribuut 2023, vastgesteld bij besluit van 1 juni 2023, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 april 2025, wijzigt als volgt: AArtikel 1.1.5 wijzigt als volgt: 1.In de eerste zin vervalt 'en het Besluit Fiscaal bestuursrecht'. 2.De tekst vanaf de tweede zin van de vijfde alinea vervalt. BNa artikel 1.1.5a wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: Artikel 1.1.5b Marginale toetsing Als de belastingschuldige in zijn verzoek aan Tribuut aannemelijk maakt dat er gegronde twijfels bestaan over de verschuldigdheid van een onherroepelijk geworden belastingaanslag, toetst de invorderingsambtenaar de belastingaanslag marginaal. Onder een onherroepelijk vaststaande belastingaanslag wordt in dit verband verstaan een belastingaanslag waartegen geen bezwaar of beroep meer openstaat en waarbij evenmin een ambtshalve beoordeling mogelijk is in verband met termijnoverschrijding. Als bij de marginale toetsing blijkt dat een belastingaanslag geheel of gedeeltelijk in materiële zin niet verschuldigd kan worden geacht, neemt de invorderingsambtenaar in zoverre geen invorderingsmaatregelen. Onder invorderingsmaatregelen worden niet alleen dwangmaatregelen begrepen zoals de tenuitvoerlegging van een dwangbevel, maar ook de verrekening van een belastingaanslag met belastingteruggaven.Als de invorderingsambtenaar invorderingsmaatregelen heeft genomen na indiening van het verzoek tot marginale toetsing, corrigeert hij de afboekingen op de belastingaanslag voor zover deze belastingaanslag niet materieel verschuldigd kan worden geacht. Wanneer het afboekingen betreffen die zien op de periode van vóór de ontvangst van het verzoek dan wel betalingen betreffen die de belastingschuldige uit eigen beweging heeft gedaan, corrigeert de invorderingsambtenaar dit voor zover dat in redelijkheid nog mogelijk is.De invorderingsambtenaar wijst het verzoek van belastingschuldige af als de heffingsambtenaar een tijdig verzoek voor ambtshalve beoordeling ook zou hebben afgewezen. CNa artikel 1.1.5b (nieuw) wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: Artikel 1.1.5c Verzoekschriften aan andere instellingen De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan als er een verzoekschrift is ingediend bij de raad, het college van burgemeester en wethouders, de (gemeentelijke) ombudsman van de betreffende gemeente of bij het bestuur tot op dat verzoekschrift is beslist. Als naar het oordeel van de invorderingsambtenaar aanwijzingen bestaan dat door het niet direct aanvangen of vervolgen van de invordering de belangen van Tribuut worden geschaad, kan de invorderingsambtenaar na voorafgaande toestemming van de directeur toch invorderingsmaatregelen treffen. DIn artikel 1.2 vervalt ‘en het Besluit Fiscaal bestuursrecht’. EArtikel 19.3.9 vervalt. FIn artikel 25.1.3, onderdeel i, wordt onder vervanging van de puntkomma aan het einde door een punt, een zin toegevoegd, luidende:Er wordt in ieder geval vermoed sprake te zijn van structurele betalingsproblemen in het geval een eerder ingediend verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen, de schulden waar dat eerdere verzoek betrekking op had (gedeeltelijk) nog openstaan en er geen sprake is van andere feiten of veranderde omstandigheden zoals vermeld in artikel 26.4.2 van deze leidraad; GArtikel 25.1.15 vervalt. HIn artikel 25.5.1 wordt aan de tweede alinea een zin toegevoegd, luidende:Het beleid zoals beschreven bij de berekening van de betalingscapaciteit bij betalingsregelingen tot en met twaalf maanden, is van overeenkomstige toepassing op een regeling die vanwege bijzondere omstandigheden langer dan twaalf maanden duurt. INa artikel 25.4.5 wordt een artikel ingevoegd, luidende: 25.4.6 Verzoek voegen nieuwe schuld gedurende de behandeling van een verzoek Wanneer de belastingschuldige gedurende de behandeling van een verzoek om uitstel in verband met betalingsproblemen een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient dat betrekking heeft op nieuw opgekomen of op te komen fiscale verplichtingen, voegt de invorderingsambtenaar dit verzoek samen met het eerdere verzoek en behandelt hij de verzoeken gezamenlijk. JArtikel 25.5.8 komt te luiden:De invorderingsambtenaar kan aflossingsverplichtingen aan derden, waarvan het niet-nakomen tot ongewenste effecten kan leiden, meenemen bij de berekening van de betalingscapaciteit. KArtikel 25.5.9 komt te luiden:Bij de berekening van de betalingscapaciteit kan de invorderingsambtenaar rekening houden met extra inkomsten, zoals vakantiegeld, tantièmes en dergelijke, voor zover uitbetaling daarvan plaatsvindt in de periode waarvoor de betalingsregeling geldt. LArtikel 25.5.11 vervalt. MNa artikel 25.5.11 worden drie artikelen ingevoegd, luidende: 25.5a Verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen 25.5a.1 Betalingsregeling bij illiquide vermogen Aan de belastingschuldige bij wie – na aanwending van het eventuele overige vermogen dat niet bezwaarlijk liquide te maken is – sprake is van vermogen dat bezwaarlijk liquide te maken is als bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van de regeling (hierna: illiquide vermogen) kan de invorderingsambtenaar de reguliere uitsteltermijn van twaalf maanden waarin de belastingschuldige zijn betalingscapaciteit inzet, verlengen met inachtneming van het volgende.De invorderingsambtenaar verlengt de uitsteltermijn van twaalf maanden met ten hoogste 60 maanden. In deze periode dient de belastingschuldige een bedrag af te lossen gelijk aan maximaal de (over)waarde van het illiquide vermogen. Bij de maandelijkse termijnbetalingen houdt de invorderingsambtenaar rekening met de betalingscapaciteit van de belastingschuldige.Als de omstandigheden op grond waarvan de betalingsregeling is toegekend veranderen, is belastingschuldige verplicht de invorderingsambtenaar zo spoedig mogelijk hierover te informeren. Voorts beoordeelt de invorderingsambtenaar jaarlijks of er sprake is van een verandering van het inkomen. Als blijkt dat er wijzigingen hebben plaatsgevonden van het inkomen, berekent de invorderingsambtenaar opnieuw de betalingscapaciteit van de belastingschuldige. De invorderingsambtenaar past de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld.Als gedurende de looptijd van de betalingsregeling een nieuwe belastingschuld ontstaat kan de invorderingsambtenaar deze op verzoek van de belastingschuldige meenemen in de bestaande regeling, indien deze nieuwe belastingschuld binnen de resterende (maximale) betalingstermijn kan worden voldaan. Indien deze nieuwe belastingschuld vanwege onvoldoende betalingscapaciteit niet kan worden meegenomen in de bestaande betalingsregeling beëindigt de invorderingsambtenaar de betalingsregeling. 