Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026
Locatie
Soort
APV
Gepubliceerd op
2026-10-27
Gepubliceerd door
Gemeente Gulpen-Wittem
Informatie
Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026 De gemeenteraad van Gulpen-Wittem, Overwegende •het voorstel BD 027 van het college van burgemeester en wethouders d.d. dinsdag 8 september 2026; •artikel 149 van de Gemeentewet. Besluit 1.de Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026 vast te stellen, zoals hierna volgt: Hoofdstuk 1 - Inleidende bepalingen Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder: • Beleid: gedragslijn, project, programma of plan van de gemeente om een bepaald doel te realiseren; • Bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester; • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem; • Inspraak: de mogelijkheid die een bestuursorgaan inwoners en belanghebbenden biedt om hun mening over beleid te geven als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet; • Inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet; • Burgerparticipatie: op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, ondernemers en maatschappelijke partijen, bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid. Ook wel inwonersparticipatie genoemd; • Burgerinitiatief: een initiatief dat door inwoners of andere initiatiefnemers wordt genomen om een activiteit, project of voorziening tot stand te brengen die bijdraagt aan de leefbaarheid, sociale samenhang of andere maatschappelijke doelen; • Maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, ondernemingen zonder winstoogmerk en andere organisaties die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente; • Ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten; • Participatie: de samenwerking tussen een bestuursorgaan en inwoners of maatschappelijke partijen, in welke vorm dan ook, daaronder ook burgerparticipatie en Uitdaagrecht begrepen; • Uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet als zij denken dat het beter en/of goedkoper kan. • Zelfsturing: het door inwoners of andere initiatiefnemers op eigen initiatief ontwikkelen, organiseren en uitvoeren van (burger)initiatieven, activiteiten of projecten die bijdragen aan de samenleving. Ook wel overheidsparticipatie genoemd. Hoofdstuk 2 - Kaders en uitgangspunten Artikel 2. Doelstelling Het doel van deze verordening is: a.De samenleving binnen de gemeente te versterken; b.De kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten; c.Duidelijkheid te geven over het proces van participatie en de voorwaarden waaronder toepassing van het uitdaagrecht mogelijk is; d.De samenwerking tussen een bestuursorgaan enerzijds en inwoners en maatschappelijke partijen anderzijds te versterken. Artikel 3. Reikwijdte 1.Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid, taken en bevoegdheden of burgerparticipatie wordt toegepast.2.Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.3.Er vindt geen burgerparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht plaats als: a.Het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat; b.Burgerparticipatie bij of krachtens wettelijk voorschrift uitgesloten is; c.De uitkomst van burgerparticipatie vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht; d.De verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen; e.Sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; f.Het om interne aangelegenheden van de gemeente gaat; g.Het om de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet gaat; h.Het bestuursorgaan dat om andere redenen onwenselijk vindt; Hoofdstuk 3 - Burgerparticipatie Artikel 4. Burgerparticipatieplan 1.Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid, aan de hand van het door de gemeenteraad vastgestelde burgerparticipatiebeleid, Beleid Burgerparticipatie Gulpen-Wittem, een plan op met het proces en de planning en maakt dit tijdig openbaar.2.Het plan bevat in elk geval: a.Een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt; b.Informatie over het doel, het proces en de planning van burgerparticipatie; c.Informatie over de ambtelijke en bestuurlijke besluitvorming over het beleid. 3.Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert de gemeenteraad over de inhoud daarvan. Artikel 5. Inspraak Als een bestuursorgaan in het kader van de burgerparticipatie voor inspraak kiest of inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt. Artikel 6. Eindverslag burgerparticipatie 1.Nadat burgerparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag op en maakt dit openbaar. 