U&H strategie Milieu Drenthe 2026-2029
Omschrijving
U&H strategie Milieu Drenthe 2026-2029
U&H strategie Milieu Drenthe 2026-2029 1. Inleiding Voor u ligt de uitvoerings- en handhavingsstrategie (hierna: U&H-strategie) milieu 2026-2029 van alle Drentse gemeenten en de provincie Drenthe. Het document is een actualisatie en nadere uitwerking van de U&H-strategie 2022-2026, die in het najaar 2022 door het AB is aangeboden en door alle colleges in 2023 is vastgesteld. De colleges van de gemeenten en provincie zijn verplicht om een U&H-strategie vast te stellen, die voor de regio als geheel uniform is. In voorliggende U&H-strategie milieu hebben de deelnemers van de omgevingsdienst gezamenlijk beschreven hoe invulling wordt gegeven aan de advisering, vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken (VTH-taken) milieu, die gemeenten en provincie hebben overgedragen aan de omgevingsdienst Drenthe (OD Drenthe). Onder het milieu valt ook nadrukkelijk de bodem, reductie van zorgwekkende stoffen en energiebesparing. 1.1 Aanleiding en achtergrond De gemeenten, provincie en OD Drenthe hebben een gemeenschappelijk belang en een gezamenlijke ambitie in het behouden van een duurzame, veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Door prioriteiten, doelen en werkwijzen met elkaar af te spreken, wordt meerjarig naleving van wet- en regelgeving bevorderd en worden risico’s voor de leefomgeving beter beheerst. Met een uniforme manier van taakuitvoering en een gelijke behandeling van ondernemers en inwoners bij de uitvoering van de taken zorgen we voor een gelijk speelveld in het gebied. Met deze strategie leggen de gemeenten, provincie en OD Drenthe hiervoor een basis. Deze strategie geldt voor de taken die door OD Drenthe worden uitgevoerd voor alle gemeenten en provincie. Het betreft de gemandateerde taken die wettelijk verplicht door de gemeenten en provincie bij OD Drenthe zijn ingebracht én overige milieutaken die alle deelnemers van de omgevingsdienst hebben ingebracht. De strategie heeft dus geen betrekking op taken die één of enkele van de deelnemers bij OD Drenthe heeft belegd, zoals beoordeling van meldingen voor en toezicht op ontbranding van vuurwerk, beoordeling van meldingen en aanvragen bouwen voor locaties onder provinciaal bevoegd gezag en tijdelijke ontheffingen voor opstijgen en landen buiten een vliegveld (TUG). De VTH-taken in het kader van de RIE-4 bedrijven en Seveso-inrichtingen (voorheen BRZO) vallen buiten de scope van deze U&H-strategie milieu. Dit zijn de meest risicovolle bedrijven waarvoor uitsluitend de provincie bevoegd gezag is. Deze taken zijn belegd bij de Omgevingsdienst Groningen (ODG), die hiervoor is uitgerust. Binnen Drenthe gelden zodoende meerdere U&H-strategieën; afhankelijk van de VTH-taak (RIE-4/Seveso, overige milieutaken en overige VTH-taken) én het bevoegd gezag is zodoende één van de U&H-strategieën geldend. Daarmee kunnen er geen tegenstrijdigheden op taakniveau zijn. De strategie is onderdeel van de beleidscyclus (zie ook paragraaf 2.2) en vormt het raamwerk voor het jaarprogramma van OD Drenthe. In deze strategie zijn de prioriteiten, U&H-doelstellingen en werkwijzen opgenomen voor VTH en de samenwerking met externe partners. Het bevat dus zowel strategische, tactische als operationele elementen. Bevoegde gezagen hebben een wettelijke verplichting om een uniforme U&H-strategie vast te stellen. Deze bepaling staat in de Omgevingswet in het artikel 13.5, lid 2 van het Omgevingsbesluit. ‘De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid.’ Artikel 13.12 lid 1 beschrijft de basistaken. In artikel 13 van het Omgevingsbesluit zijn ook diverse overige eisen opgenomen waaraan de U&H-strategie dient te voldoen. Zie hiervoor ook paragraaf 2.3 van voorliggend document. De Drentse gemeenten en de provincie Drenthe moeten dus voor het werkgebied van OD Drenthe overeenstemming bereiken op het vlak van uitvoering en handhaving van in ieder geval de basistaken. Doordat ook overige milieutaken door alle gemeenten en de provincie bij OD Drenthe zijn belegd, heeft voorliggende U&H-strategie milieu ook betrekking op deze taken. De samenleving mag van de overheid een professionele kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken verwachten. Binnen het VTH-stelsel blijven provincies en gemeenten verantwoordelijk voor de VTH-milieutaken. Zij zijn de bevoegde gezagen. OD Drenthe is belast met de uitvoering van de VTH-taken milieu. 1.2 Totstandkoming, positionering en status U&H-strategie milieu Deze U&H-strategie milieu is tot stand gekomen met inbreng van de 12 Drentse gemeenten, de provincie Drenthe en OD Drenthe. Vóórdat colleges van Burgemeester en Wethouders (B&W) en Gedeputeerde Staten (GS) de U&H-strategie milieu vaststellen, is deze U&H-strategie ter consultatie voorgelegd aan het Openbaar Ministerie (OM). De basis voor het document lag in de U&H-strategie 2022-2026. Dit document werd het fase 1 document genoemd. Voorliggende actualisatie en nadere uitwerking vervangt het fase 1 document. Uitwerking heeft met name plaatsgevonden van doelstellingen, ambities van gemeenten en provincie en specifieke uitgangspunten voor de uitvoering en handhaving van locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen, bodem en energie. De U&H-strategie milieu blijft in ontwikkeling. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij lopende opgaven. Deze U&H-strategie geeft aan welke uniforme doelen Drentse gemeenten en de provincie Drenthe stellen bij de uitvoering en handhaving en welke strategieën OD Drenthe gebruikt om de doelen te bereiken. De doelen zijn benoemd voor de grootste milieurisico’s; door op deze doelen te sturen, trachten we de impact op het milieu beheersbaar houden. De U&H-strategie milieu is uniform voor de milieutaken die de deelnemers gezamenlijk hebben ingebracht bij OD Drenthe. Dit betekent dat de gemeenten en provincie eigen strategieën moeten vaststellen voor de taken die niet aan OD Drenthe zijn overgedragen of die door één of enkele gemeenten/provincie aan OD Drenthe zijn overgedragen. Het staat de gemeenten en provincie vrij om de uniforme strategieën ook van toepassing te verklaren op haar eigen taken. De U&H-strategie milieu heeft een looptijd van vier jaar. Na drie jaar vindt een evaluatie plaats. In deze strategie beschrijven de deelnemers de kaders die ze aan OD Drenthe meegeven: de doelen die gerealiseerd dienen te worden met de inzet van de VTH-taken én de wijze waarop de uitvoering van VTH-taken plaatsvindt. Strategie is geen wet. Er kan door de OD beargumenteerd én in overleg met de betrokken deelnemer(s) van keuzes in de U&H-strategie milieu worden afgeweken. In bijlage 4 is de relatie tussen de U&H-strategie en overige (beleids)documenten voor de VTH-taken beschreven. Bij ieder van de gerelateerde documenten is benoemd hoe ze op de strategie aansluiten. 1.3 Budgetneutraliteit als uitgangspunt Bij de totstandkoming van de U&H-strategie milieu hebben de gemeenten en provincie als uitgangspunt gesteld dat wijzigingen in de strategie niet dienen te leiden tot verhoging of verlaging van de kosten. Daarbij wordt als referentiejaar de begroting 2025 gehanteerd. Bij het opstellen van de U&H-strategie milieu is daarom als financieel kader aangehouden dat er, uitsluitend als gevolg van de inhoudelijke keuzes in dit meerjarenbeleidsplan, per saldo geen financiële effecten zijn voor de regio als geheel. Gezien het uitgangspunt van een ‘budgetneutrale benadering’ vindt vernieuwing van strategie derhalve plaats door inhoudelijke keuzes. De feitelijke doorvertaling van de strategie naar de benodigde uren vindt nog plaats in het jaarprogramma. Vooruitlopend daarop is het uitgangspunt dat de gevraagde extra inzet voor werkzaamheden van OD Drenthe in balans is met de beperktere inzet voor andere werkzaamheden. In onderstaande tabel zijn deze verschuivingen in beeld gebracht. Verwachte extra inzet door U&H-strategie Verwachte afname van inzet door U&H-strategie • Meer betrokkenheid bij vooroverleg en voorlichting bij meldingen en aanvragen voor nieuw gemelde of vergunde activiteiten. • Meer aandacht bij de inhoudelijke beoordeling van meldingen en (vergunning)aanvragen van vergunningverleners en specialisten bij activiteiten met een hoog milieurisico. • Meer intrekkingen van niet-gebruikte vergunningen. • Meer controles en intensievere betrokkenheid van specialisten bij toezicht op activiteiten (locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen, bodem en energie) met een hoog milieurisico. • Constatering van meer en ernstigere overtredingen en daardoor meer intensieve handhavingszaken door het toezicht gericht op risicovolle situaties in te richten. • Meer beoordelingen van bodemonderzoeken bij ruimtelijke ontwikkelingen. • Meer informatiegestuurd werken/gebruik van data-analyses voor opsporing overtredingssituaties. • Meer preventief toezicht in het vrije veld en gevelcontroles naar illegale (locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen en bodem) activiteiten. • Minder constatering van overtredingen en minder intensieve handhavingszaken bij controles van meldingen en aanvragen bij nieuw gemelde of verunde activiteiten. • Minder aandacht bij de inhoudelijke beoordeling van meldingen en (vergunning)aanvragen van vergunningverleners en specialisten bij activiteiten met een laag milieurisico. • Minder controles en beperktere betrokkenheid van specialisten bij toezicht op activiteiten (locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen, bodem en energie) met een laag milieurisico en/of bij activiteiten bij goede nalevers. • Minder inzet voor klachten over milieubelastende activiteiten door particulieren én niet urgente milieuklachten (klachten zonder acuut gevaar). Figuur 1. Voornaamste wijzigingen in verwachte inzet als gevolg van voorliggende U&H-strategie. Verschuivingen van inzet door bijv. wetswijziging of economische ontwikkelingen zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 behandelt het wettelijk kader en benoemt de bestuurlijke uitgangspunten bij de uitvoering van de VTH-taken. Daarbij staat centraal wat we willen bereiken: met een gelijkblijvende inzet aan middelen een hoger milieurendement realiseren. In de hoofdstukken 3 t/m 6 worden de hoofdthema’s verdiept: locaties met milieuactiviteiten (voorheen inrichtingen), zorgwekkende stoffen, bodem en energie. Van ieder hoofdthema worden de context en risico’s beschreven en doelstellingen benoemd. In hoofdstuk 7 wordt aandacht besteed aan organisatorische aspecten als kwaliteitsborging, monitoring en rapportering. De bijlagen bevatten de details met meer tactische uitwerking: de gevolgen van de U&H-strategie milieu voor de uitvoering van de VTH-taken. In bijlage 1 zijn uitwerkingen opgenomen die over de hele breedte gelden voor alle taken van OD Drenthe en in bijlage 2 de specifieke uitwerkingen per hoofdthema. Bijlage 3 bevat een samenvattende tabel met concretisering van de doelstellingen om de voortgang te kunnen meten. In bijlage 4 is de relatie gelegd tussen de U&H-strategie milieu en overige (beleids)documenten die betrekking hebben op de VTH-taakuitvoering. 