25.5a.2 Onvoldoende betalingscapaciteit voor (voortzetten) betalingsregeling Als een belastingschuldige niet of niet langer over voldoende betalingscapaciteit beschikt om de (over)waarde van zijn illiquide vermogen in (de resterende) 60 maanden te voldoen, dan wijst de invorderingsambtenaar het verzoek om uitstel af of beëindigt de betalingsregeling. De invorderingsambtenaar houdt de invordering aan voor een redelijke termijn zodat belastingschuldige het vermogen liquide kan maken dan wel op een andere manier een bedrag gelijk aan de (over)waarde van het vermogen kan voldoen. 25.5a.3 Redenen beëindigen betalingsregeling illiquide vermogen In aanvulling op artikel 25.1.4. van deze leidraad en op de redenen tot beëindiging van de betalingsregeling genoemd in artikel 25.5a.1 en 25.5a.2, beëindigt de invorderingsambtenaar de betalingsregeling eveneens als de gerechtigdheid tot het illiquide vermogen wijzigt. NArtikel 26.1.11 vervalt. OIn artikel 26.2.7, tweede alinea wordt ‘de overblijvende partner/erfgenaam’ vervangen door ‘de langstlevende echtgenoot’. PIn artikel 26.2.12 wordt ‘€ 77’ vervangen door ‘€ 80’ en wordt ‘€ 68’ vervangen door ‘€ 70’. QIn artikel 26.2.19 wordt ‘€ 45’ vervangen door ‘€ 47’ en wordt ‘€ 101’ vervangen door ‘€ 106’. RArtikel 26.3.4 wijzigt als volgt: 1.Aan de eerste alinea wordt een zin toegevoegd, luidende:De materiële belastingschuld mag ook worden betrokken in het akkoord, indien de belastingschuld in omvang bepaalbaar is en ziet op een tijdvak dat reeds is geëindigd ten tijde van indiening van het verzoek. 2.Aan het einde van het artikel wordt een alinea toegevoegd, luidende:Het voldoen van schulden aan andere handelscrediteuren met een factuurdatum die ligt ná de datum van indiening van het verzoek om kwijtschelding vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het saneringsakkoord. SDe tweede en derde zin in artikel 26.3.7 vervallen. TArtikel 26.3.8 wijzigt als volgt: 1.De tekst van het vierde gedachtestreepje komt te luiden: –Dwangcrediteuren. Onder ‘dwangcrediteuren’ worden in dit verband handelscrediteuren verstaan van wie het aannemelijk is dat zij niet bereid zullen zijn aan een akkoord mee te werken, terwijl zonder de betrokkenheid van deze handelscrediteuren de onderneming na de totstandkoming van het saneringsakkoord niet kan worden voortgezet. 2.Na het vierde gedachtestreepje worden twee nieuwe gedachtestreepjes ingevoegd, luidende: –De boekhouder of adviseur die stukken moet produceren die voor de beoordeling van een saneringsakkoord nodig zijn. Bij de beoordeling van het akkoord houdt de invorderingsambtenaar rekening met de volledige betaling van de vordering van de boekhouder of adviseur voor zover deze ziet op die werkzaamheden. –Kleine crediteuren. Onder kleine crediteuren worden verstaan: crediteuren met een zogenoemde kleine vordering. Van een kleine vordering is sprake wanneer de inspanningen om die crediteuren individueel te betrekken bij het akkoord niet in verhouding staan tot het belang van de invorderingsambtenaar. Er wordt vermoed sprake te zijn van een kleine vordering als de totale vordering van de betreffende crediteur ten hoogste € 500 bedraagt. Ook hogere vorderingen kunnen door de invorderingsambtenaar onder omstandigheden als klein worden aangemerkt. Daarvan kan sprake zijn wanneer de invorderingsambtenaar een redelijke grond aanwezig acht als bedoeld in artikel 384, vierde lid, onderdeel b, FW. UArtikel 26.3.9 komt te luiden:De betaling van het bedrag van het saneringsakkoord vindt in beginsel zonder uitstel plaats. De invorderingsambtenaar kan echter toestaan dat het bedrag in termijnen wordt betaald. Dit kan indien de belastingschuldige na de sanering het bedrijf of zelfstandig beroep blijft uitoefenen en aannemelijk maakt dat de termijnen, bedoeld in de tweede volzin, evenals de nieuw opkomende fiscale verplichtingen tijdig kunnen worden nagekomen. In het geval de invorderingsambtenaar betaling in termijnen heeft toegestaan, treedt hij voorwaardelijk toe tot het akkoord. Op de betalingsregeling voor het bedrag van het saneringsakkoord zijn de artikelen 25.6.1, 25.6.2 en 25.6.2a van overeenkomstige toepassing waarbij in afwijking van: –artikel 25.4.3 van deze leidraad geen verrekening plaatsvindt van belastingteruggaven en andere teruggaven voor zover die materieel zijn ontstaan na de dag waarop het verzoek tot het sluiten van het saneringsakkoord is ingediend; –artikel 25.6.1 van deze leidraad de looptijd van twaalf maanden aanvangt op de dag na de dagtekening van de voorwaardelijke beschikking tot kwijtschelding; –artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige nieuw opkomende fiscale en andere financiële verplichtingen, waarvan de invordering aan de invorderingsambtenaar is opgedragen, niet alleen gedurende de uitstelregeling, maar gedurende de gehele looptijd van de saneringsprocedure nakomt; –artikel 25.6.2 van deze leidraad de belastingschuldige geen zekerheid hoeft te stellen; –artikel 25.6.2a van deze leidraad het bedrag van het saneringsakkoord in meer dan twaalf maandelijkse termijnen kan worden betaald, indien de belastingschuldige aannemelijk maakt dat hij het bedrag van het saneringsakkoord niet binnen twaalf maandelijkse termijnen kan voldoen en nakoming van het akkoord is geborgd. Daarnaast hoeft de belastingschuldige met een verklaring van een derde deskundige alleen aannemelijk te maken dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord zullen worden opgelost en dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. De tweede alinea van artikel 25.6.2b van deze leidraad is van overeenkomstige toepassing.De invorderingsambtenaar verleent kwijtschelding indien het saneringsakkoord in het geheel is nagekomen. VArtikel 26.4.2 wijzigt als volgt: 1.Na de tweede alinea wordt een alinea ingevoegd, luidende:Als gedurende de behandeling van het administratief beroep tegen de afwijzende beschikking op het eerdere verzoek om kwijtschelding de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding indient voor dezelfde belastingschuld, merkt de invorderingsambtenaar het nieuwe verzoek om kwijtschelding aan als aanvulling op het lopende beroep. De directeur zal met inachtneming van het nieuwe verzoek om kwijtschelding beslissen op het administratief beroep. 2.In de derde alinea (oud) wordt na ‘belastingschuldige’ ingevoegd ‘, behoudens de situatie als bedoeld in de vorige alinea,’. 