Nota Flora & Fauna

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

Mededelingen

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-09-03

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Waterschap Wetterskip Fryslân

Informatie

Nota Flora & Fauna Het Algemeen Bestuur van Wetterskip Fryslân; overwegende dat: In het coalitieakkoord is opgenomen dat in 2025 een Nota Flora en Fauna wordt gemaakt waarin moet worden beschreven hoe wij effectief en verantwoord met flora en fauna om kunnen gaan in ons werk; Hoewel de nota een paraplunota is met vooral bestaand beleid, is vaststelling door AB noodzakelijk omdat de nota ook de bestaande Nota Plaagsoortenbestrijding vervangt; De nota overzicht brengt in ons flora en faunabeleid in relatie tot onze opgaven en taken; De nota helderheid brengt over waar we verantwoordelijk voor zijn en invloed op hebben; De nota ingaat op de manieren waarop flora en fauna ons helpen, hoe we omgaan met schadelijke flora en fauna en hoe we rekening (kunnen) houden met flora en fauna; De nota beleid actualiseert zodat het weer voldoet aan recente wettelijke wijzigingen zoals de Omgevingswet en onze eigen Ambysje Bioferskaat; De nota ons helpt bij het opstellen van uitvoeringsplannen en uitvoeren van ons dagelijks werk; Besluit: •De Nota Flora & Fauna vast te stellen •De Nota Plaagsoortenbestrijding (2016) in te trekken Inleiding Flora en fauna zijn belangrijk voor mens en maatschappij. Planten en dieren vormen de bron voor voedsel, grondstoffen, ontspanning. Maar ook voor onze wateropgaven zijn een gezonde flora en fauna nuttig en vaak gewoon nodig. Ze zuiveren water, houden schadelijke planten en dieren deels buiten de deur en maken oevers en keringen steviger. De natuur werkt voor ons. Ten slotte heeft natuur schoonheid en waarde in zichzelf. Daarom gaven we in ons ambitiedocument biodiversiteit ook aan dat we een bijdrage willen leveren aan het beschermen en verbeteren van biodiversiteit1 . Dit belang zien we ook terug in onze visie Fryslân klimaatbestendig, waarin we stelden dat het watersysteem van de toekomst gebaseerd moet zijn ‘op de natuurlijke principes van water en bodem’ en een gezonde basis moet bieden ‘voor menselijk gebruik, natuur en biodiversiteit’. Robuuste ecologische systemen moeten extreem weer kunnen opvangen en daarvoor is voldoende geschikte en gevarieerde ruimte voor planten en dieren in en om het water nodig. Deze nota gaat over die flora en fauna. Hij is beleidsarm maar niet ambitieloos. De hoofdfunctie ervan is het verschaffen van overzicht en inzicht op hoofdlijnen in alle manieren waarop we als Wetterskip met flora en fauna te maken hebben en hoe we daarmee omgaan. Daartoe zetten we beleid dat op allerlei andere plaatsen is vastgelegd bij elkaar. Maar we doen meer dan dat. Om te beginnen vervangt deze nota de bestaande Nota plaagsoortenbestrijding. De hoofdlijnen van die nota blijven overeind, maar omdat de Nota plaagsoortenbestrijding al uit 2016 stamt brengen we dat beleid natuurlijk wel bij de tijd. Er zijn sindsdien meerdere plaagsoorten bij gekomen. Maar ook is de manier waarop partijen om ons heen en zeker ook wijzelf tegen die soorten aankijken veranderd. De focus is sterk verschoven van bestrijden naar preventie en waar bestreden moet worden naar dat zo diervriendelijk mogelijk doen. Die verschuiving leggen we vast in een hoofdstuk over de omgang met schadelijke flora en fauna. Maar deze nota is veel meer dan een nieuwe Nota plaagsoortenbestrijding. We hebben de afgelopen jaren meer en meer oog gekregen voor de manier waarop flora en fauna ons kunnen helpen bij onze taken, de ‘natuurlijke oplossingen’. Daar besteden we hier dan ook een hoofdstuk aan. En naast de manier waarop flora en fauna ons kunnen helpen hebben wij op onze beurt veel effect op flora en fauna. Ook daar gaan we dieper op in, met ook extra aandacht voor dierenwelzijn. Vrijwel alles van wat we doen op die terreinen is al vastgelegd in (uitvoerings)beleid. Dat brengen we hier bijeen. Op een aantal punten geven we expliciet aan waar we kansen zien om een extra stap te zetten. Daarnaast is sprake van een praktijk van omgang met flora en fauna die deels al werkende weg is ontstaan (meer doen aan herstel van het ecosysteem, meer aan preventie) en nog niet altijd goed is vastgelegd. Die gaten vullen we hier ook. Dat betekent niet dat deze nota ‘nog meer nieuw beleid’ is. Door de bundeling ontstaat een paraplunota. Deze is vooral bedoeld om de praktijk meer houvast te bieden, zodat uitvoering zo effectief en eenduidig mogelijk is en de uitvoerders weten dat hun handelen is gedekt door beleid. Als gezegd, we proberen hun praktijkervaring, -kennis en oplossingen mede hier vast te leggen in beleid, in plaats van van bovenaf te dicteren wat werkt. Ten slotte blikken we in deze nota ook vooruit naar beleid in de maak waar anderen voor aan de lat staan maar waar we wel invloed op proberen uit te oefenen (over de bever en kreeft, bijvoorbeeld). Daarmee vormt deze nota een actueel overzicht van hoe we nu denken over en werken met flora en fauna. Wel heeft de rondgang langs externe en interne partijen (zie daarvoor hoofdstuk 9) een aantal kansen opgeleverd. Die presenteren we hier in ‘kansenkaders’. LEESWIJZER In hoofdstuk 1 leggen we uit waarom we, ook al was op veel plekken al beleid over flora en fauna vastgelegd, het toch nuttig en nodig vonden een nota flora en fauna te maken. In hoofdstuk 2 gaan we in op de context van de nota: op welke manieren hebben we als Wetterskip te maken met flora en fauna, wat zijn relevante wetten en beleid, inclusief ons eigen beleid. In hoofdstuk 3 beschrijven we kort een aantal algemene uitgangspunten in onze omgang met flora en fauna. Hoofdstuk 4 gaat over de eerste manier waarop flora en fauna effect heeft op onze taken, namelijk door ons te helpen bij die taken. Hoofdstuk 5 gaat over het tegenovergestelde, de manieren waarop planten en dieren ons kunnen hinderen in onze taakuitoefening en hoe we daarmee omgaan. Hoofdstuk 6 gaat over hoe we zelf effect hebben op flora en fauna. In hoofdstuk 7 gaan we dieper in op dierenwelzijn. Hoofdstuk 8 gaat over monitoring. Hoofdstuk 9 behandelt de partijen waarmee we te maken hebben en (willen) samenwerken rondom flora en fauna. Het vervolgproces na deze nota beschrijven we in hoofdstuk 10. 1) Biodiversiteit is breder dan flora en fauna, maar er is grote overlap. Voor een uitleg van de verschillen zie bijlage 1 1. Waarom een nota flora en fauna? Het aantal planten en diersoorten (flora en fauna) waar wij mee te maken hebben bij ons werk neemt toe. Vaak zijn we daar blij mee. Meer soorten betekent meer biodiversiteit en schoner water. Doordat deze soorten bijvoorbeeld bijdragen aan het zuiveren van water of helpen ecosystemen gezond en in balans te houden. Sommige planten en dieren hebben echter een negatieve invloed op onze opgaven. Ze kunnen watergangen verstoppen, dijken verzwakken, de kwaliteit van het water verslechteren, enzovoorts. Een deel van deze planten en dieren komen niet van nature voor in ons beheergebied (exoten), hebben (nog) geen natuurlijke vijanden, woekeren en verdringen onze eigen soorten (zijn invasief). En de invloed van flora en fauna neemt toe. De stijgende temperaturen door klimaatverandering betekenen dat de groei van met name planten toeneemt en een langer groeiseizoen kent. Maar ook invasieve exoten als rivierkreeften veroorzaken steeds meer problemen. Landelijk speelt de discussie wie waarvoor verantwoordelijk is en moet betalen voor het beheersen van de invasieve rivierkreeften. Maar ook neemt het belang van flora en fauna juist in positieve zin toe: we worden ons steeds meer bewust van hoe natuurlijke oplossingen aan onze taken kunnen bijdragen. We hebben veel beleid en uitvoeringsstukken over flora en fauna. De Nota plaagsoortbestrijding houdt zich bezig met onze omgang met schadelijke soorten, maar dateert al uit 2016. Er zijn sindsdien al meerdere soorten bijgekomen op de Europese Unielijst invasieve exoten. Bovendien doen we tegenwoordig al lang niet meer alleen aan bestrijding, maar ook aan beheersing en preventie met meer aandacht voor het voorkomen van dierenleed. De Ambysje bioferskaat en het Útfieringsplan bioferskaat houden zich bezig met hoe we in ons werk biodiversiteit kunnen bevorderen. Naast de Nota plaagsoortbestrijding en de Ambysje bioferskaat hebben we voor de meeste onderwerpen die vallen onder flora en fauna als Wetterskip wel een of andere vorm van (uitvoerings)beleid of geldt landelijk of provinciaal beleid. Maar dat is versnipperd over verschillende beleids- en uitvoeringsdocumenten. Dit werkt voor zowel het Algemeen Bestuur, belanghebbenden, onze partners en onze eigen medewerkers niet optimaal. Wat er niet is, is een integraal overzicht. Daarom kondigden we in ons coalitieakkoord aan in 2025 aan een beleidsnota beheer flora en fauna te werken. Deze nota beheer flora en fauna verschaft dat integrale overzicht. Het is een paraplunota waarin het beleid voor álle flora en fauna (met één uitzondering, zie verderop) wordt verzameld. De nota is daarmee vooral een beleidsarm, integraal overzicht van wat nu is beschreven in allerlei andere beleidsstukken. De nota plaagsoortenbestrijding kan verdwijnen als er een nota flora en fauna is. De overige visies, nota’s, protocollen, legger, verordening en dergelijke zijn of breder van inhoud dan alleen flora en fauna of bevinden zich op een ander abstractieniveau dan de beoogde nota flora en fauna en behouden daarmee hun functie. In algemene zin zullen we in de toekomst bij nieuw verwant beleid ernaar streven dit toe te voegen aan de nota flora en fauna in plaats van apart beleid te formuleren. Ook gaan we inventariseren waar in beleid en uitvoeringsstukken over flora en fauna nog afslanking mogelijk is. Ten slotte zal bekeken worden wanneer de Ambysje Bioferskaat en het Útfieringsplan Bioferskaat aan herziening toe zijn, of het mogelijk is deze te integreren met de nota flora en fauna. Met deze nota flora en fauna bereiken we een aantal zaken: Integratie en overzicht van vrijwel alle manieren waarop we als Wetterskip met flora en fauna te maken hebben (de omgang met inheemse waterecologie komt in het geactualiseerde waterkwaliteitsbeleid, daarover verderop meer). Daardoor op termijn ook minder apart (nieuw) beleid op dit terrein Een integraal overzicht van onze bevoegdheden, taken en plichten: waar gaan we over, waarover niet (en wie dan wel), wat moeten we, kunnen we of mogen we juist niet.