2. Wettelijk kader en bestuurlijke uitgangspunten In het omgevingsrecht worden regels gesteld waar het bevoegd gezag zich aan moet houden bij het uitvoeren van de VTH-taken. De eisen aan de inrichting van processen zijn wettelijk vastgelegd. Dit wettelijk kader wordt in de volgende paragraaf beschreven, gevolgd door de uitgangspunten. 2.1 Het werkgebied van de OD De U&H-strategie milieu betreft het werkgebied van OD Drenthe (zie afbeelding hieronder). Het betreft de gemeenten Aa en Hunze, Assen, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo, Westerveld, De Wolden en de provincie Drenthe. Figuur 2. Overzicht van het werkgebied van OD Drenthe Het landschap en de rijke geschiedenis van Drenthe wordt door veel mensen enorm gewaardeerd. De natuur, leefbaarheid, omgevingswaarden en schoonheid van de omgeving maken de provincie volgens velen uniek. Naast rust zijn er in Drenthe ook een aantal bijzondere, landelijk bekende bedrijven te vinden zoals Astron in Dwingeloo, Wildlands Adventure Zoo in Emmen en het TT-Circuit in Assen. Binnen de bedrijven is de agrarische sector het sterkst vertegenwoordigd, gevolgd door de recreatieve sector. Zware industrie bevindt zich onder andere op het Getec Park in Emmen. 2.2 Wettelijk kader De Omgevingswet vraagt van de overheid een integrale benadering van VTH-taken binnen de fysieke leefomgeving. Het transparant formuleren en uitvoeren van een U&H-strategie is in relatie tot de gemeenschappelijke doelstellingen een belangrijke opgave. Landelijk zijn hiervoor kwaliteitscriteria ontwikkeld voor VTH. Met deze kwaliteitscriteria wordt de kwaliteit van de processen, de uitvoeringsorganisaties (gemeenten, provincies, omgevingsdiensten) en haar medewerkers geborgd. Hiermee wordt een gelijk speelveld bewerkstelligd. De kwaliteitscriteria zijn leidend voor de U&H-strategie. Ze beschrijven onder meer de eisen die gesteld worden aan de sluitende beleidscyclus. Deze beleidscyclus staat bekend als de ‘BIG 8’-cyclus. Aan de hand van de ‘BIG 8’ zijn de volgende zeven stappen in het beleidsproces te onderscheiden: Figuur 3. BIG 8-cyclus Voorliggende U&H-strategie milieu heeft betrekking op de linker cirkel en is richtinggevend voor de operationele cyclus (rechter cirkel). Elke gemeente en provincie is verplicht om een of meerdere documenten vast te stellen waarin gemotiveerd wordt welke doelen de omgevingsdienst moet behalen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten door de omgevingsdienst daartoe uitgevoerd dienen te worden. Dit gebeurt in de volgende documenten : 1. Verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht: door alle gemeenteraden en provinciale staten zijn hierin de kaders opgenomen waarbinnen de VTH-taken uitgevoerd dienen te worden. De verordeningen zijn uniform voor de taken die alle gemeenten en de provincie door OD Drenthe laten uitvoeren. Zo worden onderwerpen benoemd waarover het college doelstellingen dient te formuleren en is aangegeven dat voldaan moet worden aan kwaliteitscriteria voor VTH. 2. U&H-strategie: hierin zijn de bestuurlijke uitgangspunten en doelstellingen opgenomen (wat bereikt moet worden, dus het strategisch beleidskader) en de strategieën uitgewerkt (hoe dit bereikt moet worden, dus het operationeel beleidskader). Deze strategieën bestaan uit een aantal componenten: preventie, vergunningverlening (incl. advisering), toezicht, sanctioneren en gedogen. Zij vormen de uitwerking van de werkwijze en intensiteit van de werkzaamheden door OD Drenthe. 3. Jaarprogramma: een uitwerking van de U&H–strategie vindt in een jaarprogramma plaats. Dit gebeurt bij voorkeur meerjarig voor meer stabiliteit in de uitvoering en beperking van de administratieve lasten bij totstandkoming en besluitvorming. In dit jaarprogramma wordt benoemd welke VTH-instrumenten OD Drenthe concreet gaat inzetten en wat, binnen de begroting, de formatieve en financiële gevolgen zijn. Eventuele aanscherping van doelstellingen uit voorliggende U&H-strategie kan ook in dit jaarprogramma plaatsvinden. 4. Jaarverslag: hierin wordt jaarlijks verantwoording over de realisatie van de activiteiten afgelegd en wordt gerapporteerd over het (al dan niet) bereiken van de U&H-doelstellingen. Naast bovenstaande documenten zijn de gemeentelijke omgevingsplannen, provinciale omgevingsverordening en (milieu)beleidsdocumenten van groot belang. In deze documenten zijn de regels en normen voor onder meer de milieuthema’s opgenomen. Denk daarbij aan het maximaal toegestane geluidsniveau en de kwaliteit van bodem én lucht die acceptabel is. De bevoegde gezagen hebben een eigen bevoegdheid en verantwoordelijkheid om deze regels en normen vast te leggen; regels en normen verschillen inhoudelijk en zijn soms wel en soms niet door individuele bevoegde gezagen vastgelegd. 2.3 Ontwikkelingen Diverse ontwikkelingen hebben gevolgen voor de VTH-taken. Er is een toenemende aandacht voor milieuthema's zoals de stikstofproblematiek, milieucriminaliteit en drugsafval, indirecte lozingen, Zeer Zorgwekkende Stoffen, klimaatadaptatie, energietransitie en circulaire economie. Daarnaast is de maatschappij aan verandering onderhevig; onze inwoners verwachten steeds meer transparantie in besluitvorming, én voelen zich steeds meer betrokken bij de omgeving en nemen een actieve houding aan. De grootste ontwikkeling met invloed op het werk van OD Drenthe is de in 2024 in werking getreden Omgevingswet. Het gaat voor deze U&H-strategie milieu te ver om ieder van deze ontwikkelingen en de impact op de VTH-taken te beschrijven. Omgevingswet Onder de Omgevingswet zijn de wet- en regelgeving en beleidskaders voor milieu ondergebracht in diverse nieuwe instrumenten. Thematische wetgeving op het gebied van bijvoorbeeld bodem, geluid en lucht is in de Omgevingswet gebundeld en gewijzigd. De provincie Drenthe heeft een Omgevingsvisie en omgevingsverordening en de gemeenten een Omgevingsvisie en omgevingsplan. Onderdelen van het milieubeleid kunnen in specifieke omgevingsprogramma’s worden uitgewerkt. In deze documenten bepalen de provincie en gemeenten de regels en de normen waaraan de activiteiten op hun grondgebied dienen te voldoen. Deze vormen dus het toetsingskader. Voorliggende U&H-strategie milieu bevat geen (inhoudelijke) toetsingskaders. De strategie heeft betrekking op de wijze en intensiteit waarmee de toetsingskaders bij de beoordeling van adviesverzoeken, aanvragen en meldingen én in het toezicht worden meegenomen. Voor een efficiënte taakuitvoering is OD Drenthe gebaat bij uniformiteit van regels en normen. Een belangrijk deel van de decentrale regels en normen wordt gesteld in het omgevingsplan en onderliggende omgevingsprogramma’s. Beide vormen een belangrijk toetsingskader voor OD Drenthe. Door OD Drenthe en deelnemers wordt gewerkt aan een blauwdruk voor de regels ten aanzien van milieu in het omgevingsplan. Met deze blauwdruk wordt getracht de kwaliteit van de lokale leefomgeving in stand te houden en waar mogelijk te verbeteren. Door in het omgevingsplan of -programma normen op te nemen, hoeven deze niet bij ieder besluit op een aanvraag gespecificeerd en onderbouwd te worden. Als gevolg van het overgangsrecht blijft in een aantal situaties de oude wetgeving en beleid voorlopig gelden. Dit betreft onder meer de Wet bodembescherming en bodembeleidsdocumenten voor situaties die in de Aanvullingswet bodem zijn benoemd. Maar ook de huidige hoofdelementen van het gemeentelijk beleid blijven van kracht. Hierbij moet gedacht worden aan een milieubeleidsplan, een verkeers- en vervoersplan en de gemeentelijke structuurvisie. De doelstellingen die hierin opgenomen staan, verschillen per bevoegd gezag. Er worden ook andere instrumenten ingezet (dan VTH) om deze doelstellingen te realiseren. Met de U&H-strategie milieu wordt voor de taken die OD Drenthe uitvoert getracht zo veel mogelijk aan te sluiten bij deze beleidsdoelen. De Omgevingswet bevat een voorzorgsbeginsel en een algemene en specifieke zorgplicht. Dit houdt in dat overheden, bedrijven én burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. En dus niet alleen de overheid. Deze algemene zorgplicht is vooral een vangnet voor het geval er geen specifieke decentrale of rijksregels zijn. De komende periode moet duidelijk maken hoe invulling kan worden gegeven aan de zorgplicht. Uitgangspunten van de Omgevingswet zijn minder regels en meer ruimte voor initiatieven in het fysieke domein, vertrouwen (maar waar nodig ook doeltreffend en harder optreden), meer eigen verantwoordelijkheid met zorgplicht en een evenwichtige ontwikkeling van de ruimtelijke omgeving. Daarin moet meer opgavegericht gewerkt gaan worden: afwegingen zijn per situatie nodig van ruimtelijke en bedrijfsontwikkelingen in relatie tot de feitelijk lokale omgevings- en levenskwaliteit. De impact van de Omgevingswet op OD Drenthe is groot. In een impactanalyse zijn eind 2023 de onderwerpen benoemd die de grootste impact hebben. Op basis daarvan heeft het AB van OD Drenthe tijdelijke uitvoeringskeuzes gemaakt; daar waar krapte in de uitvoeringscapaciteit ontstaat wordt sindsdien met een prioriteitsvolgorde gewerkt. Deze prioriteiten zijn daarbij grotendeels gebaseerd op een inschatting van de risico’s. De eerste ervaringen daarmee zijn gebruikt om in voorliggende U&H-strategie milieu keuzes voor de komende periode te maken. Het monitoren en indien nodig bijstellen hiervan blijft nodig, met name door de nog maar beperkte periode dat de Omgevingswet wordt uitgevoerd. 