3.Na de laatste alinea wordt een alinea toegevoegd, luidende:Voor de toepassing van dit artikel is slechts sprake van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ als:– de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of– de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het kwijtscheldingsverzoek. WArtikel 28.8 vervalt. XIn artikel 67 wordt na het vierde gedachtestreepje een gedachtestreepje ingevoegd, luidende:– bekendmaking aan derden in het belang van de invordering; YIn artikel 73.5.5 wordt na ‘als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet’ ingevoegd ‘ of een verzoek tot toelating tot de WSNP’. Artikel II Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli 2026. Aldus vastgesteld door het bestuur van de gemeenschappelijke regeling Tribuut belastingsamenwerking Apeldoorn, 9 september 2026 H.T.W. Boender voorzitter B.J. Groot Wesseldijk Ambtelijk secretaris Toelichting Met deze wijziging worden de wijzigingen van de model Leidraad van de VNG/rijksleidraad per 1 juli 2025, 1 januari en 1 juli 2026 verwerkt. Hierna volgt per onderdeel van artikel I een toelichting. Onderdeel A wijzigt artikel 1.1.5 op twee punten. De verwijzing naar het Besluit Fiscaal bestuursrecht vervalt. Dat besluit is van toepassing op de Belastingdienst, maar niet op gemeenten of Tribuut. De marginale toetsing wordt uit artikel 1.1.5 gehaald en opgenomen in een nieuw artikel. Hierdoor wordt de marginale toetsing beter zichtbaar in de Leidraad wat de vindbaarheid ten goede komt. Met beide wijzigingen is geen beleidswijziging beoogd. Met onderdeel B wordt het nieuwe artikel 1.1.5a ingevoerd, waarin de marginale toetsing is uitgewerkt. Onderdelen C, G en N zijn wijzigingen van redactionele en technische aard. In artikel 25.1.15 en 26.1.11 stond nagenoeg dezelfde tekst en de plaatsing was onlogisch. De artikelen 25 en 26 geven beleidsregels voor respectievelijk uitstel van betaling en kwijtschelding. De in de artikelen 25.1.15 en 26.1.11 genoemde verzoeken kunnen echter ook op andere onderwerpen betrekking hebben. Om die reden vervallen de artikelen 25.1.15 (G) en 26.1.11 (N) en wordt de tekst opgenomen in het nieuwe artikel 1.1.5c (C). Onderdeel D hangt samen met de tweede wijziging van onderdeel A. Onderdeel E schrapt artikel 19.3.9. Op 1 januari 2021 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet (hierna: Wet Vbvv) in werking getreden. Deze inwerkingtreding had voor AOW-gerechtigden tot gevolg dat van een lagere bijstandsnorm werd uitgegaan dan voorheen. Om die reden kwamen er signalen dat de negatieve gevolgen van de beslagvrije voet voor de AOW-gerechtigden groter zouden zijn dan was voorzien. Als gevolg hiervan werd een verdiepend onderzoek gestart naar deze problematiek en was wetgeving in voorbereiding. In aanloop naar een eventuele oplossing is artikel 19.3.9 per 1 januari 2023 ingevoerd. Uit de brief van 3 september 2024 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat uit het verdiepend onderzoek naar voren is gekomen dat de AOW-gerechtigden er niet sterker op zijn achteruitgegaan dan door de wetgever was voorzien, zodat er onvoldoende reden is om de Wet Vbvv voor AOW-gerechtigden aan te passen. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding meer om artikel 19.3.9 toe te passen; de bepaling komt te vervallen. De AOW-gerechtigden bij wie op grond van artikel 19.3.9 de (gunstigere) beslagvrije voet reeds is vastgesteld dan wel is gecommuniceerd, mogen erop vertrouwen dat deze blijft gelden conform de hiervoor geldende wettelijke termijn (artikel 475d, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Onderdeel F verduidelijkt de huidige afwijzingsgrond van artikel 25.1.3, onderdeel i, van deze leidraad, in die zin dat wordt aangegeven in welke situatie er vanuit het perspectief van de invorderingsambtenaar in ieder geval wordt vermoed sprake te zijn van structurele betalingsproblemen. Een dergelijke situatie doet zich voor wanneer de belastingschuldige een nieuw verzoek om uitstel van betaling indient, terwijl een eerder ingediend verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen en de schulden waar dat eerdere verzoek betrekking op had (gedeeltelijk) nog openstaan, en er geen sprake is van andere feiten of veranderde omstandigheden. Het komt voor dat een belastingschuldige, nadat een eerder verzoek om uitstel van betaling is afgewezen, een nieuw verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen indient, zonder dat hij hierbij nieuwe feiten of veranderde omstandigheden vermeldt. Wanneer het nieuwe verzoek ziet op dezelfde belastingschuld dan is er sprake van een herhaald verzoek en handelt de invorderingsambtenaar conform artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Maar wanneer er niet voor dezelfde belastingschuld uitstel van betaling wordt gevraagd, is er geen sprake van een herhaald verzoek, maar van een nieuw verzoek. Dit geldt ook wanneer in het nieuwe verzoek uitstel van betaling wordt gevraagd voor zowel de oude onbetaald gelaten belastingaanslagen als voor de belastingschulden die nadien zijn ontstaan. Wanneer een eerder verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen is afgewezen en de schulden waarop dat verzoek betrekking had nog geheel of gedeeltelijk openstaan, terwijl inmiddels opnieuw belastingschulden zijn ontstaan, vormt dit een aanwijzing dat geen sprake is van een tijdelijk liquiditeitstekort, maar van betalingsproblemen met een meer structureel karakter. In die gevallen bestaat onvoldoende perspectief dat met het verlenen van uitstel van de betaling de openstaande belastingschulden binnen afzienbare tijd alsnog kunnen worden voldaan en een oplossing wordt geboden voor de belastingschuldige. Met het verduidelijken van deze afwijzingsgrond wordt beoogd te voorkomen dat bij herhaling wordt verzocht om uitstel van betaling in gevallen dat er onvoldoende perspectief bestaat op voldoening van de schuld. Deze verduidelijking draagt bij aan het voorkomen van onnodige herbeoordelingen en waarborgt dat uitstel van betaling zijn karakter behoudt als instrument voor het overbruggen van tijdelijke betalingsproblemen. Een absolute afwijzingsgrond kan onevenredig uitpakken. Om die reden zijn er twee waarborgen ingebouwd. Ten eerste gaat het hier om een vermoeden van structurele betalingsproblemen. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet, zal de invorderingsambtenaar de belastingschuldige in de gelegenheid stellen dit vermoeden te weerleggen. Ten tweede geldt dat wanneer er sprake is van nieuwe of veranderde omstandigheden dit vermoeden van structurele betalingsproblemen zich niet voordoet. Er is dan immers niet per definitie sprake van een structureel betalingsprobleem. Onderdeel G: zie onderdeel C. Onderdeel H wijzigt artikel 25.5.1 en onderdeel L laat artikel 25.5.11 vervallen. De eerste zin van artikel 25.5.11 wordt aan artikel 25.5.1 toegevoegd. Dit betreft enkel een redactionele wijziging. De overige tekst van artikel 25.5.11 stemt niet meer overeen met de in onderdeel H genoemde wijziging van artikel 25.5.8 en de introductie van de verlengde betalingsregeling bij illiquide vermogen in artikel 25.5a e.v. (L), zodat artikel 25.5.11 van de Leidraad komt te vervallen. Onderdeel I betreft de invoering van een nieuw artikel 25.4.6. Dit artikel bepaalt dat wanneer er gedurende de behandeling van het verzoek om uitstel van betaling in verband met betalingsproblemen een nieuw verzoek om uitstel van betaling wordt ingediend dat ziet op de nieuw opgekomen dan wel op te komen fiscale verplichtingen, de invorderingsambtenaar dit verzoek bij het eerdere verzoek voegt en hij de verzoeken gebundeld behandelt. Hiermee wordt voorkomen dat de invorderingsambtenaar afzonderlijke beschikkingen moet afgeven en er hierdoor meerdere procedures naast elkaar kunnen ontstaan. Voorts zorgt dit voor een integrale beoordeling van de totale schuldpositie. Deze werkwijze zorgt voor een efficiënte behandeling doordat de verzoeken worden gebundeld. Onderdeel J wijzigt artikel 25.5.8. In het Verantwoordingsonderzoek Financiën 2024 heeft de Algemene Rekenkamer geconstateerd dat het beleid van de Belastingdienst onvoldoende bescherming biedt aan burgers met een beperkte betaalcapaciteit en met meerdere aflossingen, doordat de Leidraad de invorderingsambtenaar voorschrijft bij de berekening van de betalingscapaciteit over het algemeen geen rekening te houden met andere aflossingen. De Algemene Rekenkamer constateerde dat burgers hierdoor mogelijk onder het bestaansminimum kunnen geraken. Dit geldt op overeenkomstige wijze voor Tribuut. Artikel 25.5.8 van de Leidraad bood weliswaar reeds de mogelijkheid om de aflossingen op schulden aan derden mee te nemen in de berekening van de betalingscapaciteit, maar de wijziging in artikel 25.5.8 zorgt ervoor dat dit beter tot uitdrukking komt. Met de wijziging wordt beoogd de ruimte in het recht beter naar voren te laten komen en te verduidelijken dat de preferentie geen rol speelt bij de beoordeling of de aflossingen op schulden aan derden worden meegenomen bij de berekening van de betalingscapaciteit. Relevant is of het niet meenemen van bepaalde aflossingen aan derden leidt tot ongewenste effecten voor de belastingschuldige. Bijvoorbeeld als de belastingschuldige onder het bestaansminimum komt of uit huis gezet dreigt te worden. De invorderingsambtenaar kan dan een langere betalingsregeling toestaan dan twaalf maanden, omdat sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 25.5.1, tweede alinea van deze Leidraad, die een langere looptijd rechtvaardigt. Deze wijziging laat de praktijk van het ambtshalve toetsen op kwijtschelding zoals volgt uit artikel 25.5.1, derde alinea van deze Leidraad onverlet. Dit houdt in dat als belastingschuldige de belastingschuld niet in twaalf maanden kan voldoen, de invorderingsambtenaar ambtshalve toetst op kwijtschelding. Kwijtschelding is – als aan alle overige voorwaarden voor kwijtschelding is voldaan – mogelijk voor het deel van de belastingschuld dat niet in twaalf maanden kan worden voldaan op basis van de berekening van betalingscapaciteit zoals deze geldt bij het kwijtscheldingsbeleid. Onderdeel K wijzigt artikel 25.5.9. In de praktijk is naar voren gekomen dat de berekening van de betalingscapaciteit tot problemen kan leiden wanneer rekening wordt gehouden met extra inkomsten, zoals het vakantiegeld. Deze extra inkomsten worden in de betalingsregeling op basis van berekening van de betalingscapaciteit maandelijks opgeëist, onafhankelijk van de vraag of de belastingschuldige die extra inkomsten wel maandelijks geniet. Hierdoor bestaat het gevaar dat iemand gedurende een bepaalde periode onder het bestaansminimum komt. Door van de regeling een ‘kan’-bepaling te maken en door weglating van de zinsnede ‘dan wel zou moeten plaatsvinden’ wordt niet alleen beoogd zulke situaties te voorkomen, maar wordt ook aan de invorderingsambtenaar de ruimte gegeven deze extra inkomsten in de berekening van de betalingscapaciteit mee te nemen wanneer de situatie zich hiervoor leent. Het gaat hierbij om de situatie dat de betalingsregeling ziet op tijdvakken waarin bijvoorbeeld het vakantiegeld daadwerkelijk wordt genoten en dit bij de invorderingsambtenaar bekend is. Onderdeel L: zie onderdeel H. Onderdeel M, bevat een uitwerking van de verlengde betalingsregeling bij illiquide vermogen. Er worden drie nieuwe artikelen geïntroduceerd in de Leidraad. Per 1 juli 2025 is aan artikel 12 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (URIW 1990) een vijfde lid toegevoegd waarmee het mogelijk wordt gemaakt om een bezitting onder voorwaarden buiten beschouwing te laten bij het bepalen van het recht op kwijtschelding, wanneer het onredelijk bezwarend wordt geacht om deze liquide te maken. Met de invoering van dit artikellid wordt uitvoering gegeven aan een van de toezeggingen gedaan in de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 26 april 2024. Zoals ook in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12, vijfde lid, URIW 1990 is vermeld ziet de mogelijkheid van de verlengde betalingsregeling met mogelijke kwijtschelding van het restant van de belastingschuld enkel op illiquide vermogensbestanddelen waarbij het onredelijk bezwarend wordt geacht dat deze liquide gemaakt zouden moeten worden. Het is daarbij aan de belastingschuldige om aannemelijk te maken dat er sprake is van illiquide vermogen en wat de nettowaarde is van het vermogen in kwestie. De wijze waarop is afhankelijk van de betreffende bezitting en de situatie. Voor de waardering van een eigen woning kan gedacht worden aan de WOZ-waarde, een taxatierapport of indien dit een reëler beeld geeft van de nettowaarde, het eigen aankoopbedrag. Het wordt in beginsel niet passend geacht vermogensbestanddelen te ontzien die kunnen kwalificeren als een luxegoed, zoals een plezierjacht, onroerend goed wat niet de eigen woning is of een (kostbare) tweede auto. Om in aanmerking te komen voor de verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen met eventuele kwijtschelding van het restant zal dus eerst het eventuele overige vermogen wat niet kwalificeert als illiquide in de zin van artikel 12, vijfde lid, URIW 1990, moeten worden aangewend voor voldoening van de belastingschuld. Pas daarna komt een belastingschuldige – als aan alle voorwaarden is voldaan – in aanmerking voor de verlengde betalingsregeling in verband met illiquide vermogen met eventuele kwijtschelding van het restant van de belastingschuld. In de artikelsgewijze toelichting