∙ Nagaan welke kansen voor en met flora en fauna te benutten zijn in de uitvoering van onze opgaven: waar kunnen we in de uitvoering juist zelf meer bijdragen aan een gunstige ontwikkeling van flora en fauna en waar helpt flora en fauna ons? Bewuste, integrale strategieën op hoofdlijnen en beslisregels voor omgaan met flora en fauna die onder meer gebruikt kunnen worden bij het opstellen van preventie-, beheer-, en bestrijdingsplannen en protocollen. Waarin we onder meer dierenwelzijn, mogelijkheden tot preventieve maatregelen en financiële aspecten meenemen. Een actualisatie van het bestaande beleid met nieuwe wettelijke verplichtingen (uit de omgevingswet en gedragscode beheer en onderhoud, met name). Door het bovenstaande meer houvast voor externen en onze eigen medewerkers over wat in welke situaties van ons verwacht kan en mag worden, welke keuzes gemaakt kunnen worden en daardoor meer effectiviteit. Een nota flora en fauna is nieuw voor ons als Wetterskip. Dat betekent dat het ook nog onderzoeken is wat wel en niet in zo’n nota zou moeten komen. De nota is een aantal dingen niet. Het is geen visie, daarvoor hebben we al het ambitiedocument biodiversiteit en Fryslân klimaatbestendig 2050+. Wel is de bestaande visie beleidsarm vertaald in flora en fauna beleid en hoofdlijnen/keuzes voor de uitvoering die passen bij die visie. Aan de andere kant van het spectrum presenteren we hier ook geen concrete bestrijdingsplannen of uitvoeringsplannen. Die worden of zijn al voor specifieke soorten of situaties opgesteld, medebepaald door de algemene (keuze)regels in de nota. Deze nota is het best te beschouwen als een programma zoals omschreven in de nieuwe Omgevingswet: een combinatie van beleid en hoofdlijnen uitvoering. Inhoudelijk gaat de nota niet over de inheemse waterecologie (vis en andere waterdieren, waterplanten). Waterecologie hangt erg direct samen met onze opgave Schoon en onze taken voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) en kent daarmee een beleidsmatig bijzonder karakter: het is het enige deel van onze taken waar we als Wetterskip ecologische doelen kennen. Bij onze overige taken is zorg voor ecologie een (wettelijke) randvoorwaarde. Waterecologie zal daarom worden behandeld in de actualisatie van het waterkwaliteitsbeleid (nu nog beleidsnota ecologie en vis). De nota Flora en fauna gaat over alle overige flora en fauna waar we als Wetterskip mee te maken hebben of krijgen. Ook invasieve exoten in het water vallen wel onder deze nota, om zo al het beleid ten aanzien van invasieve exoten bijeen te hebben. Verder formuleert deze nota geen zelfstandige eigen doelen (bijvoorbeeld instandhoudingsdoelen) voor flora en fauna. De zorg voor de toestand van soorten die niet vallen onder de KRW is geen taak van waterschappen, anders dan als randvoorwaarde bij uitoefening van onze taken. De doelen in deze nota gaan over hoe we om willen en kunnen gaan met flora en fauna in relatie tot onze wettelijke verplichtingen en opgaven. 2. Context Hoe hebben we te maken met flora en fauna? Onze opgaven en taken hebben veel te maken met flora en fauna, op drie manieren: •Flora en fauna die natuurlijke oplossingen bieden: sommige dier- en plantensoorten kunnen ons helpen bij de uitvoering van onze opgaven. Zij bieden natuurlijke oplossingen in plaats van de gebruikelijke technische, die soms goedkoper zijn en beter voor natuur en milieu. Voorbeelden zijn planten die het water zuiveren, oevers en dijken stevig houden en concurreren met exoten en blauwalgen of otters en roofvissen die rivierkreeften eten. •Flora en fauna die onze opgaven schaden: er zijn dier- en plantensoorten die onze wateren verstoppen, de waterkwaliteit verslechteren of onze dijken aantasten: de plaagsoorten. Een deel daarvan komt van nature niet voor in ons beheergebied: invasieve exoten als rivierkreeften of grote waternavel. En een deel is inheems. Voor de schadelijkheid maakt het niet uit. Wat wel veel uitmaakt voor hoe we omgaan met die schadelijke soorten, is dat een deel ervan (soms streng) wettelijk beschermd is. Zoals de bever en das.•Flora en fauna die door ons beïnvloed worden: ten slotte is er het effect de andere kant op. Bij de uitvoering van onze opgaven stellen we eisen, of verrichten we dagelijkse handelingen, met effect op flora en fauna. Soms zijn die voordelig voor planten of dieren, door bijvoorbeeld de waterkwaliteit te verbeteren. Soms zijn ze nadelig, zoals het verwijderen van bomen op en langs onze keringen waarmee ook leefgebied voor fauna verdwijnt. Zoals blijkt uit de opsomming hierboven raken flora en fauna al onze opgaven, dus zowel het zorgen voor schoon en voldoende water als veiligheid tegen dat water. Wetten en beleid Een aantal wetten en richtlijnen beïnvloeden onze omgang met flora en fauna. Voorbeelden hiervan zijn de Europese Unielijst invasieve exoten, de Nederlandse Omgevingswet en het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Ook is er met name provinciaal beleid waarmee we rekening te houden hebben. Dat gaat om bijvoorbeeld de provinciale Omgevingsvisies (Fryslân, Groningen), de vastlegging daarvan in de Omgevingsverordeningen (Fryslân, Groningen), het provinciale exotenbeleid (Fryslân, Groningen) en het Provinciale Beverbeleid (bestaand in Groningen, in ontwikkeling in Fryslân). In 2024 is de Europese Natuurherstelverordening(NHV) in werking getreden. De verordening stelt doelen voor natuurherstel en monitoring. Drie artikelen uit de Natuurherstelverordening zijn het meest relevant voor waterschappen: artikel 4 over o.a. zoetwaterecosystemen, artikel 9 over rivieren en artikel 11 over landbouwecosystemen, met doelen voor herstel van organische bodems in ontwaterde veengebieden. Maar ook veel van de overige artikelen raken de werkzaamheden van waterschappen. Het Rijk is ter vertaling van de NHV bezig met een programmaplan als eerste stap naar een Natuurplan en ziet de waterschappen als een belangrijke uitvoerende partij. Omgekeerd kan de implementatie van de NHV bijdragen aan het uitvoeren van onze taken als waterschap zoals bij het halen van de doelen voor waterkwaliteit en klimaatadaptatie. We wensen daarom de komende tijd goede betrokkenheid van de waterschappen bij de verdere doorvertaling om zo tot een uitvoerbaar Natuurplan te komen, zonder conflict met andere waterschapstaken en ongewenste extra kosten. Naast meer ‘harde’ wetgeving en beleid zijn er ook meerdere bestaande afspraken tussen diverse overheden en soms anderen, soms vastgelegd in convenanten waaraan we ons vrijwillig gebonden hebben en dus ook gehouden zijn. Voorbeelden zijn het landelijke Deltaplan biodiversiteitsherstel, Herstelprogramma Biodiversiteit (initiatief provincie Fryslân) en onze deelname aan de landelijke kennis- en netwerkorganisatie voor duurzaam vergroenen Stichting Steenbreek. In beide zijn wij net als de meeste waterschappen partner. Een ander voorbeeld is het BIJENPACT, dit is een Fries initiatief. Zie voor een compleet overzicht van relevante wetgeving en relevant beleid rondom flora en fauna figuur 1, hieronder. Figuur 1. De beleids8 rondom Flora en fauna Waar zijn we in het algemeen wettelijk verantwoordelijk voor? Als enige functionele overheid in Nederland beperken de taken van het Waterschap zich tot het waterbeheer zoals vastgelegd in de Waterschapswet. Dat houdt ook in dat we als Wetterskip ons geld alleen mogen uitgeven aan de taken die ons wettelijk zijn toebedeeld. Dat betekent dus dat we voor onze omgang met flora en fauna scherp moeten hebben wat onze wettelijke taak is en wat niet. Waterschappen hebben op basis van de Omgevingswet de wettelijke taak zorg te dragen voor biodiversiteit en een gezonde leefomgeving voor flora en fauna binnen hun beheersgebied. Daarnaast moeten we ons houden aan de zorgplicht uit de Omgevingswet, die inhoudt dat nadelige gevolgen van onze bezigheden voor soorten en hun leefomgeving zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperkt. Ten slotte moeten we de verspreiding van invasieve exoten waarvoor wij verantwoordelijk zijn (zie hoofdstuk 5) voorkomen en beheersen. Op de uitwerking van die algemene wettelijke plichten, specifiekere wetgeving, codes en convenanten gaan we dieper in in de relevante hoofdstukken. Ons eigen beleid Door de Europese, landelijke en provinciale kaders en beleid is de ruimte voor ons om onze eigen ambitieniveaus te bepalen beperkt, maar niet nul. Die eigen ruimte vullen we dan ook in met eigen (uitvoerings)beleid (soms nog in de maak). In Fryslân klimaatbestendig 2050+ staat een visie op hoofdlijnen op exoten. Onze Ambysje bioferskaat bevat onze visie op biodiversiteit en uitgangspunten die daarbij horen. Die is vertaald in een Útfieringsplan Bioferskaat dat ervoor moet zorgen dat aandacht voor biodiversiteit onderdeel is van en gekoppeld is aan ons reguliere werk. Meer direct op de uitvoering gericht zijn in de beleidsregels integrale legger en het beheer en onderhoudsplan beleidsregels voor ondermeer ecologische aanleg en onderhoud vastgelegd. In de waterschapsverordening liggen zaken vast als de afmetingen van duikers voor fauna. Voor invasieve (schadelijke) exoten, zoals de grote waternavel en reuzenberenklauw hebben we een aantal losse bestrijdingsplannen en werkprotocollen die duidelijk maken hoe wij als organisatie omgaan met deze soorten bij uitvoeren van onze taken. In de maak zijn een faunabeheerplan bever, geactualiseerd waterkwaliteitsbeleid en een voorstel voor een verlenging van de pilot rivierkreeften 3. Uitgangspunten omgang met flora en fauna We formuleren hier een aantal algemene beleidsuitgangspunten in onze omgang met flora en fauna. Die zijn al min of meer impliciet verwerkt in huidig beleid, we maken ze hier expliciet. Waar mogelijk pakken we kansen mee: we hebben in onze taakuitoefening steeds aandacht voor de mogelijkheden voor flora en fauna. Waar dat zonder belemmeringen voor onze taken en zonder forse extra kosten kan, pakken we kansen om wat extra’s voor flora en fauna te doen. We kiezen waar mogelijk voor natuurlijke oplossingen: we passen natuurlijke oplossingen in onze taakuitoefening toe als die minimaal gelijkwaardig zijn aan technische en niet of nauwelijks duurder. Met zo min mogelijk schade en dierenleed: we voeren onze taken uit met expliciete aandacht voor flora en fauna en dierenleed en proberen schade aan planten en leed voor dieren zo veel mogelijk te voorkomen. In hoofdstuk 6 gaan we uitgebreider in op dierenwelzijn. Kostenefficiënt op langere termijn: we bevorderen biodiversiteit en het welvaren van planten en dieren tegen zo laag mogelijke kosten. Waar het nodig is plaagsoorten te bestrijden geldt hetzelfde. De toevoeging ‘op langere termijn’ is relevant: in sommige gevallen kunnen hogere kosten op korte termijn leiden tot veel lagere kosten op langere termijn. Een voorbeeld hiervan is het bestrijden van invasieve exoten: een soort totaal verwijderen kan op korte termijn hoge kosten met zich meebrengen, maar die kosten kunnen soms op langere termijn gunstig uitvallen door wegvallende jarenlange symptoombestrijding (wat overigens ook tot minder dierenleed kan lijden). Vroeg is beter dan laat: vroegtijdige aandacht voor flora en fauna heeft vrijwel altijd voordelen: mogelijkheden scheppen voor flora en fauna bij onze assets is effectiever bij aanleg ervan dan later in het beheer. Bestrijden van invasieve exoten als ze nog op kleine schaal aanwezig zijn biedt meer kans op betaalbaar succes dan aanpak later. We hebben daarom bij al onze taken vanaf het begin aandacht voor de mogelijkheden van, kansen voor en risico’s door flora en fauna. Maatwerk en flexibiliteit: een zo goed mogelijk resultaat ten aanzien van flora en fauna, of het nu gaat om gebruik ervan voor onze taken, beheersen van schadelijke soorten of kansen om in onze taakuitoefening flora en fauna ten goede te komen, is altijd afhankelijk van de soort taak, context en de flora en fauna waarom het gaat. Hoewel we in deze nota een aantal algemene kaders stellen, is de ruimte voor maatwerk en flexibiliteit essentieel. Er moet ruimte blijven voor afwegingen op de werkvloer. In specifieke gevallen zullen deze uitgangspunten soms botsen (zo min mogelijk schade kan soms tot extreem hoge kosten leiden, vroeg ingrijpen kan betekenen dat er nog te weinig informatie is over het gepaste maatwerk, enzovoorts). Dan komt met name het laatste uitgangspunt (maatwerk/flexibiliteit) op de voorgrond en zullen we de op dat moment beste balans van de bovenstaande uitgangspunten zoeken. 4. Hoe flora en fauna ons helpt De eerste manier waarop we in onze taken met flora en fauna te maken hebben is als mogelijk hulpmiddel bij de uitoefening van die taken. De natuur werkt voor ons. Formeler geformuleerd: flora en fauna kunnen ‘ecosysteemdiensten’ verlenen die bijdragen aan ons werk (zie figuur 2). En dat gebeurt al heel lang. Sinds honderden jaren helpen grassen en kruiden dijken steviger te houden. Duinen, onze andere waterkeringen2 , zijn zelfs geheel natuurlijk gevormd. Planten zuiveren het water. Een natuurlijk verlopende beek vertraagt de afvoer van water. 