2.4 Bestuurlijke uitgangspunten Deze paragraaf benoemt de bestuurlijke uitgangspunten die gehanteerd worden bij de VTH-taken. De colleges van gemeenten en de provincie hebben onderstaande uitgangspunten ook een plek gegeven in hun Omgevingsvisie, college-akkoorden en/of U&H-strategieën voor de VTH-taken die binnen de eigen organisatie worden uitgevoerd. Met voorliggende U&H-strategie milieu wordt daar zoveel mogelijk op aangesloten om de belangen van de inwoners, natuur en milieu te behartigen. Afstemmen op bestuurlijke ambities In omgevingsvisies en milieubeleid van de deelnemers zijn diverse bestuurlijke uitgangspunten benoemd. De inzet van het VTH-instrumentarium levert een bijdrage aan inhoudelijke prioriteiten in het gemeentelijke en het provinciale beleid. Uit een analyse van de huidige beleidskaders van de deelnemers komen de volgende inhoudelijke prioriteiten voor de taken van OD Drenthe, die door een groot deel (en soms door alle) van de colleges van B&W en GS in hun beleid zijn opgenomen: - Een veilige fysieke leefomgeving waarin de risico’s en mate van hinder op een aanvaardbaar niveau liggen; - Bedrijven opereren veilig, duurzaam en schoon; - Energietransitie wordt ondersteund. De ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) worden gerealiseerd. Bijzondere aandacht is er voor inzet van duurzame warmte; - Verbetering van de luchtkwaliteit (Schone Lucht Akkoord) door het nemen van bronmaatregelen, zodat emissies van fijnstof, ammoniak en stikstofoxiden permanent afnemen; - Uitstoot van stikstof, fosfaat en overige stoffen die schadelijk zijn voor kwetsbare natuurgebieden neemt af; - Nieuwe verontreiniging van bodem en grondwater wordt zoveel mogelijk voorkomen, ontstane verontreinigingen in de bodem worden zoveel mogelijk ongedaan gemaakt; kwaliteit van bodem en water verslechtert niet; - Sloop- en opruimwerkzaamheden van asbest vinden veilig plaats; - Voormalige en nog in gebruik zijnde stortplaatsen worden goed beheerd, zodat geen nadelige gevolgen voor de omgeving ontstaan; - Ondermijnende activiteiten zijn zoveel mogelijk in beeld en worden voorkomen. Deze inhoudelijke prioriteiten krijgen in de voorliggende U&H-strategie milieu bijzondere aandacht. Dit kan door prioriteiten en U&H-doelstellingen hierop te baseren of deze bij de werkwijzen (strategie) te verdiepen. Preventief werken De werkwijze van OD Drenthe is bij voorkeur preventief. Deze werkwijze is gericht op het voorkomen van klachten, onvolledige aanvragen en overtreding van regels door onwetendheid. Door te investeren in het vroegtijdig signaleren van mogelijke knelpunten, kan een intensieve inzet in toezicht- en handhavingstrajecten vaak worden voorkomen. Er is dan sprake van spontane naleving. Bij vooroverleggen over initiatieven voor milieubelastende activiteiten staat OD Drenthe tezamen met het bevoegd gezag de initiatiefnemer ter zijde. OD Drenthe is een deskundige gesprekspartner. OD Drenthe zet het VTH-instrumentarium zo gericht mogelijk in om te komen tot goed naleefgedrag. Bij de aanpak van sommige risico’s heeft voorlichting en gedragsbeïnvloeding meer effect dan toezicht en sanctioneren. Tevens kunnen hiermee kostbare en bestuurlijk ongewenste handhavingstrajecten worden voorkomen. Daarnaast gaat van herkenbaarheid en zichtbaarheid in het veld, bijvoorbeeld door geregeld op risicovolle locaties aanwezig te zijn, ook een preventieve werking uit (‘activiteiten worden gezien’). Door voortdurend te blijven evalueren met welke instrumenten het grootste effect kan worden gerealiseerd en werkwijzen daarop aan te passen, kan zo efficiënt mogelijk resultaat worden behaald. De preventiestrategie is uitgewerkt in bijlage 1 en geldt voor alle taken die OD Drenthe uitvoert. Bij de specifieke strategieën voor locaties met milieuactiviteiten, zorgwekkende stoffen en bodem wordt vooral ingezet op gedragsbeïnvloeding door meer aandacht te hebben bij het toezicht voor doelgroepen met slecht naleefgedrag. Risicogericht werken breed in de organisatie OD Drenthe richt zich bij het uitvoeren van de taken op de grootste milieurisico's. Dit betekent dat de activiteiten met de grootste milieurisico's bij niet naleving de meeste aandacht krijgen. Door middel van steekproeven worden ook minder risicovolle activiteiten geselecteerd, zodat ook daar mogelijke ontwikkelingen en risico’s in beeld komen en/of bevestigd blijft dat risico’s beperkt zijn. Om die risico's te kunnen inschatten worden jaarlijks risicoanalyses uitgevoerd. Op basis van de risico's wordt bepaald hoe diepgaand de inhoudelijke beoordeling van meldingen en (vergunning)aanvragen dient plaats te vinden door de vergunningverlener/specialisten en welke vorm van toezicht hier het beste bij past. Deze benadering stelt OD Drenthe met haar deelnemers in staat om onderbouwde keuzes te maken in het uitvoeringsniveau. In 2019 is gestart met het Risico Gericht Toezicht (RGT). De RGT-methodiek wordt met voorliggende U&H-strategie milieu verder verfijnd en breder toegepast. Resultaten van het RGT worden met voorliggende strategie ook gebruikt voor het bepalen van de inzet van specialisten. Door het Interbestuurlijk programma (IBP) Versterking VTH is het risicomodel van Omgevingsdienst de Vallei (OddV) als landelijk goed voorbeeld benoemd. Bij de doorontwikkeling van de RGT-methodiek maakt OD Drenthe zoveel mogelijk gebruik van het risicomodel dat landelijk ontwikkeld wordt. Daarnaast wordt ook bij de beoordeling van adviesverzoeken, (vergunning)aanvragen, meldingen en milieuklachten risicogericht gewerkt. Hiervoor wordt door OD Drenthe nog gezocht naar een passend model, waarmee bij voorkeur zoveel mogelijk wordt aangesloten bij landelijke standaarden en de RGT-methodiek. Zo worden ook de specialisten intensiever betrokken bij die vergunning-, melding- en toezichtdossiers waar het milieurisico op hun specialisme het grootst is. Ook bij zorgwekkende stoffen en bodem is in voorliggende strategie (zie bijlage 2) het risicogericht werken verder doorgevoerd. Door te investeren in risicogericht werken wordt een betere informatiepositie opgebouwd. De beschikbare capaciteit en middelen worden optimaal benut. Kortom, er wordt gedaan wat nodig en mogelijk is binnen de beschikbaar gestelde middelen. Ook bij het opvoeren van gegevens in registraties werkt OD Drenthe risicogericht. Verplichte gegevens worden binnen de wettelijke termijnen geregistreerd. De niet verplichte gegevens van activiteiten met de hoogste risico’s worden als eerste gevuld. Gegevens van activiteiten met een laag risico worden alleen gevuld als mutaties in het dossier plaatsvinden, bijvoorbeeld bij ontvangst van een aanvraag of melding of toezicht op locatie. Informatiegestuurd werken Binnen OD Drenthe worden al enkele jaren stappen gezet in het informatiegestuurd werken. Informatiegestuurd werken is een continu proces waarmee op gerichte wijze ruwe data wordt verzameld, geregistreerd en geanalyseerd. De daaruit verkregen informatie en kennis wordt in besluitvormingsprocessen toegepast om de prestaties van de organisatie te verbeteren. Dit geldt zowel voor individuele dossiers als de monitoring en bijsturing van beleid en uitvoering. Informatiegestuurd werken is nodig om bij te dragen aan het voorkomen en/of oplossen van (steeds complexer wordende) maatschappelijke vraagstukken op het gebied van veiligheid, gezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Deze manier van werken helpt ook om de schaarse capaciteit van medewerkers en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten, waar deze het meest nodig zijn of waar het risico voor de leefomgeving het grootst is. Verder ondersteunt deze werkwijze ook het uitvoeren van de VTH-taken onder de Omgevingswet. Naast de informatie uit databases blijft de expertise en kennis van medewerkers en externe bronnen noodzakelijk om tot de juiste inzichten en keuzes te komen. De OD is een waardevolle kennispartner. De komende jaren ontwikkelt de OD de informatievoorziening (van interne en externe bronnen) verder om sturingsinformatie op inhoudelijk, financieel en procesmatig niveau te kunnen opleveren. Dit draagt bij aan een beter beeld van de risico’s en problematiek. Zo is bekend dat de modellen en berekeningen voor luchtkwaliteit in de provincie een onvolledig beeld geven, omdat diverse activiteiten niet geregistreerd worden. Het bepalen van de beleidskeuzen en daarmee het ingrijpen op basis van monitoringsresultaten is pas mogelijk als we een kwalitatief goed beeld van de problematiek hebben. Door het samenbrengen van verschillende data, zoals financiën, prognose, realisatie en milieu-informatie kunnen werkzaamheden effectiever en efficiënter worden gepland en uitgevoerd. Ook kunnen opdrachtgevers als input voor het omgevingsplan of toepasbare regels gebruik maken van analyses van milieudata. Door innovaties en het slim inzetten van nieuwe technologieën kan de OD enerzijds haar effectiviteit en efficiency verbeteren. Digitaal werken wordt steeds belangrijker: digitaal dossieropbouw, digitale uitwisseling van dossiers, archivering en thuiswerken. Dit zorgt anderzijds voor kwetsbaarheid en afhankelijkheid van systemen. De continuïteit van veel systemen is niet altijd vanzelfsprekend. Nieuwe apparaten worden gekoppeld aan een systeem, waarbij vervolgens verschillende systemen worden gekoppeld om data te verzamelen en te gebruiken. Deze ontwikkelingen kunnen onze veiligheid vergroten, maar leiden ook tot nieuwe uitdagingen zoals lekken van privacygevoelige gegevens en toegankelijkheid van informatie over risicovolle locaties voor kwaadwillenden. Ketentoezicht toepassen als instrument Inzicht en grip op ketens, zoals asbest-, grond-, meststromen en overige afvalstoffen is een van de redenen voor het oprichten van de omgevingsdiensten. Het uiteindelijke doel is om schadelijke effecten vanuit deze ketens op de leefomgeving te voorkomen en milieucriminaliteit in een vroegtijdig stadium te herkennen en op te treden. Om meer inzicht te krijgen in de ketens is het van belang om intensief samen te werken met ketenpartners. Dit gebeurt met name op de landelijke prioriteiten, die worden gesteld door de landelijke strategische Milieukamer. Samen met het verder ontwikkelen van informatiegestuurd werken zorgt samenwerking voor een goede informatiepositie om beter grip te krijgen in de keten en om effectief op te kunnen treden. Eigen verantwoordelijkheid stimuleren Het nemen van verantwoordelijkheid kan schade aan milieu en overlast in de omgeving voorkomen. De komende jaren stimuleren OD Drenthe, provincie en gemeenten het nemen van de eigen verantwoordelijkheid door inwoners en bedrijven. Dit gebeurt onder andere door het geven van goede en passende voorlichting (gedragsbeïnvloeding) en het toepassen van zorgplicht bij inzet van handhaving als hiervoor wettelijke mogelijkheden zijn. Door bedrijven te stimuleren het goede gesprek te voeren met hun omgeving (participatie) kunnen milieuklachten en handhavingsverzoeken voorkomen worden. Het stimuleren