Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-10-29

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Waterschap Hoogheemraadschap van Rijnland

Informatie

Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026 Bekendmaking De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 7 oktober 2026 de Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026 vastgesteld. Deze verordening vervangt de Inspraakverordening Rijnland 2012. Besluit De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland; gelezen het voorstel van dijkgraaf en hoogheemraden van 1 september 2026, kenmerk 26.069680; gelet op de artikelen 78 en 79 van de Waterschapswet, de artikelen 2.5, 3.4 en 5.47 van de Omgevingswet en de artikelen 5.3, 10.3a en 10.8 van het Omgevingsbesluit; gezien het advies van de commissie Bestuur, Organisatie en Dienstverlening; besluit vast te stellen de volgende verordening: Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026 Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder: •beleid: gedragslijn, project, programma of plan van het Hoogheemraadschap van Rijnland om een bepaald doel te realiseren; •bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, voor deze verordening: de verenigde vergadering of dijkgraaf en hoogheemraden, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak; •college: dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland; •Hoogheemraadschap: het Hoogheemraadschap van Rijnland; •ingezetene: ieder die met een adres in het beheergebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland is ingeschreven in de basisregistratie personen; •inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan ingezetenen en belanghebbenden biedt om hun mening te geven als bedoeld in artikel 79, tweede lid, van de Waterschapswet; •maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités en andere organisaties; •participatie: op initiatief van het Hoogheemraadschap van Rijnland betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid; •uitdaagrecht: het recht van ingezetenen en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een taak van het Hoogheemraadschap van Rijnland over te nemen als bedoeld in artikel 79, derde lid, van de Waterschapswet; •verenigde vergadering: de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Artikel 2. Reikwijdte 1.Het college besluit of participatie plaatsvindt. Het bestuursorgaan, zoals bepaald in artikel 7, besluit op een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht. 2.Bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de waterschapsverordening als bedoeld in artikel 2.5 van de Omgevingswet; een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet of een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet, wordt zoveel mogelijk deze verordening toegepast. Daarbij neemt het college de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.3a en 10.8 van het Omgevingsbesluit en de voorschriften voor projectbesluiten als bedoeld in artikel 5.47, vierde lid, van de Omgevingswet en artikel 5.3 van het Omgevingsbesluit in acht. 3.Er vindt geen participatie of toepassing van het uitdaagrecht plaats als: a.participatie of toepassing van het uitdaagrecht bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is; b.de uitkomst van de participatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht; c.sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d.het om interne aangelegenheden van het Hoogheemraadschap gaat; e.het om de begroting, de tarieven voor dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XVI van de Waterschapswet gaat. Hoofdstuk 2 - Participatie Artikel 3. Plan voor participatie 1.Het college kan voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, aan de hand van het door de verenigde vergadering vastgestelde Participatiebeleid Hoogheemraadschap van Rijnland, een plan met het proces en de planning van de participatie opstellen en dit kenbaar maken aan de belanghebbenden. 2.Het plan bevat in elk geval: a.een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt; b.informatie over het doel, het proces en de planning van de participatie; en c.informatie over de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid. Artikel 4. Inspraak Als het college in het kader van de participatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het college een ander proces vaststelt. Artikel 5. Verslaglegging participatie 1.Als het college aan de verenigde vergadering een voorstel doet tot vaststelling van een besluit of beleidsvoornemen waarbij participatie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, is toegepast, dan doet het college in het voorstel verslag van de uitgevoerde participatie. 2.De verslaglegging bevat in elk geval: a.een beschrijving van het proces dat is gevolgd; b.de uitkomsten van het proces en de argumenten die naar voren zijn gebracht; c.een onderbouwde reactie op die uitkomsten en argumenten waarbij is aangegeven of en hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; en d.een evaluatie van het proces dat is gevolgd. 3.Aan participanten of inspraakgerechtigden die een inspraakreactie naar voren hebben gebracht, wordt in beginsel door toezending van een exemplaar van het vastgestelde beleidsvoornemen dan wel het besluit mededeling gedaan van de beslissing van de verenigde vergadering. Het college kan ook kiezen voor openbaarmaking op een andere geschikte wijze. Hoofdstuk 3 - Uitdaagrecht Artikel 6. Verzoek toepassing uitdaagrecht 1.Ingezetenen en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om toepassing van het uitdaagrecht indienen. 2.Het verzoek bevat een omschrijving van de taak die de indiener voor ogen heeft, de reden dat de indiener het verzoek indient en het resultaat dat de indiener beoogt. 