2.Het eindverslag bevat in elk geval: a.Een beschrijving van het proces dat is gevolgd; b.De uitkomsten van het proces; c.Een reactie op die uitkomsten waarbij beargumenteerd is aangegeven hoe het beleid naar aanleiding daarvan is aangepast; d.Een evaluatie van het proces dat is gevolgd. 3.Als het college op grond van artikel 4, derde lid het plan heeft opgesteld, stelt het college, indien het burgerparticipatie bij een raadsvoorstel betreft, het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud. Hoofdstuk 4 – Zelfsturing Artikel 7. Ondersteuning zelfsturing 1.Het bestuursorgaan kan een burgerinitiatief ondersteunen als het positief bijdraagt aan de doelen van het gemeentelijk beleid voor de leefbaarheid, vitale gemeenschappen en/of de instandhouding van duurzame en sociale gemeenschappen in de gemeente Gulpen-Wittem. 2.Het bestuursorgaan kan jaarlijks een budget beschikbaar stellen voor inwonersinitiatieven.3.Het bestuursorgaan kan het ondersteunen van een inwonersinitiatief weigeren als: a.Er onvoldoende steun is bij omwonenden, belanghebbenden of betrokken bewoners; b.Het financieel, juridisch of praktisch niet haalbaar is c.Er een lopende bezwaar- of beroepsprocedure is of een rechterlijke uitspraak wordt verwacht; d.Het vooral het privébelang van de indiener dient; e.Het bestuursorgaan om andere redenen zelfsturing onwenselijk vindt. 4.Het bestuursorgaan kan ondersteuning bieden aan een inwonersinitiatief door: a.Een subsidie beschikbaar te stellen; b.Ambtelijke expertise in te zetten; c.Andere vormen van ondersteuning. Hoofdstuk 5 – Uitdaagrecht Artikel 8. Verzoek om uitdaagrecht 1.Inwoners en maatschappelijke partijen kunnen bij het college een verzoek om het uitdaagrecht indienen.2.Het verzoek bevat: a.Een omschrijving van de gemeentelijke taak die de indiener wil overnemen; b.De reden dat de indiener het verzoek indient; c.Het resultaat dat de indiener beoogt. 3.De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elk geval aan: a.Wat de relevante betrokkenheid, kennis en ervaring van de indiener met de taak is; b.Welke kosten of middelen er volgens de indiener aan het verzoek verbonden zijn; c.Hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen op lange termijn. 4.Het college kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen. Artikel 9. Ondersteuning indiener verzoek uitdaagrecht 1.Het college zorgt voor ondersteuning voor degene die een verzoek van het uitdaagrecht wil indienen of heeft ingediend.2.Het college zorgt dat er in de buurt op een laagdrempelige manier om deze ondersteuning kan worden gevraagd. Artikel 10. Beoordeling verzoek uitdaagrecht 1.Het college zendt een ingediend verzoek door aan het bestuursorgaan dat bevoegd is om op het verzoek te reageren en informeert de indiener hierover. 2.Als de gemeenteraad op het verzoek moet reageren, bereidt het college de reactie op het verzoek voor.3.Onverminderd artikel 3, derde lid, wijst het bestuursorgaan een verzoek af als: a.Het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van Uitdaagrecht verzet; b.Het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid; c.Het verzoek niet voldoet aan de in artikel 8, derde lid gestelde eisen. 4.Het bestuursorgaan kan een verzoek om uitdaagrecht afwijzen als: a.Het bestuursorgaan van oordeel is dat de taak met de toepassing van het uitdaagrecht niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn; b.De opdrachtwaarde boven de Europese drempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1 van de Aanbestedingswet 2012 uitkomt. 5.Het bestuursorgaan reageert binnen acht weken op het verzoek. Het bestuursorgaan kan deze termijn met acht weken verdagen.6.Het bestuursorgaan onderbouwt de reactie op het verzoek en maakt de reactie en de onderbouwing binnen vier weken openbaar.7.Als het bestuursorgaan een verzoek niet toewijst is dit geen besluit in de zin van Algemene wet bestuursrecht. Artikel 11. Uitvoering Uitdaagrecht Als het bestuursorgaan het verzoek om uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over: a.Het proces, het resultaat en de looptijd van het uitdaagrecht; b.Het budget en de financieringswijze van het uitdaagrecht; c.Het contact met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van het uitdaagrecht; d.De stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van het uitdaagrecht; e.De evaluatie van het uitdaagrecht. Hoofdstuk 6 - Slotbepalingen Artikel 12. Nadere regels college Het college kan over burgerparticipatie, zelfsturing en het uitdaagrecht nadere regels vaststellen. Artikel 13. Hardheidsclausule Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt. Artikel 14. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1.De inspraakverordening Gulpen-Wittem 2010 wordt ingetrokken.2.De inspraakverordening Gulpen-Wittem 2010 blijft van toepassing op beleid waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening reeds een Inspraakprocedure op grond van die verordening was gestart. Artikel 15. Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026. Aldus vastgesteld door de gemeenteraad van Gulpen-Witten op donderdag 15 oktober 2026 in Gulpen. de griffier,dhr. mr. R. Reichrath de burgemeester,mw. ing. N.H.C. Ramaekers – Rutjens Toelichting op de verordening Raadsnummer: BD 027 Dossiernummer: Naam verordening: Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026 Algemeen deel Aanleiding: Wet versterking participatie op decentraal niveau Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden (Stb. 2024, 203, hierna: de wet). Deze wet beoogt het draagvlak voor het beleid van gemeenten, en de uitvoering en evaluatie daarvan, te vergroten door inwoners hier een grotere rol in te geven. Volgens de memorie van toelichting is het, gezien de grote maatschappelijke opgaven waar gemeenten voor staan, van belang dat gemeenten inwoners vroegtijdig en zorgvuldig betrekken bij vraagstukken. Tegen die achtergrond voorziet de wet in de eerste plaats in een verbreding van de verplichtingen voor gemeenten. Gemeenten moeten inwoners op grond van de wet niet meer alleen bij de voorbereiding van beleid betrekken, maar ook bij de uitvoering en evaluatie daarvan (artikel 150, eerste lid, van de Gemeentewet). In de memorie van toelichting is bovendien opgemerkt dat inspraak lang niet het enige middel voor gemeenten is om inwoners bij het maken van beleid en de uiteindelijke besluitvorming te betrekken. De wet beoogt in de tweede plaats dus dat gemeenten hun inspraakverordening vervangen door een participatieverordening en dat zij daarin meer recht doen aan alle verschillende middelen die er voor participatie zijn. Tot slot bevat de wet een bepaling over het uitdaagrecht. Uit artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet volgt dat gemeenten in de nieuwe participatieverordening niet alleen moeten voorzien in de wijze waarop gemeenten inwoners bij het voorbereiden, uitvoeren en evalueren van gemeentelijk beleid betrekken, maar aan inwoners en maatschappelijke partijen ook de mogelijkheid moeten bieden zelf het initiatief te nemen. Geregeld is dat gemeenten in de participatieverordening de voorwaarden moeten bepalen waaronder inwoners en maatschappelijke partijen taken van de gemeente kunnen uitvoeren. Dit betreft zowel het uitvoeren van de eigen taken van de gemeenten (artikel 150, derde lid, onder a), als het uitvoeren van de taken die aan de gemeenten in medebewind zijn gegeven (artikel 150, derde lid, onder b). Dit laatste voor zover dat niet in strijd is met de wet. Invulling participatieverordening In de wet is niet voorgeschreven welke middelen voor participatie gemeenten precies in hun participatieverordening moeten opnemen. Verder zijn gemeenten ook vrij in de voorwaarden die zij aan de toepassing van het uitdaagrecht verbinden. Het is dus aan gemeenten om een afweging te maken hoe zij de participatieverordening precies in willen vullen. Bij die afweging zal in de eerste plaats aandacht moeten zijn voor de wensen die er binnen de gemeente, en onder de inwoners, ten aanzien van participatie zijn. Daarnaast zal een gemeente echter ook rekening moeten houden met de kosten of andere middelen die met de uitvoering van de verordening gemoeid zijn en wat de uitvoering van de verordening van de ambtelijke organisatie vraagt. Bijvoorbeeld als het aankomt op de houding en het gedrag, maar ook als het op de planning van besluitvormingsprocessen aankomt. Dat hierin een zorgvuldige afweging wordt gemaakt is van groot belang, want de invulling die een gemeente aan de participatieverordening geeft, heeft gevolgen voor de verwachtingen die de inwoners en de maatschappelijke partijen van de gemeente hebben. Als een participatieverordening uiteindelijk niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld vanwege de kosten en ambtelijke capaciteit die de uitvoering vraagt, dan betekent dit dat die verwachtingen waarschijnlijk niet worden waargemaakt en dat heeft ook gevolgen voor het vertrouwen van inwoners en maatschappelijke partijen in de overheid in het algemeen en de gemeente in het bijzonder. Tegen die achtergrond is er in deze verordening in de eerste plaats voor gekozen om de kennis en ervaring van de inwoners, organisaties en andere belanghebbenden binnen de gemeente zoveel mogelijk te benutten en dit ook in alle stappen van het beleidsproces te doen. Vanaf het bepalen van de agenda tot aan de voorbereiding, besluitvorming, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid. In deze verordening zijn daartoe de spelregels voor inwonersparticipatie