van het oppakken van de eigen verantwoordelijkheid is ook terug te vinden in de preventiestrategie (zie bijlage 1). Ondermijning aanpakken Inwoners of bedrijven mogen een vergunning of toestemming niet gebruiken om activiteiten uit te voeren met geld dat is verdiend via misdrijven. Ook mag een vergunning niet (mede) worden gebruikt voor het plegen van misdrijven. De gemeenten en provincie toetsen daarom de integriteit van aanvragers. Als hier onaanvaardbare risico’s uit voortkomen, worden bevoegdheden ingezet op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). Indien een negatief Bibob-advies wordt afgegeven, wordt door het bevoegd gezag in overleg met OD Drenthe een besluit genomen om met aanvullende voorschriften de vergunning alsnog te verlenen, de vergunning te weigeren en/of reeds verleende vergunningen in te trekken. Instrumenten van preventie, toezicht en sanctie worden actief ingezet om ondermijnende activiteiten te voorkomen of te stoppen. De ‘kans op ondermijnende activiteiten’ is een van de risicovariabelen bij het risicogericht werken. Activiteiten die vallen onder ondermijning laten we niet toe. Ondermijning wordt tegengegaan door goed samen te werken bij de uitvoering van de VTH-taken, onder meer met het OM, andere overheden en ketenpartners. Er wordt samen gewerkt, gezamenlijke prioriteiten gesteld en onderling informatie uitgewisseld. OD Drenthe is een erkende partner in de Drentse Aanpak Ondermijning (DAO). In de DAO zijn werkgroepen geformeerd die gezamenlijk door alle Drentse gemeenten, waterschap en provincie tot een uniforme aanpak van Ondermijning moet leiden. OD Drenthe neemt op verzoek deel aan diverse projecten in het kader van de Drentse aanpak ondermijning. Ten aanzien van milieubelastende activiteiten beschikt OD Drenthe immers over veel ogen en oren in het veld en veel informatie in de registratiesystemen. Signalen van ondermijning die de medewerkers van OD Drenthe opvangen worden bespreekbaar gemaakt met de bevoegde gezagen in onder meer veiligheidsoverleggen. Daar komen ook de landelijke prioriteiten op tafel, die worden gesteld in de landelijke strategische Milieukamer. Dit kan leiden tot nieuwe projecten ter voorkoming van ondermijning. Binnen OD Drenthe wordt tevens gewerkt aan een weerbare organisatie. Naast het signaleren van ondermijnende activiteiten, wordt daarbij door OD Drenthe via onder meer een integriteitsverklaring en trainingen ingezet op bewustwording van ondermijning. 3. Locaties met milieuactiviteiten Dit hoofdstuk bevat de ambities van de gemeenten en provincie voor de U&H-doelstellingen ten aanzien van locaties met milieuactiviteiten (3.3). Om hiertoe te komen wordt in de omgevingsanalyse (3.1) inzicht gegeven in het werkveld en bij de risico’s (3.2) verdiept in de problemen en risico’s die binnen het werkveld worden geconstateerd. In de Omgevingswet is het begrip ‘inrichting’ nagenoeg komen te vervallen. In deze U&H-strategie milieu wordt hiervoor de term locaties met milieuactiviteiten gehanteerd. Het merendeel van de werkzaamheden van OD Drenthe richt zich op deze locaties. Het zijn de locaties waar één of meerdere milieubelastende activiteiten plaatsvinden. Daarbij wordt in hoofdstuk 4 aan de locaties waarbij activiteiten met zorgwekkende stoffen plaatsvinden aandacht besteed, locaties met alleen bodemactiviteiten in hoofdstuk 5 en locaties die alleen voor energiebesparing milieurelevant zijn in hoofdstuk 6. In voorliggend hoofdstuk wordt aandacht besteed aan overige milieubelastende activiteiten. 3.1 Omgevingsanalyse In de provincie Drenthe zijn 12.595 locaties met milieuactiviteiten (peildatum 1-1-2024) bekend met één of meerdere vergunningplichtige of meldingsplichtige activiteiten. Hiervoor beoordeelt OD Drenthe (vergunning) aanvragen en meldingen in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Voor de locaties met milieuactiviteiten voert OD Drenthe het toezicht en de handhaving uit. Dit zijn deels locaties die vallen onder de basistaken en deels locaties die aanvullend zijn ondergebracht bij OD Drenthe (plustaken). In het locatiebestand van OD Drenthe wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen locaties: - locaties met een of meerdere activiteiten die vergunningplichtig zijn - overige locaties met een of meerdere activiteiten die meldingsplichtig zijn Deze bedrijven zijn op basis van SBI-codering ingedeeld in 3 branchegroepen. OD Drenthe maakt onderscheid in de branchegroepen: - Afval & Industrie (12% van locaties); - Agrarisch (28% van locaties); - Gebouwen en MKB (60% van locaties). 3.2 Risico’s In deze paragraaf worden de voornaamste risico’s van locaties met milieuactiviteiten beschreven. De intensiteit van het beoordelen van meldingen en besluiten op vergunningaanvragen, evenals het toezicht op milieubelastende activiteiten is beperkt bij wet vastgelegd. Zo is in het Omgevingsbesluit een plicht opgenomen om regelmatig te bepalen of milieuvoorschriften in de vergunning nog toereikend zijn (actualiseringsplicht). In dit besluit is verder vastgelegd dat elke locatie met een IPPC-installatie met grote milieurisico’s minimaal 1x per jaar een controlebezoek krijgt én elke locatie met een IPPC-installatie met beperkte milieurisico’s minimaal 1x per 3 jaar een controlebezoek krijgt. Een gevolg van een dergelijk minimaal uitvoeringsniveau is dat veel locaties dan niet of niet tijdig bezocht worden en daardoor na verloop van tijd niet over de juiste melding/vergunning voor uitvoering van hun activiteiten beschikken. Grote risico’s blijven buiten beeld als activiteiten niet bekend zijn omdat er onterecht geen melding of vergunningaanvraag is ingediend. Controles zijn belangrijke momenten om te constateren dat de melding/vergunning niet meer actueel is. Daarnaast is (de dreiging van) een controle en eventueel daaropvolgende sanctie een belangrijke drijfveer om de melding/vergunning situatie op orde te hebben. Een actueel locatiebestand draagt bij aan het verlagen van de milieudruk en verbeteren van naleefgedrag. Een actuele melding/vergunning is ook beter te controleren en handhaven. En met een actuele melding/vergunning kunnen de gemeentelijke en provinciale beleidsambities (bijv. energiebesparing en reductie van afvalstoffen) beter worden gerealiseerd. Door een laag toezichtniveau op locaties waar milieubelastende activiteiten plaatsvinden, wordt de kans op en het effect van onomkeerbare situaties groter. Er ontstaat langer hinder voor de omgeving, onveilige situaties voor omwonenden, verontreiniging van lucht, water en bodem met gevolgen voor gezondheid en aantasting van natuurwaarden. Door beperkt toezicht is er tevens geen gelijk speelveld tussen bedrijven, is de kans op bezwaar- en beroepsprocedures bij nieuwe aanvragen groter doordat overlastsituaties lang duren én wordt minder actief gestuurd op het realiseren van beleidsambities ten aanzien van bijvoorbeeld energiebesparing, inzet van duurzame energie en reductie van afvalstoffen. OD Drenthe werkt sinds 2020 met een model voor risicogericht toezicht (RGT) voor het inplannen (selecteren) van de reguliere controles op locaties met milieuactiviteiten. Het doel van het model is om de risico’s op onomkeerbare situaties te beperken tot het minimum. De risico-inschatting is gebaseerd op SBI-niveau. Om te komen tot een risico-inschatting is een beoordelingsmodel opgesteld: de Drentse risicomatrix. In deze matrix worden de risico’s per SBI-codes gescoord, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt in locaties met een vergunning, melding of meldingsvrije locaties. De score vindt plaats op basis van statische en dynamische variabelen. Statische variabelen: op basis van een inschatting van medewerkers van OD Drenthe, gemeenten en provincie zijn de risico’s ingeschat ten aanzien van: - Milieueffecten; voor 8 milieuthema’s is per SBI-code beoordeeld hoe groot de milieueffecten kunnen zijn bij niet naleving van de regels. Daarnaast is per SBI-code bepaald wat de kans is dat niet naleving plaatsvindt. - Ondermijning; per SBI-code is een inschatting gemaakt van het effect van ondermijning en de kans op het ontstaan van ondermijning. - Maatschappelijk en bestuurlijke impact: voor ieder van de SBI-codes is de mate van bestuurlijke en/of maatschappelijke impact bepaald én de kans op het ontstaan van een dergelijke impact. Op basis van deze statische variabelen is de top 10 van meest risicovolle SBI-codes (meting 2024): 1. Composteerbedrijven 2. Glasbewerkingsbedrijven 3. Glasfabrieken 4. Kleur- en verfstoffenfabrieken 5. Anorganische chemische grondstoffenfabrieken 6. Afvalverwerkingsbedrijven 7. Vuilstortplaatsen 8. Autosloperijen 9. Overige groothandel in afval en schroot 10. Tapijt-, kokos- en vloermattenfabrieken Figuur 4. Top 10 van meest risicovolle SBI-codes op basis van statische variabelen (meting 2024), score tussen 1 (laag risico) en 5 (hoog risico). OD Drenthe hanteert onverkort de Landelijke Handhavingstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Bij iedere overtreding wordt een LHSO-score geregistreerd. Deze bestaat conform de interventiematrix uit twee waarden. Zie hiervoor ook de sanctiestrategie in bijlage 1. • Het gedrag van de overtreder, uitgedrukt in A (goedwillend), B (neutraal/onverschillig), C (calculerend/opportunistisch) tot D (notoir/crimineel). • De zwaarte van de overtreding, uitgedrukt in 1 (vrijwel nihil) tot en met 4 (aanzienlijk en/of onomkeerbaar). Bij de controles die in 2023 werden uitgevoerd bij locaties met milieuactiviteiten in de 10 SBI-codes die het hoogst scoren op de statische variabelen (milieueffecten, ondermijning en maatschappelijk/bestuurlijke impact) was de overtreder in 21% van de gevallen calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D). Juist bij deze locaties met milieuactiviteiten is de impact bestuurlijk en op milieu en veiligheid het grootst. Bij bedrijven met deze SBI-codes verwachten we, mede door inzet van OD Drenthe, een verbetering van het gedrag. Dynamische variabele: op basis van data uit Digitalechecklisten.nl en het zaaksysteem van OD Drenthe wordt jaarlijks per SBI-code een naleefscore berekend. De top 10 van slechtste nalevers in 2024 is opgenomen in figuur 5 in bijlage 2. Het gewogen gemiddelde van de dynamische variabele (naleefscore) en de statische variabelen bepaalt het risico van ieder van de SBI-codes. Doordat jaarlijks de naleefscore opnieuw berekend wordt, wijzigt per jaar de samenstelling van SBI-codes met de slechtste naleefscore. 