3.De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan: a.wat de betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak is; b.welke kosten of middelen er volgens de indiener aan de uitvoering van de taak verbonden zijn; c.hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen; en d.de tijdsplanning van de activiteit. 4.Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen. Artikel 7. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht 1.Het college zendt een ingediend verzoek door aan de verenigde vergadering om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover. 2.In uitzondering op het eerste lid kan het college besluiten op het verzoek als de kosten die aan de uitvoering van de taak van het betreffende verzoek verbonden zijn niet hoger zijn dan € 25.000,- per jaar. 3.Tevens kan het college in uitzondering op het eerste lid besluiten het verzoek niet te behandelen indien niet is voldaan aan de eisen in artikel 6, tweede en derde lid. 4.Onverminderd artikel 2, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als: a.het verzoek betrekking heeft op het functioneren of het onderhoud van: i.primaire en regionale keringen; ii.boezem- en poldergemalen of iii.zuiveringstechnische werken; b.het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet; c.het verzoek in strijd is met door het Hoogheemraadschap vastgesteld beleid. 5.Het bestuursorgaan kan een verzoek afwijzen als: a.het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn; b.als de opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt. 6.Het bestuursorgaan reageert binnen acht weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met acht weken verdagen. Artikel 8. Uitvoering taak Als het bestuursorgaan het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over: a.het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak; b.het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak; c.het contact met het bestuursorgaan gedurende de uitvoering van de taak; d.de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak; e.de ontbindende voorwaarden; en f.de evaluatie van de uitvoering van de taak. Hoofdstuk 4 - Slotbepalingen Artikel 9. Participatieparagraaf 1.Het college neemt elk jaar in de ontwerp-begroting een paragraaf participatie op waarin het specifieke participatietrajecten die komend jaar gaan lopen onder de aandacht kan brengen. 2.Het college neemt elk jaar een paragraaf in het ontwerp-jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening. Artikel 10. Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt. Artikel 11. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Inspraakverordening Rijnland 2012 wordt ingetrokken. 2.De Inspraakverordening Rijnland 2012 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel 12. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026. Leiden, 7 oktober 2026De verenigde vergaderingR.A.M. van der Sande, dijkgraafM. Middendorp, secretaris TOELICHTING Algemeen deel Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, provincies en waterschappen, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners of ingezetenen hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar overheden voor staan, van belang ingezetenen vroegtijdig en zorgvuldig te betrekken bij vraagstukken. Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen, ook voor waterschappen. Waterschappen moeten ingezetenen op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 79, eerste lid, van de Waterschapswet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor waterschappen is om ingezetenen bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. Inspraak is een vorm van participatie, maar er zijn daarnaast vele andere participatiemogelijkheden. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat waterschappen hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn. Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 79, derde lid, van de Waterschapswet volgt dat waterschappen in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop waterschappen ingezetenen bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van hun beleid betrekken, maar aan ingezetenen en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat waterschappen in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder ingezetenen en maatschappelijke partijen taken van het waterschap kunnen uitvoeren. Overigens is het feitelijk overnemen van waterschapstaken in de praktijk slechts beperkt mogelijk. Dit omdat de waterschappen alleen medebewindstaken hebben. Invulling Participatieverordening In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie overheden precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn overheden ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan het waterschap om een afweging te maken hoe het de participatieverordening precies in wil vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen het waterschap, en onder de ingezetenen, ten aanzien van participatie zijn. Daarnaast zal een waterschap echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt. Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een waterschap aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de ingezetenen en de maatschappelijke partijen van een waterschap hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van ingezetenen en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en het waterschap in het bijzonder. Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de ingezetenen, organisaties en andere belanghebbenden binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het beleid. In deze verordening zijn daartoe de kaders voor participatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop ingezetenen, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van het Hoogheemraadschap bij het beleidsproces worden betrokken. Verder biedt de verordening ruimte aan het uitdaagrecht. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder het Hoogheemraadschap het uitdaagrecht toepast en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe. Naast deze verordening bestaat er het Participatiebeleid Hoogheemraadschap van Rijnland waarin de visie en de beleidskaders staan voor participatie. Ook wordt daarin de rol van het bestuur in participatietrajecten toegelicht. En er wordt ingegaan op de wijze waarop Rijnland omgaat met het uitdaagrecht, waarmee bewoners of maatschappelijke organisaties overheidstaken kunnen overnemen als ze denken die beter, efficiënter of goedkoper te kunnen uitvoeren. Invulling uitdaagrecht Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval de aard van de medebewindstaak zoals opgedragen aan het waterschap, het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht. Anders dan een gemeente of provincie heeft een waterschap geen eigen huishouding, maar slechts op grond van de Waterschapswet bij provinciale verordening opgedragen taken (artikel 133, eerste lid, van de Grondwet en artikel 1, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet). Bij deze zogenoemde medebewindstaken is de taakuitvoering opgelegd in hogere wetgeving. Vanzelfsprekend is overname en het stellen van regels over overname van dergelijke taken alleen mogelijk als de medebewindstaak hiervoor de ruimte laat. Als er sprake is van een gesloten stelsel of als de aard van de medebewindstaak zich verzet tegen uitvoering door anderen, is er geen ruimte voor overname van de taak. Omdat de waterschappen alleen medebewindstaken hebben is het feitelijk overnemen van waterschapstaken in de praktijk slechts beperkt mogelijk, zo staat ook in de memorie van toelichting op de Wet versterking participatie op decentraal niveau. Voorbeelden van het toepassen van het uitdaagrecht bij waterschappen zijn onder andere brugbeheer, ecologisch beheer of de uitvoering van specifieke taken rondom de KRW. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat waterschappen, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een waterschap de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald. Voor de verhouding tussen het aansprakelijkheidsrecht en het uitdaagrecht is van belang dat een waterschap in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het onderhouden van bepaalde waterstaatswerken van een waterschap of het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Als een waterschap een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan het waterschap om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat een waterschap hier in het kader van het uitdaagrecht met de ingezetenen of maatschappelijke partijen afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen? Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de ingezetenen en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat het Hoogheemraadschap met de ingezetenen en maatschappelijke partijen afspraken kan maken over de uitvoering van de waterschapstaak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen. Participatie op grond van andere wetten, zoals de Omgevingswet In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de Participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager. Artikelsgewijs Artikel 1. Definities Beleid Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook projecten, programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd. Daarbij omvat het begrip niet alleen het vaststellen van beleid, maar ook de uitvoering en evaluatie daarvan. Maatschappelijke partijen Op grond van de wet kunnen ook maatschappelijke partijen om toepassing van het uitdaagrecht vragen. In de wet is echter geen definitie van dit begrip opgenomen. Het is dus aan het waterschap om deze groep af te bakenen. In deze verordening is ervoor gekozen de nadruk te leggen op de lokale binding. Onder maatschappelijke partijen vallen organisaties die als doel hebben om een actieve maatschappelijke bijdrage te leveren, ongeacht de rechtsvorm waarin deze zijn georganiseerd. Er kan bij maatschappelijke partijen onder meer worden gedacht aan lokale verenigingen of stichtingen, natuurorganisaties, belangenorganisaties, agrarische gebiedscollectieven en andere collectieven. Participatie In de verordening zijn alle vormen van participatie waarbij het Hoogheemraadschap het initiatief neemt om ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid te betrekken, onder het begrip participatie geschaard. Daarmee gelden voor al die vormen van participatie dezelfde regels. Uitdaagrecht Voor de definitie van uitdaagrecht is aangesloten bij artikel 79, derde lid, van de Waterschapswet. Op grond daarvan kunnen ingezetenen en maatschappelijke partijen een verzoek doen om waterschapstaken over te nemen. Artikel 2. Reikwijdte Uitgangspunt in de verordening is dat het college van dijkgraaf en hoogheemraden besluit over participatie. Of het mogelijk is het uitdaagrecht toe te passen wordt besloten door dijkgraaf en hoogheemraden of de verenigde vergadering, zoals vastgelegd in artikel 7. Dit alles vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie of toepassing van het uitdaagrecht verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de Waterschapsverordening, projectbesluiten en programma’s, ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is (zie de passage over participatie bij omgevingsvergunningen in het algemeen deel van de toelichting), deze verordening leidend is. Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, maar ook als er voor het bestuursorgaan heel weinig ruimte is gelaten om (beleids-)keuzes te maken of als het interne en bestuurlijke aangelegenheden van het Hoogheemraadschap betreft. In die gevallen heeft participatie of toepassing van het uitdaagrecht geen toegevoegde waarde. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie of toepassing van het uitdaagrecht wordt afgezien, dan moet dat worden onderbouwd. Overigens kan het college van dijkgraaf en hoogheemraden de besluitvorming over de toepassing van participatie mandateren aan de ambtelijke organisatie. Dit om efficiëntie, maatwerk en flexibiliteit te behouden in de taakuitvoering van het waterschap. Hoofdstuk 2 – Participatie Dit hoofdstuk heeft alleen betrekking op participatie. Het derde hoofdstuk gaat specifiek op toepassing van het uitdaagrecht in. Artikel 3. Plan voor participatie In dit artikel is geregeld dat het college een plan voor de participatie kan opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie. Benadrukt is dat het plan in lijn moet zijn met het door de verenigde vergadering vastgestelde participatiebeleid. Verder zijn de elementen opgenomen die in ieder geval in het participatieplan moeten staan. Het plan kan in overleg met ingezetenen en maatschappelijke partijen worden opgesteld. De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt. Artikel 4. Inspraak Het college kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hiervan afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen. Een andere inspraakprocedure kan echter alleen worden vastgesteld als dit wettelijk is toegestaan. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om vroegtijdige verkenningen voor beleidsvoornemens of een evaluatie van beleid, waarvoor wettelijk geen inspraak is voorgeschreven. Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Artikel 5. Verslaglegging participatie Op grond van dit artikel doet het college, in haar bestuursbesluit, verslag van het uitgevoerde participatietraject en de uitkomsten daarvan. De verslaglegging is vormvrij, maar in het tweede lid zijn enkele elementen opgesomd die in elk geval moeten worden opgenomen. Het is belangrijk dat in de verslaglegging wordt beschreven hoe participatie heeft plaatsgevonden en wat de resultaten zijn. Dit zodat inzicht in het proces van participatie ontstaat voor belanghebbenden en het bestuursorgaan zelf. Tevens komen mogelijke verbeterpunten aan het licht. Net als in de voorgaande Inspraakverordening wordt aan participanten of inspraakgerechtigden die een inspraakreactie naar voren hebben gebracht, door toezending van het besluit mededeling gedaan van hetgeen is beslist. Maar het college kan nu ook kiezen voor openbaarmaking op een andere geschikte wijze. Het ligt voor de hand om degenen die hebben deelgenomen aan de participatie de verslaglegging toe te sturen. Als dat mogelijk is, kan het verder raadzaam zijn om de deelnemers ook bij het opstellen van het eindverslag te betrekken. Hoofdstuk 3 – Uitdaagrecht Dit hoofdstuk gaat specifiek over de toepassing van het uitdaagrecht. Het tweede hoofdstuk bevat de bepalingen die alleen op participatie zien. Artikel 6. Verzoek om toepassing uitdaagrecht Toepassing van het uitdaagrecht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. In het verzoek moet in ieder geval de uit te voeren taak omschreven worden, de reden waarom de indiener deze taak wil overnemen en het resultaat dat de indiener met het overnemen van de taak wil bereiken. Daarbij wordt ook verwezen naar het Participatiebeleid Hoogheemraadschap van Rijnland, waarin is aangegeven welke specifieke informatie een indiener moet aanleveren met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak. Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat. Artikel 7. Beoordeling verzoek toepassing uitdaagrecht Het college neemt alle verzoeken om toepassing van het uitdaagrecht in ontvangst en zendt deze door aan de verenigde vergadering om erop te besluiten. In uitzondering daarop mag het college besluiten op een uitdaagverzoek wanneer de kosten die aan de uitvoering van de taak van het betreffende uitdaagverzoek niet hoger zijn dan € 25.000,- per jaar. Daarnaast kan het college besluiten op een verzoek wanneer niet is voldaan aan de indieningsvereisten voor een uitdaagverzoek, zoals beschreven in artikel 6. Dan kan het college het verzoek om die reden niet in behandeling nemen. Wanneer het verzoek is doorgestuurd naar de verenigde vergadering, moet die het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door het Hoogheemraadschap vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen. Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek. Overigens gelden lid 4 en lid 5 ook voor uitdaagverzoeken waarop het college bevoegd is te besluiten. In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Artikel 8. Uitvoering taak Als het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan afspraken met de indiener over de uitvoering van de taak en ook welke stappen er volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst. Artikel 9. Participatieparagraaf Het doel van dit artikel is dat de VV jaarlijks wordt geïnformeerd over de toepassing van deze verordening. Vooraf wordt in de begroting vermeld als er participatietrajecten worden voorzien die aandacht van de VV behoeven en in het jaarverslag wordt daarop terug geblikt. Dit biedt de VV de mogelijkheid om te beoordelen of het participatiebeleid toereikend is. Artikel 10. Hardheidsclausule Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijkt. Artikel 11. Intrekking oude verordening en overgangsrecht De voorgaande Inspraakverordening Rijnland 2012 wordt ingetrokken. Dit omdat inspraak ook valt onder deze Participatieverordening. Inspraak kan als vorm van participatie worden ingezet, ook als dat niet wettelijk verplicht is. Daarnaast is inspraak voor veel procedures wettelijk voorgeschreven.