2) Daarnaast kennen we ook nog hoge gronden en waterkerende kunstwerken. Die laten we hier buiten beschouwing. Figuur 2. Voorbeelden van ecosysteemdiensten in Nederland. Ecosysteemdiensten zijn diensten die de natuur aan ons levert. Ook aan onze taken 'veilig', 'voldoende' en 'schoon' draagt de natuur bij. Voorbeelden hiervan vind je door de stippellijnen te volgen. Aangepaste figuur van PBL, WUR, CICES 2014 Een aantal ecosysteemdiensten uitgewerkt De laatste jaren zijn daar nieuwe mogelijkheden bijgekomen en maken we ook actiever en bewuster gebruik van die mogelijkheden. Ook zijn we ons meer bewust geworden van kansen die er al langer waren. Investeringen in natuurlijke oplossingen kunnen bijdragen aan het verlagen van beheerskosten op langere termijn en bijdragen aan taken als waterkwaliteit en veiligheid. We kijken daarom voor het oplossen van onze opgaven meer naar natuurlijke oplossingen in plaats van (alleen) techniek. We maken waar mogelijk gebruik van ‘groene dijken’ in plaats van dijken met asfalt. We beheren watergangen met natuurlijke oevers in plaats van harde beschoeiing. We gebruiken bacteriën om afvalwater te zuiveren in onze rioolwaterzuiveringsinstallaties. We leggen meanders3 aan om de afvoer van water in beken te vertragen. We laten bomen groeien langs beken die zorgen voor schaduw, koel water en het in toom houden van waterplanten. Hieronder geven we een aantal voorbeelden van hoe natuurlijke oplossingen ons helpen bij onze opgaven. 3) Een meander is een lus in de loop van een natuurlijke waterloop (beek, rivier of zeestroming). Figuur 3. Waterplanten in het ecosysteem. Voorbeeld schoon: de zuiverende werking van waterplanten De zuiverende werking van waterplanten. Waterplanten zorgen voor natuurlijke zuivering. Nitraat en fosfaat worden opgenomen door planten of in de waterbodem opgenomen of afgebroken. De helft van het inkomende stikstof en fosfor in sloten kan zo gezuiverd worden. Gewasbeschermingsmiddelen, metalen en andere stoffen hechten zich aan waterplanten of worden erdoor opgenomen. Hierdoor komt minder in het water terecht. Ook concurreren inheemse waterplanten met algen, blauwalgen en exoten (zie hoofdstuk 5) en voorkomen overlast hiervan. Verder zorgen waterplanten voor een leefgebied voor waterdieren, zoals paai-, schuilen voedselplaatsen. Ten slotte zorgen waterplanten voor luwte waardoor onopgeloste deeltjes bezinken en de helderheid van het water verbetert. Waterplanten zijn aanwezig in natuurvriendelijke oevers, natuurlijke velden (in meren), aangelegde zuiveringsmoerassen en sloten, waar zo mogelijk een deel van de waterplanten wordt gespaard bij onderhoud. Verstoring zoals golfslag, vraat en frequent onderhoud kan ervoor zorgen dat waterplanten verdwijnen of alleen de ‘makkelijke’ soorten kunnen overleven zoals smalle waterpest. Figuur 4. Waterplanten van bovenaf gezien en van onder water gezien. Voorbeeld veilig, voldoende en schoon: natuurvriendelijke oevers Door onder meer flauwere taluds te maken kunnen we natuurvriendelijke oevers creëren. Die zorgen voor luwe ondiepe waterzones waar waterplanten kunnen groeien. Begroeiing in het water op de oever zorgt voor stevige, stabiele taluds. Daarnaast is een natuurlijk begroeide (zachte) oever goedkoper dan een harde oeverconstructie (hout, staal of beton). Bij flauwere taluds is er minder afkalving, minder baggervorming en een betere waterkwaliteit. Ook zijn flauwe oevers met vegetatie minder aantrekkelijk voor rivierkreeften, muskusratten en bevers, die houden van steile taluds om in te graven. Figuur 5. Omgevingen waar de rivierkreeft wel (links) en niet (rechts) van houdt. Voorbeeld veilig: groene dijken, kwelders en waterberging. Als dijken worden begroeid door verschillende soorten planten met verschillende worteldieptes worden ze sterker. Daarnaast is een niet te intensief beheerde grasmat minder gevoelig voor langdurige droogte. Ook de natuurlijke dynamiek van de Waddenzee werkt voor ons. Kwelders helpen ons in de bescherming tegen overstromingen. Ze zijn van nature klimaatbestendig: elke overstroming laat slib achter, waardoor kwelders meegroeien met zeespiegelstijging. Zeegrasvelden dempen golven, vangen zand en slib en leggen CO2 vast. Bepaalde natuurgebieden worden zo ingericht dat ze bij hoog water onder water gezet kunnen worden. Daarmee dragen flora en fauna bij aan waterveiligheid. Dit is een win-win voorbeeld: de natuur helpt ons, maar heeft er ook zelf baat bij dat gebieden worden ingericht voor natuur en waterberging. De keerzijde van natuurlijke oplossingen Soms kent het gebruik van natuurlijke oplossingen ook zijn keerzijde. Voorbeelden hiervan zijn dat natuurlijke oplossingen soms duurder zijn (maar soms ook goedkoper), vaak meer ruimte vragen (waterberging vraagt meer ruimte dan een hogere kering, natuurlijke oevers meer dan beschoeiing), dat meer onderhoud nodig kan zijn en dat sturing lastiger is (otters die hopelijk kreeften vangen in plaats van fuiken). We wegen steeds de vooren nadelen gedegen tegen elkaar af. Een nadeel dat ook regelmatig genoemd wordt, is dat kruidenrijke dijken en akkerranden een risico zouden vormen voor infecties op nabijgelegen akkerbouw. Kruidenrijke dijken en akkerranden kunnen een bijdrage leveren aan het verlagen van de infectiedruk door de aanwezigheid van verschillende soorten ‘goede’ bacteriën, schimmels, insecten en planten die ziekten en plagen voorkomen, mits de mengsels met zorg worden samengesteld en daarbij geen risico vormen voor de gewassen in de omgeving. Figuur 6. Waterplanten in de Friese boezem. 5. Omgaan met schadelijke flora en fauna Sommige dier- en plantensoorten brengen schade toe aan de manier waarop we onze taken uitoefenen, of hebben in ieder geval de potentie om dat te doen. De algemene term daarvoor is plaagsoorten. Schade die door plaagsoorten kan worden aangericht is bijvoorbeeld het bemoeilijken van de af- en aanvoer van water, ondergraving van waterkeringen en aantasting van dijkbegroeiing, verdringing van bestaande soorten, aantasting van de waterkwaliteit en aantasting van de gezondheid van dier en mens. Voorbeelden zijn de grote waternavel die watergangen blokkeert of dassen en konijnen die keringen verzwakken. Wettelijke kaders, rol en taken Eén van onze taken is het werken aan een chemisch schoon en biologisch gezond watersysteem. Vanuit die taak en de Kaderrichtlijn water moeten we uitheemse plaagsoorten (invasieve exoten, zie onder) die daar een negatieve invloed op hebben bestrijden in onze watergangen en op onze terreinen4. In de Waterschapswet is expliciet aan de waterschappen opgedragen om de muskusrat en beverrat te beheersen en bestrijden. Daarvoor beschikken we ook over eigen bevoegdheden in de Omgevingswet. Wie besluit tot bestrijding van een plaagsoort krijgt ook in andere opzichten te maken met de Omgevingswet. Dit geldt bijvoorbeeld bij het maaien van (water)planten, de toepassing van middelen of het wegvangen of uitzetten van vis en schaaldieren. Die Omgevingswet is soms strijdig met andere wetten (of zelfs zichzelf) rondom de bestrijding van invasieve exoten. Een voorbeeld hiervan is het niet of beperkt mogen werken in het broedseizoen als vanwege bestrijding juist snel handelen geboden is. Dit vraagt maatwerk. In de provinciale omgevingsverordening zijn bepaalde plichten tot bestrijding van plaagsoorten opgenomen die ook voor ons als waterschap gelden, zoals ten aanzien van het Jacobskruiskruid. Bij de plaagsoorten zijn twee vormen van onderscheid van belang. Ten eerste het onderscheid tussen inheemse soorten en invasieve exoten. En binnen de inheemse diersoorten het onderscheid tussen beschermde en niet beschermde soorten. 4) Vanzelfsprekend is die bestrijding ook van belang ter bescherming van onze taken voor voldoende water en veiligheid. Invasieve exoten en inheemse soorten Invasieve exoten (planten en dieren) zijn soorten die van nature niet in Nederland voorkomen maar door menselijk handelen hier terecht zijn gekomen, zich in korte tijd massaal vermenigvuldigen en daarbij schade toebrengen aan bestaande ecosystemen of hun omgeving. Door klimaatverandering voelen die exotische planten en dieren zich ook steeds beter thuis in Nederland. Op 1 januari 2015 is een nieuwe EU-verordening (Nr 1143/2014) van kracht geworden die gericht is op het voorkomen en beheersen van schade aan biodiversiteit en ecosysteemdiensten door invasieve exoten. Centraal daarin staat een lijst van invasieve exoten die in 2016 van kracht is geworden en waar sindsdien nog steeds soorten aan worden toegevoegd (recent nog de watercrassula en Aziatische duizendknoop). Als een soort op de lijst belandt hebben lidstaten de plicht om populaties op te sporen, verwijderen of als dat niet lukt zo te beheren dat verspreiding en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. De bestrijding van exoten die niet veel voorkomen heeft prioriteit, om zo het probleem in de kiem te kunnen smoren. De provincie Fryslân hanteert hiernaast een eigen lijst van in Fryslân prioritaire soorten. Natuurlijke oplossingen in de bestrijding van invasieve exoten We zijn in 2019 met bijdragen van verschillende partijen als penvoerder gestart met het onderzoek #uitde1000knoop. Voor beheersing van Aziatische duizendknopen had jarenlang onderzoek twee opties opgeleverd die veilig zijn voor mens en dier: de Japanse bladvlo en een schimmel. Vanaf 2019 zijn praktijkproeven uitgevoerd, nadat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ontheffing had verleend. Een primeur: dit is de eerste natuurlijke vijand van een invasieve exoot die is losgelaten. Het onderzoek is in 2021 verder uitgebreid onder de naam Biocops. Nu worden ook praktijkproeven uitgevoerd met de biologische beheersing van watercrassula (met een galmijt) en grote waternavel (met een snuitkever). Het Biocops-onderzoek wordt, met ondersteuning vanuit de STOWA, uitgevoerd door Waterschap Aa en Maas, Wetterskip Fryslân, Universiteit Leiden Stichting Probos en CABI. Vanaf 2025 is waterschap Aa en Maas de penvoerder. Binnen Nederland is afgesproken dat de provincies verantwoordelijk zijn voor natuur, inclusief aanpak van invasieve exoten. Maar er zijn ook invasieve exoten die de verantwoordelijkheid zijn van het Rijk, zoals de rivierkreeften. Deze zijn op grond van de Visserijwet aangewezen als ‘vis’, het Rijk is hiervoor het bevoegd gezag. Naast de soorten op de EU-lijst zijn er ook uitheemse soorten in Nederland die niet op de lijst staan. Een voorbeeld is de grote kroosvaren. Provincies zijn bevoegd om buiten de EU-lijst soorten aan te wijzen waarvoor ook verboden en verplichtingen gelden. Bij de uitvoering is een belangrijke rol weggelegd voor terreinbeheerders als de waterschappen. De Rode Amerikaanse rivierkreeft. Muskusrat vangsten Vangsten muskusrat wetterskip Fryslân In ons beheergebied zijn diverse invasieve exoten. Dat varieert van planten als de Japanse duizendknoop en watercrassula tot diersoorten als de Chinese wolhandkrab en de uitheemse rivierkreeften. De bekendste invasieve exoot in de waterschapswereld is de muskusrat. De muskusrat is al bijna een eeuw een invasieve exoot: in de jaren 30 kwamen de eerste muskusratten naar Nederland. Muskusrattenbestrijding is een wettelijke taak van de waterschappen om graafschade aan oevers en dijken en nadelige effecten op inheemse flora en fauna te voorkomen. Van een grote plaag enkele decennia geleden (in de jaren 90 werden jaarlijks meer dan 100.000 gevangen in Fryslân) is de plaag nu onder controle: nu worden nog enkele honderden jaarlijks gevangen. Hoe beter de aantallen