Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-11-04

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente Leiden

Informatie

Wijziging Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026 Besluiten: 1.De artikelsgewijze toelichting op de Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026 vast te stellen. Toelichting op de Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026 Algemeen De Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026 geeft uitvoering aan de Jeugdwet en bevat de gemeentelijke regels over onder meer de toegang tot jeugdhulp, de beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen, het persoonsgebonden budget, afstemming met andere voorzieningen, toezicht en handhaving en de kwaliteit van jeugdhulp. De verordening is integraal herzien naar aanleiding van ontwikkelingen binnen de jeugdhulp en de behoefte aan een duidelijker en juridisch steviger kader voor de uitvoering. In Holland Rijnland is, mede naar aanleiding van de aanbevelingen van de bestuurlijke Taskforce jeugdhulp, gewerkt aan een meer eenduidige afbakening van de jeugdhulpplicht. De hieruit voortgekomen regionale uitgangspunten zijn in deze verordening verwerkt, aangevuld met lokale keuzes en verduidelijkingen. Met de verordening wordt beoogd de rechtszekerheid voor jeugdigen en ouder(s) te versterken, de uitvoeringspraktijk meer duidelijkheid te bieden en de toepassing van de Jeugdwet binnen de regio waar mogelijk te uniformeren. De verordening sluit daarnaast aan bij de regionale visie op jeugdhulp Samen rondom de jeugd. Deze toelichting bevat geen zelfstandige normen. De artikelsgewijze toelichting geeft waar nodig nadere uitleg over de achtergrond, bedoeling en toepassing van de bepalingen uit de verordening. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Het aantal definities van artikel 1 is beperkt, aangezien de wet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in deze verordening. Dit zou overbodig zijn en bovendien voor verwarring kunnen zorgen als er bijvoorbeeld door een latere wetswijziging een verschil zou ontstaan tussen de omschrijving in de verordening en de wettelijke omschrijving. Hoofdstuk 2 – vormen van jeugdhulp Dit hoofdstuk vormt een nadere uitwerking van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, in onze verordening de individuele en algemene voorzieningen genoemd. Uit de Memorie van Toelichting bij artikel 2.9 van de Jeugdwet komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van de voorzieningen binnen de gemeente. In deze artikelen stelt de raad daarvoor de kaders, en noemt dat het college voor uitwerking nadere regels kan opstellen. Artikel 2.1 algemene voorzieningen Artikel 2.1 regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn. Dit betekent dat een jeugdige/ ouder(s) uit de jeugdhulpregio Holland Rijnland hier gebruik van kunnen maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de gemeente of verwijzing van een arts zoals genoemd in artikel 3.1 noodzakelijk is. De in deze verordening genoemde vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen worden in de Jeugdwet `overige voorzieningen` genoemd. Voorbeelden van algemene voorzieningen zijn: 1.buitenschoolse of naschoolse opvang of activiteiten, anders dan respijtzorg of opvang waaraan doelen zijn verbonden zoals bedoeld in artikel 2.3. van de Jeugdwet; 2.reguliere sport- en vrijetijdsvoorzieningen die toegankelijk zijn voor jeugdigen met een ondersteuningsvraag; 3.hulp bij plannen, overzicht houden en structureren en het verder ontwikkelen van executieve functies zoals het opstarten van taken en het uitvoeren van een planning zoals bijv. huiswerkbegeleiding in de markt georganiseerd; 4.Respijtzorg biedt de ouder(s) de mogelijkheid hun zorgtaken voor hun kind tijdelijk aan een ander over te dragen. Hierdoor kunnen zij af en toe vrijaf nemen van de zorg voor hun kind, waardoor zij de zorg voor hun kind beter kunnen volhouden. Respijtzorg kan eens of meermaals per kalenderjaar worden ingezet en is niet bedoeld om met regelmaat, bijvoorbeeld op een vaste dag op wekelijkse basis, de zorgtaken over te dragen. Respijtzorg is een belangrijk middel om overbelasting van de ouder(s) te voorkomen. Artikel 2.2 gemeentelijke toegang Artikel 2.2, derde lid Met ‘gemandateerd’ wordt in dit lid tot uitdrukking gebracht dat de gemeentelijke toegang vanuit haar professionele verantwoordelijkheid beoordeelt welke individuele voorziening nodig is. Dit lid verleent geen juridisch mandaat om namens het college een formeel besluit te nemen. Een dergelijk mandaat wordt, indien aan de orde, afzonderlijk geregeld in de geldende bevoegdhedenregeling. Artikel 2.2, vierde lid Outreachend werken betekent dat professionals van de gemeentelijke toegang niet afwachten tot hulpvragen worden gesteld, maar actief aanwezig zijn in de wijk en contact zoeken met gezinnen en samenwerkingspartners zoals scholen, kinderopvang en huisartsen. Hierdoor worden problemen eerder gesignaleerd en kan sneller passende ondersteuning worden geboden. Artikel 2.3 individuele voorzieningen Individuele voorzieningen zijn niet vrij toegankelijk. Voor deze voorzieningen wordt beoordeeld of de jeugdige en/of zijn ouder(s) op de betreffende jeugdhulp is aangewezen. De gemeente bepaalt welke voorzieningen algemeen toegankelijk zijn en welke als individuele voorziening worden aangemerkt. Lid 3 Waar jeugdhulp in een groep passend is gaat deze vorm van zorg voor op individuele vormen van jeugdhulp. De kracht van groepsbegeleiding is dat jeugdigen kunnen leren van en met elkaar. Het delen van kennis en ervaring draagt bij aan het vergroten van het zelfvertrouwen, zelfredzaamheid en het opbouwen van een steunnetwerk. Lid 5 Sport en reguliere vrijetijdsbesteding zijn op zichzelf geen jeugdhulp. Individuele begeleiding bij sport wordt daarom in beginsel niet vanuit de Jeugdwet vergoed. Bepalend is echter of begeleiding vanwege opgroei- en opvoedproblemen, psychische problemen of stoornissen noodzakelijk is. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat geen recht bestaat op een specifieke activiteit, maar op passende en noodzakelijke ondersteuning. Artikel 2.4 dyslexiezorg Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de Jeugdwet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de Jeugdwet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose Ernstige Dyslexie (ED) (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Artikel 2.5 vaktherapie De wet sluit niet uit dat vaktherapie, indien passend, ingezet wordt als jeugdhulp. De wet schrijft namelijk niet voor welke vormen van hulp onder jeugdhulp vallen. De wettelijke opdracht is resultaatgericht geformuleerd. De in te zetten voorziening moet de jeugdige in staat stellen gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Voor de vraag wie welke jeugdhulp nodig heeft, dient de gemeente zich te baseren op het oordeel van een ter zake deskundige en de professionele standaarden te respecteren. In lid 3 wordt aangegeven dat een voorwaarde voor de inzet van vaktherapie is dat er "geen alternatief beschikbaar" is, dit betekent echter niet dat eerst alle andere behandelvormen moeten zijn doorlopen. Het gaat erom dat voor de betreffende hulpvraag geen passend en gelijkwaardig alternatief voorhanden is. Met het oog op de kwaliteitsborging en artikel 5.1.1, tweede lid, van het Besluit Jeugdwet zijn aan de inzet van vaktherapie een aantal voorwaarden gesteld. Zo moet de vaktherapie worden uitgevoerd door een professional die beschikt over een adequate opleiding. Het gaat om een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie erkende opleiding op HBO/master niveau voor vaktherapie of een door de desbetreffende beroepsverenigingen voor vaktherapeutische beroepen (aangesloten bij de Federatie Vaktherapeutische Beroepen) erkende bachelor of masteropleiding in een van de vaktherapeutische beroepen of een door de beroepsverenigingen erkende buitenlandse bachelor of masteropleiding. Ook beoordeelt het college of de inzet van vaktherapie als losse interventie een noodzakelijke bijdrage levert aan de geboden jeugdhulp en wint zij daartoe advies in bij de behandelaar of medewerker van de toegang met het oog op de totale behandeling die wordt geboden. Aanvullend is als voorwaarde gesteld dat de vaktherapeut (die in beginsel niet SKJ-geregistreerd is) geregistreerd moet zijn in het Register Vaktherapie of dat de vaktherapie alleen wordt ingezet onder verantwoordelijkheid van een regiebehandelaar. Hoofdstuk 3 – toegang jeugdhulp anders dan via de gemeente Artikel 3.1 toegang jeugdhulp via het medisch domein Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de algemene voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouder(s) na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouder(s) kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 7). Artikel 3.2 verwijzing door de familierechter Een oordeel van de familierechter dat jeugdhulp noodzakelijk is, geeft niet rechtstreeks toegang tot een individuele voorziening. Anders dan bij een verwijzing door een gecertificeerde instelling, beoordeelt het college zelf of een individuele voorziening noodzakelijk is. Daarbij wordt de ondersteuningsvraag getoetst aan de voorwaarden uit de verordening. Voor zover dit voor een zorgvuldig oordeel noodzakelijk is, stemt het college af met relevante betrokkenen. Artikel 3.3 toegang jeugdhulp via gecertificeerde instellingen Het artikel gaat over de verplichtingen die de gemeente heeft als er een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd door de rechter. Zowel de kinderbeschermingsmaatregel als de jeugdreclassering worden uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. De jeugdbeschermer en jeugdreclassering mogen in het kader van de maatregel, besluiten tot inzet van jeugdhulp. Dat de jeugdbeschermer en de jeugdreclasseerder overlegd met het college van de gemeente waar de jeugdige een woonplaats heeft staat in artikel 3.5 van de Jeugdwet. Hoofdstuk 4 – Toegang jeugdhulp via de gemeente Artikel 4.1 aanvraag Dit artikel regelt de start van de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente kan worden onderverdeeld in verschillende stappen (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Deze stappen zijn in dit artikel en de daaropvolgende artikelen uitgewerkt