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026"

Omgeving

Omgeving

Ondermandaatbesluit 2026 ten behoeve van Lizet Keijzers — Programmamanager 1 cluster projecten

APV

APV

Mandaat- en Volmachtbesluit Rijnland 2024

Mededelingen

Mededelingen

Participatiebeleid Hoogheemraadschap van Rijnland

APV

APV

Participatieverordening Hoogheemraadschap van Rijnland 2026

Omgeving

Omgeving

Aanvraag vergunning toegekend voor Verkoop van non-alcoholische dranken, ijs en snacks van 1 juni 2027 tot 1 mei 2032, Gemeente Aalsmeer

Omgeving

Omgeving

Aanvraag vergunning voor Bloemen uitdelen aan mantelzorgers op 12 november 2026, Langs het Molenpad/ schuin tegenover Praamplein 4

Mededelingen

Mededelingen

Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van het Integraal Huisvestingsplan onderwijs Aalsmeer 2024-2039

Mededelingen

Mededelingen

Concept-Begroting 2027 Hoogheemraadschap van Rijnland

APV

APV

Uitvoeringsregeling subsidie buurtbusprojecten Noord-Holland 2023

Mededelingen

Mededelingen

Openbare bijeenkomst van de verenigde vergadering van Rijnland

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Kennisgeving voornemen omgevingsplanwijziging Bruidsschat milieu Aalsmeer

APV

APV

Besluit van de raad van de gemeente Aalsmeer tot vaststelling van de Legesverordening Aalsmeer 2026