opgenomen. Dat wil zeggen dat het gaat om een kader voor de wijze waarop inwoners, organisaties en andere belanghebbenden op initiatief van de gemeente bij het beleidsproces worden betrokken. Verder is er een wens om ook initiatieven vanuit inwoners en maatschappelijke partijen zoveel mogelijk te omarmen. Daartoe wordt ook zelfsturing, dus de situatie waarin de gemeente op initiatief van inwoners en maatschappelijke partijen wordt betrokken bij plannen die inwoners en maatschappelijke partijen hebben, in de verordening gefaciliteerd. Onderdeel van zelfsturing is ook het uitdaagrecht zoals dat vanaf 1 januari 2025 in de Gemeentewet verankerd is. Er zijn in de verordening voorwaarden opgenomen waaronder het uitdaagrecht plaats kan vinden en de verordening voorziet ook in een procedure bij het indienen van een verzoek daartoe. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de burgemeester, op grond van artikel 170, eerste lid, onderdeel a en c, van de Gemeentewet, een zorgplicht heeft. Hij moet toezien op een tijdige voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie van het gemeentelijk beleid en van de daaruit voortvloeiende besluiten, een goede afstemming tussen degenen die bij die voorbereiding, vaststelling, uitvoering en evaluatie zijn betrokken en de kwaliteit van procedures op het vlak van participatie. Aansprakelijkheid en aanbesteding Benadrukt wordt dat het bij de toepassing van het uitdaagrecht van belang is om rekening te houden met bepaalde juridische aspecten. Dat betreft in elk geval het aanbestedings- en aansprakelijkheidsrecht. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aanbestedingsrecht geldt dat er in de memorie van toelichting bij de wet is opgemerkt dat gemeenten, ook bij de toepassing van het uitdaagrecht, de aanbestedingsregels moeten naleven. Kortom, het uitdaagrecht zet het aanbestedingsrecht niet opzij. Er zijn echter wel mogelijkheden om het uitdaagrecht binnen de context van het aanbestedingsrecht te stimuleren. Zo kan een gemeente de aanbesteding op het uitdaagrecht laten aansluiten. Hoe dit precies vorm moet krijgen zal per geval moeten worden bepaald. Voor de verhouding tussen het uitdaagrecht en het aansprakelijkheidsrecht is van belang dat de gemeente in bepaalde gevallen een risicoaansprakelijkheid heeft en dat die aansprakelijkheid niet kan worden overgedragen. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als het uitdaagrecht ziet op het inrichten of onderhouden van de openbare ruimte of het gebruik van gebouwen van de gemeente. Als de gemeente een risicoaansprakelijkheid heeft, dan is het ook aan de gemeente om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Dit vereist dat de gemeente hier in het kader van het uitdaagrecht met de inwoners of maatschappelijke partijen afspraken over maakt. Wat moeten de betrokken partijen doen om bepaalde risico’s te verkleinen? Welke maatregelen nodig zijn en wat daarin van de inwoners en maatschappelijke partijen mag worden verwacht, is erg afhankelijk van waar het uitdaagrecht precies op ziet. Ook hier geldt dus dat per geval zal moeten worden bepaald hoe hier invulling aan wordt gegeven. In de verordening is een bepaling opgenomen waarin is vastgelegd dat de gemeente met de inwoners en maatschappelijke partijen afspraken maakt over de uitvoering van de gemeentelijke taak. En ook wat de gevolgen zijn als de afspraken niet worden nagekomen. Participatie op grond van de andere wetten, zoals de Omgevingswet In bepaalde gevallen geeft de wet nadere handvaten voor participatie. In die gevallen is deze verordening niet van toepassing. Een relevant voorbeeld van een geval waar de participatieverordening zich niet voor leent is de omgevingsvergunning in de Omgevingswet. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning is namelijk niet het bevoegd gezag, maar de aanvrager aan zet en daarnaast is participatie op grond van de Omgevingswet in beginsel niet verplicht voor de aanvrager. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Definities Dit hoofdstuk bevatten de definities. Hoofdstuk 2 – Kaders en uitgangspunten Dit hoofdstuk bevat de kaders en uitgangspunten die in het algemeen voor alle vormen van participatie gelden. Dit omvat zowel burgerparticipatie, waaronder ook inspraak, als zelfsturing, waaronder ook het uitdaagrecht. Artikel 2. Doelstelling Deze verordening biedt kaders en voorwaarden voor samenwerking tussen inwoners, maatschappelijke partijen, bestuursorganen en gemeenteambtenaren. Een belangrijke voorwaarde voor een goede samenwerking is dat duidelijk is wat partijen over en weer van elkaar mogen verwachten en dat dus bewuste keuzes worden gemaakt in het doel en de vorm