onder controle zijn, hoe minder ratten gevangen hoeven te worden. De bestrijdingsuren zijn sindsdien ook met bijna tweederde teruggebracht. In 2019 hebben alle waterschappen afgesproken de muskusrat in Nederland terug te dringen tot de landsgrens. Dat houdt concreet voor Fryslân in dat de jaarlijkse vangst teruggebracht zou moeten worden tot maximaal 50. Hiermee wordt bereikt dat er in 2034 in Nederland geen levensvatbare populatie muskusratten meer is. Kans: bestrijding van de Grote waternavel buiten onze watergangen Als Wetterskip zelf zijn we succesvol in bestrijding van de Grote Waternavel, een plant die in staat is snel watergangen dicht te laten groeien. Zie ook de bijgevoegde afbeeldingen. Echter, we stuiten daarbij op het probleem dat de beheersing van de Grote Waternavel in watergangen buiten ons beheer vaak minder intensief is, waardoor van daaruit de waternavel ook weer terugkeert in onze watergangen. We blijven permanente acties uitvoeren als aandacht vragen voor de knelpunten bij terreinbeheerders. Ook blijven we de provinciale subsidieregeling invasieve exoten meer onder hun aandacht brengen, verhogen toezicht en aansturing op bestrijding door onze aannemers, doen meer aan voorlichting en houden de ontwikkeling in het stedelijk gebied in de gaten. Ook contact met de provincie als bevoegd gezag inzake toezicht en handhaving is belangrijk. Daarnaast is het een optie om met de provincie verhoging van het ambitiniveau op waternavel te verkennen. Grote waternavel Waarnemingen Grote waternavel 2020 (577) en 2024 (307) In onze omgang met plaagsoorten hebben we 4 opties: • Preventie: het probleem voorkomen• Accepteren: het probleem accepteren - niet bestrijden• Beheersen: het probleem beheersen - de keuze om te bestrijden en de intensiteit ervan is afhankelijk van factoren als de soort zelf, omvang, locatie, ernst van de bedreiging• Elimineren: het probleem verwijderen - de soort altijd en geheel bestrijden De meeste invasieve exoten in Fryslân zijn moeilijk helemaal te verwijderen, omdat die al op veel plaatsen voorkomen en soms ook moeilijk te bestrijden zijn. Daarom zullen we in gevallen (in ieder geval op kortere termijn) moeten volstaan met beheersen, omdat elimineren ervan een te grote inspanning (en geld) vergt, omdat het middel erger is dan de kwaal of omdat op naastgelegen percelen niet beheerd wordt en de soort vandaaruit blijft verspreiden. We wegen in dat verband zowel risico's als kosten en baten af. Van de soorten die (nog) minder wijdverspreid zijn, zoals de watercrassula, zullen we minimaal verdere verspreiding tegengaan. Waarneming Watercrassula 2020 (89) en 2024 (78) Uitheemse rivierkreeften De uitheemse rivierkreeft is een vrij recente en erg invasieve exoot. In Fryslân zijn vijf soorten uitheemse rivierkreeften, waarvan de gestreepte en gevlekte Amerikaanse rivierkreeft lokaal talrijk is maar de rode Amerikaanse rivierkreeft in potentie het meest schadelijk. Rivierkreeften veroorzaken graafschade aan oevers en dijken, waardoor die minder stevig kunnen worden en de baggeraanwas toeneemt. Ook vreten ze waterplanten weg. Hierdoor wordt het water troebel en neemt de ecologische waterkwaliteit af. Momenteel is het Rijk wettelijk verantwoordelijk voor beheer en bestrijding van de rivierkreeft. Wij hebben als waterschap geen wettelijke taak om rivierkreeften te bestrijden en mogen dit ook niet doen vanuit de Visserijwet. Wel is in een kamerbrief aangekondigd dat de Visserijwet zal worden aangepast om ons meer mogelijkheden (en een opdracht) te geven om kreeften te vangen (maar geen wettelijke grondslag om daarvoor belasting te heffen). We hebben van het Rijk in 2023 een ontheffing gekregen om tot en met 2025, in afwachting van aanpassing van de wet, de verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeft in Fryslân in kaart te brengen en weg te vangen. In 2026 zullen de resultaten bekend worden. Als Waterschappen zijn we terughoudend in het overnemen van maatregelen om rivierkreeften te bestrijden zo lang niet duidelijk is dat dat ook gepaard gaat met de nodige middelen. We zijn ervoor om net als voor de muskusrat en beverrat in dat geval de bestrijding en beheersing van rivierkreeften in de Waterschapswet en Omgevingswet te regelen. Dan wordt ook zeker gesteld dat de waterschappen heffingsinkomsten mogen inzetten ter bekostiging van deze taak. Naast aanpassing van de Visserijwet is het Rijk ook bezig met een afweegkader rivierkreeften dat waterbeheerders moet ondersteunen bij het bepalen of, en zo ja welke, maatregelen effectief en haalbaar zijn om de overlast van rivierkreeften te beperken of voorkomen. We zijn niet tevreden met de manier waarop het Rijk zich kwijt van haar verantwoordelijkheid voor uitheemse rivierkreeften. De groei van de rivierkreeft gaat momenteel in snel tempo. Onze uitgangspunten dat we kostenefficiënt willen zijn op lange termijn en dat vroeg beter is dan laat brengt in dit soort gevallen de vraag mee of soms het voortouw genomen moet worden in bestrijding, ook al is de juridische basis daarvan nog niet geheel geregeld. Wij doen dit nu al deels in de 3-jarige ontheffingsperiode en de verleende verlenging daarvan. We kunnen bij rivierkreeften de komende jaren een meer afwachtende houding aannemen tot het rijk in actie en met financiële middelen komt en/of wij wettelijk verantwoordelijk worden (met bijbehorende middelen). Maar door af te wachten neemt de verspreiding in de tussentijd steeds verder toe waardoor ook de overlast en de kosten van latere actie hierop sterk toenemen. In het aanstaande beheerplan rivierkreeften zullen we een voorstel doen over hoe met dit dilemma om te gaan. Naast de bestrijding van kreeften gaan we ook door met het robuust inrichten van ons watersysteem. De oplossing van de kreeften problematiek ligt in een combinatie van ecologisch systeemherstel zoals het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en het wegvangen van kreeften. We hebben reeds honderden kilometers natuurvriendelijke oevers aangelegd. Verspreiding van rivierkreeften in Fryslân, 2024, eigen gegevens Reuzenberenklauw Reuzenberenklauw De Reuzenberenklauw staat sinds 2017 op de Unielijst van invasieve exoten. Hij zorgt voor instabiliteit op onze waterkeringen. Door zijn snelle groei en grote bladeren laat hij geen ruimte voor een goede grasmat of voor inheemse planten. Ook kan de plant bij aanraking brandwonden veroorzaken. We zijn in het voorjaar van 2021 begonnen met bestrijding van de Reuzenberenklauw. Locaties waar de plant groeit worden ingevoerd in onze digitale inspectie app en vervolgens worden de prioritaire locaties bepaald. Voor die locaties wordt een plan van aanpak gemaakt dat wordt afgestemd met de gebruiker van het perceel. Het werkprotocol voor de Reuzenberenklauw, opgesteld op basis van literatuuronderzoek en eigen tests, wordt door de veldmedewerkers als leidraad gebruikt voor de bestrijding. Hierin wordt beschreven hoe we planten uitspitten, de zaadbank uit putten en voorkomen dat nieuwe zaden gevormd worden. Na 2 jaar bestrijding was op enkele locaties al een teruggang van 50% bereikt. Na die twee jaar kan over het algemeen worden overgegaan op beheer en neemt de arbeidsintensiteit sterk af. Voorlopig is bestrijding nog volop nodig want de afgelopen jaren is de verspreiding sterk is toegenomen (zie afbeelding). Overigens vindt een flink deel van de verspreiding van de Reuzenberenklauw plaats op terreinen die niet van ons zijn. Voor een effectieve bestrijding is samenwerking dan ook cruciaal. Waarnemingen reuzenberenklauw 2020 (364) en 2024 (886) Afwegingskader en aanpak invasieve exoten In onze omgang met invasieve exoten begint het met een waarneming van de soort op een of meer locaties. Vervolgens is de vraag of de soort een risico vormt (op die locatie(s)) voor onze opgaven. Zo nee, dan volstaan we met monitoren en stellen ons periodiek op basis van de monitoringsgegevens opnieuw de vraag of de soort een bedreiging vormt. Zo ja, dan bepalen we de aanpak van de soort. Afhankelijk van omvang, locatie, mate van bedreiging voor onze opgave, kosten en andere overwegingen kiezen we een aanpak uit de vier opties die voor ons openstaan. We monitoren de effecten van de aanpak en of het nog nodig is daarmee door te gaan, of dat een andere aanpak wellicht effectiever is. Er zijn ook overlastgevende soorten die wél van nature in Nederland voorkomen, de inheemse soorten, zoals de veldmuis, brasem, vos en mol. Die veroorzaken graafschade aan keringen of zorgen voor vertroebeling in het water. Planten als akkerdistel en speerdistel kunnen zwakke plekken veroorzaken op de primaire waterkeringen. Jacobskruiskruid kan giftig zijn voor vee. Voor de bestrijding van de inheemse diersoorten is het onderscheid tussen beschermde en niet beschermde soorten van groot belang. Beschermde en niet beschermde soorten Invasieve exoten zijn veelal niet beschermd en mogen bestreden worden5. Bij inheemse (dier) soorten ligt dat anders. Een tal van de (potentieel) schadelijke inheemse soorten wordt ook waardevol geacht en is daarom wettelijk beschermd. Bij beschermde diersoorten mag geen schade aan het dier of zijn directe omgeving worden toegebracht. Voor uitzonderingen moet ontheffing bij het bevoegd gezag (meestal de provincie) aangevraagd worden. En andere inheemse plaagsoorten staan op een provinciale vrijstellingslijst zoals de mol en woelrat. 5) alle vogels zijn beschermd, ook exotische vogels. Met een ontheffing kunnen exotische vogels bestreden worden. Bekende voorbeelden van potentieel schadelijke inheemse soorten zijn de das en bever. Dassen kunnen soms veel schade veroorzaken. Ze graven gangen in keringen, kaden en dijken. Die mogen niet zomaar worden dichtgemaakt vanwege de beschermde status van de das. We hebben echter in 2017 ontheffing gekregen om graafschade aan keringen te mogen herstellen. Ook mogen we dassen ‘verstoren’ als ze beginnen te graven. Als we een project moeten uitvoeren in de directe omgeving van een dassenburcht moeten we voor de uitvoering van werkzaamheden een vergunning aanvragen. Das De bever Samenleven met de beschermde bever kent lusten en lasten. Aan de ene kant zijn bevers harde ‘waterwerkers’. Zo dragen ze bij aan stabiliteit in het waterniveau, schoon water, voorkomen overstromingen en droogte, zorgen voor meer afbraak van stikstof en voor meer insecten om bloemen en planten te bestuiven. We zien bevers dan ook graag in gebieden waar we water willen vasthouden. Ook is aanwezigheid van bevers een indicator dat het beter gaat met het ecosysteem. Ten slotte ‘hoorde’ de bever ooit bij Fryslân en kan daarom worden gezien als een vorm van levende cultuurhistorie. Aan de andere kant kunnen bevers ook harde werkers zijn als het gaat om het veroorzaken van schade. Bevers graven tunnels (ze kunnen in een enkele nacht een dijk doorgraven) en zetten met hun dammen het waterpeil vast op een hoogte die niet persé overeenkomt met de gewenste. De tunnels zijn ook lastig waar te nemen omdat ze vaak verborgen liggen. Het aantal bevers in Nederland groeit gestaag, maar is in Fryslân nog bescheiden (in 2025 zijn er 6 bevers). Maar in principe is Fryslân als waterrijke provincie een zeer geschikt leefgebied voor bevers. De verwachting is dan ook dat het aantal bevers de komende jaren zal toenemen. Op 7 juli 2025 heeft het landelijk bestuurlijk overleg water de gezamenlijke beveraanpak vastgesteld. Uitwerking daarvan in werkpakketten ligt vooral bij provincies en het ministerie van LVVN en hun partners. De landelijke bijdrage bestaat uit een landelijk protocol voor de aanpak, een set preventieve maatregelen en betere monitoring. De rol van de waterschappen is het monitoren van schade en (preventieve) maatregelen