3.3 U&H-doelstelling Op basis van bovenstaande risico’s komen de gemeenten en provincie tot de volgende doelstellingen: U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 1) De top 10 SBI-codes met slechtste naleefscore in 2024 (zie figuur 5 in bijlage 2), vertonen in 2029 een naleefscore die gemiddeld gezien tenminste 25% verbeterd is ten opzichte van 2024. 2) De top 10 SBI-codes met grootste risico’s op milieueffecten, ondermijning en maatschappelijk / bestuurlijke impact (zie figuur 4) vertonen in 2029 een verbeterd gedrag bij overtredingen ten opzichte van 2024. In de jaarverslagen rapporteert OD Drenthe over de realisatie van de doelstellingen. De strategie voor het uitvoeren van de U&H-taken bij de locaties met milieuactiviteiten is opgenomen in de bijlage. In bijlage 1 zijn de algemene strategieën opgenomen. In bijlage 2 staat de specifieke invulling voor locaties met milieuactiviteiten. 4. Zorgwekkende stoffen Dit hoofdstuk bevat de ambities van de gemeenten en provincie voor de U&H-doelstellingen ten aanzien van zorgwekkende stoffen (4.3). Om hiertoe te komen wordt in de omgevingsanalyse (4.1) inzicht gegeven in het werkveld en bij de risico’s (4.2) verdiept in de problemen en risico’s die binnen het werkveld worden geconstateerd. De ambities ten aanzien van zorgwekkende stoffen in de bodem zijn opgenomen in hoofdstuk 5. 4.1 Omgevingsanalyse Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zijn de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu. Naar schatting circuleren momenteel 350.000 verschillende chemicaliën rond in productieprocessen van bedrijven. Van de verf die de schilder gebruikt tot aan het afval bij afvalverwerkers. En ieder jaar komen daar nieuwe stoffen bij. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. We hebben een onvolledig beeld van de ZZS emissies in Drenthe en de effecten daarvan op onze leefomgeving. Een aantal ZZS componenten zijn redelijk goed in beeld, zoals koolmonoxide, benzeen en asbest. Overige ZZS componenten worden voornamelijk heel lokaal geëmitteerd, bijvoorbeeld bij specifieke productieprocessen. Landelijk wordt een database voor ZZS opgezet via de verplichte milieujaarverslagen. Over locaties met milieuactiviteiten met verhoogde kans op ZZS komt de komende jaren dus meer informatie beschikbaar. Beleidskeuzen voor de aanpak van ZZS in productieprocessen worden daarmee de komende jaren duidelijk. ZZS in de bebouwde omgeving, in het bijzonder bij het saneren van asbesthoudend materiaal, wordt al langer door de gezamenlijke overheden aangepakt. De productie en het gebruik van asbest is in Nederland sinds 1994 verboden. Asbest is echter nog in ruime mate aanwezig in daken, vloeren, rioolpijpen of andere plaatsen. Bij het verbouwen en slopen van gebouwen, woningen, machines of schepen kan nog altijd asbest vrijkomen. Bij werkzaamheden waarbij asbest wordt gesaneerd, geldt een landelijke meldingsplicht. Dit kan gebeuren tijdens sloop, bij het opruimen of wanneer het wordt aangetroffen in de bodem. OD Drenthe handelt meldingen van asbestsloop met meer dan 35 m2 asbest af en/of als bedrijven asbest saneren. Sloopmeldingen van particulieren die zelf asbest mogen afvoeren en aanleveren aan de milieustraat worden door de gemeenten afgehandeld. De beoordeling van overige meldingen en het toezicht daarop gebeurt door OD Drenthe. Hieronder valt ook het asbesttoezicht in geval van klachten en asbestincidenten, zoals de verspreiding van restanten asbesthoudend materiaal door brand, stormschade, vandalisme of illegale sloop. De gemeenten beoordelen zelf monumentale (incl. beschermde stads- en dorpsgezichten) en constructieve aspecten van sloopmeldingen, de behandeling van sloopvergunningen én het toezicht op monumentale en constructieve activiteiten. OD Drenthe heeft geen rol bij sloop zonder asbest, behalve als een asbestinventarisatierapport getoetst moet worden. 4.2 Risico’s In deze paragraaf worden de voornaamste risico’s van zorgwekkende stoffen beschreven. ZZS leiden tot grote gezondheidsrisico's, milieurisico’s en impact op economie. Veel ZZS kunnen kanker veroorzaken, zoals sommige pesticiden of industriële chemicaliën. Sommige ZZS kunnen schadelijk zijn voor de voortplanting, zoals een verminderde vruchtbaarheid of aangeboren afwijkingen bij nakomelingen. Ook zijn er ZZS die hormonale systeem verstoren, wat leidt tot gezondheidsproblemen zoals obesitas, diabetes of onvruchtbaarheid en ZZS die kunnen leiden tot allergieën, astma of andere luchtwegaandoeningen. Voor het milieu hebben ZZS grote impact doordat ze zeer langzaam afbreken in het milieu, waardoor ze langdurig aanwezig blijven. Daarnaast hopen sommige stoffen zich op in de voedselketen, waardoor concentraties in dieren en mensen toenemen naarmate ze hoger in de keten komen. Ook kunnen ZZS schadelijk zijn voor planten, dieren en waterorganismen, wat leidt tot verlies van biodiversiteit en verstoring van ecosystemen. Vanwege de persistente en wijdverspreide aard van ZZS is het moeilijk om blootstelling en verspreiding te controleren. Het verwijderen van ZZS uit het milieu, zoals PFAS uit water, is technisch en financieel zeer uitdagend. Bedrijven en overheden maken hoge kosten om ZZS-uitstoot te beperken en verontreinigde gebieden schoon te maken. Strenge regelgeving kan economische activiteiten beïnvloeden, met name in sectoren zoals chemie, industrie en landbouw. Bij gebruik van ZZS bij locaties met milieuactiviteiten gelden algemene regels en vergunningvoorschriften. Het toezicht op ZZS in productieprocessen is onderdeel van het toezicht op locaties met milieuactiviteiten door de OD (zie hoofdstuk 3). Maatschappelijk is in Drenthe veel aandacht voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw. Doordat de gemeenten en provincie voor het toepassen van de gewasbestrijdings-middelen geen bevoegd gezag zijn, is de rol van hen beperkt. Het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) geeft deze middelen vrij voor gebruik en de NVWA controleert op het gebruik ervan. Wel gaan gemeenten over de opslag van de bestrijdingsmiddelen. De gemeente kan daarnaast regels over het gebruik van gewasbeschermings-middelen opnemen in pachtovereenkomsten of het Omgevingsplan, waarna ze ook hierop kan toezien. Bij het saneren van asbest zijn er een aantal specifieke risico’s. Als bij een asbestsanering niet wordt voldaan aan wet- en regelgeving, is de kans groot dat vezelemissie leidt tot grote risico’s voor mens en milieu. Een adequaat toezichtniveau is dus heel belangrijk in de saneringsfase. Daarnaast is het lucratief voor inwoners en bedrijven (kostenbesparing) om zich te onttrekken aan toezicht en illegale handelingen te verrichten. Financieel gewin speelt hierin een belangrijke rol. Door ook niet-gemelde saneringen op te sporen wordt deze vorm van illegaliteit aangepakt. Door blootstelling aan asbestvezels kunnen op termijn zeer ernstige gezondheidsklachten optreden bij werknemers, maar ook bij bezoekers en omwonenden. Om dit risico zo klein mogelijk te houden is de sanering van asbest aan strikte regels gebonden. De intensiteit van het beoordelen van sloopmeldingen met asbest en het toezicht op de uitvoering van sloopwerken met asbest is niet bij wet vastgelegd. Het bevoegd gezag bepaalt zelf, op basis van risico’s, hoe diepgaand meldingen worden getoetst en/of toezicht hierop wordt gehouden. In het bijzonder vormen illegale stortingen van asbest én vervallen gebouwen met asbestdaken een risico; door de constructieve staat van het gebouw is de kans op instorting of brand bij deze panden groot. Bij instorting en brand komt asbest vrij in de omgeving. Gevolgen voor de gezondheid van mensen en het milieu zijn groot, evenals de kosten voor het opruimen van de asbestdeeltjes. In alle gevallen geldt dat de maatschappelijke onrust groot kan zijn; asbest is een beladen onderwerp. Voordat asbest gesloopt wordt, moet een asbestinventarisatie worden uitgevoerd en een melding worden gedaan. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de asbestinventarisatierapporten, ondanks het systeem van certificering, soms te wensen over laat. Het is daarom goed om te toetsen of het asbest- inventarisatierapport volledig is en aansluit bij de uit te voeren werkzaamheden. Uit de asbestinventarisatierapporten blijkt per asbesthoudende toepassing in welke risicoklasse de verwijdering valt. Er zijn drie risicoklassen: - Risicoklasse 1: de blootstellingsnorm (grenswaarde) wordt niet overschreden bij het verwijderen. Het risico hiervoor is laag. In sommige gevallen mogen particulieren of niet-gecertificeerde bedrijven verwijderen; - Risicoklasse 2: er is een reële kans dat de blootstellingsnorm wordt overschreden bij het verwijderen. Er is dan sprake van een onacceptabel risico. De gezondheid van de werknemers kan ernstige schade oplopen. Verwijderen mag alleen gebeuren door gecertificeerde bedrijven; - Risicoklasse 2a: net als bij risicoklasse 2 mag verwijderen alleen gebeuren door gecertificeerde bedrijven. Het risico op ernstige schade voor de gezondheid is groter, omdat vrijwel zeker asbeststofconcentraties vrijkomen boven de grenswaarde. Op dit moment is er nog geen inzicht in het gedrag van de overtreders bij asbestsaneringen (als onderdeel van de LHSO-score). Door een 0-meting over 2025 ontstaat inzicht in het percentage van de asbestcontroles met overtredingen, waarbij de overtreder calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D) is. Juist bij deze saneringen is de impact op milieu en veiligheid het grootst. Bij deze asbestsaneringen verwachten we, mede door inzet van OD Drenthe, minimaal een gelijkblijvend gedrag. Veel van de asbestmeldingen hebben betrekking op gebouwen in beheer van woningcorporaties. OD Drenthe heeft met vijf woningcorporaties een convenant gesloten (d.d. 21 januari 2019) om de beoordeling van sloopmeldingen te versnellen. De corporaties borgen dat hun opdrachtnemers (asbestinventariseerders, asbest-verwijderaars en laboratoria) kwaliteit leveren. Hiervoor hebben de corporaties o.a. asbest(risico)beleid opgesteld, processen beschreven, procedures en instructies vastgesteld en medewerkers opgeleid én hebben zij een systeem van interne controle georganiseerd. Door deze borging komen sloopmeldingen van deze corporaties (de zogenaamde mutatiemeldingen) in een verlaagd risicoprofiel, waardoor deze minder diepgaand en daardoor binnen 2 dagen worden afgehandeld in plaats van de reguliere 7 dagen. 