Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026

ic_location.svg

Locatie

ic_category.svg

Soort

APV

ic_calendar.svg

Gepubliceerd op

2026-07-20

ic_publisher.svg

Gepubliceerd door

Gemeente IJsselstein

Informatie

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026 De raad van de gemeente IJsselstein; gelezen het collegevoorstel van 26 mei 2026 zaaknummer 345580 gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste, tweede en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; besluit vast te stellen de volgende: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026. Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities 1.In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; b. andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet; c. budgetbeheerder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) beheert, indien dit niet dezelfde persoon is als de budgethouder; d. budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de wet ; e. eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikelen 2.1.4, eerste lid, en 2.1.4a van de wet; f. eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner en diens omgeving om zelf in een oplossing voor zijn hulpvraag te voorzien; g. financiële tegemoetkoming: voor een specifiek doel te verstrekken bedrag, zonder dat dit kostendekkend hoeft te zijn, al dan niet forfaitair vastgesteld; h. hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo; i. melding: kenbaar maken van een hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de wet; j. ondersteuningsplan: een schriftelijke weergave van het onderzoek op basis van een melding ; k. pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; l. pgb-plan: een plan opgesteld door of namens de cliënt waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en deze verordening; m. voorliggende voorziening: een voorziening ontleend aan een andere wettelijke regeling dan de wet waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; n. wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Hoofdstuk 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning Artikel 2. Algemene voorzieningen 1.De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.voorlichting; b.advies en informatie; c.coördinatie van zorg; d.lichte hulp en ondersteuning; e.groepsbegeleiding, in de vorm van lichte coaching en praktische ondersteuning zonder Wmo-indicatie; f.regiotaxi, zonder Wmo-indicatie of Wmo-vervoerspas. Artikel 3. Maatwerkvoorzieningen 2.De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: a.individuele begeleiding; b.groepsbegeleiding in de vorm van dagbesteding, al dan niet met vervoer; c.kortdurend verblijf; d.huishoudelijke ondersteuning; e.vervoer; f.woningaanpassingen; g.hulpmiddelen. Hoofdstuk 3. Toegang Artikel 4. Melding 1.Een hulpvraag kan door of namens een inwoner bij het college worden gemeld.2.Het college bevestigt de ontvangst hiervan schriftelijk.3.Het college wijst de inwoner in de ontvangstbevestiging voorafgaand aan het onderzoek op: a.de vervolgprocedure en de rechten en plichten van de inwoner daarin; b.de mogelijkheid om gebruik te maken van kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning; c.de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen binnen 7 dagen na de melding. Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Het college onderzoekt in samenspraak met de cliënt, en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst sociaal netwerk: a.de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b.de hulpvraag; c.de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen, zelfredzaamheid of participatie te handhaven of te verbeteren, dan wel te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang; d.de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e.de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger; f.de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g.de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h.de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te treffen; i.welke eigen bijdrage in de kosten de inwoner met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn; j.de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. 2.Als de inwoner een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, lid 3 sub c van deze verordening aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek.3.Na afronding van het onderzoek als bedoeld in dit artikel, uiterlijk 6 weken na ontvangst van de melding, verstrekt het college aan de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, in de vorm van een ondersteuningsplan. Eventuele opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden aan het ondersteuningsplan als bijlage toegevoegd. Artikel 6. Aanvraag maatwerkvoorziening 1.Een ingezetene , of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger, kan schriftelijk een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen bij het college.2.Een aanvraag wordt ingediend middels een ondertekend ondersteuningsplan, zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 van deze verordening. 3.Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend na ontvangst van het ondersteuningsplan, of niet eerder dan 6 weken na de datum van ontvangst van de melding. Artikel 7. Advisering 1.Het college kan een deskundige om advies vragen als dit nodig is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2.Het college is bevoegd om de cliënt, of in geval van gebruikelijke hulp zijn huisgenoten, uit te nodigen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip voor een onderzoek door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. 3.De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd. Hoofdstuk 4. Voorwaarden maatwerkvoorzieningen Artikel 8. Criteria maatwerkvoorziening 1.Het college neemt het ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 5 lid 3 van deze verordening als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening. 2.Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a.ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan de inwoner niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de inwoner deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i.op eigen kracht; ii.met gebruikelijke hulp; iii.met mantelzorg; iv.met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; v.met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of vi.met gebruikmaking van algemene voorzieningen. b.ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen i.op eigen kracht; ii.met gebruikelijke hulp; iii.met mantelzorg; iv.met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of v.met gebruikmaking van algemene voorzieningen. 3.Bij het beoordelen van een aanvraag voor een maatwerkvoorziening ‘Wonen’ kan het primaat van verhuizen worden toegepast, zoals benoemd in artikel 11 van deze verordening. 4.Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens de regelgeving en het beleid van de centrumgemeente Utrecht.5.Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening ‘Huishoudelijke ondersteuning’ wordt het meest recente uitgebrachte HHM-Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning gehanteerd.6.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ geldt het primaat van de collectieve voorziening, namelijk het collectief vervoer. Er wordt rekening gehouden met verplaatsingen op basis van ondersteuningsbehoefte, tot maximaal 1500 kilometer per jaar, in de directe woon- en leefomgeving van de inwoner.7.De maatwerkvoorziening levert er een passende en doeltreffende bijdrage aan dat de inwoner op een aanvaardbaar niveau zelfredzaam is en kan deelnemen in de maatschappij.8.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening. Artikel 9. Gebruikelijke hulp 1.Bij gebruikelijke hulp worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: a.Personen binnen de leefeenheid van een bewoner zijn altijd zelf primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden, de zelfredzaamheid en de participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving van de leden van die leefeenheid. b.Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter. Het hoeft niet te betekenen dat de leefeenheid deze hulp zelf uitvoert. De gebruikelijke hulp kan door de bewoner ook aan derden uitbesteed worden of met eigen financiële middelen ingekocht worden. c.Voor gebruikelijke hulp wordt geen (aanvullende) ondersteuning geboden vanuit de wet. d.Bij uitval van een persoon wordt door andere personen binnen de leefeenheid, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers)werk of opleiding, zorggedragen voor een herverdeling en overname van de (huishoudelijke) taken, zorg- en begeleidingsactiviteiten. e.De bijdrage die van kinderen wordt gevraagd is afhankelijk van de leeftijd. i.Van iedere volwassene van 18 jaar tot 23 jaar wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een bijbaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. ii.Van iedere volwassene van 23 jaar of ouder wordt in ieder geval verwacht naast een volledige baan of opleiding een meerpersoonshuishouden te kunnen voeren. Het hebben van een fulltimebaan of het volgen van een voltijdsopleiding staat het leveren van gebruikelijke hulp dus niet in de weg. Het bieden van gebruikelijke hulp gaat verder ook voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie. f.Fysieke afwezigheid van de huisgenoot belemmert het bieden van gebruikelijke hulp in principe niet. Van ieder (volwassen) mens wordt verwacht een volledige school- of werkweek (inclusief overwerk en reistijden) te kunnen combineren met huishoudelijke taken. Afwezigheid vanwege school- of arbeidsgerelateerde activiteiten kan er wel toe leiden dat de huisgenoot die gebruikelijk de hulp verleent de uitvoering van de taken moet plannen op momenten waarop hij/zij wel thuis is. g.Bij de beoordeling of en in welke mate er sprake is van gebruikelijke hulp worden in ieder geval de volgende aspecten gewogen: i.De aard van de benodigde ondersteuning. ii.De mate van planbaarheid en uitstelbaarheid van de benodigde ondersteuning. iii.De frequentie en omvang van de benodigde ondersteuning. iv.De duur van de benodigde ondersteuning. Is er sprake van een kortdurende situatie met uitzicht op herstel of een langdurende (chronische) situatie waarin extra ondersteuning nodig is. v.Gebruikelijke hulp is niet of in mindere mate van toepassing als uit objectief onderzoek blijkt dat personen binnen de leefeenheid niet in staat zijn om (een aantal) taken over te nemen vanwege: •(langdurige) fysieke afwezigheid •een beperking of een beperkte leerbaarheid. • (dreigende) overbelasting, waarbij het evenwicht tussen draagkracht en draaglast onder spanning staat. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke hulp en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke hulp voor. Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan het bieden van gebruikelijke hulp niet in de weg staan. Bij (dreigende) overbelasting kan die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Artikel 10. Financiële tegemoetkoming 1.Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken, als bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie voor: a.verhuizen en inrichten van de woning, indien het primaat van verhuizen wordt toegepast zoals bedoeld in artikel 11 van deze verordening; b.een materiële voorziening voor sportbeoefening wanneer de inwoner naar het oordeel van het college niet anderszins op een aanvaardbaar niveau kan participeren; c.individueel vervoer, indien dit naar het oordeel van het college als de goedkoopst passende maatwerkvoorziening ‘Vervoer’ wordt aangemerkt. 