nemen, zoals het plaatsen van graafwerend gaas of het vangen en verplaatsen van bevers. De Unie van Waterschappen, STOWA, Rijkswaterstaat, ProRail, het IPO en de Zoogdiervereniging werken ook samen in het kenniscentrum Bever. Voor bevers werken we aan een gezamenlijk beverbeleid en beheerprotocol met de provincie. Bever Afwegingskader en aanpak beschermde plaagsoorten Voor beschermde plaagsoorten begint onze aanpak, net als bij invasieve exoten, bij de vraag of de soort een risico vormt voor onze opgaven. Zo niet, monitoren we of dat zo blijft. Zo wel, is in dit geval een aanpak alleen mogelijk met vergunning. Daarom gaan we na of die er is. Als we vergunning hebben is per soort een beheerprotocol aanwezig, dat we volgen. Is de vergunning er nog niet, dan dient die zo snel mogelijk te worden aangevraagd. Na aanpak worden de effecten gemonitord om na te gaan of de aanpak afdoende was of dat meer nodig is. Aanpak in de praktijk Ons beleid ten aanzien van plaagsoorten was tot deze nota vastgelegd in de Nota plaagsoortenbestrijding (2016). Die is uitgewerkt in een plan van aanpak (2021), waarin de bestrijding van de plaagsoorten die de meeste overlast veroorzaken of waarvan verwacht wordt dat die dat in de toekomst gaan doen is uitgewerkt. De aanpak wordt jaarlijks geëvalueerd met de betrokken partijen en indien nodig aangepast. Dan kunnen ook soorten worden toegevoegd of verwijderd. De bestrijding van plaagsoorten is praktisch vastgelegd in werkprotocollen en bestrijdingsplannen. Voor invasieve exoten hebben we momenteel een aantal bestrijdingsplannen. Voor de omgang met beschermde inheemse plaagsoorten als de das of bever hebben we nog geen protocollen, wel wordt momenteel samen met de provincie gewerkt aan een protocol voor de bever. Werkprotocollen en bestrijdingsplannen blijven ook onder deze nota Flora en Fauna nodig. Deze nota geeft alleen de kaders op basis waarvan die plannen en protocollen worden opgesteld. De huidige protocollen blijven vooralsnog geldig en worden gestaag, waar nodig, aangepast aan de inhoud van deze nota. Exoten worden geïnventariseerd bijvoorbeeld tijdens de jaarlijkse kadeschouw, bij flora en fauna checks en tijdens het reguliere werk. Als wij of onze aannemers nieuwe vestigingen tegenkomen leggen we die digitaal vast. Vervolgens wordt de locatie bezocht en beoordelen we of we een opdracht tot bestrijding gaan geven. Ook informeren we andere partijen over de nieuwe besmetting. Inventarisaties door burgers en partners houden we in de gaten via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank bevat meer dan 200 miljoen gecontroleerde waarnemingen van plant- en diersoorten. Bij sommige wijdverspreide soorten prioriteren we in de aanpak van locaties. Locaties waar de besmetting nog klein is hebben dan voorrang. Voor de start van de bestrijding vindt een natuurtoets plaats. We werken ‘van buiten naar binnen’, wat betekent dat we eerst de besmette locaties aan de rand van het besmette gebied aanpakken. Een goede buur Onze terreinen en wateren grenzen vaak aan percelen van anderen. Dat betekent dat de manier waarop we met plaagsoorten omgaan niet alleen consequenties heeft voor onze taken, maar soms ook voor de buren. Ons uitgangspunt is dat we een goede buur willen zijn. Dat betekent dat we planten en dieren waar we zelf bij onze taken wellicht minder last van hebben, maar die overlastgevend of zelfs gevaarlijk voor onze buren of hun vee kunnen zijn (reuzenberenklauw, jacobskruiskruid en dergelijke) wel bestrijden. Daarbij handelen we over het algemeen op basis van een melding van onze buren en na overleg met die buren. Jacobskruiskruid maaien we als er risico bestaat dat de planten kunnen worden gegeten door vee, conform de provinciale omgevingsverordening. Omgekeerd zijn wij ook afhankelijk van de bestrijding van ongewenste soorten door onze buren. Die geven aan soms niet de (financiële) middelen te hebben om die te bestrijden. Afbeelding invoegen Icoonsoorten Naast aan de ene kant plaagsoorten of schadelijke soorten, komen er aan de andere kant ook icoonsoorten in en rond onze wateren voor van kenmerkende planten en dieren. Icoonsoorten werken voor ons door de gezondheid van het water- en ecosysteem te weerspiegelen, zij helpen bij het verbeteren van de ecologische kwaliteit van watergangen en zij fungeren als indicatoren voor een veerkrachtige natuur en biodiversiteit. Belangrijke icoonsoorten voor de wateropgave van Wetterskip Fryslân zijn onder meer: •Flora (planten): dotterbloem en krabbenscheer, •Fauna (dieren): –Waterdieren: groene glazenmaker en snoek –Andere dieren: moshommel, otter en ijsvogel Deze icoonsoorten hebben een sterke en herkenbare binding met Fryslân en met de wateren in en rond onze provincie. Zij vormen inspirerende voorbeelden die het verhaal vertellen van onze ambities, doelen en maatregelen om de biodiversiteit te behouden en te versterken. Aan de hand van deze planten en dieren laten wij bovendien zien wat verbetering van waterkwaliteit en natuurherstel in de praktijk betekenen. 6. Kansen benutten en rekening houden met flora en fauna Bij de eerste twee manieren waarop we te maken hebben met flora en fauna ervaren we in het uitoefenen van onze taken de effecten van flora en fauna op ons werk. Bij de derde manier werkt het andersom: veel van wat wij doen heeft effect op flora en fauna of kan dat hebben. We kunnen in ons werk vaak zonder extra kosten of met beperkte extra kosten zorgen dat de biodversiteit versterkt wordt en willen dat ook (coalitieakkoord, p. 17). Hiervoor heeft u als algemeen bestuur op 14 juni 2022 de Ambysje bioferskaat Wetterskip Fryslân vastgesteld. Maar ons werk kan ook negatieve effecten hebben op flora en fauna. Die willen we juist zoveel mogelijk beperken en dat moeten we wettelijk ook. Onze opgave om te zorgen voor schoon water is de enige die eigen ecologische doelen kent. Onder de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) worden we verplicht bij te dragen aan het in een goede ecologische toestand brengen van het oppervlakte- en grondwater. Die toestand wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid en vitaliteit van waterplanten en -dieren. Onze inspanningen voor de KRW en de effecten daarvan op de KRW-doelen behandelen we in de KRW-beslisnota’s. Ons ecologisch beleid voor oppervlaktewater komt aan de orde in de actualisatie van het aterkwaliteitsbeleid (de beleidsnota ecologie en vis). Hier concentreren we ons op de effecten op flora en fauna van de werkzaamheden en keuzes bij onze andere twee opgaven, voldoende en veilig. Beheer en onderhoud Onze voornaamste invloed op flora en fauna is waarschijnlijk de manier waarop we ons beheer en onderhoud vormgeven. Als waterschap bezitten en/of beheren we vele kilometers keringen en diverse terreinen voor bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringen en gemalen. De manier waarop we die (laten) onderhouden heeft gunstige of ongunstige effecten op flora en fauna. Om invulling te geven aan onze wettelijke plichten werken alle Waterschappen volgens een gedragscode flora en fauna voor beheer en onderhoud. Die zorgt voor zoveel mogelijk duurzame instandhouding van leefgebieden en bescherming van plant- en diersoorten. Daardoor kunnen we onze taken uitvoeren zonder steeds een specifieke vergunning aan te hoeven vragen bij de provincies. De nieuwe gedragscode is op 1 april 2025 ingegaan. Ons uitgangspunt is het beheer en onderhoud zo extensief, gevarieerd en natuurvriendelijk mogelijk uit te (laten) voeren (Ambysje Bioferskaat, spoor 1). We werken als Wetterskip met gedifferentieerd beheer en onderhoud, dat beter is voor natuur in en rondom wateren. Bij beheer en onderhoud hebben we vaak te maken met beschermde plant- en diersoorten. Onderhoud kan daar negatieve gevolgen voor hebben maar kan voor de leefomgeving soms ook noodzakelijk zijn. Kans: AI op de dijk We houden ontwikkelingen als robotisering en AI goed in de gaten, zoals het beschikbaar komen van technologie, waardoor bijvoorbeeld met beeldherkenning heel gericht gemonitord kan worden op de aanwezigheid van schadelijke flora en fauna op dijken en keringen. Er zijn drie randvoorwaarden bij het natuurvriendelijker beheer en onderhoud dat we nastreven (afgeleid uit beheernota waterkeringen, 2019): •Het mag niet ten koste gaan van de werking van het object (kering, zuivering, ..)•Het mag niet ten koste gaan van de veiligheid van het werk•En het mag niet leiden tot een forse kostenstijging (bescheiden stijging kan) Overigens kan een andere manier van onderhoud juist vaak zorgen voor een betere werking (een diverse grasmat is sterker dan alleen raaigras) en minder kosten (door extensiever beheer). We hebben diverse handreikingen ontwikkeld voor natuurvriendelijk beheer, onderhoud en herinrichting op en van onze keringen en in de boezemwateren en oevers. We doen soms eigen onderzoek naar en volgen de landelijke onderzoeken naar de effecten van (verschillende vormen van) beheer en onderhoud op flora en fauna. Beheer en onderhoud van waterkeringen Het onderhoud van onze waterkeringen is vastgelegd in de beheernota waterkeringen (2019). De primaire keringen onderhouden we zelf, de regionale en lokale keringen worden onder voorwaarden onderhouden door de eigenaren of pachters van de (met gras beklede delen van de) waterkering. Hierdoor kunnen we rekening houden met flora en fauna in onze keuzes. We streven waar dat kan naar groene dijken en ecologisch verantwoord beheer van bekledingen. Bij inzaaien kiezen we voor meerjarige, gebiedseigen en genetisch natuurlijke soorten. Enkele waterkeringen zijn ingezaaid met een kruidenrijk grasmengsel. We passen geen bestrijdingsmiddelen toe. In bermen van primaire keringen gebruiken we in beginsel geen kunstmest. Bij onderhoudsmaterieel kiezen we waar mogelijk voor natuurvriendelijke oplossingen. Kans: Voorwaarden in pachtcontracten Regionale en lokale waterkeringen zijn meestal niet ons eigendom. Als de kering wel ons eigendom is verpachten we die meestal. We kunnen in pachtcontracten voorwaarden opnemen die gunstig zijn voor flora en fauna. Beheer en onderhoud van watergangen Ook bij het onderhoud van watergangen en oevers houden we rekening met planten en dieren. Het beleid daarvoor is vastgelegd in ons Beheer en Onderhoudsplan (BOP) 2.0. Voor het onderhoud van hoofdwatergangen zijn we zelf verantwoordelijk. Voor schouwsloten stellen we voorwaarden voor onderhoud door de aanliggende eigenaren. In het BOP werken we met drie ambitieniveaus voor de mate waarin we rekening (kunnen) houden met flora en fauna: laag, basis en hoog. Bij hoofdwatergangen met ambitieniveaus basis en hoog zorgen we ervoor dat altijd leefgebied overblijft, ook in de winter. Daarmee geven we invulling aan de habitatbenadering uit de gedragscode soortenbescherming. Als de habitatbenadering niet mogelijk is moeten extra maatregelen genomen worden om beschermde soorten te ontzien. We proberen de toepassing van de habitatbenadering uit te breiden waar mogelijk. Dat is ook positief voor de waterkwaliteitsdoelstellingen. Inmiddels hebben we ruim 450 km aan watergangen natuurvriendelijk ingericht en ruim 250 ha in meren en plassen (bron: tussentijdse maatregelenevalutie krw). Een manier om de impact van het onderhoud van hoofdwatergangen op flora en fauna te verkleinen is het gefaseerd te doen. Faseren kan in de ruimte plaatsvinden (lengte of breedte) en/of in de tijd. Bij fasering in de ruimte wordt een deel van de planten ongemoeid gelaten om later aangepakt te worden (bij fasering in de ruimte is dus altijd ook sprake van fasering in tijd). Het gedifferentieerde hekkelonderhoud dat we toepassen kan worden gezien als fasering. Beheer en onderhoud terreinen Als