om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Vierde lid Bij de beoordeling van de aanvraag stemt het college af met andere beschikbare of reeds verleende voorzieningen. Hiermee wordt beoordeeld welke ondersteuning passend is en kunnen voorzieningen waar nodig in samenhang worden ingezet. Vijfde lid Deze bepaling regelt de inzet van jeugdhulp in spoedeisende situaties. Als onmiddellijke inzet van hulp nodig is en het besluit niet kan worden afgewacht, kan een tijdelijke individuele voorziening worden getroffen voordat het onderzoek is afgerond. Het besluit over de inzet van de hulp wordt vervolgens zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vastgelegd in een beschikking. Landelijke Aanmelding en Registratie Route (LARR) Voor de aanmelding van jeugdigen bij jeugdhulp wordt aangesloten bij de Landelijke Aanmelding en Registratie Route (LARR). Binnen LARR is het Landelijk Aanmeldformulier Jeugdhulp ontwikkeld als landelijke standaard voor verwijzers vanuit onder meer de lokale toegang en gecertificeerde instellingen en voor jeugdhulpaanbieders. Het formulier ondersteunt een zorgvuldige en eenduidige overdracht van informatie tussen verwijzer en jeugdhulpaanbieder en heeft mede tot doel de administratieve lasten in het aanmeldproces te verminderen. Het Landelijk Aanmeldformulier Jeugdhulp maakt onderdeel uit van de werkwijze van de gemeentelijke toegang. Artikel 4.2 onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste en tweede lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouder(s) er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouder(s) te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, rov. 4.3.1.). Derde lid Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouder(s) al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar. Artikel 4.3 identificatie Het college maakt op grond van de wet gebruik van het burgerservicenummer bij de toeleiding naar, advisering over, bepaling van of het inzetten van een voorziening op het gebied van jeugdhulp (artikel 7.4.0, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet). Op grond van artikel 12 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer is het college verplicht zich hierbij te vergewissen van het feit dat het burgerservicenummer betrekking heeft op de persoon van wie de persoonsgegevens worden verwerkt. De wet kent in dit verband ook een verplichting tot het vaststellen van het burgerservicenummer van de jeugdige bij het eerste contact door raadpleging van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, tenzij de gegevens zijn verkregen uit een betrouwbare bron waarbij mag worden aangenomen dat die deze controle al heeft uitgevoerd (artikelen 7.2.2 en 7.2.3 van de wet; en Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 210). De wet en de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer kennen geen identificatieplicht. Het is voor de vergewisplicht niet verplicht om een identiteitsbewijs op te vragen. Er moet een afweging worden gemaakt in hoeverre het noodzakelijk en evenredig is om een identiteitsbewijs te vragen of dat kan worden volstaan met een minder verstrekkende methode, zoals het stellen van een aantal controlevragen die middels het systeem gecontroleerd kunnen worden. Het is aan het college om deze afweging te maken. Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest, omdat een groot deel van de doelgroep jonger dan 14 jaar is en dus niet wettelijk verplicht is om over een identificatiemiddel te beschikken, en de risico’s klein worden geacht. Wel laat de wetgever in elk geval de optie open dat er een identiteitsbewijs wordt gevraagd als het college dit nodig acht, gelet op de aard en de zwaarte van de zorg. Ook kunnen jeugdigen via hun ouder(s) geïdentificeerd worden, doordat deze ouder(s) wel over een identiteitsbewijs beschikken (Kamerstukken II 2012/13, 33 674, nr. 3, p. 7-8; en Kamerstukken II 2013/14, 33 674, nr. 6, p. 6-7). Van het college wordt verwacht dat het hier in de evenredigheidsbeoordeling rekening mee houdt. Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet bevat de verordening regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling voorziet hier mede in. Het tweede lid benoemt een aantal concrete zaken waarmee het college bij de afweging in elk geval rekening houdt, onverminderd de wettelijke vergewisplicht. Het gaat om de zwaarte van de voorziening, het belang van het voorkomen van fraude (misbruik of oneigenlijk gebruik) en de noodzaak van het vaststellen van het gezag over de jeugdige. Deze laatste categorie is van belang op het moment dat de voorziening bedoeld is ten behoeve van de jeugdige zelf en degene(n) met gezag hiervan op de hoogte moeten zijn en hiermee in moeten stemmen. Voor een voorziening ten behoeve van de ouder(s), zoals opvoedondersteuning, geldt dit onderdeel c niet. Artikel 4.4 het ondersteuningsplan Het ondersteuningsplan vormt de schriftelijke uitwerking van de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in artikel 4.2. In het ondersteuningsplan wordt vastgelegd welke hulpvraag is vastgesteld, welke doelen worden nagestreefd en welke ondersteuning nodig wordt geacht om deze doelen te bereiken. Het ondersteuningsplan geeft daarmee richting aan de uitvoering van de hulpverlening en biedt duidelijkheid voor de jeugdige, de ouder(s), de gemeente en betrokken professionals. Eerste lid De resultaten van het onderzoek worden opgenomen in een ondersteuningsplan. Het ondersteuningsplan vormt een overzichtelijke weergave van de situatie van de jeugdige en het gezin, de ondersteuningsbehoefte en de voorgestelde inzet van hulp en ondersteuning. Hiermee wordt geborgd dat de uitkomsten van het onderzoek zorgvuldig worden vastgelegd en navolgbaar zijn voor alle betrokkenen. Tweede lid In het ondersteuningsplan worden niet alleen de uitkomsten van het onderzoek opgenomen, maar ook de afspraken die nodig zijn voor een doelgerichte uitvoering van de ondersteuning. Daarom worden in ieder geval de beoogde doelen, resultaten en de verwachte duur van de ondersteuning opgenomen. Daarnaast wordt vastgelegd op welke momenten en op welke wijze de voortgang wordt besproken. Indien sprake is van casusregie wordt opgenomen wie deze rol vervult en hoe deze persoon bereikbaar is. Hiermee wordt voor jeugdige, de ouder(s) en betrokken professionals duidelijk wie verantwoordelijk is voor de coördinatie van de ondersteuning. Wanneer een buddy betrokken is bij het traject, wordt deze eveneens opgenomen in het ondersteuningsplan. De buddy kan gedurende het traject een ondersteunende en verbindende rol vervullen voor de jeugdige en bijdragen aan continuïteit en overzicht binnen het hulpverleningstraject. Derde lid Het ondersteuningsplan wordt binnen zes weken na het eerste gesprek met de jeugdprofessional verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s). Hiermee wordt gewaarborgd dat de resultaten van het onderzoek tijdig worden vastgelegd en dat betrokkenen snel beschikken over duidelijkheid over de voorgestelde ondersteuning. Vierde en vijfde lid Het ondersteuningsplan wordt opgesteld in samenspraak met de jeugdige en zijn ouder(s). Zij krijgen de gelegenheid om opmerkingen, aanvullingen of correcties aan te dragen. Indien zij zich niet kunnen vinden in de uitkomsten van het onderzoek, wordt dit in het ondersteuningsplan vermeld, inclusief de redenen daarvoor. Hiermee wordt zichtbaar dat het ondersteuningsplan een zorgvuldige weergave vormt van zowel de bevindingen van de gemeente als het standpunt van de jeugdige en zijn ouder(s). Deze werkwijze sluit aan bij het uitgangspunt dat jeugdigen en de ouder(s) actief worden betrokken bij de besluitvorming over de ondersteuning die zij ontvangen. Zesde lid Door ondertekening van het ondersteuningsplan kunnen jeugdige en/of ouder(s) aangeven dat zij kennis hebben genomen van de inhoud van het plan of dat zij met de inhoud instemmen. Ondertekening voor gezien betekent niet automatisch dat zij akkoord zijn met de inhoud. Indien geen overeenstemming bestaat over (onderdelen van) het plan, wordt dit overeenkomstig het vijfde lid in het ondersteuningsplan vastgelegd. Een ondertekend ondersteuningsplan wordt aangemerkt als aanvraag op grond van de Jeugdwet, zie artikel 4.5. Zevende lid Het ondersteuningsplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking. Hierdoor vormen de in het ondersteuningsplan vastgelegde onderzoeksresultaten, doelen, resultaten en afspraken gezamenlijk de motivering en onderbouwing van het besluit. Dit draagt bij aan een zorgvuldig, transparant en navolgbaar besluitvormingsproces. Artikel 4.5 termijnen behandeling aanvraag Eerste en tweede lid De termijn van acht weken sluit aan bij de algemene regeling voor beslistermijnen in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college neemt uiterlijk binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit. Indien het niet mogelijk is binnen deze termijn te beslissen, worden de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarover vóór het verstrijken van de termijn schriftelijk geïnformeerd. Daarbij wordt aangegeven waarom het besluit is vertraagd en binnen welke termijn alsnog een besluit wordt genomen. Derde lid In spoedeisende gevallen kan de uitkomst van de reguliere aanvraagprocedure niet altijd worden afgewacht. In dat geval treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Artikel 4.1, vijfde lid, regelt nader dat het besluit over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, wordt vastgelegd in een beschikking. Artikel 4.6 deskundigheid en vergewisplicht Eerste lid Het onderzoek wordt uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van een SKJ-geregistreerde jeugdhulpprofessional. Hiermee wordt geborgd dat het onderzoek plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van een professional die beschikt over aantoonbare vakkennis en die onderworpen is aan professionele kwaliteitsnormen en tuchtrecht. Tweede lid Niet iedere hulpvraag vereist dezelfde deskundigheid. De SKJ-geregistreerde jeugdhulpprofessional beoordeelt daarom of aanvullende expertise noodzakelijk is om tot een zorgvuldig oordeel te komen over de benodigde jeugdhulp. Afhankelijk van de aard van de problematiek kan het nodig zijn om een andere deskundige te betrekken bij het onderzoek. In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld. Het inzetten van aanvullende deskundigheid draagt eraan bij dat de ondersteuningsbehoefte zorgvuldig wordt vastgesteld en dat de voorgestelde ondersteuning aansluit bij de aard en ernst van de problematiek. Derde lid Om inzichtelijk en controleerbaar te maken hoe het onderzoek tot stand is gekomen, wordt in het ondersteuningsplan opgenomen welke deskundigheid bij het onderzoek is betrokken. Hierdoor ontstaat voor de jeugdige, de ouder(s) en eventuele andere betrokken professionals duidelijkheid over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd en welke deskundigen hebben bijgedragen aan de beoordeling van de hulpvraag. Vierde lid Het college blijft verantwoordelijk voor een zorgvuldige voorbereiding van het besluit. Daarom dient het college zich ervan te vergewissen dat het onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, dat de betrokken deskundige beschikt over de benodigde kwalificaties en dat de conclusies logisch voortvloeien uit de onderzoeksbevindingen. Daarbij beoordeelt het college onder meer of het onderzoek volledig is geweest, of de gebruikte gegevens actueel en betrouwbaar zijn en of de uit het onderzoek getrokken conclusies navolgbaar zijn. Hoofdstuk 5 – voorwaarden individuele voorzieningen jeugdhulp Artikel 5.1 Criteria voor het verstrekken van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt. Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Het college onderzoekt wat de jeugdige en/of ouder(s) zelf kunnen doen. Dit noemen we ook wel eigen kracht. Vervolgens kijkt het college of een algemene voorziening of een andere voorliggende voorziening een oplossing biedt voor de hulpvraag. Een algemene voorziening gaat voor op een individuele voorziening. Als een algemene voorziening passend en toereikend is voor de hulpvraag van de jeugdige, hoeft het college geen individuele voorziening te verstrekken. Hetzelfde geldt als de jeugdige en/of ouder(s) gebruik kunnen maken van een passende voorliggende voorziening. Inzet van een individuele voorziening vormt daarmee een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met andere mogelijkheden of voorzieningen. Voorwaarde is wel dat een dergelijke voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan kan de voorziening wel aan deze criteria voldoen. Als de eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en beschikbare algemene of voorliggende voorzieningen ontoereikend zijn, beoordeelt het college of een individuele voorziening noodzakelijk, toereikend en proportioneel is, bijdraagt aan de gestelde resultaatgebieden en of sprake is van een redelijk perspectief op effectiviteit. Doeltreffendheid Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en, waar beschikbaar, wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet-effectieve interventie. Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij de beoordeling van de doeltreffendheid kan het college, zoals in het artikel is bepaald, gebruikmaken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut, de Richtlijnen Jeugdhulp en de GGZ-standaarden. Artikel 5.2 Beoordeling (boven) gebruikelijke hulp en eigen kracht In de wetgeving is niet bepaald wat precies onder eigen kracht moet worden verstaan. Het begrip komt op verschillende plekken terug in de parlementaire geschiedenis. Daaruit blijkt dat de kern is dat de ouder(s) op de eerste plaats zelf verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Hebben zij zelf mogelijkheden om de problemen het hoofd te bieden, dan is een voorziening niet nodig (zie bv. TK 2012-2013, 33684, nr. 3, p. 135 e.v.). Het is aan gemeenten overgelaten om dit begrip verder in te vullen. Conform rechtspraak van de CRvB (CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1095, CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096 en CRVB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097) moet dit in de verordening. De gemeenteraad moet in de verordening uitleggen wat eigen kracht is, welke voorwaarden daarbij gelden en wat de afwegingsfactoren zijn om dit vast te stellen. Artikel 5.2 geeft hieraan invulling en bevat het afwegingskader aan de hand waarvan het college beoordeelt of sprake is van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Vierde lid Bij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt tevens betrokken of de hulpvraag samenhangt met opvoedingsopgaven of normale uitdagingen die passen bij de ontwikkeling van een jeugdige. Hiervoor wordt aangesloten bij de in bijlage 1 opgenomen opvoedingsopgaven en normale uitdagingen uit de uitgave Opgroeien en opvoeden van het Nederlands Jeugdinstituut. Als daarvan sprake is, wordt in beginsel uitgegaan van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. De individuele omstandigheden blijven daarbij bepalend; uit het onderzoek kan blijken dat ondersteuning desondanks noodzakelijk is. Artikel 5.3 Voorliggende voorzieningen Dit artikel regelt de afbakening tussen de Jeugdwet en andere wettelijke regelingen die voorzien in zorg en ondersteuning. Uitgangspunt is dat geen voorziening op grond van de Jeugdwet wordt verstrekt wanneer voor dezelfde problematiek een passende aanspraak bestaat op grond van een andere wet. Hiermee wordt dubbele bekostiging voorkomen en wordt aangesloten bij het wettelijk uitgangspunt dat de meest passende wettelijke regeling wordt toegepast. Artikel 5.4 Duur, herbeoordeling en beëindiging Dit artikel bevat regels over de duur en intensiteit van een individuele voorziening en over de omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot herbeoordeling of beëindiging daarvan. Uitgangspunt is dat jeugdhulp niet langer of intensiever wordt ingezet dan noodzakelijk, maar ook niet korter of minder intensief dan nodig is om passende en toereikende hulp te bieden. De aard, omvang en duur van de voorziening zijn daarom steeds afhankelijk van de individuele situatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en de uitkomsten van het onderzoek naar de hulpvraag. Eerste en tweede lid De duur en intensiteit van een individuele voorziening worden afgestemd op wat nodig is om het beoogde resultaat te bereiken. Daarbij wordt niet uitsluitend gekeken naar de aard van de problematiek, maar naar de omstandigheden in hun onderlinge samenhang. Onder meer de ernst van de problematiek, de ontwikkelbehoefte van de jeugdige of het gezin, het beoogde resultaat, de frequentie die nodig is om dat resultaat te bereiken en de veiligheidssituatie zijn daarbij relevant. De genoemde factoren zijn niet limitatief; ook andere omstandigheden kunnen bij de individuele beoordeling worden betrokken. De duur en intensiteit worden daarmee op basis van maatwerk bepaald. Algemene uitgangspunten over bijvoorbeeld de gebruikelijke duur of intensiteit van een bepaalde vorm van jeugdhulp kunnen bij de beoordeling worden betrokken, maar kunnen een individuele beoordeling van wat noodzakelijk is niet vervangen. Bij toegang via een huisarts, medisch specialist of jeugdarts wordt de concrete invulling van de jeugdhulp door de jeugdhulpaanbieder vanuit diens professionele verantwoordelijkheid bepaald, met inachtneming van de regels uit deze verordening en de afspraken die met de gemeente zijn gemaakt. Derde lid Een eenmaal toegekende voorziening hoeft niet gedurende de gehele looptijd ongewijzigd passend te blijven. Een herbeoordeling vindt daarom plaats wanneer gewijzigde omstandigheden, het uitblijven van resultaten, de veiligheidssituatie of andere relevante signalen daartoe aanleiding geven. Een herbeoordeling is gericht op de vraag of de toegekende voorziening nog steeds noodzakelijk, passend en toereikend is en of de aard, omvang, intensiteit of duur daarvan moet worden aangepast. Een herbeoordeling betekent niet dat de voorziening automatisch wordt gewijzigd of beëindigd. Wanneer uit de herbeoordeling blijkt dat wijziging of beëindiging aan de orde is, wordt beoordeeld welke gevolgen dit heeft voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en welk besluit gelet op alle omstandigheden van het individuele geval passend is. Vierde lid Een voorziening wordt beëindigd wanneer deze niet langer noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat het beoogde resultaat is bereikt of de jeugdige en/of zijn ouder(s) de benodigde ondersteuning inmiddels op een andere passende wijze kunnen ontvangen. Ook het beschikbaar komen van een voorliggende voorziening kan aanleiding zijn voor beëindiging, voor zover deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar, passend en toereikend is voor de betreffende hulpvraag. Het niet nakomen van aan de voorziening verbonden verplichtingen of misbruik of oneigenlijk gebruik kan eveneens aanleiding geven tot beëindiging. Beëindiging op deze gronden kan niet zonder individuele beoordeling plaatsvinden. Het college betrekt daarbij de aard en ernst van de gedraging, de oorzaak daarvan, de gevolgen van beëindiging voor de jeugdige en/of zijn ouder(s) en de overige relevante omstandigheden. Een besluit tot beëindiging moet zorgvuldig worden voorbereid en evenredig zijn. Voor zover beëindiging samenhangt met herziening of intrekking van een eerder genomen besluit, zijn tevens de bepalingen van hoofdstuk 9 over herziening, intrekking en terugvordering van toepassing. Artikel 5.5 Vervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. Als uitgangspunt geldt dat de ouder(s) in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Lid 3 verduidelijkt wanneer sprake is van een medische noodzaak die een vervoersvoorziening kan rechtvaardigen. Lid 4 verduidelijkt wanneer er sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid die een vervoersvoorziening kunnen rechtvaardigen. Daarbij geldt als uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de begeleiding en het vervoer van hun kind. Het college beoordeelt in iedere individuele situatie of er omstandigheden zijn waardoor redelijkerwijs niet van ouders of het sociaal netwerk kan worden verwacht dat zij deze verantwoordelijkheid op zich nemen. Lid 5 bepaalt dat een passende voorziening waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, voorrang heeft boven een vergelijkbare individuele voorziening waarvoor wel vervoer noodzakelijk is. Het college beoordeelt hierbij of de betreffende voorziening passend is voor de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Alleen wanneer de voorliggende voorziening niet passend of toereikend