bij de invoering van het vijfde lid van artikel 12 URIW 1990 staat dat het van de feiten en omstandigheden van het geval afhangt of het onredelijk bezwarend is om te eisen dat de belastingschuldige zijn vermogensbestanddeel liquide maakt. Hierbij is het voorbeeld gegeven van een situatie waarin de belastingschuldige een overwaarde heeft op zijn eigen woning, maar vanwege een beperkte betalingscapaciteit zijn schuld niet kan voldoen binnen een reguliere betalingsregeling van twaalf maanden en door de overwaarde op zijn eigen woning niet in aanmerking komt voor (gedeeltelijke) kwijtschelding. In een dergelijke situatie kan het onevenredig zijn om van de belastingschuldige te verlangen zijn woning te verkopen om de belastingschuld te voldoen. De regeling is niet beperkt tot de eigen woning. Het kan ook gaan om vermogensbestanddelen die voor de belastingschuldige noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in zijn levensonderhoud, zoals aandelen in zijn eigen BV. Ook de hoogte van de belastingschuld en de waarde van het vermogen zijn indicatoren voor het bepalen of het onredelijk bezwarend is om het vermogen terstond liquide te maken. Zo zal een lage belastingschuld of een lage waarde van het vermogen eraan kunnen bijdragen dat het terstond liquideren leidt tot een situatie die volgens de invorderingsambtenaar voor de belastingschuldige onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Er zullen zich naar verwachting situaties voordoen waarin belastingschuldige zijn volledige belastingschuld met een verlengde betalingsregeling kan voldoen, zodat hij geen recht heeft op kwijtschelding. De verlengde betalingsregeling staat op zichzelf, met dien verstande dat de belastingschuldige er pas in aanmerking voor komt als hij zijn belastingschuld niet in twaalf maanden kan betalen. Ook zullen er naar verwachting situaties zijn waarin belastingschuldige een restschuld heeft na afloop van de betalingsregeling en geen kwijtschelding krijgt. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld voor indien de belastingschuldige niet in aanmerking komt voor kwijtschelding omdat het aan hem te wijten is dat de belastingschuld niet kan worden voldaan. In een dergelijk geval kan de verlengde betalingsregeling worden toegekend om de belastingschuldige meer ademruimte te bieden om gedurende deze regeling tot een oplossing te komen voor de belastingschuld. De belastingschuldige zou bijvoorbeeld het illiquide vermogen alsnog liquide kunnen maken of op een andere manier de nog openstaande schuld voldoen. De invorderingsambtenaar treedt hierover in contact met de belastingschuldige. Om te voorkomen dat de belastingschuldige onder het bestaansminimum komt en om te beoordelen of de betalingsregeling moet worden ingetrokken, is als voorwaarde gesteld dat de belastingschuldige de invorderingsambtenaar zo spoedig mogelijk informeert als er een verandering in zijn situatie komt. Ook zal de invorderingsambtenaar jaarlijks beoordelen of er veranderingen in het inkomen hebben plaatsgevonden. De invorderingsambtenaar neemt hierbij zo nodig contact op met de belastingschuldige. Als er sprake is van een wijziging van de inkomenspositie van de belastingschuldige berekent de invorderingsambtenaar de betalingscapaciteit opnieuw. De invorderingsambtenaar past de betalingsregeling alleen aan als de betalingscapaciteit naar beneden moet worden bijgesteld. Een lagere betalingscapaciteit kan ertoe leiden dat de betalingsregeling een langere looptijd (in totaal maximaal 72 maanden) krijgt, maar kan er ook toe leiden dat de invorderingsambtenaar de betalingsregeling beëindigt vanwege onvoldoende betalingscapaciteit. Bij bijzondere omstandigheden, past de invorderingsambtenaar maatwerk toe ter voorkoming van schrijnende situaties. Hetzelfde geldt voor het voegen van nieuwe belastingschuld(en). Voor zover dat mogelijk is, voegt de invorderingsambtenaar deze schuld op verzoek in de lopende betalingsregeling. De duur van de betalingsregeling blijft maximaal 72 maanden, gerekend vanaf het ingaan van de initiële betalingsregeling. De beëindigingsgronden van artikel 25.1.4 zijn op de betalingsregeling van toepassing. Daarnaast zijn er specifieke beëindigingsgronden in artikel 25.5a opgenomen. Hierboven is de te lage betalingscapaciteit al genoemd als beëindigingsgrond. Ook als een nieuwe belastingschuld niet gevoegd kan worden, omdat deze niet binnen de maximale looptijd van de betalingsregeling kan worden voldaan, beëindigt de invorderingsambtenaar in beginsel de betalingsregeling. De betalingsregeling wordt ook beëindigd als de gerechtigdheid tot het vermogen wijzigt. Denk aan vervreemding, schenking, wijziging tenaamstelling en het aangaan van een huwelijk waarbij het vermogen in de gemeenschap valt. Als de belastingschuldige niet (langer) in aanmerking komt voor de betalingsregeling gunt de invorderingsambtenaar de belastingschuldige een redelijke termijn om het vermogen te liquideren dan wel op een andere manier de (over)waarde van het vermogen te voldoen. Denk hierbij aan een tweede hypotheek. De invorderingsambtenaar zal hierover in contact treden met de belastingschuldige. Onderdeel N: zie onderdeel C. Onderdeel O betreft een redactionele wijziging van artikel 26.2.7. Door het gebruik van de schuine streep in het eerdere ‘de overblijvende partner/erfgenaam’ kon onduidelijkheid bestaan over wie er werd bedoeld. Door dit te vervangen door ‘de langstlevende echtgenoot’ is beoogd te verduidelijken dat het moet gaan om de erfgenaam die tevens echtgenoot was van de erflater. Gelet op de definitie van ‘echtgenoot’ in artikel 1.1.2 van de Leidraad geldt deze bepaling ook voor de erfgenaam die tevens geregistreerd partner was van de erflater. Er is geen beleidswijziging beoogd. Onderdeel P, indexeert de in artikel 26.2.12 opgenomen forfaitaire bedragen voor boeken en leermiddelen naar de per 1 januari 2026 geldende bedragen. Onderdeel Q, indexeert de in artikel 26.2.19 genoemde bedragen die zien op de normpremies zorgverzekering voor een alleenstaande en alleenstaande ouder, en de normpremie ziektekostenverzekering voor echtgenoten, naar de per 1 januari 2026 geldende bedragen. Onderdeel R betreft een aantal wijzigingen van artikel 26.3.4. De wijziging van de eerste alinea betreft een verduidelijking van welke aanslagen kunnen worden meegenomen bij een saneringsakkoord. In artikel 26.3.4 stond dat de formele belastingschuld ten tijde van het verzoek om sanering als uitgangspunt gold voor het bepalen welke belastingaanslagen in het akkoord kunnen worden betrokken. In artikel 26.3.4 is nu opgenomen dat de geformaliseerde belastingschuld weliswaar het uitgangspunt