Wetterskip bezitten we terreinen rondom rioolwaterzuiveringen, gemalen en overige terreinen. Voortvloeiend uit ons Ambysjedocument Bioferskaat en de gedragscode beheer en onderhoud houden we ook op die terreinen rekening met flora en fauna. We bezitten 27 rioolwaterzuiveringen. We bemesten die terreinen niet en passen ook geen gewasbeschermingsmiddelen toe. Op een aantal terreinen experimenteren we met extensief beheer. We gaan in beeld brengen wat extra mogelijkheden voor extensiever beheer en inrichting zijn en passen die waar mogelijk en zinvol toe. Denk aan zaken als het toepassen van inheemse kruidenrijke mengsels, planten van inheemse struiken, broedhopen, nestkasten plaatsen et cetera. Voor de (kleinere) terreinen rondom gemalen hanteren we hetzelfde beleid als bij de rioolwaterzuiveringen. We hebben ook terreinen buiten waterkeringen, gemalen of zuiveringen in eigendom, met een soms hoge natuurwaarde. Op die terreinen liggen extra kansen voor biodiversiteit. Bij wijze van pilot zijn sommige overige terreinen ingezaaid met kruidenrijke mengsels. We bemesten ook deze terreinen niet en passen geen bestrijdingsmiddelen toe. Om de omstandigheden voor weidevogels te verbeteren hebben we beleid om boeren de mogelijkheid te geven weilanden plasdras te zetten. Stroomschema rekening houden met f en f in beheer en onderhoud Ecologisch medegebruik In veel gevallen is het mogelijk onze bezittingen ook open te stellen voor andere vormen van gebruik. Ook ‘ecologisch medegebruik’ is mogelijk en vindt soms al plaats. Eigenaren van regionale en lokale waterkeringen komen steeds vaker met verzoeken tot inzaaien met een kruidenrijk mengsel en het toestaan van extensief beheer. We gaven in het coalitieakkoord al aan ruimte te willen bieden aan initiatieven van derden gericht op het versterken van biodiversiteit en bereid te zijn regels die dat in de weg staan te heroverwegen. We staan dan ook open voor medegebruik van onze keringen en terreinen ten behoeve van flora en fauna, waarbij we voor primaire keringen wel terughoudend zijn. Vanzelfsprekend moet dat gebruik niet strijdig zijn met onze opgaven. Ook mag medegebruik niet leiden tot extra kosten. We gaan na of en hoe we mogelijkheden voor medegebruik door flora en fauna standaard onderdeel kunnen laten zijn in bestekken bij nieuwbouw en renovatie. Denk aan voorzieningen voor vleermuizen, insecten en vogels (nestkasten, insectenhotels), maar ook meer diverse inrichtingen (bomen, struiken, groene daken) op terreinen. Bijenkasten op onze terreinen staan we overigens niet toe, omdat die een negatief effect hebben op de wilde bijen die daar van nature voorkomen. Kans: Bomen Bomen zijn belangrijk voor klimaat en biodiversiteit en dragen bij aan een divers en gewaardeerd landschap. We hebben in het verleden, ook vanwege de inpassing, op rwzi-terreinen al bomen geplant en zien ook kansen op andere terreinen. We zijn terughoudend met het planten van bomen op waterkeringen (zeker primaire) maar willen onderzoeken of het planten hiervan op andere locaties hier en daar mogelijk is. Dit mede als ondersteuning van recreatie en groenblauwe dooradering. Als vanwege weidevogels of andere overwegingen (bijvoorbeeld plaatsing van zonnepanelen) wordt voorgesteld bomen te kappen maken we de integrale afweging of dit nodig is en de voordelen van kap opwegen tegen de nadelen. We gaan hiervoor een praktisch kader opstellen. Kansen pakken bij projecten Als Wetterskip voeren we jaarlijks een of meer grotere projecten uit. Denk bijvoorbeeld aan de bouw van een gemaal of dijkverbetering. Daar liggen kansen om fundamenteel, vanaf het begin, aandacht te besteden aan kansen voor flora en fauna. Een voorbeeld hiervan is het dijkverbeteringsproject Koehool - Lauwersmeer. In de uitwerking daarvan wordt biodiversiteit als nevendoel meegenomen. De kennis die dat oplevert over hoe we dijken zo kunnen aanleggen en beheren dat kansen voor flora en fauna benut worden zetten we in de toekomst in voor andere dijkverbeteringstrajecten. In kleinere projecten of bij herinrichting wordt ook regelmatig iets extra’s of iets op een andere manier gedaan, zodat flora en fauna gestimuleerd worden. Ook sorteren we bij projecten voor op later onderhoud: de aanleg van regionale- en lokale waterkeringen moet zo plaatsvinden dat er natuurvriendelijk en gedifferentieerd onderhoud kan plaatsvinden. We nemen, in lijn met het Ambysjedocument Bioferskaat, voor nieuwe investeringsprojecten verbetering van de biodiversiteit als nevendoelstelling op in projectopdrachten. Daarbij geldt wel dat dit niet strijdig mag zijn met de projectdoelstellingen en ook financieel inpasbaar moet zijn. 7. Dierenwelzijn: meer aandacht en de verschuiving naar preventie Dierenwelzijn speelt de afgelopen jaren een steeds grotere rol in onze omgang met flora en fauna in Fryslân. We nemen steeds meer preventieve en diervriendelijke maatregelen. Wel blijft de wateropgave altijd leidend en dan is soms enige aantasting van dierenwelzijn niet te voorkomen. We kunnen dierenwelzijn bevorderen via diverse routes. Als we flora en fauna gebruiken om ons te helpen bij onze taken leidt dat vaak tot omstandigheden die prettiger zijn voor dieren dan de ‘klassieke’ methoden. In de natuurvriendelijke oevers die we aanleggen zitten 50% meer soorten waterdieren dan in steile oevers (bron: Floron & Ravon 2022). Ook hebben we al grote stappen gemaakt in de manier waarop we ons beheer en onderhoud uitvoeren, soms ook als gevolg van aangescherpte wettelijke verplichtingen. Hoe we omgaan met vissen is een mooi voorbeeld van hoe we rekening houden met dierenwelzijn. We maken stuwen passeerbaar voor vissen en maken gemalen visveilig. We hebben ruim 125 vismigratieknelpunten opgelost (bron: KRWevaluatie (2024)). Als een watergang droog moet worden gezet voor werkzaamheden (of bij calamiteiten) worden vissen tegenwoordig altijd overgezet (en niet doodgemaakt voor bijvoorbeeld diervoeder, als voorheen). Vismonitoring doen we onder geschikte weersomstandigheden, bij onderhoud laten we hekkelmateriaal liggen zodat dieren terug kunnen komen naar de sloot. Maar misschien de grootste winst in dierenwelzijn is te boeken in onze omgang met soorten die een bedreiging vormen voor onze taakuitoefening. Waar vroeger bij de niet-beschermde soorten bestrijden vaak het uitgangspunt was, proberen we nu zoveel mogelijk preventief te werken. Dat gebeurt vooral door de omstandigheden voor vestiging zo ongunstig mogelijk te maken. Dat kan door technische maatregelen maar ook met natuurlijke oplossingen. Gezonde ecosystemen, bijvoorbeeld gestimuleerd via natuurvriendelijke oevers, maken ons beheergebied minder aantrekkelijk voor de vestiging van invasieve exoten als bijvoorbeeld de invasieve rivierkreeft. Een relatief goedkoop onderdeel van preventie is de hygiëne waarmee we werken. We kennen twee werkprotocollen voor hygiënisch werken, voor water- en voor grondgebonden invasieve exoten. Als we de bestrijding uitbesteden (dat is meestal het geval) nemen we hygiënemaatregelen mee in opdracht. Werken volgens de hygiëneprotocollen helpt ook tegen invasieve plantensoorten als de Grote Waternavel. Bij beschermde diersoorten is preventie nog meer het uitgangspunt dan bij andere plaagsoorten. De schade van bevers, als voorbeeld, is te beperken door ruimte tussen de dijk en het water zelf te scheppen of vluchtheuvels (drijvende waterburchten) te bieden. Gebruik van graafwerend materiaal bij keringen of inzet van hoogwaterburchten zijn ook preventieve oplossingen. Alleen in extreme gevallen kunnen beschermde soorten worden bestreden, als er geen andere oplossing is en ze een gevaar voor de waterveiligheid vormen. De provincie moet in dat geval een ontheffing verlenen. Muskusrat Dierenwelzijn en de muskusrat We zijn al sinds 2009 bezig met uitfasering van de verdrinkingskooi voor muskusratten, waardoor het aantal verdrinkingsvallen is gedaald van 14.000 naar iets meer dan 200. De resterende kooien zijn aangepast om bijvangst te voorkomen. Ze hebben een grotere maaswijdte, waardoor vissen makkelijker uit de kooi kunnen zwemmen en een otterring in de opening zorg ervoor dat een volwassen otter de kooi niet in kan. De klemmen hebben de slagkracht om meteen te doden en niet te verwonden. Ook is het speuren naar muskusratten met eDNA monitoring een goed alternatief gebleken om met minder verdrinkingsvallen herkolonisatie te voorkomen. We kunnen niet helemaal zonder de kooien. Om instroom uit andere gebieden te beperken en nieuwe vestiging te signaleren staan de kooien op strategische plekken. En we blijven ontwikkelen. Hoewel preventie altijd onze eerste invalshoek zal zijn is het geen wondermiddel. Gezonde ecosystemen bieden meer weerstand aan invasieve exoten, maar kunnen er ook door kapot gemaakt worden. Soms zal bestrijden nodig blijven, als preventie onvoldoende helpt of om negatieve effecten op het ecosysteem te vermijden. Als zich toch kleine, nieuwe populaties hebben gevestigd proberen we die meteen geheel weg te vangen. Dat voorkomt uitgebreidere maatregelen en veel meer dierenleed later. Als plaagsoorten zich al grootschaliger hebben gevestigd is van belang de beschikbare voeding, beschutting en dergelijke zo beperkt mogelijk te houden. Als laatste redmiddel, als preventie en beheersen onvoldoende helpen en onze taken echt geschaad dreigen te worden, zullen we soms ook moeten bestrijden. Maar dat doen we dan ook zo diervriendelijk en natuurlijk mogelijk. We blijven verdere stappen zetten naar meer preventie en diervriendelijke maatregelen. We doen daar ook actief onderzoek naar. We wisselen best practices uit met andere waterschappen en stemmen met de Unie van Waterschappen af over diervriendelijke methoden. Binnen de Unie is een aantal waterschappen bezig met het opstellen van een gezamenlijke nota dierenwelzijn. Wij zullen die gebruiken. Ook komende jaren blijven we stappen zetten op het gebied van dierenwelzijn. We maken hierbij gebruik van de aanstaande nota dierenwelzijn van onze collega waterschappen. Kans: weidevogels Weidevogelbeleid is provinciaal beleid. Voor goede leefomstandigheden voor weidevogels is vaak een hogere grondwaterstand nodig en dus een hoger waterpeil gedurende het weidevogelseizoen. In haar nota weidevogels 2021-2030 heeft de provincie Fryslân onder meer vastgelegd dat we als Wetterskip actief moeten bijdragen aan weidevogelbescherming en daarvoor zo nodig en waar mogelijk meewerken aan (tijdelijke) verhoging van waterpeilen en aanleg van plas-dras. Vanwege het belang dat we ook zelf aan biodiversiteit hechten hebben we in onze Nota peilbeleid aangegeven hier als waterschap aan mee te werken. We geven dan een watervergunning af voor het verhogen van het waterpeil gedurende het weidevogelseizoen. Voorwaarden zijn wel dat er geen negatief effect mag zijn op overige belangen, de benodigde waterhuishoudkundige werken voor rekening van de initiatiefnemer zijn en na aflopen van de vergunning worden verwijderd en dat de oorspronkelijke waterhuishoudkundige situatie wordt hersteld. Voor een permanent weidevogelgebied wordt de peilbesluitprocedure gevolgd.Soms kunnen andere doelen voor flora en fauna botsen met het welzijn van weidevogels. Zo kan de aanleg of het onderhoud van natuurvriendelijke oevers tot problemen leiden met weidevogelbeheer. Brede (verruigde) rietzones bieden namelijk ook schuilgelegenheid voor roofdieren en nestplaatsen voor kiekendieven. In het Regionaal Waterprogramma is vastgelegd dat waar er problemen ontstaan tussen KRW-doelen en andere beleidsterreinen, de provincie als bevoegd gezag een keuze moet maken. Soms helpen die andere doelen juist: bij natuurvriendelijke oevers is het wel makkelijker voor weidevogelkuikens om uit de sloot