2.Het college kan nadere regels vaststellen over de hoogte van de financiële tegemoetkoming.3.De hoogte van de financiële tegemoetkomingen als maatwerkvoorziening hoeft niet kostendekkend te zijn. 4.De inwoner kan slechts aanspraak maken op een tegemoetkoming indien hij geen aanspraak heeft of kan hebben op een vergoeding van de aannemelijke meerkosten op grond van een voorliggende voorziening of een andere voorziening.5.De financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen en inrichten als bedoeld in lid 1 sub a betreft een forfaitaire bijdrage in de kosten die samenhangen met het verhuizen en het gebruiksklaar maken van de nieuwe woning. De tegemoetkoming kan onder meer worden gebruikt voor de kosten van stoffering of eenvoudige afwerking van de elementaire gebruiksruimten van de woning, zoals de keuken, woonkamer, hal/gang en het noodzakelijk aantal slaapkamers. De tegemoetkoming is geen volledige vergoeding van de werkelijke kosten. 6.Een materiele voorziening voor sportbeoefening als bedoeld in lid 1 sub b wordt verstrekt als: a.het voor de inwoner zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen; b.de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport; en c.de aanvrager aantoont dat: i.er sprake is van een actieve sportbeoefening; ii.dit voor de inwoner nodig is om te participeren; en iii.er voor de inwoner geen andere mogelijkheden zijn om te participeren. 7.De financiële tegemoetkoming voor de kosten van een voorziening voor sportbeoefening als bedoeld in lid 1 sub b is bedoeld voor de aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel of sportvoorziening met een minimale gebruiksduur van 3 jaar. Indien de sportrolstoel na 3 jaar nog bruikbaar is, kan een vergoeding worden toegekend voor het onderhoud voor de duur van 3 jaar. Artikel 11. Primaat van verhuizen 1.Het college zorgt ervoor dat de cliënt een maatwerkvoorziening kan krijgen als het normale gebruik van zijn woning als gevolg van een beperking niet mogelijk is. 2.Het college beoordeelt of een woningaanpassing of een verhuizing de goedkoopste adequate oplossing is. Hierbij spelen de volgende factoren een rol: a.de beschikbaarheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen; b.de kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen. Als de woningaanpassing meer gaat kosten dan € 10.000,00 wordt verhuizen als de goedkoopste adequate oplossing gezien; c.volkshuisvestelijke afwegingen en noodzakelijke vergunningen; d.de beschikbaarheid van een woning binnen een medisch aanvaardbare termijn; e.sociale omstandigheden; f.afstemming met andere voorzieningen; g.werksituatie; h.verandering in woonlasten; i.wooncomfort; j.of de cliënt huurder of eigenaar van de woning is; k.de wil van de inwoner om te verhuizen; l.overige specifieke omstandigheden. Artikel 12. Weigeringsgronden 1.Er wordt geen maatwerkvoorziening toegekend, als het college van oordeel is dat: a.de hulpvraag kan worden opgelost door het inzetten van een voorliggende voorziening, dan wel een algemene voorziening, voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, de inzet hiervan leidt tot voldoende compensatie om het gewenste resultaat te bereiken; b.een cliënt zijn hulpvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en maatregelen had kunnen nemen om de hulpvraag te voorkomen; c.er voor de inwoner geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de situatie voordat de hulpvraag ontstond; d.de aanvraag betrekking heeft op kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de melding bij het college; e.de uitvoering van de hulpvraag na de melding en vóór datum van het besluit al is gerealiseerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of het college de noodzaak, in hoeverre de voorziening passend is, en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; f.de aangevraagde maatwerkvoorziening onveilig is of risico’s met zich meebrengt voor de cliënt of anderen; g.de maatwerkvoorziening niet langer dan zes maanden noodzakelijk is, tenzij er zwaarwegende redenen zijn voor een uitzondering hierop; h.uit wetenschappelijk onderzoek onvoldoende de toegevoegde waarde blijkt van de maatwerkvoorziening in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie, tenzij het college meent dat dit in de persoonlijke situatie toch als meest passend worden gevonden; i.het toekennen van een maatwerkvoorziening een anti-revaliderend effect zou hebben; j.een eerder verstrekte maatwerkvoorziening nog passend is als oplossing voor de hulpvraag; of k.De cliënt of het netwerk rondom de cliënt op basis van eigen kracht of – voor zover het betreft de wet - inzet van gebruikelijke zorg in de hulpvraag kan voorzien. 2.Het college kent geen maatwerkvoorziening ‘Wonen’ toe als: a.de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd voor een verblijf dat niet bedoeld is voor permanente bewoning b.de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd voor een gemeenschappelijke ruimte tenzij het gaat om een door het college aangemerkte doelgroepenwoning of een Fokuswoning; c.de aangevraagde maatwerkvoorziening het uitrustingsniveau van sociale woningbouw overstijgt; d.als de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; e.de noodzaak van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie of wanneer er naar oordeel van het college geen andere belangrijke reden voor de verhuizing bestond; f.de inwoner niet is verhuisd naar een woning die op dat moment het meest passend was ten aanzien van de beperkingen van de cliënt , tenzij hiervoor vooraf schriftelijke toestemming is gegeven door het college; of g.voor zover het voorzieningen in woongebouwen betreft die specifiek zijn gericht op ouderen of mensen met beperkingen en die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. 3.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij a.de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; b.de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of c.de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. Hoofdstuk 5. Beschikking Artikel 13. Inhoud beschikking 1.De beschikking over de maatwerkvoorziening wordt mede gebaseerd op het onderzoeksverslag. 2.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a.welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b.wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c.hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt; d.of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. 