vormt voor het saneringsakkoord, maar dat ook de materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslagen die zien op een tijdvak dat reeds is geëindigd ten tijde van de indiening van het saneringsverzoek, kunnen worden meegenomen in het saneringsakkoord. Voorwaarde is wel dat het bedrag van de materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslag in omvang bepaalbaar is. Dit houdt in dat de belastingschuldige reeds de benodigde aangifte heeft ingediend en er geen verschil van inzicht bestaat over de hoogte van de belastingaanslag met de heffingsambtenaar. Door deze aanvulling wordt de werkwijze verduidelijkt. Ook zorgt het meenemen van deze materiële, nog niet geformaliseerde belastingaanslagen ervoor dat de invorderingsambtenaar niet achteraf belastingaanslagen moet toevoegen aan de eerder afgegeven beschikking. Het toevoegen van een vierde alinea aan artikel 26.3.4 betreft eveneens een verduidelijking, namelijk dat het voldoen van schulden aan handelscrediteuren met een factuurdatum die ligt ná de datum van indiening van het verzoek om sanering geen belemmering vormt voor de totstandkoming van het saneringsakkoord. De invorderingsambtenaar verleent onder meer ingevolge artikel 22 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 slechts medewerking aan een saneringsakkoord indien fiscale verplichtingen die opkomen tijdens de behandeling van het verzoek om kwijtschelding tijdig en volledig worden nagekomen. Dit houdt in dat de belastingschulden die na de indiening van het saneringsverzoek zijn geformaliseerd en niet onder het akkoord vallen, tijdig en volledig dienen te worden voldaan. Het is reëel te veronderstellen dat de andere handelscrediteuren die medewerking verlenen aan het saneringsakkoord bereid zijn een deel kwijt te schelden eveneens onder de voorwaarde dat de nieuw opkomende verplichtingen worden voldaan. Het past dus niet om dit als belemmering voor deelname aan een saneringsakkoord op te werpen. Onderdeel S betreft de wijziging van artikel 26.3.7. Dit naar aanleiding van het kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst ‘Hoe wordt invorderingsrente betrokken in een saneringsakkoord?’. Ingevolge artikel 7 van de Invorderingswet 1990 geschiedt de toerekening van de betalingen achtereenvolgens aan de kosten, de rente, en de belastingaanslag. In artikel 26.3.7 stond echter dat het bedrag dat op basis van het akkoord is betaald, in afwijking van artikel 7 van de wet op de hoofdsom wordt afgeboekt. In het standpunt van de kennisgroep komt naar voren dat de afboekingsregels van artikel 7 van de wet dwingendrechtelijk van aard zijn, dat er geen goede reden is om hiervan af te wijken voor wat betreft de betaling van het bedrag van het saneringsakkoord. Onderdeel T wijzigt artikel 26.3.8. Met de eerste wijziging is beoogd te verduidelijken wanneer er sprake is van ‘dwangcrediteuren’. Door de term ‘leveranciers’ te vervangen door ‘handelscrediteuren’ wordt verduidelijkt dat het bij de dwangcrediteuren niet alleen kan gaan om een leverancier van een goed, maar ook om een leverancier van een dienst. In de beantwoording van Kamervragen van 1 mei 2025 is toegelicht dat de redactie van artikel 26.3.8 mogelijk de indruk wekt dat om een crediteur aan te kunnen merken als dwangcrediteur een schriftelijke weigering van deze crediteur om aan het saneringsakkoord mee te werken een vereiste is. Met de wijziging van dit artikel wordt verduidelijkt dat dit geen vereiste is. Het is aan de belastingschuldige die een verzoek om sanering doet om aannemelijk te maken dat een crediteur niet bereid zal zijn mee te werken aan een saneringsakkoord en dat zonder de betrokkenheid van deze crediteur voortzetting van de onderneming in gevaar komt. De belastingschuldige kan dit aannemelijk maken door het overleggen van een schriftelijke weigering om mee te doen aan een saneringsakkoord, maar kan dit ook op andere manieren aannemelijk maken. Het is aan de invorderingsambtenaar om te beoordelen of hij in de gegeven situatie nog aanvullende stukken nodig heeft om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van een dwangcrediteur. De tweede wijziging betreft een aanvulling van de speciale crediteuren in artikel 26.3.8 van deze leidraad met de zogenoemde kleine crediteuren. In artikel 21 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 is bepaald dat kwijtschelding uitsluitend wordt verleend wanneer dit geschiedt in het kader van een akkoord met alle schuldeisers. De toepassing van deze regeling kan in de praktijk soms tot praktische bezwaren leiden. Het kan bijvoorbeeld niet opportuun zijn om van een schuldeiser te verlangen alle schuldeisers mee te krijgen in het akkoord, met name wanneer het gaat om een bedrijf met veel schuldeisers en het bij een deel van deze schuldeisers bovendien gaat om relatief kleine vorderingen. Als er in de praktijk op basis van het evenredigheidsbeginsel al wel voor werd gekozen om een deel van de schuldeisers vanwege hun relatief lage vordering buiten het akkoord te houden, was er geen eenduidigheid over wat dan een relatief lage vordering was. Om deze reden bestaat de wens om in beleid een regeling op te nemen die het mogelijk maakt dat kleine crediteuren buiten het akkoord worden gehouden en die duidelijk maakt wat moet worden verstaan onder een kleine crediteur. De regeling bestaat uit meerdere lagen. Uitgangspunt is dat de inspanningen die worden geleverd, waaronder het aanschrijven van de crediteuren en hen bewegen medewerking te verlenen aan het akkoord, niet in verhouding staan tot het belang van de invorderingsambtenaar. Wanneer het voorgaande het geval is wordt vermoed sprake te zijn van een kleine vordering wanneer de totale vordering van de crediteur ten hoogste € 500 bedraagt. Er is hier gekozen voor ‘een vermoeden’ van een ‘kleine crediteur’ in plaats van de kwalificatie van een ‘kleine crediteur’, omdat bij een bedrijf dat slechts enkele crediteuren heeft, niet zonder meer gezegd kan worden dat de inspanningen die moeten worden geleverd niet in verhouding staan tot het belang van de invorderingsambtenaar. Anderzijds kan de invorderingsambtenaar ook hogere vorderingen onder omstandigheden als klein aanmerken. Daarvan kan sprake zijn wanneer de invorderingsambtenaar een redelijke grond aanwezig acht als bedoeld in artikel 384, vierde lid, onderdeel b, FW. Dit laat ruimte voor de invorderingsambtenaar om maatwerk te leveren, wanneer dat nodig is. Onderdeel U vervangt artikel 26.3.9 nu er in artikel 26.3.9 een nieuw gedachtestreepje is toegevoegd dat expliciet vermeldt dat – onder voorwaarden – een betalingsregeling van meer dan twaalf maanden mogelijk is voor de betaling