4.3 U&H-doelstelling Op basis van bovenstaande risico’s komen de gemeenten en provincie tot de volgende doelstellingen voor zorgwekkende stoffen. Daarbij hebben we ons nu beperkt tot ambities voor asbest. Zodra beleidskeuzen bij de aanpak van overige zorgwekkende stoffen in beeld zijn, overwegen gemeenten en provincie om hiervoor specifieke doelstellingen toe te voegen. U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 3) De uitvoerders van asbestsaneringen in risicoklasse 2a vertonen in 2029 minimaal een gelijkblijvend gedrag bij overtredingen ten opzichte van 2025. 4) Het aantal asbestsaneringen dat onterecht zonder melding wordt uitgevoerd neemt af; bij ketentoezicht worden in 2029, met gelijkblijvende inspanning als in 2023, minder overtredingen geconstateerd dan in 2023. In de jaarverslagen rapporteert OD Drenthe over de realisatie van de doelstellingen. De strategie voor het uitvoeren van de U&H-taken bij zorgwekkende stoffen is opgenomen in de bijlage. In bijlage 1 zijn de algemene strategieën opgenomen. In bijlage 2 staat de specifieke invulling voor zorgwekkende stoffen. 5. Bodem Dit hoofdstuk bevat de ambities van de gemeenten en provincie voor de U&H-doelstellingen ten aanzien van bodem (5.3). Om hiertoe te komen wordt in de omgevingsanalyse (5.1) inzicht gegeven in het werkveld en bij de risico’s (5.2) verdiept in de problemen en risico’s die binnen het werkveld worden geconstateerd. 5.1 Omgevingsanalyse Bij de uitvoering van de bodemtaken onder de Omgevingswet ontvangen de bevoegde gezagen onder meer gegevens en bescheiden in het kader van de informatieplicht en meldingsplicht. Het betreft bijvoorbeeld activiteiten ten aanzien van: • aanleg en gebruik van bodemenergiesystemen, • graven in bodem, • saneren van de bodem, • lozingen, • opslaan van grond of baggerspecie, • het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie en • ongewone voorvallen, zoals drugsdumpingen. De beoordeling van alle meldingen op basis van oude en nieuwe wetgeving met milieubelastende activiteiten die gevolgen hebben voor de bodem en grondwater, het toezicht tijdens werkzaamheden die in uitvoering zijn en de advisering over de sanctionering bij geconstateerde overtredingen zijn basistaken. Dit geldt ook voor de beoordeling van rapportages zoals het evaluatierapport en/of nazorgplan na afloop. De eisen ten aanzien van bodemsaneringen vóór 1-1-2024 zijn opgenomen in de Wet bodembescherming (Wbb). In dit kader ontvingen de gemeente Emmen en provincie jaarlijks aanvragen voor Wbb-saneringen en meldingen Besluit uniforme sanering (BUS) en Besluit bodemkwaliteit (Bbk). In het kader van het overgangsrecht worden ook de komende jaren nog saneringen onder de Wbb uitgevoerd. Met de Omgevingswet is het wettelijk kader dusdanig gewijzigd, dat ervaringscijfers onder de Wbb (aantallen aanvragen en meldingen en de complexiteit hiervan) niet meer bruikbaar zijn voor het maken van beleidskeuzes in het uitvoeringsniveau én het maken van een nieuwe urenraming in de jaarprogramma’s. Daarnaast is een belangrijke taak het adviseren van de verschillende bevoegde gezagen in kader van ruimtelijke ordening vraagstukken en de van toepassing zijnde wetgeving voor het onderdeel bodem maar zo ook het bijhouden van het bodeminformatiesysteem voor alle bevoegde gezagen en het uitleveren van deze informatie naar derden. Voor zowel de bevoegde gezagen als voor aannemers, adviesbureaus en initiatiefnemers is OD Drenthe een belangrijke bron van informatie over de aanwezige bodemkwaliteit, geldende wet- en regelgeving voor activiteiten met bodem én hoe hiermee omgegaan moet worden. De gemeenten beoordelen zelf archeologische en geologische aspecten van activiteiten, onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten in de bodem én het toezicht op aanlegactiviteiten. Vergunningen voor ontgrondingen (civieltechnisch deel) worden door de provincie verstrekt en de provincie verzorgt ook het toezicht hierop. Indien de ontgronde gronden worden toegepast of het ontgrondingsgebied wordt opgevuld, vindt beoordeling van de milieuaspecten van de melding/aanvraag en het bodemtoezicht door OD Drenthe plaats. 5.2 Risico’s In deze paragraaf worden de voornaamste risico’s van bodemactiviteiten beschreven. De Omgevingswet verplicht niet hoe intensief de inhoudelijk beoordeling van meldingen en rapportages én het bodemtoezicht dient plaats te vinden. Wettelijk gezien is het dus mogelijk dat de beoordeling en het toezicht beperkt blijft tot het administratief beoordelen van het evaluatierapport en/of nazorgplan na afloop van het werk. Dit minimaal uitvoeringsniveau leidt tot een groot aantal risico’s die vaak onomkeerbaar zijn. Een landelijk overzicht van de risico’s in de bodemketen, onderscheiden naar bodemonderzoek, saneren, vrij grondverzet, partijkeuring, behandelen, toepassen, storten en transport is in 2019 uitgewerkt. De Omgevingswet is een nieuw wettelijk kader, waardoor initiatiefnemers van activiteiten te maken krijgen met bestaande, nieuwe en gewijzigde eisen. Met de informatieplicht voor diverse bodemactiviteiten ontvangt OD Drenthe voor de beoordeling nog maar een beperkt aantal gegevens. Sommige gegevens hoeven niet van tevoren gemeld of verstrekt te worden bij het bevoegd gezag, maar alleen tijdens de uitvoering aanwezig te zijn. Dit betekent dat OD Drenthe laat geïnformeerd wordt, minder informatie krijgt, medewerkers weinig tijd hebben om te reageren en zij vaak pas in het veld beschikken over informatie die nodig is om efficiënt te controleren. De nieuwe wetgeving is zowel voor initiatiefnemers, uitvoerders en OD Drenthe-medewerkers een grote opgave. OD Drenthe verwacht dat veel bodemwerkzaamheden onterecht niet worden gemeld, met kans op groei van illegaliteit en milieurisico. Risico’s zijn door het (mogelijk bewust) niet melden hoger dan bij gemelde werkzaamheden. Er is veel milieuwinst te halen door het vrije veld toezicht goed en effectief in te regelen. Dit ook om het meldgedrag te verbeteren, zodat op voorhand zaken aangepast of verbeterd kunnen worden. Daar komt bij dat het toezicht alleen is uit te voeren tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, omdat dan zaken visueel te contoleren zijn. Het toezicht is niet planbaar of uit te stellen (het is nu of nooit). Administratieve controle achteraf is vaak tijdrovend en weinig effectief, omdat de toezichthouder moet uitgaan van onvolledige gegevens en/of aannames. Indien geen bodemonderzoek wordt aangeleverd bij bouwactiviteiten, ontstaat het risico dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Indien een bodemonderzoek verplicht is, dient OD Drenthe deze te beoordelen. Bij een analyse (2024) bleek dat bij veel van de onderzochte vergunningen voor de bouw van een of meerdere woningen op een bodemgevoelige locatie, geen bodemonderzoek aan OD Drenthe is voorgelegd, hoewel die wel bij de aanvraag waren ingediend of ingediend hadden moeten worden. Los van de problemen die dit oplevert in de uitvoering van een project, omdat vaak nog zaken geregeld moeten worden of veranderd moeten worden, levert dit vertraging en kosten op voor de initiatiefnemer. In veel gevallen zijn de gemeenten ook zelf initiatiefnemer. Diverse risico’s ontstaan voor mens en milieu en een ongelijk speelveld voor initiatiefnemers. Denk hierbij aan bouwen op verontreinigde grond, wat tijdens de bouw maar ook tijdens de gebruiksfase een gevaar oplevert voor de gezondheid. Ook kan dit leiden tot financiële claims, omdat de informatie wel is aangeleverd maar tijdens uitvoering pas handelend wordt opgetreden. Doordat OD Drenthe de bodemonderzoeken niet heeft ontvangen, is het bodeminformatiesysteem ook niet bijgewerkt waardoor bodemkwaliteit niet goed in beeld is. Ook voor vervolgprojecten is dit niet wenselijk, omdat er nieuw onderzoek gedaan moet worden terwijl er wel al onderzoek is uitgevoerd. Meer voorlichting door OD Drenthe aan (en afstemming met) gemeenten, provincie en inwoners/bedrijven leidt tot meer bekendheid over bodemwetgeving en daarmee tot een verbeterd meldgedrag. Op dit moment is de registratie van overtredingen die direct op locatie worden opgelost, beperkt. Er is daarnaast nog geen inzicht in het gedrag van de overtreders (als onderdeel van de LHSO-score) bij activiteiten in of op de bodem. Door een 0-meting over 2025 ontstaat inzicht in het percentage van de bodemcontroles met overtredingen, waarbij de overtreder calculerend (C) of bewust en structureel/crimineel (D) is. Juist bij deze saneringen is de impact bestuurlijk en op milieu en veiligheid het grootst. Bij deze activiteiten verwachten we, mede door inzet van OD Drenthe, minimaal een gelijkblijvend gedrag. Bij ontvangst van een melding is, op basis van ontvangen gegevens, geen goed beeld van de verwachte naleving. Hierdoor kan niet bepaald worden op welke locatie een controle meer nodig is dan elders. Doordat er veel verschillende variabelen zijn, is het (nog) niet mogelijk gebleken om vooraf in te schatten waar de grootste risico’s liggen. Op basis van ervaring en beschikbare informatie is het wel mogelijk om beschikbare uren zo effectief mogelijk in te zetten. De aandacht voor zorgwekkende stoffen in het algemeen én in de bodem in het bijzonder is de afgelopen jaren enorm toegenomen (zie ook hoofdstuk 4). CMR-stoffen (Carcinogeen, Mutageen, Reprotoxisch) in de bodem vormen ernstige gezondheids- en milieurisico’s. Ze kunnen kanker veroorzaken, DNA-schade aanrichten en de voortplanting schaden. Via grondwaterverontreiniging en opname door planten en dieren verspreiden ze zich in de voedselketen. Sommige zijn persistent en moeilijk af te breken. Dit leidt tot hoge saneringskosten, juridische aansprakelijkheid en beperkingen in grondgebruik. Preventie vereist strikte milieuregels, monitoring en saneringstechnieken zoals grondreiniging. Door bodembescherming en vroegtijdige risicobeoordeling kan verdere verspreiding en blootstelling worden beperkt. Specifieke risico’s zijn er in grondwaterbeschermingsgebieden, op IBC-werken (Isoleren, Beheersen en Controleren), passieve en actieve nazorglocaties, voormalige stortlocaties met alleen passieve nazorg, aandachtslocaties waar zorgwekkende stoffen (zoals per- en polyfluoralkylstoffen PFAS) worden opgeslagen, locaties met veel grondroerende handelingen waar veel verschillende milieu hygiënische kwaliteiten grond voorkomen, diepe boringen en op locaties met niet meer in gebruik zijnde tanks. Deze locaties zijn bij OD Drenthe in beeld, zodat bij de beoordeling van activiteiten hier bijzondere aandacht aan gegeven kan worden. 