van participatie. Het doel van de verordening zoals dat in dit artikel is omschreven, biedt een kader bij het maken van die keuzes. Artikel 3. Reikwijdte Uitgangspunt in de verordening is dat de bestuursorganen binnen de gemeente, elk ten aanzien van hun eigen taken en bevoegdheden, bepalen of participatie plaatsvindt. Dit vanzelfsprekend behoudens die gevallen waarin de wet tot participatie verplicht. Hier is aan toegevoegd dat bij het vaststellen of wijzigen van bepaalde kerninstrumenten uit de Omgevingswet, te weten de omgevingsvisie, het omgevingsplan en de programma’s ook zoveel mogelijk de verordening wordt gevolgd. Dit om er geen enkel misverstand over te laten bestaan dat, voor zover de toepassing van de verordening op grond van de Omgevingswet niet uitgesloten of beperkt is (zie de passage over participatie bij omgevingsvergunningen in het algemeen deel van de toelichting), deze verordening leidend is. Vervolgens is hier een aantal uitzonderingen op geformuleerd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten, maar ook als er voor het bestuursorgaan heel weinig ruimte is gelaten om (beleids)keuzes te maken of als het interne en bestuurlijke aangelegenheden van de gemeente betreft. In die gevallen heeft participatie geen toegevoegde waarde. Opmerking verdient dat terughoudend met de uitzonderingsgronden moet worden omgegaan en dat er steeds aandacht moet zijn voor het feit dat participatie zich niet alleen over de voorbereiding, maar ook over de uitvoering en evaluatie uitstrekt. Als participatie bij de voorbereiding geen toegevoegde waarde heeft, geldt dat niet noodzakelijkerwijs ook voor de uitvoering of evaluatie. Als er een beroep op een uitzonderingsgrond wordt gedaan en er van participatie wordt afgezien, dan moet dat worden toegelicht. Artikel 4. Zorgplicht bestuursorgaan Op bestuursorganen rust de taak om participatie zoveel mogelijk te faciliteren en ook de juiste verwachtingen over het doel en de vorm van de participatie te scheppen. Daarom is in de verordening expliciet een zorgplicht voorbestuursorganen opgenomen. Zo moeten bestuursorganen ervoor zorgen dat inwoners en maatschappelijke partijen worden betrokken als alle opties nog openliggen en dat inzichtelijk is hoe een proces van participatie verloopt. Verder moet alle benodigde informatie openbaar zijn en moet steeds kenbaar zijn wat de stand van zaken is. Bovendien bevat de verordening een verplichting om duidelijk te maken waar inwoners en maatschappelijke partijen met vragen en klachten terecht kunnen. Het ligt voor de hand daarvoor een ambtelijk contactpersoon aan te wijzen. [De bovenstaande tekst bevat een kennelijke verschrijving. Het betreffende artikel maakt geen deel uit van de verordening en had, met de bijbehorende tekst, niet in de verordening opgenomen mogen worden.] Hoofdstuk 3 – Burgerparticipatie Dit hoofdstuk gaat specifiek over toepassing van burgerparticipatie. Artikel 4. Plan voor burgerparticipatie In dit artikel is geregeld dat het bestuursorgaan een plan voor de burgerparticipatie moet opstellen. Dit zorgt dat er duidelijkheid is over het proces, het doel en de vorm van de participatie. Benadrukt is dat het plan in lijn moet zijn met het door de gemeenteraad vastgestelde participatiebeleid. Verder zijn de elementen opgenomen die in ieder geval in het participatieplan moeten staan. Het plan kan in overleg met inwoners en maatschappelijke partijen worden opgesteld. Wat betreft de te kiezen vorm van participatie is aangesloten bij de participatieladder waarbij elke trap op de ladder meer invloed op de besluitvorming betekent. De vorm van een participatieplan is vrij. Het plan kan onderdeel zijn van een voordracht, projectplan of beleidsstuk, maar ook een losstaand document is mogelijk. Van belang is vooral dat inzichtelijk is waar het participatieplan te vinden is en het duidelijkheid biedt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het plan zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat. Artikel 5. Inspraak Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Inspraak kan eventueel naast een andere vorm van participatie plaatsvinden. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen. Voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure geldt dat het doel is om zorgvuldige besluitvorming te waarborgen, de uitkomsten hiervan te legitimeren, de rechten en belangen van burgers te beschermen en beleid met andere overheden te coördineren. De procedure voorziet daartoe in de wijze waarop een bestuursorgaan ontwerpbesluiten ter inzage moet leggen, hoe belanghebbenden hierop kunnen reageren en hoe bestuursorganen met deze reacties moeten omgaan. Zo moeten belanghebbenden zowel schriftelijk als mondeling kunnen reageren en moet de termijn voor de reactie minimaal zes weken bedragen. Dit geldt dus ook als afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht op inspraak wordt toegepast. Artikel 6. Eindverslag burgerparticipatie Het bestuursorgaan moet een eindverslag van de inwonersparticipatie opstellen dat een compleet overzicht geeft van het inwonersparticipatieproces. In het verslag moeten in elk geval het proces, de reacties en de uitkomsten van de participatie worden beschreven. Het is genoeg om kort te beschrijven wat mensen hebben gezegd en wie dat heeft gedaan. In de eindfase van de participatie moet het bestuursorgaan ook laten weten wat er met de uitkomsten van de participatie is gedaan. Het eindverslag kan worden opgenomen in een losstaand document, maar het kan ook een onderdeel van een voordracht of een passage in een brief zijn. Het ligt voor de hand om degenen die hebben geparticipeerd het eindverslag toe te sturen. Als dat mogelijk is, is het raadzaam om de deelnemers van het participatietraject ook bij het opstellen van het eindverslag te betrekken. Het eindverslag wordt openbaar gemaakt. Verder is geregeld dat het college voor het opstellen van het verslag zorgt als het om een bevoegdheid van de gemeenteraad gaat. Hoofdstuk 4 – Zelfsturing Dit hoofdstuk bevat aanvullende bepalingen specifiek voor zelfsturing. Artikel 7. Ondersteuning zelfsturing Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan de degenen die aan de participatie willen deelnemen of een verzoek om participatie hebben ingediend. Dit om ervoor te zorgen dat dit voor alle inwoners mogelijk is. De ondersteuning kan bijvoorbeeld plaatsvinden door middel van een (buurt)loket. Hoofdstuk 5 – Uitdaagrecht Dit hoofdstuk bevat specifieke bepalingen met betrekking tot het uitdaagrecht Artikel 8. Verzoek om uitdaagrecht Het uitdaagrecht begint, ongeacht het bestuursorgaan dat bevoegd is, met een verzoek aan het college. Hiervoor is gekozen zodat het indienen van een verzoek laagdrempelig is en ook centraal ontvangen wordt. In het verzoek moet in ieder geval het uitdaagrecht beschreven worden die de indiener voor ogen heeft, de reden waarom de indiener dit voor ogen heeft en het resultaat dat de indiener wil bereiken. Daarbij levert de indiener ook specifieke informatie aan met betrekking tot de uitvoering van de over te nemen taak. (Denk aan informatie over de kosten of andere middelen die daarmee gemoeid zijn). Als aanvullende informatie nodig is om op het verzoek te reageren of het verzoek niet compleet is, kan het college deze informatie opvragen. Het ligt voor de hand dat het college dan met de indiener in gesprek gaat. Artikel 9. Ondersteuning indiener verzoek Uitdaagrecht Het college biedt laagdrempelige ondersteuning aan indieners van het uitdaagrecht. Dit om ervoor te zorgen dat het indienen van een dergelijk verzoek voor alle inwoners mogelijk is. De ondersteuning kan bijvoorbeeld plaatsvinden door middel van een (buurt)loket. Artikel 10. Beoordeling verzoek uitdaagrecht Het college neemt alle verzoeken voor het uitdaagrecht in ontvangst en zendt deze door aan het bevoegde bestuursorgaan. Het bevoegde bestuursorgaan moet het verzoek onder bepaalde omstandigheden afwijzen. In dat verband is een aantal uitzonderingsgronden opgesomd. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als het verzoek in strijd is met door de gemeente vastgesteld beleid. Verder is er een aantal omstandigheden genoemd waaronder het bestuursorgaan het verzoek kan afwijzen. Het is dan aan het bestuursorgaan om een afweging te maken welke belangen zwaarder wegen.] In het artikel is ook een termijn opgenomen waarbinnen op het verzoek moet worden gereageerd. Het bestuursorgaan moet de reactie onderbouwen en ook openbaar maken. Artikel 11. Uitvoering Uitdaagrecht Als het verzoek voor het uitdaagrecht wordt toegewezen, maakt het bestuursorgaan met de indiener afspraken over het uitdaagrecht en ook over de stappen die volgen als de afspraken niet worden nagekomen. Het ligt voor de hand deze afspraken vast te leggen in een overeenkomst. Hoofdstuk 6 – Slotbepalingen Artikel 12. Nadere regels college Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen en bepaalde artikelen uit de verordening dus nader uit te werken. Artikel 13. Hardheidsclausule Om maatwerk te garanderen en onevenredig bezwarende uitkomsten van de toepassing van deze verordening te voorkomen, heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen af te wijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan moet wel onderbouwen waarom het afwijkt.
Categorie: APV
In de categorie 'apv' worden alle apv-vergunningen zichtbaar gemaakt.