van een in een saneringsakkoord overeengekomen bedrag (hierna: het akkoordbedrag). Zoals uit de beantwoording van de Kamervragen van 1 mei 2025 blijkt, is meer flexibiliteit wenselijk in de praktijk. Daarom verduidelijkt deze wijziging dat de invorderingsambtenaar kan instemmen met betaling van het akkoordbedrag in meer dan twaalf maanden. Om het akkoordbedrag in meer dan twaalf maanden te mogen betalen wordt de voorwaarde gesteld dat de belastingschuldige het akkoordbedrag niet binnen twaalf maanden kan voldoen. In dat verband moet hij aannemelijk maken dat onvoldoende liquide middelen voorhanden (kunnen) zijn voor betaling van het aan de invorderingsambtenaar toekomende bedrag binnen twaalf maanden. Hierbij beoordeelt de invorderingsambtenaar of dezelfde betaalafspraken ook gemaakt kunnen worden met andere, aan het akkoord deelnemende crediteuren. Het gaat dan om gelijk bevoorrechte of concurrente crediteuren die gelieerd zijn aan belastingschuldige of die een vordering op belastingschuldige hebben in dezelfde orde van grootte als de invorderingsambtenaar. Voorts wordt de voorwaarde gesteld dat nakoming van het akkoord voldoende is geborgd. Ter borging van de nakoming van het akkoord dient de belastingschuldige bij een verklaring van een derde deskundige aannemelijk te maken dat de betalingsproblemen met het saneringsakkoord worden opgelost en dat er sprake is van een levensvatbare onderneming. Hierbij is het beleid zoals geformuleerd onder artikel 25.6.2b, tweede alinea van de Leidraad van overeenkomstige toepassing. Dit houdt in dat aan de derde deskundige geen formele eisen worden gesteld. Aan de verklaring van de derde deskundige kan de invorderingsambtenaar wel eisen stellen als de invorderingsambtenaar meent dat daar aanleiding toe is. Daarnaast kan ter borging van de nakoming van het akkoord worden gedacht aan bijvoorbeeld het laten stellen van zekerheid. Op grond van artikel 26.3.9 van de Leidraad hoeft de belastingschuldige geen zekerheid te stellen, maar het is denkbaar dat een belastingschuldige dit wel doet om zodoende nakoming van het akkoord te waarborgen. Onderdeel V betreft de wijziging van artikel 26.4.2. De eerste wijziging bewerkstelligt dat wanneer er gedurende de behandeling van het administratieve beroep tegen de beschikking op een eerder verzoek kwijtschelding, een nieuw verzoek om kwijtschelding wordt ingediend voor dezelfde belastingschuld de invorderingsambtenaar dit verzoek aanmerkt als aanvulling op het lopende administratieve beroep. Hiermee wordt voorkomen dat de invorderingsambtenaar afzonderlijke beschikkingen afgeeft en er daardoor meerdere procedures naast elkaar kunnen ontstaan. Deze wijziging strekt uitsluitend tot een doelmatige bundeling van samenhangende verzoeken en doet geen afbreuk aan de rechtsbescherming. De belastingschuldige behoudt de mogelijkheid om alle aangevoerde gronden en omstandigheden in het kader van het lopende administratieve beroep aan de orde te stellen, zodat materieel geen afbreuk wordt gedaan aan zijn rechtspositie. De tweede wijziging, hangt samen met de eerste wijziging. In de derde alinea (oud) stond tot deze wijziging vermeld dat wanneer de belastingschuldige een nieuw verzoek om kwijtschelding doet voor dezelfde belastingschuld en hij vermeldt hierin andere feiten of veranderde omstandigheden, de invorderingsambtenaar op dat verzoek dan bij voor administratief beroep vatbare beschikking beslist. Hiervoor is aangegeven dat bij een nieuw verzoek om kwijtschelding gedurende de behandeling van het administratieve beroep, het nieuwe verzoek zal aanmerken als een aanvulling op het lopende administratieve beroep. In die gevallen zal de invorderingsambtenaar de verzoeken bundelen en dus niet op het nieuwe verzoek afzonderlijk beslissen bij een voor administratief beroep vatbare beschikking. De derde wijziging betreft een verduidelijking van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’. In dit artikel wordt meermaals ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ genoemd, maar tot op heden ontbrak hiervoor een helder kader. Met deze wijziging wordt daaraan invulling gegeven door op te nemen dat er slechts sprake is van ‘andere feiten of veranderde omstandigheden’ wanneer (1) de feiten ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of redelijkerwijs niet bekend konden zijn; of (2) de omstandigheden na de eerdere beslissing zijn gewijzigd en deze relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het verzoek. Een voorbeeld van andere feiten of veranderde omstandigheden bij een verzoek om kwijtschelding is wanneer er een wijziging in het vermogen of in de betalingscapaciteit heeft plaatsgevonden. Van andere feiten of veranderde omstandigheden is geen sprake wanneer bijvoorbeeld een belastingschuldige telkens hetzelfde verzoek opnieuw indient zonder nadere onderbouwing. Onderdeel W betreft het vervallen van artikel 28.8. Artikel 28.8 regelt het drempelbedrag dat niet in rekening wordt gebracht bij een slotbetaling op een belastingaanslag. In de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Tribuut 2020 zijn in artikel 4, eerste lid het percentage (van de Belastingdienst) van de invorderingsrente en het bedrag van de invorderingsrente dat niet in rekening wordt gebracht van overeenkomstige toepassing verklaard. Het óók opnemen in de Leidraad invordering van het drempelbedrag is overbodig en kan leiden tot tegenstrijdige regelingen. Onderdeel X betreft een redactionele wijziging van artikel 67. Overeenkomstige aanpassing van artikel 67 was abusievelijk achterwege gelaten. Bij deze wordt dit alsnog gedaan. Onderdeel Y wijzigt artikel 73.5.5. Een aantal overheidsorganisaties, waaronder de Belastingdienst, hebben het één overheidsconvenant afgesloten met de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet (NVVK). Dit convenant verbetert de samenwerking tussen de bij de NVVK aangesloten schuldhulpverleners en deze overheidsorganisaties. In dit overheidsconvenant is opgenomen dat de opschorting van lopende incassomaatregelen wordt beëindigd indien er na acht maanden nog geen sprake is van een lopende schuldregeling, betalingsregeling of herfinanciering. Dit is anders in het geval een dwangakkoord in de zin van artikel 287a van de Faillissementswet is aangevraagd of een Wsnp verzoek is ingediend bij de rechter. In dat geval wordt de schorsing van de lopende incassomaatregelen verlengd met de periode tussen de aanvraag of het verzoek en de beslissing van de rechter. In de Leidraad was de situatie van een Wsnp verzoek abusievelijk niet vermeld bij deze verlenging van de looptijd van de opschorting. Dit wordt met deze wijziging hersteld.