3.Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd: a.aan welk doel het pgb moet worden besteed; b.welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c.wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d.de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; e.hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en; f.of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Hoofdstuk 6. Persoonsgebonden budget Artikel 14. Regels voor pgb 1.Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij een pgb-plan in. Hiervoor wordt een model gebruikt dat door het college is vastgesteld. Het college toetst of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6 lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. 2.In afwijking van het eerste lid geldt voor een maatwerkvoorziening in de vorm van hulpmiddelen een verkort pgb-plan waarin de inwoner motiveert waarom de maatwerkvoorziening helpt bij het bereiken van het doel. 3.De budgethouder, of indien van toepassing de budgetbeheerder, is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). 4.Het pgb mag niet worden besteed aan: a.kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b.kosten voor het voeren van een pgb-administratie en reiskosten; c.kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d.kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering; 5.Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol: a.het type hulp dat wordt geleverd; b.de frequentie van de hulp; c.een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; d.het dwingend karakter van de verplichting e.of de kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van de ondersteuner; f.of het pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is; g.de vereiste opleidingseis van de ondersteuner, als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is; h.de persoon uit het netwerk verklaart dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. 6.De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien dat aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. 7.Een pgb is alleen mogelijk als naar het oordeel van het college: a.de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het verslag opgenomen beoogde resultaat; b.geen sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie; 8.Het college acht dat er bij de budgetbeheerder sprake kan zijn van een onvermogen tot goed beheer van een pgb in de volgende gevallen: a.problematische schuldenproblematiek; b.ernstige verslavingsproblematiek; c.aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; d.een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e.een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f.een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g.het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h.twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid; i.gebleken overbelasting. 9.Tevens wordt de vertegenwoordiger alleen in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a.hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht of geen financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt , de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden; b.er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd. 10.Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel. 11.Het college kan nadere regels stellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen. Artikel 15. Onderscheid formele en informele hulp 1.Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, zoals genoemd artikel 16 van deze verordening, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.2.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt : a.personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b.personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (volgens artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3.Van informele hulp is sprake als de hulp wordt geboden door: a.personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2; b.personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen. 4.In aanvulling op het derde lid is er bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad altijd sprake van informele hulp. Artikel 16. Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb: a.is toereikend om de benodigde hulp van derden te betrekken; en b.wordt vastgesteld aan de hand van een pgb-plan van de cliënt, en; c.is nooit hoger dan de kosten voor dezelfde of gelijkwaardige beschikbare voorziening in natura. Als een cliënt een duurdere voorziening wil inkopen, dan zijn de meerkosten voor eigen rekening van de cliënt. 2.De hoogte van het pgb voor een zaak, te weten hulpmiddelen en woningaanpassingen, wordt maximaal vastgesteld op: a.het bedrag van de goedkoopst passende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten; of b.het bedrag van de goedkoopst passende voorziening volgens een door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. . 3.Indien het pgb is gebaseerd op een bedrag per uur, dagdeel of etmaal, wordt onderscheid gemaakt tussen ondersteuning geleverd door professionele organisaties, zelfstandig ondernemers en het informele netwerk: a.Het tarief voor een professionele organisatie bedraagt maximaal de kostprijs van de goedkoopste passende voorziening in zorg in natura. b.Het tarief voor een zelfstandige zonder personeel bedraagt maximaal 75 % van de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in zorg in natura, tenzij aannemelijk is dat dit percentage niet toereikend is om de zorg in te kopen; dan kan maximaal de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening worden vergoed; c.Voor ondersteuning uit het informele netwerk is het tarief gelijk aan het minimumloon, waarbij er bij de vaststelling van het tarief rekening wordt gehouden met de verplichte werkgeverslasten wanneer hier sprake van is. 4.Het college kan nadere regels vaststelling voor de normbedragen voor de verstrekking van de maatwerkvoorzieningen. 