is, kan een voorziening waarvoor vervoer nodig is in aanmerking komen. Hoofdstuk 6 – Beschikking Artikel 6.1 Beschikking Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouder(s) en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het tweede lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb. Het verslag van het onderzoek komt in het ondersteuningsplan waardoor het een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en de motivering van het besluit vormt. Hierdoor wordt dit ondersteuningsplan ook aan de beschikking toegevoegd. Hoofdstuk 7 – persoonsgebonden budget Artikel 7.1 Algemene bepalingen en voorwaarden voor een pgb Een persoonsgebonden budget (pgb) is een budget waarmee een jeugdige of zijn ouder(s) zelf jeugdhulp kan inkopen. Het pgb is geregeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. Eerste lid Het college kan een pgb verstrekken voor het inkopen van jeugdhulp die passend, veilig, toereikend en doelmatig is. Het pgb wordt via het trekkingsrecht beheerd en uitbetaald door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Het budget wordt niet op de rekening van de budgethouder gestort; de SVB voert de betalingen aan de zorgverleners uit. Tweede lid Een pgb wordt uitsluitend verstrekt als aan de voorwaarden uit de Jeugdwet en deze verordening wordt voldaan. De voorwaarden ten aanzien van het pgb-plan, de pgb-vaardigheid en de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp worden in de volgende artikelen nader uitgewerkt. Derde lid De omvang van het pgb wordt gebaseerd op de vastgestelde noodzakelijke hulp, de geldende tarieven voor formele en informele hulp en een doelmatige besteding van middelen. De regels over de hoogte van het pgb zijn nader uitgewerkt in artikel 7.6. Vierde lid Het vierde lid benoemt de gronden waarop het college een pgb kan weigeren. Bij de beoordeling of passende hulp in natura beschikbaar is, gaat het om de vraag of de beschikbare individuele voorziening in natura voor de jeugdige of zijn ouder(s) passend is. De voorwaarden voor het verkrijgen van een pgb zijn nader uitgewerkt in artikel 7.2. Vijfde lid Bij hulp vanuit het sociaal netwerk beoordeelt het college aanvullend of geen overbelasting, afhankelijkheid of onveiligheid ontstaat, of de hulp niet onder gebruikelijke hulp valt en of kwaliteit en continuïteit voldoende zijn gewaarborgd. De beoordeling van gebruikelijke hulp en eigen kracht is nader uitgewerkt in artikel 5.2. Artikel 7.2 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt. Eerste lid Wanneer een jeugdige of zijn ouder(s) naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn voorzien van een motivering aan de hand van de tien punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 7.3. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: 1.de jeugdige of zijn ouder(s) zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van hun belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; 2.de jeugdige of zijn ouder(s) stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en 3.de individuele voorziening die men wil inkopen is van goede kwaliteit. Derde lid In het derde lid wordt niet limitatief geregeld wanneer een pgb niet wordt verstrekt omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg voldoende is. Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is. Dit is imperatief geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb op een verantwoorde manier wordt verleend. Vijfde lid Voor informele hulp wordt alleen een pgb verstrekt voor de in dit lid genoemde vormen van jeugdhulp. Deze afbakening houdt verband met de doelmatigheid van de geboden hulp in combinatie met de complexiteit van de problematiek bij de andere vormen van jeugdhulp. Het college kan hiervan afwijken als het belang van het kind daartoe aanleiding geeft. Artikel 7.3 Pgb-vaardigheid Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de Jeugdwet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De pgb-vaardigheid wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst; het oordeel van het college is hierin leidend. Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt om verschillende vaardigheden. Deze zijn door het Ministerie van VWS uitgewerkt in de ‘10 punten pgb-vaardigheid’. In dit artikel wordt daarbij aangesloten. Het gaat onder meer om het hebben van inzicht in de hulpvraag en doelstellingen, het kennen en begrijpen van de regels en verplichtingen die bij een pgb horen, het voeren van een administratie, het maken en vastleggen van afspraken met zorgverleners, het beoordelen van de kwaliteit van de geleverde hulp, het coördineren van de inzet van zorgverleners en het kunnen optreden als werk- of opdrachtgever. Als de budgethouder niet zelf over alle benodigde vaardigheden beschikt, kan hierbij ondersteuning worden geboden of kunnen, indien van toepassing, de aan het pgb verbonden taken worden uitgevoerd door een budgetbeheerder. Ook de budgetbeheerder moet voldoen aan de gestelde eisen en wordt getoetst op de pgb-vaardigheid. Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of budgetbeheerder in beginsel niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden zijn een signaal bij de beoordeling van de pgb-vaardigheid. In een afwijzende beschikking moet de beoordeling per individueel geval goed worden onderbouwd en gemotiveerd. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. Het beheer van het pgb door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert, kan een onafhankelijke uitvoering van de aan het pgb verbonden taken in de weg staan. Daarom wordt de budgethouder of budgetbeheerder in deze situatie in beginsel niet in staat geacht het pgb verantwoord te beheren, tenzij het college hiervoor toestemming heeft verleend of de persoon eerste- of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige. Schuldenproblematiek kan een aanwijzing zijn dat de voor het beheren van een pgb benodigde financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden onvoldoende aanwezig zijn. Signalen hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat iemand in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit of onder bewind staat. Ernstige verslavingsproblematiek kan van invloed zijn op het vermogen om regie te voeren over een pgb en de daaraan verbonden taken op een stabiele en verantwoorde wijze uit te voeren. Bij aangetoonde fraude in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag kan het eerdere frauduleuze handelen aanleiding geven om te beoordelen of de budgethouder of budgetbeheerder in staat is het pgb verantwoord te beheren. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een vastgestelde blijvende cognitieve stoornis kan eveneens van invloed zijn op het vermogen om de aan een pgb verbonden taken verantwoord uit te voeren. Bij een blijvende cognitieve stoornis kan bijvoorbeeld worden gedacht aan dementie of de gevolgen van niet-aangeboren hersenletsel. Ook wanneer iemand onvoldoende in staat is om, al dan niet met ondersteuning, de aan het pgb verbonden rechten en verplichtingen te begrijpen en na te komen, kan sprake zijn van onvoldoende pgb-vaardigheid. Daarbij wordt overeenkomstig het artikel betrokken of met ondersteuning, vertegenwoordiging of budgetbeheer alsnog een verantwoord beheer van het pgb kan worden geborgd. Tot slot wordt het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) betrokken bij de beoordeling van de pgb-vaardigheid. Artikel 7.4 Formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Eerste lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden wordt voldaan. De hulp wordt dan verleend door een persoon die werkzaam is bij een instelling, door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp'er) of door een persoon die is ingeschreven in het BIG-register of het register als bedoeld in artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet. Bij een instelling of zzp'er geldt dat deze voor de uit te voeren taken of werkzaamheden moet zijn ingeschreven in het Handelsregister en dat de hulpverlener beschikt over de relevante diploma's die nodig zijn voor de desbetreffende taken. Een voorwaarde voor het toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die wordt ingekocht van goede kwaliteit is. De kwaliteitseisen voor jeugdhulp die met een pgb wordt ingekocht, zijn nader uitgewerkt in artikel 7.5. Tweede lid Informele hulp is hulp die wordt geboden door bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad van de budgethouder of door personen die niet voldoen aan de criteria voor formele hulp uit het eerste lid. In de praktijk gaat het hierbij veelal om personen uit het sociale netwerk. Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad is altijd sprake van informele hulp. Ook als deze persoon beroepsmatig in de zorg werkzaam is, over relevante diploma's beschikt of BIG- of SKJ-geregistreerd is, wordt de hulp in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook bloed- en aanverwanten met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een persoonlijke of affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Bloed- en aanverwanten Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorouder(s), erkenning, gerechtelijke vaststelling van het ouderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn (adoptie)ouder(s) en (adoptie)kinderen. Bloedverwanten in de tweede graad zijn grootouder(s), kleinkinderen, broers en zussen. Aanverwantschap ontstaat door huwelijk of geregistreerd partnerschap met een bloedverwant. De graad van aanverwantschap is gelijk aan de graad van bloedverwantschap tussen de echtgenoot of geregistreerd partner en diens bloedverwant. Onder aanverwanten in de eerste of tweede graad kunnen bijvoorbeeld schoonouder(s), schoonkinderen, zwagers en schoonzussen vallen. Artikel 7.5 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend, zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder(s). Eerste en tweede lid In het eerste lid zijn de kwaliteitseisen opgenomen die gelden voor de uitvoerder van jeugdhulp die met een pgb wordt ingekocht. Het tweede lid bevat aanvullende kwaliteitseisen voor de uitvoerder van formele jeugdhulp. Voor het onderscheid tussen formele en informele hulp wordt verwezen naar artikel 7.4. Derde lid Voor de beoordeling of informele jeugdhulp verantwoord kan worden ingezet, wordt aangesloten bij het afwegingskader voor verantwoorde werktoedeling uit het Kwaliteitskader Jeugd. Als uit dit afwegingskader volgt dat voor de betreffende hulp formele jeugdhulp noodzakelijk is, wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt. Artikel 7.6 Hoogte pgb In de verordening moet worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de Jeugdwet). Daarbij geldt dat de hoogte van het pgb toereikend moet zijn om de benodigde jeugdhulp in te kunnen kopen. Dit geldt ook als de hulp wordt betrokken van iemand uit het sociaal netwerk. De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar is ook van toepassing op de Jeugdwet (Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092). Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt het tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Eerste lid Voor formele hulp zijn de pgb-tarieven afgeleid van de tarieven voor zorg in natura. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een professional in dienst van een jeugdhulpaanbieder en een zelfstandige zonder personeel (zzp'er). Voor een professional in dienst van een jeugdhulpaanbieder geldt maximaal 90% en voor een zzp'er maximaal 80% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. Er wordt een gedifferentieerd tarief gehanteerd omdat bij met een pgb ingekochte jeugdhulp niet alle kosten hoeven te worden gemaakt die verbonden zijn aan gecontracteerde zorg in natura. Voor zzp'ers wordt een lager tarief gehanteerd vanwege de doorgaans lagere overheadkosten. De maximale formele pgb-tarieven worden jaarlijks per 1 januari geïndexeerd overeenkomstig de jaarlijkse indexering van de tarieven voor zorg in natura voor jeugdhulp in Holland Rijnland. Dit is nader uitgewerkt in de nadere regels. Tweede lid Voor informele hulp geldt een tarief van minimaal 100% van het wettelijk minimumloon. Omdat het bij informele hulp veelal gaat om hulp uit het sociaal netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de persoonlijke of affectieve relatie, is een tarief op basis van het wettelijk minimumloon passend geacht. Het informele pgb-tarief wordt overeenkomstig de nadere regels per 1 januari en 1 juli aangepast aan het op die datum geldende wettelijk minimumuurloon. Derde lid Als uit het pgb-plan blijkt dat passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht dan het maximumtarief, kan worden uitgegaan van dit lagere tarief. Daarbij kan rekening worden gehouden met de aard en kostenstructuur van de aanbieder. Zo kunnen zelfstandige zorgverleners minder overheadkosten hebben dan grotere zorgaanbieders. Het uitgangspunt blijft dat het vastgestelde pgb toereikend moet zijn om de noodzakelijke jeugdhulp daadwerkelijk te kunnen inkopen. Vierde lid Voor logeeropvang door een persoon uit het sociaal netwerk wordt aangesloten bij artikel 8ab van de Regeling Jeugdwet. De hoogte van het pgb voor deze vorm van informele hulp wordt overeenkomstig die regeling bepaald. Vijfde lid Bij de vaststelling van de tarieven als bedoeld in het tweede, derde en vierde lid geldt dat deze toereikend moeten zijn om binnen het budget ook de bij wet verplichte werkgeverslasten te kunnen voldoen. Artikel 7.7 Niet vergoedbare kosten en uitgesloten van pgb Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. In dit artikel is bepaald welke kosten niet afzonderlijk worden vergoed of van vergoeding vanuit het pgb zijn uitgesloten. Eerste lid Het pgb-tarief is een all-in tarief. Dit betekent dat overhead- en bijkomende kosten die samenhangen met het verlenen van de jeugdhulp in het tarief zijn inbegrepen. Hiervoor wordt geen aanvullend budget verstrekt. Het gaat bijvoorbeeld om kosten voor scholing, maaltijden, entreegelden, administratie- en vervoersmiddelen. Tweede lid Een pgb is niet bedoeld voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een budgetbeheerder of andere persoon die ondersteuning biedt bij het aanvragen of beheren van het pgb wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten zoals administratie-, bemiddelings- en coördinatiekosten worden niet vanuit het pgb betaald. Kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan het indienen van de aanvraag komen niet voor vergoeding in aanmerking, tenzij artikel 7.8 van toepassing is. Als sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, is er nog geen sprake van jeugdhulp die op basis van het reguliere onderzoek en de daaropvolgende besluitvorming in de vorm van een pgb kan worden verstrekt. De direct noodzakelijke hulp wordt daarom niet vanuit een pgb bekostigd. Nadat het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening noodzakelijk blijkt, kan een pgb worden aangevraagd. De jeugdige of zijn ouder(s) moet het college vooraf informeren als het pgb voor ondersteuning buiten Nederland wordt ingezet. Besteding van het pgb voor ondersteuning buiten Nederland is alleen mogelijk als het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. Kosten voor vervoer en administratie van een zorgverlener en kosten voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) worden niet afzonderlijk vanuit het pgb vergoed. Ook een feestdagenuitkering boven € 100,- per kalenderjaar komt niet voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Diergeleide interventies worden niet vanuit het pgb vergoed, tenzij deze onderdeel zijn van een behandelplan. Artikel 7.8 Kosten voorafgaand aan de aanvraag Dit artikel regelt hoe wordt omgegaan met een pgb-aanvraag voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder(s) al heeft ingezet en waarvoor kosten zijn gemaakt voordat de aanvraag is ingediend. Hiermee ligt een duidelijke toetsingsmaatstaf vast voor zowel de uitvoering als uiteindelijk de rechter. Het college verstrekt alleen een voorziening als op het moment van de aanvraag sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. De mogelijkheid om kosten van vóór de aanvraag te vergoeden is beperkt tot kosten die betrekking hebben op een periode van maximaal drie maanden vóór de aanvraag. Hoofdstuk 8 – Afstemming met andere voorzieningen In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld. Artikel 8.1 Overgang 18- naar 18+ Als de jeugdige na het 18e jaar nog hulp nodig heeft, wordt tijdig gekeken hoe de continuïteit van de hulp en ondersteuning zoveel mogelijk kan worden gewaarborgd. Dit houdt in dat de overgang naar een andere wet door het college wordt begeleid of dat verlengde jeugdhulp tijdig wordt ingezet. Om voor een jeugdige een goede overgang van de ingezette hulp te realiseren, wordt al voor het 18e jaar gekeken naar wat na het 18e jaar nodig is aan hulp. Het doel hiervan is om overgangsproblemen te voorkomen en om vanaf het 18e jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Als inzet van (extra) hulp kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het 18e jaar, heeft dit de voorkeur. Dit vraagt extra bewustwording bij jeugdige, ouder(s) en hulpverleners. In het perspectiefplan wordt ook aandacht besteed aan aspecten als huisvesting, inkomen, werk/opleiding en welzijn na het 18e jaar. Artikel 8.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Wanneer een jeugdige of ouder(s) op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod al dan niet vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 8.2 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen. Eerste lid Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Artikel 8.3 Gezondheidszorg en langdurige zorg De gezondheidszorg voor jeugdigen valt gedeeltelijk binnen de verantwoordelijkheid van de gemeente. De gemeente is niet verantwoordelijk voor onder meer huisartsenzorg, paramedische zorg en de meeste medisch specialistische zorg. Deze zorg valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Langdurige zorg kan onder de Wet langdurige zorg (Wlz) vallen. Op grond van artikel 1.2 van de Jeugdwet is het college niet gehouden een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen voor zover met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg op grond van onder meer de Wlz of Zvw. Als meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en daardoor zowel aanspraak op zorg op grond van de Wlz of Zvw als op jeugdhulp bestaat, kan het college wel gehouden zijn een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. Een goede afstemming tussen de verschillende wettelijke kaders is daarom van belang. Het college maakt afspraken met huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop verwijzing naar jeugdhulp plaatsvindt. De Jeugdwet schrijft voor dat hierover afspraken worden gemaakt. Deze bepaling sluit aan bij de medische verwijsroute zoals geregeld in artikel 3.1 van deze verordening. Eerste en tweede lid Als jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken, verandert in veel gevallen het wettelijk kader van waaruit zorg wordt geleverd. GGZ-zorg bijvoorbeeld komt na het 18e jaar in beginsel voor rekening van de Zvw. Om zoveel mogelijk continuïteit van zorg te kunnen bieden, maakt het college afspraken met zorgverzekeraars en het CIZ. Als de hulp vanuit de Jeugdwet niet langer van toepassing is, moet de overgang naar hulp vanuit een ander wettelijk kader goed worden afgestemd. Voorkomen moet worden dat jeugdigen tussen de verschillende wettelijke kaders terechtkomen doordat aanspraken niet naadloos op elkaar aansluiten. De jeugdige en zijn ouder(s) worden daarom gewezen op de gevolgen van het bereiken van de leeftijd van 18 jaar voor het toepasselijke wettelijke kader. Waar dat noodzakelijk is, spant het college zich in voor de continuïteit van de zorg. Derde en vierde lid Uit artikel 1.2, eerste lid, onderdeel c, van de Jeugdwet volgt dat het college niet gehouden is een voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen als er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige aanspraak kan maken op zorg op grond van de Wlz en de jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daarover. Als dergelijke gegronde redenen bestaan, draagt het college zorg voor ondersteuning van de jeugdige en zijn ouder(s) richting het CIZ. Pas als de jeugdige en/of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit van het CIZ, is het college niet gehouden een individuele voorziening op grond van deze verordening toe te kennen. Vijfde lid Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen op grond van de Wlz of Zvw, voor zover deze samenhangen met de jeugdhulpvraag. Afstemming