Categorie: Mededelingen

De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer meldingen zoals "Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Tribuut 2023"

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Gelders programma Bereikbaarheid

Mededelingen

Mededelingen

Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen Tribuut 2026

Mededelingen

Mededelingen

Leidraad invordering gemeentelijke belastingen Tribuut 2023

Mededelingen

Mededelingen

Besluit Aanwijzing betrouwbaarheidsniveaus authenticatie (WDO)

Mededelingen

Mededelingen

Besluit aanwijzen elektronische wijzen van verzenden voor formele berichten aan Gedeputeerde Staten (WMEBV)

Mededelingen

Mededelingen

GLB-openstellingsbesluit Productieve investeringen groen-blauw en dierenwelzijn provincie Gelderland 2026

Mededelingen

Mededelingen

Rectificatie Tarieven regionaal openbaar vervoer 2027

Mededelingen

Mededelingen

Beleidsregel Landelijke Handhavingsstrategie Seveso-inrichtingen

APV

APV

Nadere regels seksinrichtingen gemeente Deventer

APV

APV

Algemeen Plafondbesluit 2026 en de derde wijziging van het Algemeen Plafondbesluit 2025

APV

APV

Financiële uitvoeringsregels provincie Overijssel 2026

Mededelingen

Mededelingen

Tarieven regionaal openbaar vervoer 2027