Meer over deze regio

Meer meldingen zoals "Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026"

Bestemmingsplan
Ontwerpbesluit wijziging werkingsgebieden voor het verleggen en herinrichten van de Middelsgraaf en het realiseren van een overkluisde watergang inclusief pompgemaal ten behoeve van extra wateraanvoer naar de Molenbeek Echt in de gemeente Echt-Susteren

Mededelingen
Gemeenteraad 5 november 2026 gemeente Voerendaal

APV
Nadere subsidieregels topsportevenementen 2025-2027

Mededelingen
Subsidieplafonds 2026 voor diverse subsidieregels

APV
Participatieverordening Gulpen-Wittem 2026

APV
Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Limburg 2016

APV
Openstellingsbesluit Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Limburg 2016, onderdeel Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, beheerjaren 2027-2028

Mededelingen
Beleidsregel beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving 2026

Mededelingen
Subsidieplafonds 2026 voor diverse subsidieregels

Evenementen
Aanvraag vergunning voor Kunstroute Gulpen-Wittem van 16 en 17 mei 2027 op een aangevraagde route door Gulpen-Wittem

Evenementen
Toestemming voor de Schneebergtrail op 28 en 29 november 2026 op een aangevraagde route door Gulpen-Wittem

Mededelingen
Agenda Commissie Financiën 27 oktober 2026 gemeente Voerendaal