is erop gericht dat de benodigde ondersteuning vanuit de verschillende wettelijke kaders op elkaar aansluit en dat wordt voorkomen dat de jeugdige tussen de wal en het schip valt. Artikel 8.4 Gecertificeerde instellingen Gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Eerste en tweede lid Deze leden benoemen de onderwerpen waarover het college en de gecertificeerde instellingen afspraken maken. Het gaat onder meer om de aansluiting op algemene voorzieningen, de wijze van verwijzen naar jeugdhulp, de monitoring van de ingezette jeugdhulp en de resultaten daarvan en het overleg over de benodigde jeugdhulp tijdens en na een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Daarnaast worden afspraken gemaakt over de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp door de gecertificeerde instelling, de daarvoor noodzakelijke informatie-uitwisseling, de inzet van een pgb en de situatie waarin de gecertificeerde instelling niet-gecontracteerde jeugdhulp noodzakelijk acht. Derde lid De afspraken worden vastgelegd in een protocol met de gecertificeerde instellingen. In artikel 3.5, derde lid, van de Jeugdwet is bepaald dat het college en de gecertificeerde instelling afspraken vastleggen in een protocol over de wijze van overleg over de aangewezen jeugdhulp en de uitvoering daarvan. Artikel 8.5 Onderwijs De Jeugdwet gaat uit van afstemming tussen jeugdhulp en onderwijs wanneer beide domeinen betrokken zijn bij de ondersteuning van een jeugdige. De jeugdige en zijn ouder(s) worden bij deze afstemming betrokken. Vierde lid Met integraal arrangeren wordt beoogd de benodigde ondersteuning vanuit onderwijs en jeugdhulp in samenhang te bezien, zodat de inzet vanuit beide domeinen op elkaar aansluit. Vijfde lid Naast afstemming op individueel niveau vindt afstemming met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs plaats via het op overeenstemming gericht overleg (OOGO). Artikel 8.6 Maatschappelijke ondersteuning Bepaalde vormen van ondersteuning kunnen na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar niet langer onder de Jeugdwet vallen, maar onder de Wmo 2015. Het is daarom van belang tijdig te bezien wat na het 18e jaar verandert, zodat de continuïteit van ondersteuning kan worden gewaarborgd. Ook kan sprake zijn van situaties waarin naast de jeugdige één of beide ouder(s) ondersteuning op grond van de Wmo 2015 ontvangen. In die gevallen is een goede afstemming tussen de voorzieningen voor de jeugdige en de ondersteuning van de ouder(s) van belang. Artikel 8.7 Werk en inkomen Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulpverlening kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang deze problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar passende ondersteuning en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht. Artikel 8.8 Specifieke samenwerkingsafspraken Dit artikel vormt een aanvulling op de voorgaande bepalingen over afstemming en benoemt de onderwerpen waarover het college met onderwijs-, medische en veiligheidspartners samenwerkingsafspraken maakt. Hiermee wordt beoogd de samenwerking en afstemming tussen de betrokken partijen te borgen. De concrete afspraken worden vastgelegd in protocollen of samenwerkingsovereenkomsten. Hoofdstuk 9 – Opschorten, herziening, intrekking, terugvordering, bestrijding misbruik en toezicht Artikel 9.1 Handhavingsinstrumenten Dit artikel regelt de bevoegdheid van het college om in te grijpen wanneer bepalingen uit de wet of deze verordening niet worden nageleefd, sprake is van misbruik of fraude, de kwaliteit van de geboden hulp tekortschiet of de veiligheid van jeugdigen in het geding is. Afhankelijk van de aard en ernst van de situatie kan het college verschillende maatregelen treffen. Deze lopen uiteen van een waarschuwing of tijdelijke opschorting tot het intrekken van een beschikking, het terugvorderen van een pgb, het beëindigen van een contract met een jeugdhulpaanbieder of het doen van een melding bij de daarvoor aangewezen toezichthouders. Bij de keuze voor een maatregel weegt het college de omstandigheden van het geval en de ernst van de overtreding mee. Artikel 9.2 Herziening, intrekking en terugvordering Volgens de Jeugdwet is een jeugdige en/of de ouder(s) verplicht mede te delen wanneer er zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen waarvan men redelijkerwijs kan verwachten dat die van invloed op het persoonsgebonden budget kunnen zijn. Dit wordt benadrukt in lid 1. Met deze Verordening wordt geregeld dat deze informatieplicht ook geldt voor zorg in natura. In lid 2 is bepaald in welke gevallen het college een besluit over een individuele voorziening kan herzien, intrekken of beëindigen. Het gaat om een bevoegdheid van het college, waarbij de omstandigheden van het individuele geval worden betrokken en een evenredigheidstoets plaatsvindt. Lid 3 regelt in welke situatie het college de geldswaarde van een te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of pgb kan terugvorderen. Lid 4 bevat daarnaast een intrekkingsgrond wanneer niet tijdig met de zorg is gestart of het pgb niet tijdig is aangewend. Bij het bepalen van een betalingsregeling houdt het college op grond van lid 5 rekening met de persoonlijke omstandigheden. Artikel 9.3 Melding misbruik, oneigenlijk gebruik en fraude Het college draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet. Meldingen van professionals, ouder(s) of andere betrokkenen worden zorgvuldig en onafhankelijk onderzocht. Wanneer uit onderzoek blijkt dat sprake is van fraude, kan het college passende maatregelen treffen. Afhankelijk van de ernst van de situatie kan het college aangifte doen, de samenwerking beëindigen of ten onrechte ontvangen bedragen terugvorderen. Hiermee wordt de rechtmatige inzet van jeugdhulpvoorzieningen en publieke middelen bevorderd. Artikel 9.4 Overige maatregelen ter voorkoming van oneigenlijk gebruik, misbruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura en in vorm van pgb’s te waarborgen en fraude te voorkomen. In het eerste en tweede lid is opgenomen dat met gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken worden gemaakt over een correcte facturatie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp en over het monitoren van de gemiddelde trajectduur. Hiermee wordt aandacht besteed aan de rechtmatige en doelmatige inzet van individuele voorzieningen. Artikel 9.5 Toezicht op recht- en doelmatigheid bij individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Eerste lid In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet op dezelfde wijze geregeld. In het eerste lid is daarom opgenomen dat het college toezichthouders aanwijst die toezien op de rechtmatige en doelmatige inzet en besteding van individuele voorzieningen en pgb's. Tweede en derde lid Op grond van artikel 8.1.3 van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het tweede en derde lid bevatten aanvullende bepalingen over onderzoek naar de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen en pgb's. Daarbij kan tevens worden onderzocht of wordt voldaan aan de door de gemeente gestelde eisen die zien op rechtmatigheid, doelmatigheid en controleerbaarheid. Het toezicht ziet niet op de professionele standaard of zorginhoudelijke kwaliteit; het toezicht daarop berust bij de landelijke inspectie. Het periodieke onderzoek naar pgb's kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder als op de uitvoering door de aanbieder. Vierde lid De aangewezen toezichthouder beschikt bij de uitvoering van het toezicht over de in hoofdstuk 5 van de Algemene wet bestuursrecht geregelde toezichtsbevoegdheden. Deze bevoegdheden worden alleen gebruikt voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van de toezichtstaak nodig is. Hoofdstuk 10 – Kwaliteit en meldplichten jeugdhulpaanbieders Artikel 10.1 Voorwaarden aan jeugdhulpaanbieders Dit artikel omvat uitsluitingscriteria voor jeugdhulpaanbieders in verband met locatie in het buitenland of (vermoeden van) misbruik, oneigenlijk gebruik, fraude en integriteitsproblemen. Artikel 10.2 Kwaliteitseisen aan jeugdhulpaanbieders Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder(s). Het college stelt inhoudelijke kaders vast conform de actuele versie van de dienstomschrijvingen. Artikel 10.3 Afbakening toezicht kwaliteit Dit artikel verduidelijkt de verdeling van verantwoordelijkheden ten aanzien van het toezicht op jeugdhulp. Het toezicht op de professionele kwaliteit, de inhoud van de hulpverlening en de veiligheid van de jeugdhulp berust op grond van de Jeugdwet bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De gemeente treedt daarbij niet in de rol van inhoudelijk kwaliteits- of veiligheidstoezichthouder. Het toezicht door het college richt zich op de rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Jeugdwet binnen de gemeentelijke verantwoordelijkheid. Daarbij kan het college toezicht houden op de naleving van de verordening, beleidsregels, beschikkingen en contractuele afspraken met aanbieders, evenals op de rechtmatige besteding van gemeentelijke middelen. Deze afbakening voorkomt overlap tussen het gemeentelijke toezicht en het toezicht van de IGJ. Artikel 10.4 Klachten en medezeggenschap Dit artikel waarborgt dat jeugdigen en ouder(s) hun ervaringen, klachten en belangen kenbaar kunnen maken bij de aanbieder van jeugdhulp. Jeugdhulpaanbieders zijn op grond van de Jeugdwet verplicht te beschikken over een toegankelijke klachtenregeling en zorg te dragen voor medezeggenschap van jeugdigen en ouder(s). Wanneer signalen bestaan dat een klachtenregeling of de medezeggenschap onvoldoende functioneert, kan het college hierover in gesprek gaan met de aanbieder en deze aanspreken op zijn verantwoordelijkheden. Hiermee wordt bevorderd dat jeugdigen en de ouder(s) invloed kunnen uitoefenen op de kwaliteit van de dienstverlening en dat klachten zorgvuldig worden behandeld. Artikel 10.5 Kwaliteitsregistraties Dit artikel regelt de verplichting voor jeugdhulpaanbieders om gegevens over de geleverde jeugdhulp op een zorgvuldige en uniforme wijze vast te leggen in een daarvoor bestemd kwaliteitsregistratiesysteem. Het college stelt nadere regels over de gegevens die geregistreerd moeten worden en de wijze waarop deze registratie plaatsvindt. Hierdoor kan worden geborgd dat informatie op een consistente manier wordt vastgelegd en beschikbaar is voor kwaliteitsbewaking, monitoring, evaluatie en toezicht. Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht medewerking te verlenen aan landelijke kwaliteitsmetingen en onderzoeken. Door het aanleveren van de benodigde gegevens wordt inzicht verkregen in de resultaten van de jeugdhulp en kunnen kwaliteit en dienstverlening op lokaal, regionaal en landelijk niveau verder worden verbeterd. Hierbij dienen aanbieders steeds te handelen binnen de kaders van de geldende privacywetgeving en de regels voor gegevensbescherming. Artikel 10.6 Deskundigheidseisen Dit artikel waarborgt dat jeugdhulp wordt uitgevoerd door voldoende gekwalificeerde en deskundige professionals. Jeugdhulpaanbieders zijn verantwoordelijk voor het inzetten van medewerkers die beschikken over de opleiding, kennis, vaardigheden en ervaring die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van hun werkzaamheden. Hiermee wordt beoogd de kwaliteit, veiligheid en effectiviteit van de geboden jeugdhulp te waarborgen. Van jeugdhulpverleners wordt verwacht dat zij hun deskundigheid onderhouden en blijven ontwikkelen door middel van bij- en nascholing. Hierdoor blijven zij op de hoogte van actuele wet- en regelgeving, professionele richtlijnen en nieuwe inzichten binnen het jeugddomein. Het college kan voor specifieke vormen van jeugdhulp aanvullende eisen stellen aan de deskundigheid van professionals. Jeugdhulpaanbieders moeten desgevraagd kunnen aantonen dat zij voldoen aan de gestelde eisen en beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel voor de uitvoering van de ondersteuning. Artikel 10.7 Meldplicht calamiteiten en geweld Dit artikel geeft invulling aan de verantwoordelijkheid van jeugdhulpaanbieders om calamiteiten en geweld tijdig te melden en passende maatregelen te treffen. Op grond van de Jeugdwet zijn aanbieders verplicht calamiteiten die zich voordoen tijdens de uitvoering van jeugdhulp onverwijld te melden aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Wanneer sprake is van geweld in afhankelijkheidsrelaties, informeren jeugdhulpaanbieders zowel de IGJ als het college. Door deze meldplicht kunnen risico's worden onderzocht, passende maatregelen worden getroffen en herhaling zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast informeren aanbieders het college over de maatregelen die naar aanleiding van een calamiteit of geweldsincident worden genomen. Hiermee kan het college vanuit zijn verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Jeugdwet en de relatie met de aanbieder beoordelen of aanvullende acties noodzakelijk zijn. Artikel 10.8 Meldplicht onveiligheid bij jeugdigen Dit artikel benadrukt het belang van tijdige signalering en aanpak van onveilige situaties voor jeugdigen. Wanneer sprake is van signalen van duurzame of structurele onveiligheid, melden jeugdhulpaanbieders en professionals deze overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving bij Veilig Thuis. Een melding bij Veilig Thuis ontslaat betrokken professionals niet van hun verantwoordelijkheid om noodzakelijke hulp of ondersteuning te bieden. Indien de situatie daarom vraagt, lopen melding en hulpverlening parallel aan elkaar zodat de veiligheid van de jeugdige zo snel mogelijk kan worden bevorderd. Het college kan nadere regels stellen over de samenwerking tussen betrokken organisaties en professionals bij veiligheidsvraagstukken. Hiermee wordt een samenhangende en effectieve aanpak van veiligheidsproblematiek bevorderd. Artikel 10.9 Verplichte rapportage aan het college Dit artikel regelt de informatieverstrekking door jeugdhulpaanbieders aan het college over de uitvoering en resultaten van de verleende jeugdhulp. Door middel van tijdige rapportages krijgt het college inzicht in de voortgang van de ondersteuning, de behaalde resultaten, eventuele veiligheidsrisico's en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op het behalen van de afgesproken doelen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij bijzonderheden, zoals stagnatie in de hulpverlening, het uitblijven van resultaten of de beëindiging van een traject, tijdig rapporteren. Hierdoor kan het college beoordelen of de ingezette ondersteuning nog passend en doelmatig is. Om een eenduidige en vergelijkbare wijze van verantwoorden te waarborgen, maken aanbieders gebruik van de rapportagemiddelen en formats die door het college worden vastgesteld. Artikel 10.10 Administratie en dossiervorming Dit artikel verplicht jeugdhulpaanbieders tot het bijhouden van een administratie en een zorgvuldig opgebouwd dossier. Een volledig en actueel dossier is van belang voor de continuïteit, kwaliteit en verantwoording van de geboden hulpverlening. Het dossier bevat informatie over de doelen van de ondersteuning, de uitgevoerde activiteiten, de behaalde resultaten, evaluaties, relevante veiligheidssignalen en voortgangsrapportages. Hierdoor is inzichtelijk welke ondersteuning is geboden, welke afwegingen zijn gemaakt en welke resultaten zijn bereikt. Voor zover wet- en regelgeving dit toestaan, kan het college inzage vragen in dossiers. Bij de verwerking en uitwisseling van gegevens worden de geldende privacyregels en voorschriften rondom gegevensbescherming in acht genomen. Hoofdstuk 11 – Cliëntondersteuning, vertrouwenspersoon, klachten, privacy, inspraak en medezeggenschap Artikel 11.1 Onafhankelijke cliëntondersteuning Dit artikel waarborgt dat jeugdigen en de ouder(s) gebruik kunnen maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het college draagt er zorg voor dat deze ondersteuning laagdrempelig, kosteloos en voor iedereen toegankelijk is. De cliëntondersteuner ondersteunt jeugdigen en de ouder(s) onder meer bij het verhelderen van de hulpvraag, het verkrijgen van toegang tot passende ondersteuning, het voeren van regie over de ondersteuning en het begrijpen van procedures en besluiten van de gemeente. Onafhankelijke cliëntondersteuning heeft als doel jeugdigen en de ouder(s) te versterken in hun positie en hen te helpen bij het maken van weloverwogen keuzes. De ondersteuning wordt geboden vanuit een onafhankelijke positie en staat los van de besluitvorming door het college. Hierdoor kunnen jeugdigen en de ouder(s) zich laten adviseren en ondersteunen zonder dat sprake is van belangenverstrengeling. Het college wijst jeugdigen en de ouder(s) bij het eerste contact actief op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning. Hiermee wordt bevorderd dat zij tijdig passende ondersteuning kunnen inschakelen gedurende het onderzoek, de aanvraagprocedure en de verdere uitvoering van de jeugdhulp Artikel 11.2 Vertrouwenspersoon De vertrouwenspersoon wordt landelijk geregeld. Gemeenten hebben er gezamenlijk voor gekozen dat de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) dit namens alle gemeenten inkoopt bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ), een stichting die op dit moment ook het vertrouwenswerk voor de jeugdzorg uitvoert. Artikel 11.3 Klachtregeling Deze bepaling is aanvullend op de klachtregeling uit artikel 4.2.1 van de Jeugdwet en hoofdstuk 9 Klachtenbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht. Het is zo dat de aanbieder in eerste instantie zal (moeten) worden aangesproken bij klachten van jeugdigen en/of ouder(s) over de behandeling. Het Programmaplan zegt daarover ‘Het effectief en laagdrempelig bemiddelen bij en afhandelen van klachten van cliënten is een verantwoordelijkheid van de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen’. Artikel 11.4. Informatie-uitwisseling en privacy In dit artikel zijn kaders gesteld voor de behandeling van persoonsgegevens die in lijn zijn met de AVG-richtlijnen. Artikel 11.5 Inspraak en medezeggenschap In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 en verder van de wet. Opgemerkt wordt dat regeling van de inspraak en medezeggenschap in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015, op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Dit leidt ertoe dat bij verordening moet worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. In lid 1 van dit artikel verwijst naar de regelgeving van artikel 150 van de Gemeentewet. Lid 2 waarborgt dat er wordt dat voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning. Lid 3 regelt dat inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen deelnemen aan een regulier overleg. Inwoners van de jeugdhulpregio Holland Rijnland kunnen onderwerpen aandragen voor dit overleg en ondersteuning krijgen. In lid 4 wordt het aan het college de plicht opgelegd om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven Hoofdstuk 12 – Slot- en overgangsbepalingen Artikel 12.1 Evaluatie Dit artikel regelt dat het college de verordening binnen drie jaar na inwerkingtreding evalueert. Artikel 12.2 Hardheidsclausule Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om van deze verordening af te wijken in zeer schrijnende gevallen waarvoor geen passende voorziening volgens de regelgeving mogelijk is. De hardheidsclausule kan dan door het college ingezet worden bij uitzonderingsgevallen. Artikel 12.3 Nadere regels In lid 1 geeft de raad aan het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen ten behoeve van de uitvoering van deze verordening. Deze vast te stellen nadere regels mogen niet in strijd zijn met de Jeugdwet (inclusief memorie van toelichting), de daarop gebaseerde regelgeving en de verordening. Artikel 12.4 Overgangsrecht Dit artikel regelt dat jeugdigen die al aanspraak maken op jeugdhulp, deze jeugdhulp kunnen blijven houden zolang de indicatie loopt maar, tot uiterlijk 1 september 2027 tenzij het college anders bepaald, op grond van lid 2. De bedoeling daarvan is dat deze jeugdigen een overgangsperiode krijgen waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze Verordening. Voor pleegzorg en perspectief biedende kleinschalige woonvormen is een uitzondering gemaakt en is er geen einddatum indien voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze Verordening een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg en bovengenoemde kleinschalige woonvormen. Artikel 12.5 Inwerkingtreding Dit artikel regelt de inwerkingtreding. Artikel 12.6 Citeertitel Dit artikel geeft de officiële benaming weer. De verordening zal via deze naam zijn terug te vinden op officielebekendmakingen.nl.