te komen. Samen met het Olterterpoverleg (overleg van alle partijen die in Fryslân te maken hebben met bescherming van weidevogels) stemmen we af hoe doelen van het Wetterskip en doelen met betrekking tot weidevogelbeheer beter op elkaar aan kunnen sluiten. Grutto 8. Monitoring De monitoring van flora en fauna ligt ten dele bij andere organisaties en overheden. Veel informatie wordt verzameld in de Nederlandse Database Flora en Fauna en via diverse meetnetten. Sinds kort heeft de provincie Fryslân een eigen dashboard waarop allerlei informatie over biodiversiteit wordt gepresenteerd. Er zijn twee terreinen ten aanzien van flora en fauna waarvoor monitoring voor waterschappen van cruciaal belang is. De eerste daarvan is het meten of we onze waterkwaliteitsdoelen onder de KRW halen. Als waterschappen nemen we gezamenlijk deel in het Raamwerk monitoring biodiversiteit. Het raamwerk helpt prestatie-indicatoren vast te stellen, biodiversiteit in kaart te brengen en beleid en maatregelen meetbaar te maken. Doordat het raamwerk zich richt op biodiversiteit, brengt het ook de stand van zaken met betrekking tot de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in beeld. In december 2024 is een nieuwe versie van het raamwerk gepubliceerd. Het tweede terrein waarop monitoring van groot belang is, is dat van de plaagsoorten. Dat is zo om minimaal drie redenen: •Om tijdig nieuwe (locaties van) plaagsoorten te signaleren: hoe eerder we plaagsoorten kunnen bestrijden, hoe makkelijker en goedkoper dat is. Het is daarom van groot belang als plaagsoorten zich op nieuwe locaties vestigen, of zelfs geheel nieuw in Fryslân zijn, dat zo snel mogelijk te kunnen vaststellen: de eerste waarneming. Dit betekent dat ook gebieden waar een soort nog niet voorkomt gemonitord moeten worden, om tijdig vast te kunnen stellen of de soort zich er vestigt en eventueel meteen met bestrijding te beginnen.•Om de ontwikkeling te volgen: door te monitoren hoe en waar plaagsoorten zich ontwikkelen, kunnen we de ontwikkeling beheersen: meerjarige monitoring. Ook na het nemen van maatregelen moet gemonitord worden om na te gaan of de soort terugkomt. Dan houden we de vinger aan de pols over in hoeverre (opnieuw) bestrijding nodig is.•Om te prioriteren: plaagsoorten bestrijden vergt veel van onze schaarse middelen. Door te monitoren waar ingrijpen het meest nodig is en/of het meest effectief kan zijn kunnen we die middelen zo nuttig mogelijk inzetten. De monitoring van plaagsoorten is per definitie onvolledig, omdat nieuwe soorten opduiken en bestaande zich verspreiden. Het is daarom van belang met grote regelmaat onze monitoring te herijken en na te gaan welke nieuwe soorten en locaties ook of meer gemonitord moeten worden. Maar ook waar de ontwikkeling zo onder controle is dat de monitoring kan worden afgeschaald. Naast de ‘algemene’ monitoring houden we het effect van onze inspanningen op specifieke locaties bij. We rapporteren op hoofdlijnen in bestuurlijke rapportages over de stand van zaken van de bestrijding van plaagsoorten. De effecten van nieuwe manieren van werken houden we niet via monitoring bij maar via specifiek onderzoek. Ook volgen we landelijke onderzoeken op dit terrein. 9. Belanghebbenden en partners Ons werk als Wetterskip houdt in dat we veel met andere partijen te maken hebben, elkaar beïnvloeden en soms van elkaar afhankelijk zijn. Ons watersysteem grenst aan en gaat door land van anderen. Wat daar gebeurt beïnvloedt ons, wat wij doen beïnvloedt anderen. Dat is voor flora en fauna zeker het geval. Plaagsoorten als reuzenberenklauw of rivierkreeft houden zich niet aan juridische grenzen. De manier waarop onze pachters zich gedragen beïnvloedt onze waterkeringen, de planten op onze terreinen kunnen zich verspreiden naar die van de buurman. Zowel preventie als bestrijding hebben alleen echt zin als dat gezamenlijk gebeurt en we van elkaar leren. Die andere partijen kunnen regels stellen, onze (mogelijke) samenwerkingspartners zijn, of hebben door hun gedrag effect op flora en fauna en daardoor weer indirect op onze opgaven. De belangen van externe partijen kunnen gelijk aan ons, maar ook tegengesteld zijn. Ook in het laatste geval is overleg en samenwerking vaak de meest effectieve remedie. Exotenbestrijding is met name een terrein waar sinds enkele jaren de contacten met provincie, gemeenten en terreinbeherende organisaties worden versterkt, om zo te komen tot een meer collectieve aanpak. Zo is recent het CIEF ontstaan (Collectief Invasieve Exoten Fryslân). Dat is een samenwerkingsverband dat helpt bij vergroten van bewustwording en actie met hulp van een signaleringsapp. De belangrijkste partners als het om flora en fauna gaat zijn: Het Rijk: het Rijk vertaalt Europese wetgeving door in landelijke en formuleert eigen landelijke wetgeving. Ook is het Rijk terreinbeheerder van veel terreinen die aan de onze grenzen, bepaalt deels de financiële middelen die andere overheden ter beschikking hebben en kan zelf al dan niet eigen middelen inzetten. De provincies: de provincies Fryslân en Groningen zijn de partijen die voor ons beheergebied wel zelfstandig beleid formuleren voor flora en fauna, waar wij in deze nota en de uitvoering rekening mee moeten houden. Ook zijn ze vaak (potentiële) samenwerkingspartners in bijvoorbeeld de bestrijding van plaagsoorten of gebiedsprocessen. Gemeenten: gemeenten kennen hun eigen beleid waar flora en fauna soms ook een rol in spelen, met name in de gemeentelijke omgevingsvisie. Daarnaast zullen activiteiten die we ontplooien ten aanzien van flora en fauna altijd in concrete gemeenten plaatsvinden en daarmee soms afstemming vereisen. Soms zijn ze ook eigenaren van regionale of lokale keringen. Terreinbeherende organisaties/natuurorganisaties: organisaties als Staatsbosbeheer, Fryske Gea en Natuurmonumenten zijn gericht op bescherming van flora en fauna op hun terrein. Omdat flora en fauna zich niet laten tegenhouden door formele gebiedsgrenzen zijn deze partijen (deels) afhankelijk van ons en omgekeerd beïnvloeden hun handelingen ons. Grondeigenaren: voor overige grondeigenaren geldt grosso modo hetzelfde als voor de terreinbeherende organisaties Visserij: de visserij is een partij die voor haar visvangst mede afhankelijk is van de ecologische toestand van ook onze wateren. De visserij speelt ook een rol speelt in het bestrijden (wegvissen) van plaagsoorten. We werken samen in de visstandsbeheercommissie. Toerisme- en recreatiesector: de toerisme- en recreatiesector is belanghebbende bij een zo aantrekkelijk mogelijk geheel van flora en fauna in Fryslân. Daarnaast oefent de sector door haar eigen gedrag ook invloed uit op die flora en fauna. Landbouw: de landbouw is waarschijnlijk de partij die het meest direct iets merkt van welke beleidswijziging dan ook bij ons als Wetterskip. Dit is ook bij beleid voor flora en fauna het geval. Inwoners: inwoners hebben belang bij flora en fauna en merken de effecten ervan op hun omgeving. Maar door hun gedrag beïnvloeden ze soms ook het voorkomen of de bestrijding van bijvoorbeeld plaagsoorten en kunnen zelf ook helpen. Vaak ligt de eerste verantwoordelijkheid voor het aangaan van samenwerking bij anderen (voor plaagsoorten bijvoorbeeld bij het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de provincies). Maar waar dat meerwaarde lijkt te bieden zoeken we ook zelf samenwerking. Een groot deel van deze nota bestaat uit het bijeenbrengen, combineren en actualiseren van bestaand beleid. Over dat bestaande beleid heeft meestal al participatie plaatsgevonden. Daarnaast stemmen we in de dagelijkse praktijk, bij de daadwerkelijke uitvoering doorlopend af met partners, ook over veel van de inhoud in deze nota. Verder zullen de concrete effecten voor de buitenwereld vooral gestalte krijgen in uitvoeringsnotities en dergelijke onder deze nota. Daarom hebben we voor deze nota beperkte participatie toegepast. In een rondje langs externe en interne partijen hebben we reflectie gevraagd op de conceptteksten, maar ook om eventuele kansen aan te reiken. We hebben hun feedback verwerkt, waar het ging om kansen in aparte ‘kansenkaders’. Bij de totstandkoming van de uitwerking zullen we stakeholders en onze partners uitgebreider consulteren. 10. Hoe verder? De dagelijkse uitvoering van de principes, uitgangspunten en regels in deze nota moet plaatsvinden via programma’s, uitvoeringsplannen, beheer- en bestrijdingsplannen, protocollen, de waterschapsverordening en dergelijke. Na vaststelling van deze nota zullen een aantal meer uitvoeringsgerichte stukken die verouderd zijn bij de tijd gebracht worden. We gaan bijvoorbeeld een nieuw Beheer- en Onderhoudsplan maken, dat in 2027 gereed moet zijn. Daarnaast zullen een aantal gaten in de meer praktische stukken gedicht worden. De provincie Fryslân is bezig met een beverbeleidsplan waarin wij als Wetterskip meedenken. Zelf hebben we recent de kwetsbaarheid van onze keringen voor gravende dieren in kaart gebracht. De combinatie van beide gebruiken we om samen met Faunabeheereenheid Fryslân een Faunabeheerplan bever te schrijven. Op grond daarvan kan Faunabeheereenheid Fryslân een ontheffing krijgen om in te grijpen bij beveractiviteiten die schadelijk zijn voor onze opgaven. Dat zal gebeuren aan de hand van een werkprotocol met escalatieladder. Het faunabeheerplan bever zal in 2026 aan het Algemeen Bestuur worden voorgelegd. Verwant aan de inhoud van deze nota is het nieuwe waterkwaliteitsbeleid, dat begin 2027 aan het Algemeen Bestuur zal worden gepresenteerd. Ook komt er in 2026 een nieuw beheerplan exoten. Ten slotte komt er een vervolg op de pilot rivierkreeften, waarover het AB eind 2025 is geïnformeerd. Financiën en capaciteit In deze nota wordt vooral bestaand beleid bij elkaar gebracht. De nota zelf heeft dan ook geen directe financiële gevolgen. Het op basis van onder meer de nota aanpassen van uitvoeringsstukken en nieuw te schrijven uitvoeringsbeleid kan wel financiële gevolgen hebben, zoals beverbeleid. Dit beleid zal dan te zijner tijd uiteraard aan u voorgelegd worden, met eventuele bijbehorende financiële consequenties. Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur d.d. 10 februari 2026, L.M.B.C. Kroon Dijkgraaf J.H.M. de Ruig Secretaris-directeur Bijlage 1: Definities Biodiversiteit: de verscheidenheid aan leven op aarde, een samenvoeging van de woorden 'biologisch' en 'diversiteit'. Het omvat de variatie binnen soorten (genetische diversiteit), de variatie tussen verschillende soorten (soortenrijkdom) en de variatie tussen de verschillende ecosystemen, zoals moerassen en bossen. Kortom, het gaat om al het leven: van planten, dieren en schimmels tot bacteriën. Flora en fauna: een verzamelbegrip voor alle planten (flora) en dieren (fauna) die in een bepaald gebied of een bepaalde tijd voorkomen. De term "flora" verwijst naar het plantenrijk en "fauna" naar het dierenrijk. Natuur: de gehele werkelijkheid die niet door de mens is gemaakt, inclusief levende organismen (zoals planten en dieren) en niet-levende elementen (zoals geologie, weersystemen en sterrenstelsels). Bijlage 2: Voor Fryslân relevante plaagsoorten Tabel invoegen Soort Exoot Probleem voor opgave(n) Muskusrat Ja Veilig Beverrat Ja Veilig Bruine rat Nee Veilig Konijn Nee Veilig Mol Nee Veilig Muizen Nee Veilig Das Nee Veilig Vos Nee Veilig Bever Nee Veilig Uitheemse rivierkreeften Ja Veilig, Schoon Grote waternavel Ja Voldoende, Schoon Waterteunisbloem Ja Voldoende, Schoon Watercrassula Ja Voldoende, Schoon Parelvederkruid Ja Voldoende, Schoon Waterwaaier Ja Voldoende, Schoon Aziatische duizendknopen Ja Schoon Reuzenberenklauw Ja Schoon Jacobskruiskruid Nee Goede buur Akkerdistel en speerdistel Nee Goede buur