5.3 U&H-doelstelling Op basis van bovenstaande risico’s komen de gemeenten en provincie tot de volgende doelstellingen: U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 5) Bij alle bouwactiviteiten, omgevingsplanactiviteiten en gemeentelijke werkzaamheden waarvoor een bodemonderzoek nodig is, wordt een bodemonderzoek door OD Drenthe beoordeeld vóórdat de vergunning wordt verleend of melding wordt geaccepteerd. 6) De uitvoerders van activiteiten op of in de bodem vertonen in 2029 minimaal een gelijkblijvend gedrag bij overtredingen ten opzichte van 2025. In de jaarverslagen rapporteert OD Drenthe over de realisatie van de doelstellingen. De strategie voor het uitvoeren van de U&H-taken bij de bodemactiviteiten is opgenomen in de bijlage. In bijlage 1 zijn de algemene strategieën opgenomen. In bijlage 2 staat de specifieke invulling voor bodemactiviteiten. 6. Energie Dit hoofdstuk bevat de ambities van de gemeenten en provincie voor de U&H-doelstellingen ten aanzien van energie (6.3). Om hiertoe te komen wordt in de omgevingsanalyse (6.1) inzicht gegeven in het werkveld en bij de risico’s (6.2) verdiept in de problemen en risico’s die binnen het werkveld worden geconstateerd. 6.1 Omgevingsanalyse De energietransitie vraagt een forse energiebesparing en opwekking van duurzame energie. De provincie Drenthe wil in 2050 energieneutraal zijn. Ook gemeenten hebben ambities bepaald voor energiereductie en duurzame opwekking. Per 1 juli 2019 is de informatieplicht energiebesparing van kracht. Voor sommige locaties geldt aanvullend aan de informatieplicht een onderzoeksplicht en/of een EED auditplicht vanuit de Europese Energie-Efficiency Richtlijn. Over deze plichten dienen bedrijven te rapporteren aan het bevoegd gezag. Bedrijven en instellingen die per jaar meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas(equivalent) verbruiken, zijn verplicht om maatregelen door te voeren die een terugverdientijd van 5 jaar of minder hebben. De beoordeling van de rapportages in het kader van de informatie-, onderzoeks- en auditplicht, evenals het toezicht op de energiebesparing is een basistaak. 6.2 Risico’s In deze paragraaf worden de voornaamste risico’s beschreven van energieverbruik en het onvoldoende nemen van besparende en verduurzamende maatregelen. De Omgevingswet verplicht niet hoe intensief de advisering bij vergunningverlening en het toezicht op energiebesparing plaats dient te vinden. Wettelijk gezien is het dus mogelijk dat de advisering en het toezicht beperkt blijft tot het administratief beoordelen van de rapportages in het kader van informatie- en onderzoeksplicht. Dit minimaal uitvoeringsniveau leidt tot een groot aantal risico’s. Gehandhaafd kan worden op (1) het niet nemen van verduurzamende maatregelen, (2) het niet voldoen aan de informatieplicht of (3) het niet voldoen aan de onderzoeksplicht. In november 2024 hadden 1.482 milieulocaties voldaan aan de informatieplicht EML-2023. Van deze locaties is dus bekend welke energiebesparende maatregelen ze moeten nemen. OD Drenthe verwacht dat er tussen 2.000 en 3.000 milieulocaties nog moeten voldoen aan de informatieplicht. Daarnaast zijn er nog zo’n 75 milieulocaties die nog moeten voldoen aan de onderzoeksplicht. De milieulocaties die niet voldoen aan de onderzoeksplicht hebben allen een zeer groot energieverbruik. Van de milieulocaties die niet voldoen aan de informatieplicht kan het energieverbruik laag, matig, groot of zeer groot zijn. Bedrijven die niet voldoen aan energiebesparingsverplichtingen dragen minder bij aan de nationale en internationale duurzaamheidsdoelen. Daarmee staat de energietransitie onder druk. Dit kan (bestuurlijke) gevolgen hebben voor de bredere milieudoelstellingen en bijdragen aan een negatief imago van de sector. Het niet doorvoeren van energiebesparende maatregelen leidt niet tot lagere energieconsumptie en dus gelijkblijvende uitstoot van broeikasgassen. Dit draagt direct bij aan klimaatverandering en de negatieve effecten daarvan, zoals extreme weersomstandigheden, stijgende zeespiegels en verlies van biodiversiteit. Als er onvoldoende energiebesparing plaatsvindt, worden fossiele brandstoffen onnodig uitgeput. Dit draagt bij aan de uitputting van deze niet-hernieuwbare bronnen. Niet-naleving kan ook leiden tot een blijvende of grotere luchtvervuiling, wat negatieve effecten heeft op de gezondheid. Dit leidt weer tot gelijkblijvende of toenemende luchtwegziekten, hart- en vaatziekten en andere gezondheidsproblemen bij de bevolking. Op de lange termijn kunnen hogere energieconsumptie en inefficiëntie leiden tot hogere energiekosten voor de samenleving als geheel. Dit kan resulteren in hogere prijzen voor goederen en diensten en een negatieve impact op de economische groei. 6.3 U&H-doelstelling Op basis van bovenstaande risico’s komen de gemeenten en provincie tot de volgende doelstellingen: U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 7) Bedrijven en instellingen met een zeer groot (Z) energieverbruik voldoen in 2027 allen aan de Onderzoeksplicht. 8) Alle bedrijven en instellingen met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik , voldoen in 2029 aan de Informatieplicht. 9) Bedrijven en instellingen met een groot (G) of zeer groot (Z) energieverbruik, hebben bij een 2e controle op energiebesparing minimaal 90% van de verplichte energiebesparingsmaatregelen genomen. In de jaarverslagen rapporteert OD Drenthe over de realisatie van de doelstellingen. De strategie voor het uitvoeren van de U&H-taken voor energiebesparing is opgenomen in de bijlagen. In bijlage 1 zijn de algemene strategieën opgenomen. In bijlage 2 staat de specifieke invulling voor energiebesparing. 7. Monitoring en borging van kwaliteit In de U&H-strategie milieu wordt aandacht besteed aan de wijze van kwaliteitsborging, monitoring en rapportage over de geleverde prestaties. 7.1 Borging van kwaliteit Cruciaal voor het leveren van kwaliteitsproducten is de beschikbaarheid van vakmanschap en expertise en de borging van de kwaliteit. Als kwaliteitsafspraken niet worden vastgelegd, gemonitord en gerapporteerd is er een sterke mate van afhankelijkheid van de individuele medewerker. Kwaliteit wordt gezien als (1) het voldoen aan de wettelijke eisen en (2) het realiseren van de U&H-doelstellingen die met elkaar zijn afgesproken. Deze doelstellingen zijn door B&W en GS vastgesteld en geven in de kern aan wat VTH moet bijdragen aan de maatschappelijke opgaven. Elk van de Drentse gemeenten en de provincie Drenthe heeft een Verordening uitvoering en handhaving Omgevingsrecht vastgesteld. In de verordening is een verplichting opgenomen om te voldoen aan de kwaliteitscriteria. Deze criteria gelden voor de taakuitvoering door OD Drenthe, alsmede voor de taken die de gemeenten en provincie zelf uitvoeren. Ze hebben betrekking op de kwaliteit van de organisatie én medewerkers. Tevens is in de verordening een verplichting opgenomen om doelen uit te werken op de volgende onderwerpen: 1. Uitvoeringskwaliteit 2. Dienstverlening 3. Financiën Uitvoeringskwaliteit De mate waarin een product voldoet aan de juridische en organisatorische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving) en bijdraagt aan de U&H-doelstellingen. M.a.w. de inhoudelijke en organisatorische kwaliteit. Beleidsuitgangspunten: • Op organisatieniveau voldoet OD Drenthe aan de landelijk vigerende kwaliteitscriteria VTH (eisen aan opleiding, ervaring, frequentie, competenties, kennis en capaciteit van medewerkers en continuïteit van de organisatie). Jaarlijks wordt een meting uitgevoerd op het voldoen aan de kwaliteitscriteria op organisatieniveau om de uitvoeringskwaliteit beter inzichtelijk en meer voorspelbaar te maken. • Medewerkers in dienst van OD Drenthe worden door middel van een zelfevaluatie met externe verificatie getoetst aan de kwaliteitscriteria voor kritieke massa. De resultaten worden gebruikt voor een opleidingsplan. Medewerkers die worden ingehuurd overleggen ook een verklaring met onafhankelijke externe verificatie met de mate waarin voldaan wordt aan de kwaliteitscriteria voor kritieke massa. • OD Drenthe verzorgt een registratie van de mate waarin iedere medewerker voldoet aan de kwaliteitscriteria én stimuleert medewerkers te voldoen. OD Drenthe biedt medewerkers mogelijkheden zich permanent te scholen en actuele vakkennis bij te houden. • Bij alle uitspraken in bezwaar- en beroepszaken wordt een evaluatie uitgevoerd en leerpunten benoemd. • OD Drenthe hanteert termijnen; deels zijn dit wettelijke termijnen, deels servicetermijnen. Dit zijn primair termijnen voor de dienstverlening aan gemeenten en de provincie, maar werkt door naar inwoners en bedrijven. • OD Drenthe zorgt voor functiescheiding op o persoonsniveau tussen vergunningverlener en toezichthouder. Een vergunningverlener is een van de medewerkers die nadere voorwaarden stelt aan een activiteit. Het beoordelen van meldingen asbest en bodem (zonder nadere voorwaarden te stellen) kan door een vergunningverlener of een toezichthouder gebeuren. o objectniveau voor toetsing en toezicht door specialismen. • Roulatie van toezichthouders vindt plaats om een vaste handhavingsrelatie te voorkomen en kennisniveau te verdiepen. Anderzijds is voor sommige doelgroepen meer bestendigheid gewenst; frequentie van roulatie is afhankelijk van de branche en beschikbaarheid van toezichthouders. • Specialisten werken veelal binnen een specifieke regio in Drenthe. Ook hier is roulatie wenselijk om te leren van de aanpak van collega’s en continu te zorgen voor een frisse blik op de problematiek. • Functiebeschrijvingen worden bijgehouden waarin minimaal de eisen (aan de functie) zijn opgenomen en waarin bevoegdheden zijn vastgelegd. • OD Drenthe beschikt over goed functionerende en voldoende automatisering, materiaal en materieel om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. • Zaak- en procesgegevens worden geregistreerd, gebaseerd op de werkprocessen en strategieën uit voorliggend document. • Alle producten worden opgeleverd aan het bevoegd gezag voor archivering en publicatie. • Gegevens van objecten en personen worden geregistreerd met gebruik van authentieke gegevens uit basisregistraties, met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en eventuele verwerkersovereenkomsten. • Procesbeschrijvingen, protocollen en werkinstructies zijn gebaseerd op de vastgestelde strategieën en worden volledig en actueel gehouden. • Regelingen voor aanbesteding en uitbesteding zijn vastgelegd. • Een bereikbaarheids- en beschikbaarheidsregeling buiten kantoortijden is vastgesteld. • Vier ogen principe is ingebed in werkprocessen: toets door collega van alle niet-gestandaardiseerde