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026"

APV

APV

Nadere regels Jeugdhulp gemeente Leiden 2026

APV

APV

Verordening Jeugdhulp gemeente Leiden 2026

APV

APV

Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 oktober 2026 (PZH-2026-897558846 DOS-2026-0004325) tot vaststelling van het subsidieplafond voor 2027 voor de Subsidieregeling erfgoedlijnen Zuid-Holland 2025 (Besluit subsidieplafond 2027...

APV

APV

Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 27 oktober 2026, PZH-2026-897558846, DOS-2026-0004325, tot vaststelling van het Maatregelenpakket erfgoedlijnen 2027

Mededelingen

Mededelingen

Bomen die vervangen moeten worden

Mededelingen

Mededelingen

Machtigingsformulier selectiebesluit intergemeentelijke-organen

APV

APV

Verlegregeling gemeente Katwijk 2027

Mededelingen

Mededelingen

14e wijziging Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst West-Holland

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Kennisgeving Terinzagelegging ontwerpbesluit Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening NatuurNetwerk Nederland begrenzing 2026

Mededelingen

Mededelingen

Agenda en stukken raadsvergadering donderdag 12 november 2026

Mededelingen

Mededelingen

Agenda en stukken raadsvergadering donderdag 5 november 2026

APV

APV

Mandaat- en Volmachtbesluit Rijnland 2024