5.De kosten van hulpmiddelen in de vorm van vervoersvoorzieningen is inclusief een onderhoudspercentage. Hieronder valt onderhoud, verzekering en reparatie. Voor niet-elektrische hulpmiddelen is het onderhoudspercentage 2% en voor elektrische hulpmiddelen is dit 6%.6.Het tarief voor het pgb blijft gelijk tijdens de hele periode waarover de beschikking wordt afgegeven. Hoofdstuk 7. Bijdrage in de kosten Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorziening, inclusief pgb 1.De cliënt is, met inachtneming van artikel 2.1.4a en artikel 2.1.5 van de wet en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 een eigen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor een pgb wordt verstrekt. 2.In afwijking van het eerste lid, is geen eigen bijdrage verschuldigd voor: a.een maatwerkvoorziening vervoer, betreffende collectief vervoer. Wel betaalt de cliënt een bijdrage voor elke rit; b.een rolstoelvoorziening. 3.De eigen bijdrage of het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs van de maatwerkvoorziening, tot aan een maximum zoals genoemd in artikel 2.1.4a, lid 3 van de wet. Deze eigen bijdrage is van toepassing per bijdrageperiode voor de cliënt en diens eventuele partner tezamen. 4.De hoogte en duur van de in het eerste lid bedoelde eigen bijdrage, wordt berekend en geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK). 5.De duur waarvoor een cliënt een bijdrage in de kosten verschuldigd is, bedraagt: a.Indien het een maatwerkvoorziening betreft die door het college wordt gehuurd, geleased en in bruikleen wordt verstrekt, de periode zolang de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening; b.Indien het een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb betreft, de periode waarvoor de maatwerkvoorziening wordt toegekend of de periode totdat de kostprijs van de voorziening is bereikt; c.Indien het een maatwerkvoorziening betreft die door het college is aangeschaft en in bruikleen of eigendom wordt verstrekt, de periode zolang de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of de periode totdat de kostprijs (de werkelijke kosten inclusief onderhoud) van de voorziening is bereikt. 6.De kostprijs van een: a.maatwerkvoorziening in zorg in natura (ZIN) wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder; b.maatwerkvoorziening in pgb is maximaal gelijk aan de hoogte van het pgb, die door het college wordt doorgegeven aan het CAK; c.ritprijs vanuit het collectief vervoer, is ten minste gelijk aan het tarief voor openbaar vervoer in de regio en wordt rechtstreeks aan de vervoerder betaald. Het college kan voor ritprijzen nadere regels vaststellen. 7.Voor een maatwerkvoorziening of een algemene voorziening kan sprake zijn van algemeen gebruikelijke kosten. Dit zijn kosten die voor rekening van de cliënt komen. 8.De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. Hoofdstuk 8. Herziening, intrekking, terugvordering en controle Artikel 18. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet 1.Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.2.Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet meldt een inwoner aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.3.Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a.de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b.de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c.de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d.de cliënt langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e.de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of f.de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 4.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.5.Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de inwoner opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.6.Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.7.Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet. Artikel 19. Fraudepreventie en controle 1.Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet en deze verordening.2.De toezichthoudende ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is, bevoegd tot inzage van dossiers.3.Voor zover de toezichthoudende ambtenaar door inzage in bescheiden bij de vervulling van zijn taak dan wel door verstrekking van gegevens in het kader van een melding gegevens, daaronder begrepen bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, heeft verkregen, ter zake waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de toezichthoudende ambtenaar.4.Het college neemt maatregelen ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen op basis van de wet. 5.Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en kan daarbij onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen. 6.De aanvrager en ontvanger van de maatwerkvoorziening en eventueel betrokken derden verstrekken aan het college alle medewerking en informatie die benodigd is voor het onderzoek als bedoeld in het vorige lid.7.Het college kan onderzoek doen naar de reden van de beëindiging van de aanspraak op een voorziening en op basis daarvan besluiten nemen met betrekking tot de rechtmatigheid van de voorziening en de wederzijds tussen het college en de inwoner resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan. Artikel 20. Waardevermeerdering woning na woningaanpassing 1.De waardestijging als gevolg van het treffen van een woonvoorziening van meer dan €15.000 aan een eigen woning, dient bij eventuele vervreemding van de woning binnen 10 jaar na gereed melding van de woningaanpassing, aan de gemeente te worden terugbetaald door de aanvrager van de voorziening.2.De waardestijging die door het treffen van een woningaanpassing ontstaat, wordt bepaald door taxatie van de woning voorafgaand aan het realiseren van de woningaanpassing en taxatie van de woning na gereed melding hiervan. De taxatie wordt uitgevoerd door een beëdigd taxateur, in opdracht en voor rekening van de gemeente. 