Categorie: Mededelingen

De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Meer meldingen zoals "Nota Flora & Fauna"

Mededelingen

Mededelingen

Nota Flora & Fauna

Omgeving

Omgeving

Besluit op aanvraag omgevingsvergunning voor het kappen en herplanten van bomen op locatie in de Gemeente Noardeast Fryslân

Mededelingen

Mededelingen

Schadevergoedingsregeling waterstaatswerken Wetterskip Fryslân (onderhoud, aanleg en wijziging)

Omgeving

Omgeving

Gemeente Achtkarspelen - verleende omgevingsvergunning, het rooien van een sneeuwbal, afzetten/snoeien van een wilg, het verplanten van Japanse kornoelje, Stationsstraat 18, Buitenpost (kadastraal bekend als BPT00, A, 5658)

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân van 25 augustus tot bekendmaking van verlenging tijdvak subsidieplafonds voor de Subsidieregeling Provinciale plus lokale aanpak isolatie

APV

APV

Subsidieregeling Provinciale plus lokale aanpak isolatie

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân van 25 augustus 2026 tot gewijzigde vaststelling van het Besluit subsidieplafond Subsidieregeling Provinciale plus lokale aanpak isolatie (gemeente Leeuwarden) houdende regels omtrent verlenging...

Omgeving

Omgeving

Gemeente Achtkarspelen - geweigerde omgevingsvergunning, het plaatsen van gevelreclame, Ried 9, Buitenpost

Omgeving

Omgeving

Gemeente Achtkarspelen - verleende omgevingsvergunning, het aanleggen van een uitrit, Kuipersweg 56, Buitenpost

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking vergadering van de commissie SKZ (Systeembeheer, Kwaliteit en Zuiveringen) Wetterskip Fryslân te houden op 8 september 2026

Mededelingen

Mededelingen

Bekendmaking vergadering van de commissie DSF (Dijken, Steden en Financiën) Wetterskip Fryslân te houden op 7 september 2026

Omgeving

Omgeving

Gemeente Achtkarspelen - ontvangst omgevingsvergunning, het aanleggen van een uitrit, Kuipersweg 56, Buitenpost