besluiten en brieven. U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 10) Behoud van de juridische kwaliteit van besluiten op aanvragen en handhavingszaken door OD Drenthe ten opzichte van 2023. Dienstverlening De manier waarop (in communicatie, snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving, klagers etc.) omgaat. Beleidsuitgangspunten: • Goede bereikbaarheid (24-uurs piket) bij milieu-incidenten om zo spoedig mogelijk te anticiperen op calamiteiten of andere onvoorziene gebeurtenissen met negatieve gevolgen voor het milieu. • Optimaliseren van afhandeling van milieuklachten door binnen 5 werkdagen een terugkoppeling te geven aan de indiener over de ontvangst van de milieuklacht en de vervolgstappen. • Communicatie over vergunningprocedures voldoet aan de wettelijke eisen; kennisgevingen en besluiten worden bekendgemaakt. Initiatiefnemers worden bij een nieuw plan geïnformeerd over de vergunningprocedure. • In de omgang met initiatiefnemers en belanghebbenden is OD Drenthe respectvol, meedenkend en deskundig. • OD Drenthe beschikt over een agressieprotocol waarin de maatregelen, richtlijnen en procedures zijn beschreven die de organisatie hanteert om agressie en geweld te voorkomen, te beheersen en te behandelen. Dit document is bedoeld om medewerkers te beschermen tegen verbale en fysieke agressie op met name toezichtlocaties en in de omgang met belanghebbenden. U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 11) Het jaarprogramma van de OD is voor 100% gerealiseerd. Financiën De inzet van middelen in relatie tot de kwantiteit en kwaliteit van de geleverde diensten/producten. Beleidsuitgangspunten: • OD Drenthe werkt efficiënt en effectief. Met een (voor deelnemers) acceptabele inspanning wordt een zo hoog mogelijk milieurendement bereikt. • De begroting dient dekkend te zijn voor de geplande inzet op risicobeheersing en beleidsdoelrealisatie. Er wordt periodiek geïnventariseerd of de begroting voldoet aan de beide elementen. U&H-doelstelling (zie bijlage 3 voor nadere uitwerking) 12) Beschikbaarheid van voldoende middelen ieder jaar om (1) de geconstateerde risico’s aan te pakken én (2) beleidsdoelen te realiseren. 7.2 Monitoring en rapportage De uitvoering leidt tot resultaten. In hoeverre deze resultaten bijdragen aan het bereiken van de U&H-doelstellingen is object voor monitoring, evaluatie en verantwoording. Beleidsrealisatie De U&H-doelstellingen in voorliggend document zijn in bijlage 3 vertaald in SMART-indicatoren en normen. Door het meten van deze indicatoren wordt periodiek inzicht verkregen in de mate waarin doelstellingen worden gerealiseerd en kan tijdig worden bijgestuurd. De resultaten van monitoring worden jaarlijkse per U&H-doelstelling opgenomen in een rapportage van OD Drenthe. Indien de realisatie van doelstellingen achterblijft, wordt in deze rapportage opgenomen welke maatregelen hiervoor worden genomen. Deze maatregelen kunnen vervolgens in het jaarprogramma voor het volgend jaar worden opgenomen. Realisatie jaarprogramma en benutting budgetten In de accountoverleggen tussen deelnemers en OD Drenthe worden vroegtijdig signalen besproken als realisatie en/of benutting van budgetten afwijkt van het jaarprogramma en/of begroting. In periodiek overleg kan worden besproken op welke wijze kan worden bijgestuurd. In het jaarverslag wordt gerapporteerd over de realisatie van het jaarprogramma en de mate waarin de beschikbare budgetten zijn benut. Met dit jaarverslag wordt voldaan aan de wettelijke plicht om een jaarverslag op te stellen en om colleges, gemeenteraden en Provinciale Staten jaarlijks te informeren over de realisatie. Het rapporteren over realisatie van het jaarprogramma en benutting van budgetten gebeurt gedurende het jaar ook in tussentijdse rapportages. In deze rapportages wordt gerapporteerd over: • Gerealiseerde baten en lasten en prognose voor het resterend deel van het jaar; • Realisatie ten opzichte van het jaarprogramma en prognose voor de rest van het jaar; • Realisatie ten opzichte van andere jaarprogramma’s, zoals voor organisatieontwikkeling; • Bijzonderheden ten aanzien van organisatie en personeel.
Locatie
Straat en huisnummer
Raadhuisplein
Postcode
9411NB
Woonplaats
Beilen
Organisatie
Gemeente
Aanvrager
Midden-Drenthe
Producttype
overige overheidsinformatie
Startdatum
2026-01-30
Categorie: mededelingen
De categorie 'mededelingen' is een restcategorie. De inhoud hiervan is sterk wisselend per gemeente en bevat zaken zoals gedoogbesluiten, huisnummerbesluiten, agenda’s en notulen, openingstijden en verkiezingen. Geadviseerd wordt om deze categorie niet zonder additionele zoektermen te gebruiken.

Statistieken van de buurt Beilen
Hieronder vindt u een overzicht van de CBS statistieken voor deze regio.
Bevolking en demografie
Beilen heeft een totale bevolking van 9.370 inwoners. Van deze inwoners zijn 4.620 mannen en 4.755 vrouwen. De leeftijdsopbouw is divers, met 14% van de inwoners in de jongere leeftijdsgroep (0-14 jaar), 11% tussen de 15 en 24 jaar, 20% in de werkende leeftijd van 25-44 jaar, en 29% tussen 45-64 jaar. Verder behoort 26% van de inwoners tot de 65-plussers.
Verhouding man/vrouw
Leeftijdsopbouw
Huishoudens
Huishoudens en gezinsstructuur
In Beilen zijn er in totaal 4.230 huishoudens. Hiervan bestaat 35% uit eenpersoonshuishoudens, terwijl 31% huishoudens met kinderen zijn. Daarnaast zijn er 34% huishoudens zonder kinderen. Deze gegevens over huishoudens zijn belangrijk voor het plannen van woonvoorzieningen en diensten, wat bijdraagt aan een leefbare en diverse gemeenschap. De gemiddelde huishoudgrootte is 2,1 personen per huishouden.
Omgeving en bevolkingsdichtheid
In Beilen bedraagt de bevolkingsdichtheid 1.675 inwoners per vierkante kilometer, met een totaal landoppervlak van 559 hectare en een wateroppervlak van 7 hectare. Het totale oppervlakte bedraagt 566 hectare. De dichtheid van omliggende adressen is 801, wat een indicatie geeft van de stedelijke dichtheid en hoe verspreid de woningen zich bevinden in deze regio. De stedelijkheid is niveau 4.
Land vs water
Huwelijkse staat
Burgerlijke staat
In Beilen is 43% van de bevolking getrouwd, terwijl 42% ongetrouwd is. Daarnaast is 8% van de inwoners gescheiden en 8% weduwe of weduwnaar. Deze gegevens over de gezinsstructuur en burgerlijke staat geven inzicht in de samenstelling van de huishoudens en kunnen bijdragen aan gerichte beleidsvoering voor welzijn en zorg.
Diversiteit en immigratie
Beilen heeft een diverse bevolking, met 4% niet-westerse immigranten en 4% westerse immigranten. De groepen niet-westerse immigranten bestaan uit 0% Marokkaanse immigranten, 0% Surinaamse immigranten en 0% Turkse immigranten. Daarnaast vormen de immigranten van de voormalige Nederlandse Antillen en Aruba 0% van de bevolking.
Immigranten
Niet-westerse immigranten
Algemene informatie over de gemeente Midden drenthe
Algemeen
Midden-Drenthe is een gemeente in Drenthe, bekend om haar uitgestrekte natuur en landelijke dorpen. Het gebied is populair bij wandelaars en fietsers die willen genieten van rust en natuur.
Geschiedenis
Midden-Drenthe is een gemeente in Drenthe die in 1998 is ontstaan door de fusie van drie gemeentes. De regio heeft een lange geschiedenis van landbouw en turfwinning.
Geografie
Midden-Drenthe ligt in het hart van de provincie Drenthe en wordt omringd door uitgestrekte bossen, heidevelden en veengebieden. De regio biedt tal van recreatiemogelijkheden voor natuurliefhebbers.
Cultuur
De cultuur in Midden-Drenthe wordt gekenmerkt door lokale evenementen zoals de Midden-Drentse Fiets4Daagse en dorpsfeesten. De streek staat bekend om haar sterke verbondenheid met de natuur.
Algemene informatie over de provincie Drenthe
Algemeen
Drenthe is een provincie in het noorden van Nederland, bekend om haar uitgestrekte natuur, hunebedden en rustige landelijke dorpen. Het is een geliefde bestemming voor toeristen die op zoek zijn naar rust en ruimte.
Geschiedenis
Drenthe heeft een rijke prehistorische geschiedenis en staat vooral bekend om de hunebedden, oude grafmonumenten van duizenden jaren oud. De regio heeft ook een agrarisch verleden met veel kleine boerderijen.
Geografie
Drenthe is vooral bekend om haar uitgestrekte bossen, heidevelden en veengebieden. De provincie heeft een dunbevolkt karakter en biedt veel natuurreservaten zoals het Nationaal Park Dwingelderveld.
Cultuur
De cultuur van Drenthe wordt gekenmerkt door traditionele feesten, folklore en een sterke verbondenheid met de natuur. Er zijn jaarlijks tal van culturele evenementen, zoals het TT-festival in Assen.
Extra details
U&H strategie Milieu Drenthe 2026-2029 gaat over Beilen (wijk Wijk 00 Beilen) in de gemeente Midden-Drenthe, provincie Drenthe.
Provincie
Drenthe
Gemeente
Midden-Drenthe
Wijk
Wijk 00 Beilen
Buurt
Beilen
Categorie
mededelingen
Gepubliceerd op
30 jan 2026
Melding-ID
8358725
Meer bekendmakingen zoals "U&H strategie Milieu Drenthe 2026-2029"

omgeving
Terinzagelegging besluit Waterwet – Drinkwaterwinning Beilen

omgeving
Melding vuurwerk ten behoeve van het ontbranden van theater/consumentenvuurwerk, locatie Dambroeken 12 te Beilen

mededelingen
U&H strategie Milieu Drenthe 2026-2029

omgeving
Verleende vergunning plaatsen spandoeken - Midden Drenthe Nu

omgeving
Terinzagelegging ambtshalve wijziging omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit– gemeente Norg, plaatselijk bekend Amerika te Een

evenementen
Verleende evenementenvergunning - AMDG's Showavond op 14 maart 2026

omgeving
Verleende omgevingsvergunning reguliere procedure (zonder plan afwijking) - Toestemming voor het splitsen van het bedrijfspand

omgeving
Verleende omgevingsvergunning reguliere procedure (zonder plan afwijking) - Toestemming voor het verlengen van de termijn voor een kantoor unit, Eursing 2B Beilen

omgeving
Aanvraag omgevingsvergunning reguliere procedure - Aanvraag vergunning voor het vervangen van de dakkapel door een grotere aan Domcapittel 19 te Beilen

omgeving
Kennisgeving melding Besluit Bouwwerken leefomgeving (Bbl)

omgeving
Aanvraag omgevingsvergunning: gemeente Borger-Odoorn, Bosweg (kadastrale secties Borger M 1020 en Borger M 166) te Eeserveen, het vernieuwen van het bestaande mestbassin

omgeving
Aanvraag omgevingsvergunning reguliere procedure - Aanvraag vergunning voor energieopslagsysteem zonnepark Hijkerleek(tussen Hijkerleek en De Lotten)

omgeving
Aanvraag omgevingsvergunning reguliere procedure - Aanvraag vergunning voor energieopslagsysteem zonnepark Hijkerleek(tussen Hijkerleek en De Lotten)