3.De restitutie bedraagt in het eerste jaar 100% van de waardestijging, recht evenredig aflopend tot 10% van de waardestijging in het tiende jaar. 4.Bovenstaande regeling is niet van toepassing als de aanvrager door omstandigheden, buiten de persoon gelegen, de woning gedwongen moet verkopen. 5.In alle gevallen wordt de bijdrage, die voor rekening van de aanvrager is gekomen bij de toekenning van de woonvoorziening(en), in mindering gebracht op de waardestijging. Het terug te betalen bedrag bedraagt nooit meer dan het verstrekte bedrag. Hoofdstuk 9. Kwaliteit Artikel 21. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, de eisen voor de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a.het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt ; b.het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c.erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d.voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken, en e.een integraal zorgplan per cliënt en rapportages over resultaten. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks inwonerervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.3.Het college zorgt ervoor dat indien een aanbieder gebruik maakt van een onderaannemer, de hoofdaanbieder er verantwoordelijk voor is dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt. 4.Het college zorgt ervoor dat de aanbieder waarborgt dat de door hem ingeschakelde medewerkers en vrijwilligers voldoen aan de voor de functie vereiste deskundigheid, vaardigheden en wettelijke eisen. 5.Het college kan periodiek en steekproefsgewijs de kwaliteit van de door de aanbieder geboden ondersteuning onderzoeken. 6.Het college kan aan hulpverleners die werken op basis van een pgb eisen stellen die aansluiten bij de eisen die aan aanbieders worden gesteld, om de kwaliteit, veiligheid en doelmatigheid van de te leveren ondersteuning te waarborgen. Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1.Als waarborg voor een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a.een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b.een reële prijs die geldt als ondergrens voor: i.een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii.de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a.overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, en b.rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a.de kosten van de beroepskracht; b.redelijke overheadkosten; c.kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d.reis- en opleidingskosten; e.indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f.overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Artikel 23. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1.Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst daarvoor een toezichthoudend ambtenaar aan. 2.Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3.De toezichthoudend ambtenaar, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Hoofdstuk 10. Klachten, inspraak en medezeggenschap Artikel 24. Klachten 1.Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening. 2.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks uitvoeren van een cliëntervaringsonderzoek. Artikel 25. Betrekken van inwoners bij het beleid 1.Het college zorgt ervoor dat vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid zijn om voorstellen voor het Wmo-beleid te doen en advies te geven bij besluitvorming over regelgeving en beleid betreffende de wet. Het college zorgt voor de ondersteuning die nodig is zodat deze vertegenwoordigers hun rol effectief in kunnen vullen. 2.Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden. Inwoners worden door het college voorzien van de informatie en ondersteuning die nodig is voor adequate deelname aan dit overleg. Artikel 26. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Hoofdstuk 11. Overige bepalingen en slotbepalingen Artikel 27. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1.Mantelzorgers krijgen van het college een jaarlijkse blijk van waardering. Het college kan hiervoor nadere regels stellen.2.De in lid 1 genoemde mantelzorgwaardering wordt verstrekt in de vorm van een waardebon en kan in sommige gevallen ook bestaan uit een uitnodiging voor een feestelijke bijeenkomst. 3.Een mantelzorgwaardering wordt aangevraagd door de mantelzorger. Er moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden: a.de mantelzorg wordt minimaal drie maanden verleend met minimaal acht uur per week; b.de mantelzorger woont in de gemeente of de mantelzorger verleent hulp aan een inwoner van de gemeente; c.de mantelzorger verleent intensieve hulp; d.de mantelzorger geeft geen betaalde hulp aan de inwoner. 4.Het college stemt nadere invulling en uitvoering van de blijk van waardering af met het actuele steunpunt mantelzorg. Artikel 28. Evaluatie 1.Het door het college gevoerde beleid wordt tenminste eenmaal per vier jaar geëvalueerd, tenzij verandering in regelgeving of beleid hier eerder aanleiding toe geeft. 2.Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, wordt de verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na vier jaar na inwerkingtreding van de verordening aan de raad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk. Artikel 29. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2022 wordt ingetrokken. 2.Voorzieningen die zijn toegekend op grond van de in lid 1 genoemde verordening blijven gelden tot dat het college een nieuw besluit heeft genomen. 3.Aanvragen die zijn ingediend op grond van de in lid 1 genoemde verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4.Op bezwaarschriften gericht tegen besluiten op grond van de in lid 1 genoemde verordening wordt beslist met toepassing van die verordening. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking daarvan.2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026. Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 juli 2026 De griffier, Arnout J.O. van Kooij MMC De voorzitter,Ester Weststeijn

Categorie: APV

In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer meldingen zoals "Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026"

APV

APV

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente IJsselstein 2026

APV

APV

Verordening jeugdhulp gemeente IJsselstein 2026

Omgeving

Omgeving

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden – Ontvangen informatieplicht voor het aanleggen van een waterleiding bij een watergang en waterkering op de locatie bij Kapelsepad 41a in Lopikerkapel met code HDSR752745.

Mededelingen

Mededelingen

Kennisgeving en ter inzagelegging ontwerp-gedoogplichtbeschikking (DM 2093483) op grond van artikel 10.11 en artikel 10.17 lid 2 onder b van de Omgevingswet betreffende de uitvoering van werkzaamheden in het kader van het project dijk- en oeverbetering...

Omgeving

Omgeving

Kennisgeving besluit op het plaatsen van een rolluik of screen aan dakkapel aan de voorzijde van de woning - Huis te Vliethof 16 3412MA Lopikerkapel

Omgeving

Omgeving

Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden – Melding activiteit voor het plaatsen van beschoeiing langs een primaire waterkering nabij locatie Kapelsepad 14 in Lopikerkapel met code HDSR751282

Mededelingen

Mededelingen

Start inspraak wijziging onderhoudslegger primaire en regionale waterkeringen en oppervlaktewateren 2024

Bestemmingsplan

Bestemmingsplan

Voorbereidingsbesluit Bedrijvenpark De Kroon- bedrijfsverzamelgebouwen

Mededelingen

Mededelingen

Leidraad Invordering

APV

APV

Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 30 september 2025, nr 522568655-29446 tot vaststelling van de subsidieplafonds, aanvraagperioden en tarieven voor het begrotingsjaar 2026 ten behoeve van de SVNL2016, de SKNL en de Subsidieregeling...

Mededelingen

Mededelingen

Onteigeningsbeschikking tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeenten Lopik en IJsselstein die nodig zijn voor dijkversterking Jaarsveld - Klaphek.

Lokaal Nieuws

Lokaal Nieuws

Bewoners noodopvang gearriveerd